RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 januari 2026 in de zaak tussen
[eiseres] uit [woonplaats] , eiseres
Samenvatting
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/1870
(gemachtigde: mr. K.M.J. Wartena),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. R. Boonstra).
1. Deze uitspraak gaat over de aanvraag van eiseres voor een Wajong-uitkering die het UWV heeft afgewezen. Eiseres is het daar niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het onderzoek door het UWV onzorgvuldig is geweest. Eiseres krijgt gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 21 mei 2024 heeft het UWV de aanvraag van eiseres voor een Wajong-uitkering afgewezen.
Met het besluit van 27 juni 2025 (het bestreden besluit) is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Eiseres heeft een aanvullend beroepschrift ingediend.
Het UWV heeft hierop gereageerd met een aanvullend rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (B&B) en de verzekeringsarts B&B.
Eiseres heeft een aanvullend stuk ingebracht.
Het UWV heeft hierop gereageerd met een aanvullend rapport van de arbeidsdeskundige B&B.
De rechtbank heeft het beroep op 8 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de begeleider van eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.
De feiten
3. Eiseres, geboren op [geboortedag] 2002, heeft op 14 januari 2024 bij het UWV een ‘Aanvraag beoordeling arbeidsvermogen’ ingediend. In de aanvraag heeft zij vermeld dat zij in aanmerking wil komen voor een Wajong-uitkering. Vervolgens heeft het UWV een medisch onderzoek en een arbeidskundig onderzoek verricht. Dit heeft geleid tot de besluitvorming zoals opgenomen onder het kopje ‘Procesverloop’.
Beoordeling door de rechtbank
4. Om een Wajong-uitkering te kunnen krijgen moet de aanvrager geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) hebben. Ook moet dat arbeidsvermogen duurzaam ontbreken. Duurzaam betekent dat er geen mogelijkheden zijn om arbeidsvermogen te ontwikkelen.
De aanvrager heeft geen arbeidsvermogen als hij:
( a) geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie;
( b) niet over basale werknemersvaardigheden beschikt;
( c) niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur, of;
( d) niet ten minste vier uur per dag belastbaar is.
De beoordeling van het arbeidsvermogen is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
Eiseres heeft de aanvraag pas ruim na haar 18e verjaardag ingediend. Dat wordt een laattijdige aanvraag genoemd. Bij zo’n laattijdige aanvraag moet ook beoordeeld worden of een aanvrager alsnog als jonggehandicapte kan worden aangemerkt, omdat de aanvrager op enig moment binnen vijf jaar na de 18e verjaardag alsnog jonggehandicapte is geworden. De bewijslast en het bewijsrisico bij een laattijdige aanvraag ligt bij de aanvrager, omdat een medisch beeld met het verstrijken van de jaren steeds moeilijker is vast te stellen.
De redenen voor de beslissing van de rechtbank
De VG-6 Wlz indicatie
5. Eiseres stelt dat de verkregen VG-6 indicatie op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) niet is meegenomen in de besluitvorming. Zij verwijst daarbij naar de uitspraak van 22 oktober 2018 van de rechtbank Overijssel (ECLI:NL:RBOVE:2018:3997), waarin is bepaald dat het niet meenemen van deze indicatie in de besluitvorming leidt tot een zorgvuldigheidsgebrek. Tijdens de zitting is naar voren gekomen dat de VG-6 Wlz-indicatie en de overwegingen die daaraan ten grondslag liggen niet in het geding zijn gebracht. Eiseres heeft verzocht om deze stukken alsnog in het geding te brengen. De gemachtigde van het UWV heeft ter zitting desgevraagd aangegeven daar geen bezwaar tegen te hebben. Gelet op wat de rechtbank hierna overweegt, ziet de rechtbank geen aanleiding om het verzoek toe te wijzen.
De zorgvuldigheid van het onderzoek
6. Eiseres heeft aangevoerd dat het medisch onderzoek van het UWV onzorgvuldigheden bevat. Er is door het UWV ten onrechte geconcludeerd dat de ADHD en de hechtingsstoornis niet zijn vastgesteld, aldus eiseres. De ADHD en de hechtingsstoornis zijn daardoor niet meegenomen in de beoordeling, terwijl dat wel had gemoeten. Eiseres verwijst naar het diagnostisch verslag van Lunetzorg van de onderzoeksperiode 10 januari 2018 tot en met 3 april 2018, waarin uit op te maken valt dat ze in het verleden is gediagnostiseerd met ADHD en een hechtingsstoornis.
Eiseres heeft tijdens het spreekuur bij de verzekeringsarts B&B op 9 mei 2025 voor het eerst aangekaart dat zij is gediagnostiseerd met ADHD. De verzekeringsarts B&B heeft eiseres vervolgens in de gelegenheid gesteld om aanvullende stukken aan te leveren waarin de ADHD-diagnose wordt bevestigd, zodat de diagnose kan worden meegenomen in de beoordeling. Dit heeft eiseres niet gedaan. De verzekeringsarts B&B heeft in zijn rapport van 4 oktober 2024 nader toegelicht dat de klachten die passen bij ADHD en een hechtingsstoornis ook passend kunnen zijn binnen de diagnose van de licht verstandelijke beperking. Gelet hierop is het billijk om uit te gaan van ADHD en een hechtingsstoornis en dat de klachten dan terug te voeren zijn op die pathologie en niet langer de grondslag vinden in (uitsluitend) de verstandelijke beperking. Dit wijzigt echter niets aan de geduide beperkingen, aldus de verzekeringsarts B&B. De rechtbank kan deze toelichting volgen. Eiseres heeft geen nieuwe medische stukken in het geding gebracht die aanleiding geven tot twijfel van de beoordeling van de verzekeringsartsen. De enkele betwisting hiervan is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.
Eiseres heeft een werkplaatsverslag van 26 november 2025, opgesteld door [naam] in zijn functie van werkleider bij [naam] , in het geding gebracht. Daarin staat vermeld, voor zover relevant, dat eiseres in de periode dat zij beschut werk had bij [naam] eenvoudige inpak-/ en assemblagewerkzaamheden heeft verricht. In het verslag staat vermeld dat eiseres nauwelijks functioneert zonder nagenoeg constante begeleiding. Feitelijk moet elke stap voorgedaan worden, ook al komen de werkzaamheden dagelijks terug. Zij functioneert voldoende bij een-op-een-begeleiding en aansturing. De begeleidingsbehoefte bedraagt meer dan 60% van de beschikbare tijd van de werkbegeleiding. Eiseres dient regelmatig gerustgesteld en aangestuurd te worden. De begeleidingsbehoefte is dermate tijdrovend en structureel dat het de grenzen van de begeleiding binnen de beschutte werkomgeving overstijgt. Gebleken is dat eiseres niet in staat is om te functioneren binnen de context van betaalde arbeid. Voorzetting zal leiden tot ernstige overbelasting en toename van sociaal emotionele ontregeling en uiteindelijk tot totale uitval. Eiseres zal het best tot haar recht komen en werkgeluk gaan ervaren binnen een zinvolle en stabiele daginvulling in een prikkelarme omgeving, aldus [naam] . Ter zitting heeft eiseres onder verwijzing naar het hiervoor vermelde verslag nader toegelicht dat zij al eerder inpakwerk heeft verricht en dat dit niet goed ging. Dit heeft eiseres ook aan het UWV doorgegeven. Desondanks is door het UWV de taak ‘inpakker’ geduid.
De gemachtigde van het UWV heeft ter zitting bevestigd dat niet bij het onderzoek is betrokken dat eiseres reeds inpakwerk heeft verricht. Uit het rapport van de arbeidskundige B&B van 3 december 2025 leidt de rechtbank ook af dat de arbeidsdeskundige B&B onderkend dat hij niet bekend is met de informatie die is vermeld in het verslag, aangezien hij vermeld dat niet duidelijk is in welke context het verslag past. Het werkplaatsverslag, althans de informatie die daarin staat had door het UWV moeten worden meegenomen in zijn onderzoek. De rechtbank concludeert dat het UWV niet alle relevante informatie bij het onderzoek heeft betrokken. Met de reactie van de arbeidskundige B&B van 3 december 2025 wordt dit gebrek niet weggenomen, omdat de rechtbank vindt dat daarin onvoldoende is gemotiveerd waarom de voorbeeldtaak “Inpakken (2201)” die is geduid, nog steeds kan worden gehandhaafd gelet op de inhoud van het verslag. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. Dit betekent dat het UWV opnieuw moet onderzoeken of eiseres arbeidsvermogen heeft, met inachtneming van het werkplaatsverslag en wat de rechtbank in deze uitspraak heeft overwogen. De rechtbank merkt daarbij overigens op dat het aan eiseres is om de VG-6 Wlz-indicatie te delen met het UWV, indien zij dat wil laten betrekken in het onderzoek. Het is vervolgens aan het UWV om te onderzoeken of en zo ja welke invloed de VG-6 Wlz-indicatie heeft op de aanvraag. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de aanvraag te nemen. Dit omdat opnieuw onderzoek moet worden gedaan. Ook draagt de rechtbank niet aan het UWV op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat te verwachten is dat het onderzoek dat nodig is om het gebrek te herstellen lang kan duren en te onzeker is wanneer dat kan worden afgerond.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het UWV hiervoor een termijn van acht weken.
Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten.
Het UWV moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. Eiseres heeft in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten. De gemachtigde heeft een (aanvullend) bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 27 juni 2025;
- draagt het UWV op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het UWV tot betaling van € 3.200,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Cune, rechter, in aanwezigheid van mr. M.P. Kool, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.