RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Team strafrecht
Parketnummer: 01-314910-20 (ontneming)
Datum uitspraak: 9 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[veroordeelde] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1956] ,
wonende te [adres 1] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 april 2026. De behandeling van de vordering heeft gelijktijdig plaatsgehad met de behandeling van de strafzaak tegen [veroordeelde] (hierna: veroordeelde), eveneens met parketnummer 01-314910-20. Het onderzoek ter terechtzitting is op 26 mei 2026 gesloten.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van veroordeelde naar voren is gebracht.
2. De vordering
De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt ertoe dat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten en vaststellen op een bedrag van € 10.000,00 en aan de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de staat van dat bedrag.
3. De grondslag voor ontneming
De veroordeelde is op 9 juni 2026 door deze rechtbank veroordeeld wegens het volgende strafbare feit:
- een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is, door een persoon die daarvan een gewoonte maakt, meermalen gepleegd.
Uit het onderzoek leidt de rechtbank af dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van dit bewezen verklaarde strafbare feit. De grondslag voor ontneming van dat voordeel is daarom een veroordeling wegens een strafbaar feit als bedoeld in artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
4. De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de vordering ter terechtzitting gewijzigd in die zin dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van € 1.500,00.
De officier van justitie heeft zich bij de berekening gebaseerd op het ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel’, opgemaakt op 8 november 2021. De conclusie van dit rapport is dat het door de veroordeelde totale wederrechtelijk verkregen voordeel
€ 10.000,00 bedraagt. De officier van justitie komt op een lager bedrag uit dan in het rapport staat vermeld. De reden daarvoor is dat bij de berekening in het rapport wordt uitgegaan van twee strafbare feiten, te weten – kort samengevat – mensenhandel en mensensmokkel, terwijl de veroordeling enkel ziet op mensensmokkel.
Standpunt van de verdediging
De raadsman van de veroordeelde heeft zich op de terechtzitting gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor zover het gaat om het door de officier van justitie geschatte bedrag van € 1.500,00, en gesteld dat de vordering voor het overige moet worden afgewezen.
Bewijsmiddelen
De rechtbank gebruikt het volgende bewijsmiddel:
Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel dat op 8 november 2021 is opgemaakt, documentnummer OBRCC20006-89, pagina 1-. 8
BVH mutatie PL2100-2019015451-3 (datum 22 januari 2019)
Door het prostitutiecontroleteam is een controle uitgevoerd. Er werd een afspraak gemaakt in de woning, gelegen aan [adres 2] . Door een lid van het prostitutiecontroleteam is gesproken met [naam 1] , geboren op [geboortedatum] . Zij gaf aan dat ze een maand in de woning verbleef bij:
[veroordeelde] , geboren op [1956] . Zij betaalde voor het verblijf aan hem
€ 50,00 per dag. Zij ontving in de woning klanten voor seks. [naam 1] had alleen maar een verblijfsvergunning voor België. De woning waar zij verbleef bij [veroordeelde] was gelegen aan het adres [adres 2] .
Opbrengst
[naam 1]
verklaart dat ze een maand bij hem in de woning verbleef. Zij betaalde € 50,00 per dag voor het verblijf aan hem. Uitgaande van een maand van dertig dagen, was de opbrengst voor [veroordeelde] : 30 dagen X € 50,00 =
€ 1.500,00.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank gaat voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van de volgende berekening.
Veroordeelde heeft gedurende één maand (30 dagen) verblijf verschaft aan [naam 1] . Hij vroeg daarvoor een bedrag van € 50,00 per dag. Het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde bedraagt dus:
30 x € 50,00 = € 1.500,00
Het bij deze berekening gebruikte aantal dagen en bedrag ontleent de rechtbank aan de inhoud van het genoemde wettige bewijsmiddel. Redengevend voor deze schatting zijn de daar vermelde feiten, omstandigheden en gevolgtrekkingen.
Conclusie schatting wederrechtelijk verkregen voordeel
Op grond van het voorgaande schat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 1.500,00.
5. De vaststelling van de betalingsverplichting
De rechtbank ziet geen redenen om de betalingsverplichting anders vast te stellen dan het wederrechtelijk verkregen voordeel zoals dat hiervoor is berekend.
Gijzeling bij niet volledig verhaal
De rechtbank zal toepassing geven aan artikel 36e, elfde lid, Sr. Op grond hiervan dient de rechter thans bij de oplegging van de maatregel de duur van de gijzeling te bepalen die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd, indien volledig verhaal van de opgelegde betalingsverplichting niet mogelijk blijkt. De rechtbank zal die maximale duur bepalen op basis van één dag per te ontnemen
€ 100,00.
Gelet op het vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel van € 1.500,00, zal de rechtbank de maximale duur van de gijzeling vaststellen op 15 dagen.
Schending redelijke termijn
De rechtbank constateert dat, net als in de strafzaak, de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en Fundamentele Vrijheden is overschreden. De rechtbank is van oordeel dat de schending van de redelijke termijn voldoende is gecompenseerd door matiging van de in de strafzaak opgelegde straf. De ontnemingszaak en de strafzaak zijn gelijktijdig behandeld, waardoor de rechtbank in deze ontnemingszaak zal volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn is geschonden.
6. Het toepasselijke wetsartikel
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
7. De beslissing
De rechtbank:
stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 1.500,00;
legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 1.500,00 aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 15 dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.H.P.G. Wielders, voorzitter,
mr. F. van Buchem, rechter,
mr. M.W.M. Bankers, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. R. Ringeling, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 juni 2026.