RECHTBANK OOST-BRABANT
Parketnummer: [01.080048.25]
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.080048.25
Datum uitspraak: 5 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [2004]
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd te: [verblijfplaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 27 juni 2025, 24 september 2025, 3 december 2025, 2 maart 2026 (pro formabehandelingen), 23 maart 2026 en 22 mei 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 16 mei 2025 (gewijzigd op 24 september 2024).
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
primair
hij, op of omstreeks 27 februari 2025 te Oss, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] , opzettelijk en met voorbedachten rade, in elk geval opzettelijk, van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een hamer, althans een op een hamer gelijkend voorwerp, op/tegen het hoofd en/of de arm heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair hij, op of omstreeks 27 februari 2025 te Oss opzettelijk en met voorbedachten rade, in elk geval opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel, te weten forse zwellingen en open verwondingen op het hoofd en/of een olecranonfractuur (onderarm-/elleboogfractuur), heeft toegebracht, door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een hamer, althans een op een hamer gelijkend voorwerp, op/tegen het hoofd en/of de arm te slaan;
De formele voorvragen
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Bewijs
Inleiding
Op 27 februari 2025 omstreeks 06:00 uur is aangever aangevallen in de straat [straatnaam] in Oss, waar hij woonde. Op camerabeelden van de (omgeving van de) plaats delict is te zien dat een persoon ongeveer een halfuur lang achter een busje zit. Wanneer aangever zijn huis uit komt en op de fiets stapt, loopt de persoon op aangever af met een hamer in zijn hand. Aangever heeft verklaard dat hij vervolgens met de hamer op zijn hoofd en zijn arm is geslagen. Hij heeft meerdere verwondingen op zijn hoofd en een gebroken onderarm/elleboog aan de aanval overgehouden. Op 11 maart 2025, ongeveer twee weken na dit incident, wordt een persoon met een zelfde signalement wederom gezien ter hoogte van [straatnaam] 29 te Oss, gehurkt tussen twee auto’s met een voorwerp in zijn hand. Op 11 maart 2025 wordt een hamer aangetroffen in de nabijheid van het [straatnaam] in Oss.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde, te weten poging tot moord.
Het standpunt van de verdediging
Namens verdachte heeft zijn advocaat integrale vrijspraak bepleit. Volgens de verdediging is er in de eerste plaats onvoldoende bewijs dat verdachte de dader is geweest die aangever heeft aangevallen. Subsidiair blijkt uit het dossier onvoldoende opzet op het om het leven brengen van aangever, om welke reden verdachte van de poging tot moord/doodslag dient te worden vrijgesproken. Daarnaast kan het letsel niet gekwalificeerd worden als zwaar lichamelijk letsel, althans bestaat geen oorzakelijk verband tussen het letsel en het ten laste gelegde, zodat verdachte ook van het subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.
Het oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
Omwille van de leesbaarheid van dit vonnis, heeft de rechtbank de gebezigde bewijsmiddelen als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte degene is geweest die aangever met een hamer heeft geslagen, en zo ja, hoe deze handelingen gekwalificeerd moeten worden.
De dader
De rechtbank is op basis van de gebezigde bewijsmiddelen van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte de persoon is geweest die op 27 februari 2025 aangever heeft aangevallen. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
Na het incident op 27 februari 2025 heeft op 11 maart 2025 opnieuw een persoon zich in (de omgeving van) [straatnaam] 29 in Oss opgehouden. Van beide incidenten zijn camerabeelden. Op die camerabeelden is te zien dat deze persoon achter een auto gehurkt zit, met een hamer in zijn hand. Als de politie arriveert, rent de persoon weg, waarbij er volgens de verbalisant voorwerpen uit zijn zakken vallen. Op die plek worden blokjes met tekens erop gevonden, die overeenkomen met het teken dat verdachte op zijn hand heeft staan als hij even later wordt staande gehouden. Volgens de politie komen de jas en schoenen die verdachte op dat moment draagt qua uiterlijke kenmerken overeen met de jas en schoenen die de persoon op de camerabeelden bij [straatnaam] 29 draagt op zowel 27 februari 2025 als 11 maart 2025. De rechtbank concludeert dat verdachte degene is die op de beelden van 11 maart 2025 te zien is.
Uit de bewijsmiddelen kan volgens de rechtbank worden afgeleid dat de jas en de schoenen van verdachte op 11 maart 2025 specifieke overeenkomsten vertonen met de jas en schoenen die de persoon op de camerabeelden van 27 februari 2025 draagt. De verdediging heeft weliswaar aangevoerd dat de jas die te zien is op de beelden van 27 februari 2025 niet dezelfde jas kan zijn als de jas te zien op de beelden van 11 maart 2025 vanwege de kleur. Op de beelden lijkt de jas lichter van kleur. Verdachte droeg bij zijn staandehouding een donkere jas. De rechtbank verwerpt dit verweer, nu het donker was op het moment dat de camera de beelden heeft vastgelegd en door reflectie van het licht van verschillende lampen in de omgeving en afhankelijk van het materiaal van de kleding niet goed kan worden ingeschat welke kleur die kleding had en hoe licht of donker die was. Dit blijkt bovendien uit het feit dat de jas van verdachte op de beelden van 11 maart 2025 lichtgrijs van kleur leek, terwijl op de foto’s van verdachte bij zijn staandehouding te zien is dat deze jas zwart is. Ook zijn op de jas specifieke kenmerken te zien, zoals reflecterende stukken. Diezelfde stukken worden op de jas van verdachte ook gezien. Daarnaast komen de gedragingen van de persoon op de beelden op 11 maart 2025 en 27 februari 2025 met elkaar overeen, te weten het hurken achter een auto en het in de hand houden van een hamer.
Verder betrekt de rechtbank bij de vaststelling dat verdachte degene is geweest die te zien is op de beelden van 27 februari 2025, dat uit de mastgegevens volgt dat de telefoon van verdachte op 27 februari 2025 in Oss is geweest, in de buurt en rond het tijdstip van de plaats delict, en dat deze gegevens passen bij de treinreis van Amsterdam naar Oss en weer terug in de nacht van 27 februari 2025. De verklaring van verdachte dat hij midden in de nacht van 26 op 27 februari 2025 vanuit Amsterdam naar Oss is gegaan om daar naar de sportschool te gaan en rondjes in de omgeving te hebben gelopen in afwachting van de trein terug, acht de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig.
Tot slot neemt de rechtbank mee dat in de buurt van de plaats delict op 11 maart 2025 een hamer is gevonden. De steel van de hamer is bemonsterd. Uit een van deze bemonsteringen (AAQU4033NL#08) is een DNA-profiel van minimaal 1 persoon verkregen. Het DNA-profiel van verdachte komt overeen met dit DNA-profiel. Het DNA-profiel is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer – kort gezegd – verdachte (een van) de donor(en) is dan wanneer dit niet zo is. De rechtbank concludeert hieruit, met inachtneming van de rest van het dossier, dat verdachte donor is van (een deel van) het DNA-materiaal dat is aangetroffen op de steel van deze hamer.
De verdediging betwist dat deze hamer de hamer zou zijn waarmee de aangever is geslagen. De rechtbank verwerpt dit verweer. De verklaring van verdachte dat hij een keer in een veld in Oss een hamer heeft gevonden, deze heeft opgepakt en weer heeft teruggelegd, lijkt afgestemd op het dossier en acht de rechtbank dan ook ongeloofwaardig. In eerste instantie verklaarde verdachte namelijk dat hij nog nooit een hamer heeft vastgehad. Verdachte heeft verder ook geen verklaring gegeven voor zijn aanwezigheid in dat veld. Daarnaast zijn twee op bloed lijkende sporen, aangetroffen op de hamer, onderzocht door het NFI, maar kon op basis van het testresultaat geen betrouwbare uitspraak worden gedaan over de aan- of afwezigheid van bloed. Op basis van de vindplek van de hamer, de datum waarop de hamer is gevonden, de omstandigheid dat verdachte donor is van (een deel van) het DNA-materiaal dat is aangetroffen op de steel van deze hamer en het niet kunnen uitsluiten van bloed op de hamer, in onderlinge samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat aangever met deze hamer is geslagen door verdachte.
Op basis van het bovenstaande en de bewijsmiddelen concludeert de rechtbank dat verdachte degene is geweest die aangever op 27 februari 2025 in Oss meermalen met een hamer op het hoofd heeft geslagen.
Opzet
Bij de vraag of het slaan met de hamer op het hoofd gekwalificeerd kan worden als de primair ten laste gelegde poging tot moord/doodslag, dient de rechtbank allereerst de vraag te beantwoorden of er bij verdachte sprake was van opzet op de dood van aangever.
De rechtbank ziet in het dossier en in de verklaring van verdachte onvoldoende bewijs om vol opzet aan te nemen. De rechtbank moet vervolgens beoordelen of verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van aangever.
Voorwaardelijk opzet op de dood is aanwezig wanneer verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op de dood in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.
De rechtbank overweegt dat verdachte een klauwhamer met een ijzeren kop heeft gebruikt om aangever meermalen op zijn hoofd te slaan. Het is een feit van algemene bekendheid dat een hamer met een dergelijke ijzeren kop hard en van een aanzienlijk gewicht is, gelet op de functie ervan. Uit de medische verklaring en de verklaring van getuige [getuige] blijkt dat aangever verspreid over zijn hoofd, aan de voor-, zij- en achterkant, wonden heeft opgelopen van de hamerslagen. Verdachte heeft aangever dus op diverse plekken op zijn hoofd geraakt. Daarnaast gaat de rechtbank ervan uit dat de onderarm-/elleboogbreuk van aangever is veroorzaakt door diverse hamerslagen, gezien de verklaring van aangever. Gelet op dat letsel stelt de rechtbank vast dat verdachte ook met enige kracht moet hebben geslagen. Volgens aangever heeft verdachte hem een keer of zes op het hoofd geslagen. Ook heeft verdachte nog twee keer op het hoofd geslagen toen aangever op de grond lag. Het hoofd is een vitaal deel van het lichaam en verdachte heeft, door met een ijzeren hamer op meerdere plekken op het hoofd te slaan, ook terwijl verdachte op de grond lag, aangever op kwetsbare plekken zoals zijn slaap kunnen raken of door de schedel van verdachte heen kunnen slaan, wat dodelijk kan zijn. Door de gedragingen van verdachte is dus volgens de rechtbank een aanmerkelijke kans op de dood ontstaan. De rechtbank is van oordeel dat deze gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van letsel aan het hoofd, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op de dood bewust heeft aanvaard.
De rechtbank concludeert dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van de aangever.
Voorbedachte raad
Om te bepalen of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot moord of een poging tot doodslag, dient de rechtbank te beoordelen of er sprake was van voorbedachte raad.
Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
De rechtbank overweegt dat verdachte vanuit Amsterdam met de trein naar Oss is gereisd en zich vervolgens een uur lang in de buurt van [straatnaam] heeft opgehouden, waarvan hij een halfuur lang gehurkt tussen een muurtje en een busje met een hamer in zijn hand aangever heeft opgewacht. Vervolgens is hij op 11 maart 2025 weer vanuit Amsterdam naar Oss gereisd om met een hamer in zijn hand zich wederom bij [straatnaam] achter een auto te verstoppen.
De rechtbank maakt uit deze omstandigheden op dat verdachte het plan had om aangever aan te vallen en dat hij niet in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling heeft gehandeld, en acht bewezen dat er sprake is van voorbedachte raad.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging tot moord op aangever [slachtoffer] .
De bewezenverklaring
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
op 27 februari 2025 te Oss, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] , opzettelijk en met voorbedachten rade, van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermalen met een hamer op/tegen het hoofd en de arm heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De strafbaarheid van het feit
Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het delict sterk verminderd aan verdachte moet worden toegerekend. Er zijn onvoldoende aanwijzingen om te concluderen tot volledige ontoerekeningsvatbaarheid.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar wordt geacht.
Het oordeel van de rechtbank
Het advies van de deskundigen
De rechtbank heeft kennisgenomen van de Pro Justitia-rapportages van M.E. Boon (psychiater) van 12 september 2025 en G.J.W. Pol (psycholoog) van 16 september 2025. Daaruit blijkt dat bij verdachte sprake is van schizofrenie en een stoornis in het gebruik van cannabis.
Psychiater Boon komt tot de conclusie dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde psychotisch was in het kader van de chronisch aanwezige stoornis schizofrenie:
“De gevoelens en gedachten die verdachte had bij aangever waren volledig bepaald door zijn psychotische stoornis. Verdachte was ervan overtuigd dat aangever een (levens)gevaarlijke gebruiker was van zwarte magie en ervoer al maanden dat hij door zwarte magie belaagd werd. Dit was heel erg beangstigend voor hem. Ook al wordt het precieze delictscenario niet duidelijk door zijn ontkennende houding, gezien het allesoverheersende psychotische beeld waarin aangever een grote rol speelt is het zeer aannemelijk dat zijn gedrag tijdens het ten laste gelegde, indien dit bewezen wordt geacht, in grote, danwel volledige mate bepaald werd door zijn psychotische stoornis. (…) Indien het ten laste gelegde bewezen wordt geacht wordt geadviseerd betrokkene deze tenminste in sterk verminderde mate toe te rekenen, waarbij volledige ontoerekenbaarheid niet is uit te sluiten.”
Psycholoog Pol komt tot de volgende conclusie:
“Gezien betrokkenes ontkennende houding is het niet mogelijk geweest om na te gaan wat voorafgaand aan - en ten tijde van het ten laste gelegde precies zijn gevoelens, gedachten en beweegredenen zijn geweest. Naar de mening van rapporteur kunnen desalniettemin toch uitspraken worden gedaan over een verband tussen het ten laste gelegde feit en de bij betrokkene bestaande schizofrenie. Zo wordt het, afgaande op het geheel aan beschikbare informatie, aannemelijk geacht dat betrokkene ten tijde van het ten laste gelegde psychotisch was, dat hij er in zijn paranoïde waanbeleving van overtuigd was dat aangever hem middels zwarte magie beïnvloedde en wilde controleren en vermoorden, en dat hij in deze toestand, mogelijk vanuit het waanidee zichzelf te moeten verdedigen, tot het ten laste gelegde is gekomen. (…) Aangenomen mag worden dat er ten tijde van het ten laste gelegde feit sprake is geweest van een doorwerking van de bij betrokkene bestaande stoornis in het hem ten laste gelegde gedrag, ofwel dat de gedragskeuze-mogelijkheden van betrokkene ten tijde van het ten laste gelegde feit door deze stoornis werden beperkt. Door de bij hem aanwezige psychotische stoornis, met name ook zijn paranoïde wanen, waren zijn mogelijkheden tot zelfsturing beperkt, was hij in een sterk verminderde mate in staat om zijn gedrag bij te sturen.”
De deskundigen Boon en Pol zijn op 26 november 2025 gehoord bij de rechter-commissaris. Daar hebben zij onder andere het volgende verklaard. Deskundige Pol heeft verklaard dat beide deskundigen het heel aannemelijk vinden dat verdachte ten tijde van het delict psychotisch was, omdat hij dat ervoor en erna ook was. Deskundige Boon heeft daaraan toegevoegd dat de beslissing van verdachte voortkwamen uit zijn psychose. Het is niet duidelijk of verdachte een gedragskeuze had, omdat de deskundige niet weet wat verdachte ten tijde van het delict precies dacht. De psychose heeft op zijn minst een sterke invloed gehad.
Het oordeel van de rechtbank
Bij haar oordeelsvorming omtrent de mate van toerekeningsvatbaarheid betrekt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden.
Op basis van de rapportages stelt de rechtbank vast dat bij verdachte ten tijde van het delict sprake was van een psychose in het kader van schizofrenie. De poging tot moord staat dan ook in direct verband met de schizofrenie. De deskundigen adviseren het feit op zijn minst sterk verminderd aan verdachte toe te rekenen. Zij kunnen volledige ontoerekeningsvatbaarheid niet uitsluiten, maar ook niet vaststellen wegens het gebrek aan inzicht in het denken van verdachte ten tijde van het delict.
De rechtbank stelt vast dat verdachte op verschillende momenten waanbeelden heeft geuit, zowel voor als na het delict. Op 10 februari 2025 is bij de politie een melding gemaakt, vermoedelijk door verdachte, waarin de melder noemt dat er op [straatnaam] 23 te Oss ene [slachtoffer] woont die zwarte magie gebruikt en dat de melder een keer heeft gedacht dat [slachtoffer] hem zou komen vermoorden. Bij het trajectconsult van het NIFP op 25 maart 2025 herhaalde verdachte dat aangever mensen kan vermoorden door iemands bloed en ziel te nemen en dat er mensen achter verdachte aan zaten. Ook stelde hij dat hij sinds twee maanden vibraties voelde in zijn hoofd waardoor hij minder helder kon denken. De rechtbank maakt hieruit op dat de waanbeelden van verdachte ervoor zorgden dat hij in de veronderstelling was dat zijn veiligheid in het gedrang was.
Volgens de psychiater is verdachte, voor zover hij kon achterhalen, niet bekend met agressief en antisociaal gedrag en heeft hij geen gewelddadige overtuigingen of een persoonlijkheidsstoornis. De door verdachte gepleegde gedragingen lijken haaks op de persoon van verdachte te staan. Er zijn geen aanwijzingen dat er een andere reden voor de aanval van verdachte op aangever was dan de invloed van zijn waanideeën. De rechtbank acht het daarom zeer onwaarschijnlijk dat verdachte op het moment van het plegen van het delict inzicht had in de werkelijke draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan.
Uit het voorgaande, in samenhang bezien met de conclusies die de deskundigen trekken, komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte tijdens het plegen van het strafbare feit volledig heeft gehandeld onder invloed van zijn stoornissen. Daardoor heeft verdachte de strekking, de wettelijke en de morele ongeoorloofdheid en de context van zijn gedragingen niet kunnen begrijpen en was hij ook niet in staat om overeenkomstig dat begrip zijn wil te vormen. De rechtbank verklaart verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar. Verdachte is daarom niet strafbaar voor het bewezen verklaarde feit en de rechtbank zal hem ontslaan van alle rechtsvervolging.
Oplegging van een maatregel
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van het voorarrest, en oplegging van de maatregel tot terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege (hierna ook: tbs met dwangverpleging) gevorderd.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht (bijlage II).
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de rechtbank om geen tbs met dwangverpleging op te leggen, maar tbs met voorwaarden.
Het oordeel van de rechtbank
Ernst van het feit
Verdachte heeft een man, die ’s ochtends op de fiets stapte om naar zijn werk te gaan, bij zijn woning belaagd en meermalen met een hamer op zijn hoofd en arm geslagen. Dit moet bijzonder beangstigend voor het slachtoffer zijn geweest, mede doordat de aanval voor hem uit het niets kwam. Verdachte heeft er zelfs voor gekozen om een aantal dagen na de aanval nogmaals met een hamer naar dezelfde plek, wat erop lijkt dat het nogmaals een aanval op aangever had voorbereid. Uit de toelichting bij de vordering van de benadeelde partij blijkt dat dit feit grote mentale en fysieke impact op hem heeft gehad. Het slachtoffer is een maand na de aanval uit Nederland vertrokken, omdat hij zich hier niet meer veilig voelde.
Tbs
Omdat verdachte niet strafbaar is, kan aan hem geen straf worden opgelegd. Gelet op de ontoerekeningsvatbaarheid van de verdachte, ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of aan verdachte een tbs-maatregel kan en moet worden opgelegd en in welke vorm.
Adviezen
De eerder genoemde Pro Justitia-rapportages van psychiater Boon en psycholoog Pol bevatten ten aanzien van het opleggen van de tbs-maatregel de volgende conclusies en adviezen.
Uit het rapport van psychiater Boon:
“Het matig tot hoge risico op recidive wordt bij betrokkene voornamelijk bepaald door zijn psychotische stoornis. Door zijn chronische ernstige psychiatrische stoornis is hij maatschappelijk afgegleden. (…) Zorg en behandeling vindt hij niet echt nodig vanuit zijn zeer beperkte ziektebesef en inzicht. De problemen en bijbehorende stress zal hij wederom psychotisch duiden waarvanuit het matig- tot hoge recidiverisico vervolgens actueel wordt. Deze psychiatrische behandeling zal klinisch moeten beginnen binnen een forensisch psychiatrische setting waar risicogestuurd behandeld wordt. Daarbij lijkt een (zeer) hoog beveiligingsniveau niet nodig. (…)
Er wordt geadviseerd een tbs-maatregel op te leggen. Betrokkene geeft daarbij aan dat, indien de behandeling als voorwaarde wordt opgelegd, hij hieraan mee zal werken. Hij ziet de noodzaak voor behandeling, vanuit zijn zeer beperkte ziektebesef en afwezige inzicht, veel minder dan de rapporteur, maar staat hier ook niet afwijzend tegenover. Dit blijkt ook uit zijn meewerkende houding in de PI, waarbij hij ook open staat voor medicamenteuze ondersteuning. Daarnaast heeft betrokkene niet per se een (zeer) hoog beveiligingsniveau nodig. Daarom wordt geadviseerd de tbs met voorwaarden op te leggen. Indien een tbs met voorwaarden niet uitvoerbaar is, resteert enkel een tbs met dwangverpleging.”
Uit het rapport van psycholoog Pol:
“Ten einde het recidive-risico zoveel mogelijk te beperken, is het van belang dat betrokkene psychiatrische behandeling wordt geboden waarin primair aandacht wordt besteed aan het optimaal instellen van anti-psychotische medicatie. (…)
Gezien de aard en ernst van de psychische stoornis en het ten laste gelegde feit, en het matig tot hoog geachte recidive-risico, is het raadzaam dat betrokkene klinisch wordt behandeld en dat deze behandeling plaatsvindt in een forensisch-psychiatrische setting. (…)
Betrokkene heeft geen ziekte-inzicht en is niet intrinsiek voor een behandeling gemotiveerd. De geadviseerde behandeling is slechts haalbaar wanneer deze plaatsvindt binnen een gedwongen kader. (…)
Alles overziend zou rapporteur de rechtbank toch willen adviseren om betrokkene de maatregel TBS met voorwaarden op te leggen (indien de ernst van het ten laste gelegde dit toestaat). (…)
Betrokkene staat open voor behandeling. De dreiging van een omzetting in de maatregel TBS met dwangverpleging zou voor hem daarbij een extra motivatie kunnen zijn zich aan de behandelafspraken en -voorwaarden te houden. Mocht oplegging van de maatregel TBS met voorwaarden mogelijk zijn, dan zou de klinische behandeling binnen dat kader goed plaats kunnen vinden op een FPA of FPK. Betrokkene heeft zich tijdens zijn huidige detentie goed gedragen en er worden geen problemen verwacht op het gebied van risicomanagement. Indien TBS met voorwaarden toch niet haalbaar mocht blijken, betrokkene zich toch onvoldoende bereid mocht tonen zich voor langere tijd aan de voorwaarden te houden, dan resteert behandeling in het kader van de maatregel TBS met dwangverpleging.”
De reclassering heeft in de adviezen van 19 november 2025 en 13 februari 2026 negatief geadviseerd ten aanzien van tbs met voorwaarden.
In het advies van 19 november 2025 stelt de reclassering het volgende:
“Wij adviseren negatief over tbs met voorwaarden. Wij zien geen mogelijkheden om met voorwaarden de risico's te beperken of het gedrag te veranderen. De reclassering ziet gezien zijn ontkenning, beperkte motivatie voor het gebruik van medicatie, de beperkte openheid van zaken, ontkenning van problemen in zijn leven, het gebrek aan ziekte-inzicht, zijn gebrekkige probleembesef, het ontbreken van binding met Nederland en doordat hij de indruk wekt zich niet zo maar te schikken aan hetgeen hem gezegd wordt de nodige bezwaren voor een tbs met voorwaarden. We schatten mede gezien zijn wens om Nederland te verlaten en zijn eerdere besluiten een land te verlaten in dat de kans op onttrekking aanwezig is.”
In het advies van 13 februari 2026 adviseert de reclassering:
“De reclassering heeft eerder negatief geadviseerd ten aanzien van TBS met voorwaarden, met name vanwege zorgen over de uitvoerbaarheid, de afwezigheid van intrinsieke motivatie van betrokkene en het verwachte hoge afbreukrisico. Deze zorgen zijn onverminderd aanwezig en worden door de huidige informatie niet weggenomen. (…)
Een belangrijke contra-indicatie vormt het zeer beperkte ziekte-inzicht van betrokkene. Hij voelt vanuit zichzelf onvoldoende noodzaak tot behandeling en beschikt niet over een stabiel intern besef van zijn psychiatrische problematiek. De bereidheid tot meewerken is hoofdzakelijk extrinsiek gemotiveerd en gebaseerd op gezag, druk en het vermijden van negatieve consequenties. Vanuit reclasseringsperspectief vergroot dit het risico op het niet duurzaam naleven van voorwaarden, met name op momenten van verminderde controle of eventueel toegenomen psychotische ontregeling. Ten aanzien van medicatiegebruik ziet de reclassering eveneens een wezenlijk afbreukrisico. Binnen het kader van TBS met voorwaarden kan medicatie niet gedwongen worden toegediend, terwijl continuïteit van medicatie essentieel is voor risicobeheersing. Hoewel betrokkene eerder vrijwillig medicatie heeft ingenomen en aangeeft het effect hiervan te ervaren, is sprake geweest van
wisselende inname en ambivalentie. Dit maakt het toezicht kwetsbaar, zeker gezien de directe relatie tussen medicatie-ontrouw en toename van psychotische symptomen.”
Beoordeling
De rechtbank overweegt dat is voldaan aan de formele voorwaarden om de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen. Bij de verdachte was ten tijde van het begaan van het bewezenverklaarde sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, te weten schizofrenie. De verdachte wordt thans veroordeeld voor het hierna als poging tot moord te kwalificeren feit, dat een feit is waarvoor de tbs-maatregel kan worden opgelegd.
Bij de beoordeling of tbs met voorwaarden of tbs met dwangverpleging dient te worden opgelegd, kijkt de rechtbank in het bijzonder naar het maatregelenrapport van de reclassering, dat wordt opgevraagd ter beoordeling van de haalbaarheid van het naleven van voorwaarden door verdachte. De reclassering heeft helder en nauwgezet uiteengezet waarom tbs met voorwaarden een lage kans van slagen heeft en de rechtbank neemt dit advies dan ook over. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat verdachte ter zitting heeft verklaard dat hij medicatie alleen blijft innemen als dat moet, maar hier de noodzaak niet van inziet. De medicamenteuze behandeling is volgens alle adviezen essentieel om de psychotische symptomen en daarmee het recidiverisico te beperken. De rechtbank ziet met de reclassering een te groot risico in het ontbrekende ziekte-inzicht en de ambivalente houding van verdachte tegenover behandeling. Gelet daarop, en op het hoge recidiverisico met betrekking tot geweldsdelicten met psychotische decompensatie, eist de algemene veiligheid van personen en goederen naar het oordeel van de rechtbank oplegging van de tbs-maatregel en het bevel dat de verdachte van overheidswege wordt verpleegd.
De maatregel wordt opgelegd wegens een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de duur van de tbs niet op voorhand is gemaximeerd.
Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank verdachte ter beschikking stellen en bevelen dat verdachte van overheidswege verpleegd wordt.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
, vertegenwoordigd door Slachtofferhulp Nederland, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert een vergoeding van schade van een bedrag van € 5.500,00, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing van de vordering en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
Gelet op de primair bepleite vrijspraak dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard volgens de verdediging. Subsidiair heeft de raadsman namens verdachte bepleit de elleboogfractuur van de benadeelde partij niet voor rekening van verdachte te laten komen, nu deze ook kan zijn veroorzaakt door de val van de fiets. Verder was een operatie aan de elleboog nodig, maar heeft de benadeelde partij ervoor gekozen deze niet uit te laten voeren. Dat kan verdachte niet worden aangerekend. De verdediging verzoekt de rechtbank bij bewezenverklaring een bedrag van € 1.000,00 toe te wijzen ten aanzien van de hoofdwonden.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade is toegebracht, namelijk lichamelijk letsel. De benadeelde partij is hierdoor aangetast in zijn persoon. De rechtbank overweegt daarbij dat een oorzakelijk verband bestaat tussen de gebroken elleboog en het bewezenverklaarde, ongeacht of die breuk is veroorzaakt door het afweren of de val van de fiets. De schade die daaruit is voortgevloeid kan aan verdachte worden toegerekend, ook als een arts operatief ingrijpen zou hebben geadviseerd en benadeelde dat advies niet heeft gevolgd.
De rechtbank acht de vordering voldoende onderbouwd en zal deze in zijn geheel toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 februari 2025 tot de dag der algehele voldoening.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 februari 2025 tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
Toepasselijke wetsartikelen
De beslissing is gegrond op de artikelen:
36f, 37a, 37b, 45 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
bewezenverklaring
verklaart het primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid
Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:
poging tot moord;
verklaart verdachte voor het bewezene niet strafbaar en ontslaat hem van alle rechtsvervolging terzake daarvan;
maatregel
gelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd;
vordering benadeelde partij
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van 5.500,00 euro, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 februari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
schadevergoedingsmaatregel
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van 5.500,00 euro, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 februari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 52 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.M.L.A.T. Doll, voorzitter,
mr. E.M.J. Raeijmaekers en mr. N.A. Schipper, leden,
in tegenwoordigheid van mr. R. van Warners, griffier,
en is uitgesproken op 5 juni 2026.