RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.250989.23
Datum uitspraak: 04 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1994] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 21 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 17 april 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Feit 1: hij op of omstreeks 24 september 2023 te Helmond, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig,(personenauto, merk Volkswagen) daarmede rijdende over de weg, N279, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, -te rijden onder invloed van een hoeveelheid alcohol die hoger is geleden dan de wettelijk toegestane hoeveelheid alcohol (1,84 mg/ml) en/of -niet, althans niet voldoende, zijn, verdachtes, aandacht gericht heeft gehouden op het voor hem, verdachte, gelegen weggedeelte van die weg en/of -met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig naar links, naar de rijstrook bestemd voor het hem, verdachte tegemoetkomende verkeer, te rijden op een moment dat tegemoetkomend verkeer reeds op korte afstand was genaderd, en/of (vervolgens) -te botsen met een over die voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (N279) rijdende camperbus en/of (vervolgens) -te botsen met een over die rijstrook voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (N279) rijdende personenauto (Audi), -waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1] , bestuurder van laatst genoemde personenauto) zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, en/of -waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 2] , inzittende van laatst genoemde personenauto) zwaar lichamelijk letsel, te weten whiplash, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, zevende of negende lid van genoemde wet;
( art 175 lid 3 Wegenverkeerswet 1994, art 6 Wegenverkeerswet 1994 )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 24 september 2023 te Helmond als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, N279, -met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig naar links, naar de rijstrook bestemd voor het hem, verdachte tegemoetkomende verkeer, is gereden, op een moment dat tegemoetkomend verkeer reeds op korte afstand was genaderd, en/of (vervolgens) -is gebotst met een over die voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (N279) rijdende camperbus en/of (vervolgens) -is gebotst met een over die rijstrook voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (N279) rijdende personenauto (Audi) door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
( art 5 Wegenverkeerswet 1994 )
Feit 2: hij op of omstreeks 24 september 2023 te Helmond, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,84 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn
( art 8 lid 2 ahf/ond b Wegenverkeerswet 1994 )
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich, conform het op schrift gestelde requisitoir, op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. Door de schuld van verdachte is een verkeersongeval veroorzaakt, waardoor twee slachtoffers letsel hebben opgelopen. Het letsel van de twee slachtoffers dient te worden gekwalificeerd als zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Onder verwijzing naar het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan alsmede de omstandigheden van het geval, heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de mate van schuld als zeer onvoorzichtig gekwalificeerd kan worden. Van de hoogste schuldgradatie, roekeloosheid, is geen sprake. Het onder feit 2 ten laste gelegde kan eveneens wettig en overtuigend bewezen worden. Dat het laboratorium heeft nagelaten het onderste tekstblok op de opdracht ten behoeve van toxicologisch bloedonderzoek (pagina 50 van het einddossier) in te vullen, dient niet tot vrijspraak te leiden omdat uit het proces-verbaal van rijden onder invloed (pagina 42 van het einddossier) blijkt dat de verbalisant het bloedmonster op 24 september 2023 heeft verzegeld, overeenkomstig het bepaalde in het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: het Besluit) en heeft verzonden naar het laboratorium Eurofins Forensics te Brugge (België). Bovendien volgt uit het verslag van Eurofins Forensics (pagina 51 van het einddossier) dat het bloedmonster op 27 september 2023 is ontvangen door het laboratorium in België. Daar komt nog bij dat verdachte zowel bij de politie als ter terechtzitting heeft verklaard dat hij alcohol had gedronken voordat hij de auto in stapte. Op grond van het voorgaande kan met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat verdachte op 24 september 2023 onder invloed van alcohol heeft gereden.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft, conform de pleitnota, en onder verwijzing naar het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 september 2023 met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2023:7701, vrijspraak bepleit ten aanzien van feit 2 en partieel vrijspraak ten aanzien van het rijden onder invloed van alcohol zoals primair ten laste gelegd onder feit 1. Hiertoe is onder meer het navolgende aangevoerd. Het laboratorium heeft het onderste tekstblok van de opdracht ten behoeve van het toxicologisch bloedonderzoek (pagina 50 van het einddossier) niet ingevuld. Wel kan worden vastgesteld dat het bloedmonster door het laboratorium is ontvangen, maar niet wanneer en evenmin of het bloedmonster verzegeld is ontvangen. Hierdoor is bij het bloedonderzoek een strikte waarborg geschonden en kan niet gesproken worden over een “onderzoek” ex artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). Als gevolg daarvan kan niet bewezen worden dat gereden is terwijl het alcoholgehalte “bij een onderzoek” hoger bleek dan de wettelijke grens. Ten aanzien van het onder feit 1 primair ten laste gelegde is voorts aangevoerd dat het letsel van beide slachtoffers gekwalificeerd dient te worden als zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan en de mate van schuld dient gekwalificeerd te worden als aanmerkelijk onvoorzichtig.
Het oordeel van de rechtbank.
De verkeersgedraging en feitelijkheden.
De rechtbank stelt op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en wat op de zitting is besproken het volgende vast.
Verdachte reed op 24 september 2023 in zijn personenauto over de provinciale weg N279 te Helmond, waar een maximumsnelheid van 80 kilometer per uur gold. De rijbaan van de N279 was verdeeld in twee rijstroken voor het verkeer in beide richtingen en deze werden van elkaar gescheiden door een dubbele doorgetrokken streep. Verdachte is met zijn auto over de doorgetrokken streep gereden en hij is op de weghelft van het tegemoetkomende verkeer terechtgekomen op een moment dat het tegemoetkomende verkeer op korte afstand was genaderd. De personenauto van verdachte is eerst in botsing gekomen met een camperbus en vervolgens met een personenauto. Deze personenauto werd bestuurd door [slachtoffer 1] en aan de passagierszijde zat [slachtoffer 2] . Beiden hebben lichamelijk letsel opgelopen als gevolg van het ongeval.
Ten aanzien van feit 1:
Het beoordelingskader: schuld in de zin van artikel 6 WVW.
Dat verdachte opzet heeft gehad op het veroorzaken van de tenlastegelegde aanrijding, ligt niet als vraag voor aan de rechtbank en dat is ook niet het (strafrechtelijk) verwijt dat hem wordt gemaakt. De vraag die de rechtbank in deze zaak moet beantwoorden is of verdachte zich zodanig heeft gedragen dat door zijn schuld een ander zodanig lichamelijk letsel is toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, zoals bedoeld in artikel 6 WVW.
Om tot een bewezenverklaring van artikel 6 WVW te kunnen komen, is vereist dat het verkeersongeval aan de schuld van de verdachte te wijten is. Dat betekent in de eerste plaats dat er een causaal verband moet bestaan tussen de gedragingen van de verdachte en het ongeval. In de tweede plaats moet de verdachte ten aanzien van het verkeersongeval een schuldverwijt kunnen worden gemaakt. Daarvan is pas sprake bij minimaal een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid, onachtzaamheid of onoplettendheid. Of sprake is van een dergelijke mate van schuld hangt volgens vaste jurisprudentie af van het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarnaast geldt dat niet alleen al uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW.
De beoordeling: causaal verband.
De rechtbank stelt allereerst vast dat in dit geval sprake is van een causaal verband tussen de gedragingen van verdachte en het ongeval, in die zin dat als die gedragingen achterwege zouden zijn gebleven het ongeluk niet zou zijn gebeurd. Verdachte heeft zijn aandacht onvoldoende gericht gehad op de weg, waardoor hij op de weghelft voor het verkeer in tegengestelde richting terecht is gekomen en uiteindelijk in botsing is gekomen met de camperbus en de personenauto.
De beoordeling: de schuldvraag.
Vervolgens is het de vraag of verdachte schuld heeft gehad aan het ongeval, en zo ja, in welke mate. De rechtbank overweegt gelet op de inhoud van het dossier als volgt.
De weg waarop het ongeval plaatsvond betrof een voor verdachte bekende provinciale weg. Het weer was ten tijde van het ongeval zonnig. Verdachte heeft verklaard dat hij “voor dat hij het door had” op de verkeerde weghelft reed. Verdachte was, zo blijkt uit zijn verklaring, vlak voorafgaand aan het ongeval bezig was met de boordcomputer van zijn personenauto. De getuige [getuige] heeft verklaard dat hij verdachte heeft zien rijden voorafgaand aan het ongeluk, en dat hij zag dat verdachte tussen de rotonde van Beek en Donk en Helmond zeker vijf keer over de dubbele doorgetrokken streep heen reed. Vlak voorafgaand aan het ongeluk verklaart getuige [getuige] dat hij heeft gezien dat de personenauto van verdachte met vier wielen over de dubbele doorgetrokken streep reed en helemaal op de tegenstelde weghelft reed. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte zijn aandacht onvoldoende bij de weg en het overige verkeer heeft gehouden, met alle gevolgen van dien.
Het besturen van een personenauto eist in het algemeen voortdurende voorzichtigheid en oplettendheid van de bestuurder. In de verkeerssituatie in deze zaak mocht daarnaast extra voorzichtigheid van verdachte worden verwacht. Verdachte reed namelijk over een provinciale weg waar een maximumsnelheid van 80 kilometer per uur gold en waarbij de rijstroken voor het tegemoetkomende verkeer niet fysiek van elkaar gescheiden waren. Dat het in deze wegsituatie van belang is dat weggebruikers extra oplettend en voorzichtig zijn, wordt benadrukt door de dubbele doorgetrokken streep in het midden van de weg, die erop wijst dat niet mag worden ingehaald. Daar komt bij dat verdachte heeft verklaard dat hij zich bewust was van de doorgetrokken streep.
De rechtbank vindt niet dat sprake is van zeer onvoorzichtig rijgedrag, zoals de officier van justitie naar voren heeft gebracht. Om vast te kunnen stellen dat sprake is van zeer onvoorzichtig rijgedrag, is meer nodig dan wat er in deze zaak is gebeurd. Uit de rechtspraak blijkt namelijk dat voor ernstige schuld in het algemeen sprake moet zijn van verkeersovertredingen die met een (grotere mate van) bewustheid zijn begaan. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan door rood rijden of (veel) te hard rijden, al dan niet in combinatie met (veel) alcohol. Hiervan is geen sprake. Ander dan het standpunt van de officier van justitie, is niet vast komen te staan dat verdachte meer alcohol heeft gedronken dan de wettelijk toegestane hoeveelheid. Verdachte heeft weliswaar verklaard dat hij alcohol heeft gedronken, maar niet dat hij meer heeft gedronken dan de toegestane hoeveelheid. Daarnaast blijkt uit de zich in het proces-verbaal bevindende aanvraag ten behoeve van Toxicologisch onderzoek van bloed, niet dat de aanvraag verzegeld is ontvangen en wanneer deze is ontvangen. Hierdoor is bij het bloedonderzoek een strikte waarborg geschonden en kan niet gesproken worden van een onderzoek als bedoeld in artikel 8 WVW. Het enkele feit dat blijkens de mededeling van verbalisant de bloedmonsters verzegeld zijn verzonden, wijzigt dit oordeel niet. De onderzoeker die de bloedmonsters in ontvangst neemt, moet (ook) vaststellen dat de monsters verzegeld waren bij ontvangst. De rechtbank zal verdachte daarom partieel vrijspreken van het rijden onder invloed van alcohol, zoals ten laste gelegd onder feit 1 primair. Verder zal de rechtbank verdachte vrijspreken van roekeloos en zeer onvoorzichtig rijgedrag.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat in dit geval sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW en dat het rijgedrag van verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig is geweest.
De beoordeling: lichamelijk letsel.
De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen komen vast te staan dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zodanig lichamelijk letsel hebben opgelopen dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat. Dit is ook niet betwist door de verdediging.
Conclusie: verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een overtreding van artikel 6 WVW
Uit het voorgaande volgt dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen is, in die zin dat bewezen kan worden dat sprake is van aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag door verdachte.
Ten aanzien van feit 2:
Zoals hiervoor toegelicht, is er voor het besturen van een auto terwijl het alcoholgehalte in verdachtes bloed hoger was dan toegestaan, onvoldoende wettig bewijs. De rechtbank zal daarom verdachte van dit feit vrijspreken.
De bewijsmiddelen.
Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze is als bijlage bij dit vonnis gevoegd en de inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
Feit 1, primair: op 24 september 2023 te Helmond, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto, merk Volkswagen) daarmede rijdende over de weg, N279,
zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, - niet voldoende, zijn, verdachtes, aandacht gericht heeft gehouden op het voor hem, verdachte, gelegen weggedeelte van die weg en - met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig naar links, naar de rijstrook bestemd voor het hem, verdachte tegemoetkomende verkeer, te rijden op een moment dat tegemoetkomend verkeer reeds op korte afstand was genaderd, en vervolgens - te botsen met een over die voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (N279) rijdende camperbus en vervolgens - te botsen met een over die rijstrook voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (N279) rijdende personenauto (Audi), - waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1] , bestuurder van laatst genoemde personenauto) zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, en - waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 2] , inzittende van laatst genoemde personenauto) zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straffen.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van zes maanden en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (hierna: OBM) voor de duur van 30 maanden met aftrek van de tijd dat het rijbewijs reeds ingehouden is geweest. Na de slachtofferverklaring ter terechtzitting van slachtoffer Van Oel, inhoudende dat verdachte wat hem betreft geen gevangenisstraf hoeft te ondergaan, heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat hij zich kan voorstellen dat de rechtbank afwijkt van de door hem gevorderde straf.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en een OBM die de tijd dat het rijbewijs reeds ingehouden is geweest (te weten: 4 maanden) te boven gaat, niet meer op zijn plaats is gelet op onder meer de persoonlijke omstandigheden van verdachte alsmede het tijdsverloop, de overschrijding van de redelijke termijn en het ontbreken van nieuwe antecedenten. De raadsvrouw heeft verwezen naar de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten en zich op het standpunt gesteld dat de hierin aangewezen geldboete van 1.300,- euro gematigd dient te worden vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. De verdediging heeft geen bezwaar tegen oplegging van een (gematigde) taakstraf.
Het oordeel van de rechtbank.
Algemeen
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Verder houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De aard en ernst van het strafbare feit
Verdachte heeft zich op 24 september 2023 schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 6 WVW. Door zijn onvoorzichtige rijgedrag en de gemaakte verkeersfouten heeft verdachte bij twee personen langdurig letsel veroorzaakt. Verdachte is in zijn zorgplicht in het verkeer en de verantwoordelijkheid ten opzichte van andere weggebruikers ernstig tekort geschoten. Behalve het veroorzaakte fysieke leed heeft het verkeersongeval ook verder veel impact gehad op beide slachtoffers en grote financiële gevolgen, zoals ook volgt uit de slachtofferverklaring van [slachtoffer 1] . De rechtbank rekent dat de verdachte aan.
Persoon van de verdachte
Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 13 april 2026, nooit eerder in aanraking is geweest met politie en justitie in Nederland. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals naar voren gebracht ten tijde van de inhoudelijke behandeling van de zaak.
De strafsoort, strafmaat en strafmodaliteit
Binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten zijn bij aanmerkelijke schuld aan een verkeersongeval, waarbij een slachtoffer zodanig lichamelijk letsel heeft opgelopen dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, de volgende straffen aangewezen: een geldboete van 1.300,- euro en een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie maanden. De rechtbank ziet geen aanleiding hiervan af te wijken.
De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf onder meer omdat de rechtbank - anders dan de officier van justitie - tot een vrijspraak komt van het onder feit 2 ten laste gelegde en een partiële vrijspraak ten aanzien van het rijden onder invloed van alcohol, zoals ten laste gelegd onder feit 1 primair. Ook gaat de rechtbank uit van een lichtere mate van schuld. De rechtbank is van oordeel dat de straffen die de rechtbank zal opleggen passend en geboden zijn en de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking brengen.
Redelijke termijn
Elke verdachte heeft het recht op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het Openbaar Ministerie het voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen. Deze op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is in deze zaak gestart op 24 september 2023, de dag dat verdachte door de politie als verdachte is aangemerkt. Gerekend vanaf deze datum zijn er nagenoeg 31,5 maanden verstreken, terwijl het uitgangspunt is dat iedere verdachte in beginsel recht heeft op afdoening van zijn zaak binnen een termijn van twee jaar.
De rechtbank volstaat met deze constatering en ziet geen aanleiding de straf op grond van de overschrijding te matigen nu er meerdere slachtoffers zijn en zoals besproken de gevolgen voor hun beiden zeer groot.
Conclusie
Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte opleggen een geldboete ter hoogte van 1.300,- euro en een OBM voor de duur van drie maanden, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs reeds ingehouden is geweest.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft, onder verwijzing naar de Rotterdamse Schaal, gevorderd de vordering toe te wijzen tot een bedrag van 4.000,- euro. Het totaal toegewezen bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente, waarbij aan de verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opgelegd dient te worden. In het overige deel van de vordering dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in de vordering (primair) omdat de vordering in zijn geheel niet is onderbouwd en (subsidiair) omdat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces met zich meebrengt.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank overweegt dat de benadeelde partij een vordering heeft ingediend ten behoeve van de vergoeding van de immateriële schade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van het door verdachte gepleegde strafbare feit. Nu de vordering onvoldoende onderbouwd is met bewijsstukken, zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Bovendien zou nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering (in zoverre) een uitgebreide nadere behandeling vereisen, waardoor de rechtbank van oordeel is dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht,
6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
Spreekt verdachte vrij van het ten laste gelegde onder feit 2.
terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zodanig lichamelijk letsel wordt toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat
Verklaart het onder feit 1 primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994,
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Legt op de volgende straffen.
T.a.v. feit 1 primair:
Een geldboete ter hoogte van 1300,00 euro subsidiair 13 dagen hechtenis
Een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen
voor de duur van 3 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 179 Wegenverkeerswet 1994
T.a.v. feit 1 primair:
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :
Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.L.W.M. Viering, voorzitter,
mr. M.A. Waals en mr. E.H. Groen, leden,
in tegenwoordigheid van mr. F.E.M. Freese - de Haas, griffier,
en is uitgesproken op 4 juni 2026.