[Naam] geboren te [woonplaats] op [datum] ,wonende te [adres] ,hierna te noemen: betrokkene.
procedure
De kantonrechter heeft kennisgenomen van:- het verzoek (met bijlagen), ontvangen op 4 december 2025;
- de akkoordverklaring van betrokkene.
- de nadere informatie, ontvangen op 8 december 2025.
Het verzoek is mondeling behandeld op 29 april 2026 en 22 mei 2026. Van hetgeen is besproken op de zitting zijn aantekeningen gemaakt. De bewindvoerder is op 29 april 2026 ter zitting verscheen. Op de zitting van 22 mei 2026 is de bewindvoerder via een Teams-verbinding gehoord. Betrokkene is, zonder bericht van verhindering, op beide zittingen niet verschenen.
beoordeling
Bij beschikking van 5 juli 2021 is een bewind ingesteld over het vermogen van betrokkene vanwege verkwisting of het hebben van problematische schulden voor de duur van 5 jaar,
te weten tot 5 juli 2026, met benoeming van Mando B.V. te Lelystad tot bewindvoerder.
Verzoekster stelt dat daarvan geen sprake meer is, maar dat bewind nog wel nodig is. Zij vraagt de grond van het bewind te wijzigen in ‘lichamelijke of geestelijke toestand’, het bewind te verlengen voor onbepaalde tijd en de publicatie in het Centraal Curatele- en bewindregister te handhaven.
Aan het verzoek wordt, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.
Betrokkene heeft een zelfredzaamheidstraject doorlopen. Dit traject is voortijdig beëindigd. Over de maand november 2025 zijn de toeslagen en de uitkering van betrokkene, in verband met dit traject, naar haar leefgeldrekening overgemaakt. Betrokkene heeft de gelden volledig besteed aan andere doeleinden dan het betalen van de vaste lasten. Om die reden zijn alle achterstanden vanuit het banksaldo van de beheerrekening voldaan. Gezien deze extra betalingen staat betrokkene er momenteel negatief voor.
Daarnaast heeft betrokkene in loondienst gewerkt en dit bedrag laten uitkeren op haar leefgeldrekening. Betrokkene ontvangt een bijstandsuitkering van de gemeente en had hierover een melding moeten maken. Ook had ze de gelden moeten reserveren in verband met de terugbetaling van de bijstandsuitkering.
Betrokkene heeft aangegeven dat zij zichzelf niet bekwaam acht om haar financiën in beheer te nemen. Betrokkene wenst om die reden onder bewind te blijven.
Desgevraagd heeft de bewindvoerder aangegeven geen medische stukken te kunnen aanleveren ter onderbouwing van de gestelde lichamelijke of geestelijke toestand als gevolg waarvan betrokkene haar vermogensrechtelijke belangen niet behoorlijk kan waarnemen.
De kantonrechter overweegt als volgt.
Uit het verzoek blijkt genoegzaam dat de problematische schulden van betrokkene zijn opgelost. De grondslag voor het op 5 juli 2021 ingestelde bewind is dus komen te vervallen.
De grondslag die de bewindvoerder voor het voortzetten van het bewind beoogt is die onder artikel 1:431, eerste lid onder a BW. Deze grondslag is bestemd voor het beschermingsbewind over personen die als gevolg van een lichamelijke of geestelijke toestand hun vermogensrechtelijke belangen niet behoorlijk kunnen waarnemen.
De kantonrechter kan echter niet vaststellen dat deze situatie zich voordoet. Er is namelijk geen wezenlijke onderbouwing aangedragen voor de veronderstelling dat betrokkene verkeert in een – in dit geval – geestelijke toestand die het haar onmogelijk maakt om haar vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. De kantonrechter ziet geen aanleiding om te twijfelen aan het door de bewindvoerder geschetste verloop van het zelfstandigheidstraject, noch aan de overgelegde e-mails waarin betrokkene melding maakt van (nieuwe) boetes. Maar dat vormt naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende onderbouwing voor de in artikel 1:431, lid 1 onder a BW vereiste geestelijke toestand.
De mondelinge behandeling zou een gelegenheid zijn geweest voor de kantonrechter om zich te vergewissen van de gestelde geestelijke toestand, maar betrokkene is niet ter zitting verschenen.
Dat betekent dat de kantonrechter geen grond ziet voor het wijzigen van de grondslag zoals verzocht.
De kantonrechter ziet wel in het verloop van het zelfredzaamheidstraject grond om de grondslag voor het bewind te wijzigen in die zin, dat als grondslag voor het bewind wordt gehandhaafd de verkwisting als bedoeld in artikel 1:431 lid 1 sub b BW.
De kantonrechter is zich ervan bewust dat het tijdelijke bewind op grond van artikel 1:431 lid 1 sub b BW doorgaans wordt ingesteld op grond van verkwisting of problematische schulden. Dat neemt niet weg dat louter de verkwisting reeds een grond voor instelling van het bewind kan zijn. De kantonrechter verwijst in dit verband in de eerste plaats naar de letterlijke tekst van artikel 1:431 lid 1 sub b BW, waarin als grond voor het instellen is benoemd “verkwisting of problematische schulden” (dus niet: en). In de tweede plaats verwijst de kantonrechter naar de Memorie van Toelichting bij de wetswijziging waarin deze grondslag voor beschermingsbewind is ingevoerd (TK 2011-12, 33 054, nr. 3). De Memorie van Toelichting bestempelt verkwisting als het verschijnsel dat de betrokkene de gewoonte heeft boven zijn financiële krachten te leven, door zijn wijze van met de financiën om te gaan, en daardoor bijvoorbeeld niet goed in zijn eigen onderhoud kan voorzien (p. 17). Verkwisting is expliciet als grond voor bewind voorgesteld (p. 18). Daarbij is verder van belang dat verkwisting oorspronkelijk een grond voor curatele was, maar dat dat wordt afgeschaft onder introductie van verkwisting als grondslag voor bewind (p. 6). Verder geeft de Memorie van Toelichting aan dat náást verkwisting de problematische schulden worden toegevoegd als grond voor bewind (p. 6).
Door het instellen of voortzetten van het bewind op de grondslag van verkwisting kan de kantonrechter voorkomen dat betrokkene, hoewel een geestelijke of lichamelijke toestand niet kan worden vastgesteld, (opnieuw) in een voorzienbare problematische schuldenpositie komt te verkeren.
Het bewind op grond van artikel 1:431 lid 1 sub b BW is een tijdelijk bewind. De kantonrechter zal ambtshalve de grondslag voor het bewind wijzigen naar verkwisting en het bewind ambtshalve verlengen voor een periode van 5 jaar.
Betrokkene is (op dit moment) wel in staat om de rekening en verantwoording te beoordelen. Betrokkene is op dit moment wel in staat om toestemming te geven voor de handelingen als bedoeld in artikel 1:441 van het Burgerlijk Wetboek.
De kantonrechter zal de jaarbeloning vaststellen overeenkomstig artikel 3 lid 2 sub a van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren. Deze beloning is inclusief onkostenvergoeding.
De kantonrechter zal bepalen dat de inschrijving in het register zoals bedoeld in artikel 1:391 BW (Centraal curatele- en bewindregister) wordt gehandhaafd.
Beslissingde kantonrechter
(Centraal curatele- en bewindregister) wordt gehandhaafd.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch: