RECHTBANK OOST-BRABANT
[verdachte] ,
Kern van het vonnis.
Oordeel van de rechtbank over het bewijs.
De bewezenverklaring.
De strafbaarheid van het feit.
De strafbaarheid van verdachte.
Oplegging van een straf.
vonnis
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.164480.24
Datum uitspraak: 4 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
geboren te [geboorteplaats] op [1966] ,
wonende te [woonplaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 21 mei 2026.
Deze zaak gaat over de dood van [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer), die op 16 mei 2024 door verdachte met een bedrijfsauto is overreden. Eerder die dag had het slachtoffer de portemonnee en de telefoon van verdachte gestolen uit de bedrijfsauto, terwijl verdachte op dat moment als wegenwacht hulp aan een ander verleende. Nadat verdachte enige tijd later het slachtoffer had gevonden, is het slachtoffer op een elektrische fiets weggereden en is verdachte met de bedrijfsauto achter hem aan gereden. In de Van Minderhoutstraat in Eindhoven heeft verdachte het slachtoffer op zeer korte afstand genaderd, met zijn auto de fiets van het slachtoffer geraakt, waarna het slachtoffer onder de bedrijfsauto is terechtgekomen en is overreden. Twee dagen later komt het slachtoffer aan zijn verwondingen te overlijden. De vraag die in deze zaak centraal staat, is of verdachte strafrechtelijk verantwoordelijk is voor de dood van het slachtoffer.
De rechtbank heeft er geen twijfel over dat verdachte nooit de bedoeling heeft gehad om het slachtoffer te doden. Wel komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte door zijn (rij)gedrag het risico op de koop heeft toegenomen dat hij met de bedrijfsauto het fietsende slachtoffer zou overrijden met dodelijk letsel tot gevolg. Dat betekent dat de rechtbank bewezen vindt dat verdachte het slachtoffer met opzet heeft gedood.
Verdachte heeft door zijn handelen het leven van het slachtoffer ontnomen. Hoewel de rechtbank ook oog heeft voor de impact van het delict en deze strafzaak op verdachte (bij hem is onder meer een depressie en PTSS vastgesteld), vindt de rechtbank een andere straf dan een gevangenisstraf van langere duur niet passend.
De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 48 maanden, waarvan 24 maanden voorwaardelijk. Dat betekent dat verdachte – na aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft gezeten – nog ruim 22 maanden naar de gevangenis moet.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 16 april 2026.
Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 21 mei 2026 is gewijzigd, wordt verdachte er (samengevat) van beschuldigd dat hij op 16 mei 2024 in Eindhoven het slachtoffer opzettelijk heeft gedood door hem te achtervolgen, met een snelheid van 23 à 25 km/u tegen hem aan te rijden en vervolgens meerdere malen over hem heen te rijden. Subsidiair wordt verdachte beschuldigd van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel met de dood tot gevolg, dan wel het veroorzaken van een verkeersongeval met dood door schuld.
De volledige beschuldiging (tenlastelegging) staat in bijlage 1.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de primair ten laste gelegde doodslag wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft integrale vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank oordeelt dat bewezen is dat verdachte het slachtoffer met opzet (in de zin van voorwaardelijk opzet) heeft gedood. De bewezenverklaring is gebaseerd op de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering. De bewijsmiddelen zijn in bijlage 2 opgenomen. De volledige bewezenverklaring staat in het volgende hoofdstuk van dit vonnis.
Feiten en omstandigheden.
Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast. Op 16 mei 2024 was verdachte als ANWB-wegenwachter in Eindhoven aan het werken toen zijn telefoon en portemonnee uit zijn bedrijfsauto (hierna: de auto) werden gestolen. Na enige tijd heeft verdachte de locatie van zijn telefoon kunnen vinden en is hij naar die locatie gereden. Verdachte zag bij een veldje aan de Kempensebaan de persoon staan die zijn spullen had weggenomen. Deze persoon bleek het latere slachtoffer [slachtoffer] te zijn. Verdachte is toen uit de auto gestapt, is richting het slachtoffer gelopen en heeft in zijn richting geschreeuwd terwijl hij een metalen bandenlichter in zijn hand had. Het slachtoffer pakte daarop een elektrische fiets en reed daarmee weg. Verdachte is toen terug in de auto gestapt en heeft, zo heeft hij tijdens de zitting verklaard, de achtervolging ingezet. Verdachte is daarbij de Rubensstraat overgestoken, heeft geclaxonneerd, reed vervolgens schuin over een grasveld en reed daarna op de Kempensebaan tegen de rijrichting in. Zowel verdachte als het slachtoffer sloegen vervolgens linksaf de Van Minderhoutstraat in.
Op het moment dat verdachte en het slachtoffer de Van Minderhoutstraat in reden, is er op de camerabeelden nog een zekere afstand waarneembaar tussen de fiets en de auto, die steeds kleiner werd. Binnen luttele seconden bedroeg de afstand tussen de voorzijde van de auto en het achterwiel van de fiets nul tot enkele centimeters. Vervolgens raakte de auto de achterwiel van de fiets. Uit het onderzoek van het NFI blijkt dat de snelheid van de auto op dat moment tussen de 23 km/u en 25 km/u lag. De fiets stond toen nog vrijwel rechtop.
Daarna viel de fiets met daarop het slachtoffer en reed verdachte over het slachtoffer heen. Verdachte stopte toen en stapte kortstondig uit, waarna hij weer in de auto stapte en achteruit reed om de auto van het slachtoffer af te halen. Na enige tijd kwam de hulpverlening en werd het slachtoffer naar het ziekenhuis overgebracht en met spoed geopereerd. Desondanks overleed hij op 18 mei 2024, twee dagen na het incident.
Beoordeling van het handelen van verdachte.
Aan de rechtbank ligt de vraag voor of er wettig en overtuigend bewijs is voor doodslag, de primaire beschuldiging. Om tot een bewezenverklaring van doodslag te komen, is vereist dat verdachte het slachtoffer met opzet van het leven heeft beroofd.
Die vraag zal de rechtbank hierna beantwoorden. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat zij het handelen van verdachte – dat wil zeggen: het achtervolgen, het met een snelheid van 23-25 km/u tegen het slachtoffer aanrijden en vervolgens meerdere malen over hem heen rijden, zoals omschreven in de tenlastelegging – in zijn geheel en in samenhang beoordeelt. Dat wil zeggen dat de rechtbank, anders dan de verdediging, geen onderscheid maakt tussen het eerste moment dat verdachte met zijn auto over het slachtoffer heen reed, en het tweede moment wanneer verdachte achteruit over het slachtoffer heen reed.
Geen sprake van vol opzet. De rechtbank heeft geen enkele aanwijzing dat verdachte het doel had het slachtoffer te doden, en gaat daar dan ook niet van uit. Er is daarom geen sprake van vol opzet.
Voorwaardelijk opzet.
Van opzet op de dood kan ook sprake zijn als verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zou komen te overlijden (dat wordt ‘voorwaardelijk opzet’ genoemd). De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Van een aanmerkelijke kans is sprake bij een kans die naar algemene ervaringsregels reëel of niet onwaarschijnlijk is te achten. Voor de vaststelling dat een verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan die aanmerkelijke kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.
De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of met het handelen van verdachte, zoals hierboven is omschreven, de kans op het overlijden van het slachtoffer onder de gegeven omstandigheden als aanmerkelijk (reëel of niet onwaarschijnlijk) is te beschouwen. De rechtbank stelt voorop dat het een feit van algemene bekendheid is dat een met enige snelheid in beweging zijnde auto zich ten opzichte van een fietser – als kwetsbare en onbeschermde verkeersdeelnemer – al snel als een potentieel dodelijk wapen manifesteert. Bovendien kan niet alleen de enkele impact van botsing tussen een auto met een fiets tot letsel of de dood van de persoon op de fiets leiden, maar een botsing heeft in de regel ook tot gevolg dat de fietser ongecontroleerd ten val komt en mogelijk wordt overreden. Dit geldt in deze zaak temeer, omdat is gebleken dat verdachte een achtervolging van het slachtoffer had ingezet waardoor een dynamische situatie was ontstaan waarbij verdachte en het slachtoffer in dezelfde richting reden op zeer korte (geen tot enkele centimeters) afstand van elkaar.
Verdachte reed toen weliswaar met een lagere snelheid dan de in die straat geldende maximumsnelheid, maar dit enkele gegeven maakt niet dat de toen gereden snelheid als “veilig” kan worden aangemerkt (zoals de verdediging heeft betoogd) en evenmin kan hieruit de conclusie worden getrokken dat er geen sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op de dood. Door met zijn auto met een snelheid van 23 à 25 km/u het fietsende slachtoffer tot op zeer korte afstand te naderen, zou verdachte (mede gelet op de bij de gereden snelheid te verwachten stopafstand) nooit op tijd zijn auto tot stilstand kunnen brengen bij een val van het slachtoffer. Daarmee was er naar het oordeel van de rechtbank een reële kans dat verdachte met zijn auto het slachtoffer zou overrijden en – mede gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden – het slachtoffer daardoor dodelijk letsel zou oplopen.
Verdachte moet als ervaren weggebruiker – hij had nota bene een baan als wegenwacht – op de hoogte zijn geweest van dit risico.
Had verdachte deze kans dan ook bewust aanvaard (op de koop toegenomen)?
De rechtbank oordeelt van wel, op basis van de aard en uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van verdachte en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden.
Uit het dossier blijkt dat het slachtoffer vanaf het moment dat verdachte hem zag op het veldje aan de Kempensebaan, als het ware het ‘doelwit’ van verdachte was. Verdachte stapte uit met een bandenlichter in zijn hand en schreeuwde iets in de richting van het slachtoffer. Hij was boos en wilde zijn spullen terug hebben. Toen het slachtoffer op een elektrische fiets wegreed, besloot verdachte met zijn auto een – naar eigen zeggen – achtervolging in te zetten. Tijdens deze achtervolging heeft verdachte meerdere verkeersovertredingen begaan, met het kennelijke doel het slachtoffer niet uit het oog te verliezen en zelfs te benaderen. Vervolgens heeft hij het slachtoffer op zeer korte afstand en met een (in de gegeven omstandigheden) hoge snelheid genaderd en het achterwiel van de fiets geraakt, waarna de fiets met daarop het slachtoffer ten val kwam. Op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van deze gedragingen moet geconcludeerd worden dat verdachte het aanmerkelijke risico van een potentieel dodelijk ongeval bewust heeft aanvaard.
Anders dan de verdediging heeft betoogd, is het oordeel van de rechtbank dat er geen contra-indicaties zijn die tot de conclusie zouden moeten leiden dat verdachte de aanmerkelijke kans op een dodelijke aanrijding niet bewust zou hebben aanvaard. Zo is het claxonneren van verdachte bij het oversteken van de Rubensstraat tijdens de achtervolging naar het oordeel van de rechtbank geen contra-indicatie, nu dit kennelijk niet was bedoeld om het slachtoffer te waarschuwen of te laten stoppen. Dat heeft verdachte in ieder geval zelf niet verklaard. Het past naar het oordeel van de rechtbank eerder in de achtervolging waarbij het slachtoffer werd opgejaagd door verdachte. Verdachte reed bovendien direct daarna over het grasveldje heen om de achtervolging voort te zetten. Het feit dat verdachte zich na de aanrijding om het slachtoffer heeft bekommerd, hem eerste hulp heeft verleend en aan omstanders heeft gevraagd om 112 te bellen, doet aan het voorgaande niet af.
De verdediging heeft verder aangevoerd dat de fiets pas op het laatste moment voor de bus is geschoten en dat dit voor verdachte niet voorzienbaar was in de gegeven omstandigheden. De rechtbank verwerpt dit verweer. Zoals hiervoor al is overwogen heeft verdachte het slachtoffer op steeds kortere afstand genaderd waarna hij vervolgens het achterwiel van de fiets raakte, waardoor het slachtoffer ten val kwam. Van een onverhoeds voorschieten van de fiets voor de auto is dan ook geen sprake. Daarnaast bevat het camerabeeldenonderzoek van het NFI geen aanknopingspunten voor het door de verdediging geschetste scenario.
De rechtbank vindt bewezen dat verdachte:
op 16 mei 2024 te Eindhoven,
[slachtoffer]
opzettelijk
van het leven heeft beroofd, door:
-met een door hem, verdachte, bestuurde bedrijfsauto langere tijd die [slachtoffer] , als zijnde de bestuurder van een fiets, te achtervolgen en
-met een snelheid tussen de 23 km/u en 25 km/u, tegen die [slachtoffer] aan te rijden en
-vervolgens meerdere malen over die [slachtoffer] heen te rijden.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde feit is strafbaar gesteld in artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht als doodslag.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot:
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat bij een bewezenverklaring aan verdachte hooguit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest moet worden opgelegd, met daarnaast een voorwaardelijk strafdeel van een door de rechtbank te bepalen duur. Deze gevangenisstraf kan eventueel worden gecombineerd met een maximale taakstraf, die op termijn en in samenspraak met de reclassering zou kunnen worden uitgevoerd.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank zal aan verdachte een straf opleggen. Hierna legt de rechtbank uit waarom en welke straf zij in dit geval passend vindt.
Algemeen.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden, waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor min of meer vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Ernst van het feit.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag op het slachtoffer. Verdachte heeft een achtervolging ingezet en hierbij meerdere verkeersovertredingen begaan. Vervolgens heeft hij het slachtoffer aangereden waardoor het slachtoffer ten val kwam en onder de auto van verdachte is terechtgekomen. Verdachte reed daarna van het slachtoffer af. Het slachtoffer is als gevolg van het letsel dat hij daardoor heeft opgelopen, komen te overlijden.
Alhoewel uit het dossier volgt dat de diefstal door het slachtoffer de aanleiding was voor verdachte om hem te achtervolgen, verdachte wilde immers zijn gestolen telefoon en portemonnee terug, is de rechtbank van oordeel dat op geen enkele wijze te rechtvaardigen is dat verdachte met zijn auto op een dergelijke wijze achter het slachtoffer aan is gegaan. Op de wijze waarop verdachte met zijn auto heeft gereden, is de auto te beschouwen als een dodelijk wapen. Hoewel de boosheid en teleurstelling van verdachte om de diefstal van hem dierbare spullen wel invoelbaar is, heeft verdachte door te handelen hoe hij heeft gedaan – een doelgerichte achtervolging met een auto van het slachtoffer op een fiets, met een dodelijke aanrijding als voorzienbaar gevolg, – alle grenzen overschreden.
Deze feiten zijn verdachte zwaar aan te rekenen, waarbij het onherstelbare gevolg, de dood van het slachtoffer, zwaar weegt. Wat de impact hiervan is op de nabestaanden, is door de zwager van het slachtoffer, die ook namens andere familieleden van het slachtoffer heeft verklaard, op indringende en indrukwekkende wijze ter terechtzitting naar voren gebracht. Zij moeten dagelijks leven met een ondraaglijk gemis. De rechtbank realiseert zich dat het in deze zaak onmogelijk is om een straf op te leggen die recht doet aan het leed van de nabestaanden. Een strafrechtelijke reactie in welke vorm dan ook zal het door het verlies veroorzaakte intense leed nooit ongedaan kunnen maken.
Ook weegt in het nadeel van verdachte mee dat door het handelen van verdachte – in een straat midden in een woonwijk met spelende kinderen – de ter plaatse aanwezige personen zijn geconfronteerd met een schokkende gebeurtenis. Dergelijke feiten dragen ook in algemene zin bij aan een gevoel van onveiligheid.
Wel houdt de rechtbank rekening met het feit dat sprake is van voorwaardelijk opzet, en niet van vol opzet van verdachte op de dood van het slachtoffer.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk misdrijf is veroordeeld en nadien ook niet met politie en justitie in aanraking is gekomen.
De reclassering heeft op 15 april 2026 een rapport over verdachte uitgebracht. Uit dit rapport volgt dat bij verdachte geen sprake is van een gedrags- of delictpatroon. Het psychisch functioneren van verdachte is sinds de aanrijding slecht; vanwege mentale problemen lukt het hem niet om zijn leven op positieve wijze invulling te geven. Hij wordt hierin beperkt door zijn depressieve gevoelens, angstklachten en vermoeidheid. Verdachte is momenteel niet langer in staat zijn werk uit te oefenen of om zijn dagen anderszins adequaat in te vullen. Ondanks de zorgen omtrent het psychische welzijn van verdachte, maakt de reclassering zich geen zorgen over het recidiverisico. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag. De reclassering heeft geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van een procriminele houding. Daarnaast is er sprake van een vangnet en voldoende ondersteuning in de vorm van zijn partner, sociale netwerk en hulpverlening. De reclassering acht interventies in het gedwongen kader dan ook niet nodig en adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Verdachte wordt sinds het incident behandeld voor depressieve klachten. De reclassering merkt ook op dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf dit behandeltraject zou doorkruisen. Verder verwacht zij dat de uitvoering van een taakstraf, rekening houdend met een stapsgewijze opbouw, haalbaar zal zijn binnen de daarvoor geldende termijnen.
Door de verdediging is een rapport van 7 mei 2026 overgelegd dat is opgesteld door B.K. Tonino, klinisch psycholoog-psychotherapeut en S.F.I. van Toor, psychiater. Hieruit komt onder andere naar voren dat er bij verdachte sprake is van een depressieve stoornis, deels in remissie, en een post-traumatische stressstoornis (PTSS). Toen verdachte bij de deskundigen in zorg kwam, was er sprake van een forse depressieve episode met suïcidale gedachten en nihilistische gedachten en een PTSS. Er is sprake van een verhoogde gewetensfunctie die mede de stemmingsklachten en schuld- en schaamtegevoelens onderhoudt. De behandeling is gestart na een suïcidepoging en duurt op dit moment nog voort. Uit dit rapport blijkt dat het incident een grote impact op het persoonlijke leven van verdachte heeft gehad en nog steeds heeft. De rechtbank houdt hier in strafverminderende zin rekening mee. Ook weegt de rechtbank (in strafverminderende zin) mee dat verdachte al vanaf zijn aanhouding en opnieuw tijdens de zitting heeft laten blijken dat hij het verschrikkelijk vindt wat er gebeurd is.
Soortgelijke zaken.
Ten slotte heeft de rechtbank gelet op de straffen die rechters in soortgelijke zaken hebben opgelegd. Hieruit blijkt dat wanneer sprake is van doodslag in het verkeer doorgaans een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd.
De op te leggen straf. De rechtbank begrijpt de wens van verdachte om niet weer terug naar de gevangenis te moeten keren en ook heeft de rechtbank er oog voor dat een gevangenisstraf mogelijk van invloed zal zijn op de (de behandeling van) depressieve klachten van verdachte en zijn PTSS. Ook heeft de rechtbank geen enkele twijfel dat verdachte in de toekomst andere keuzes zal maken als op de dag van het delict en zichzelf niet meer in eenzelfde positie zal brengen. Toch acht de rechtbank vanuit het oogpunt van vergelding – vanwege de ernst van het gepleegde strafbare feit – en algemene preventie (een signaal naar de maatschappij dat dergelijk gedrag bestraft wordt) dat niet anders gereageerd kan worden dan met een gevangenisstraf van substantiële duur.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, waarvan 24 voorwaardelijk, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
De rechtbank ziet, anders dan de officier van justitie, geen aanleiding om aan verdachte een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen op te leggen, gelet op het feit dat de kans op recidive als laag wordt ingeschat.
Voorlopige hechtenis.
De voorlopige hechtenis van verdachte is voor bepaalde tijd geschorst, namelijk tot aan de einduitspraak in deze zaak. Omdat verdachte zich gedurende de schorsing van zijn voorlopige hechtenis aan alle schorsingsvoorwaarden heeft gehouden en de (zwaarwegende) persoonlijke belangen van verdachte sinds de vorige schorsingsbeslissing onveranderd zijn gebleven, is de rechtbank van oordeel dat de schorsing ook na de uiteinduitspraak zal mogen blijven voortduren. Dat betekent dat verdachte een eventueel hoger beroep in vrijheid zal mogen afwachten. De wijziging van de schorsingsvoorwaarden is opgenomen in een afzonderlijke beslissing.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
14a, 14b, 14c, 287 Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:
doodslag.
De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf:
een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 24 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.E. Bartels, voorzitter,
mr. W.M.T. Keukens en mr. S.V. Vullings, leden,
in tegenwoordigheid van mr. S. Durmuş, griffier,
en is uitgesproken op 4 juni 2026.