ECLI:NL:RBOBR:2026:3990

ECLI:NL:RBOBR:2026:3990

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 09-06-2026
Datum publicatie 08-06-2026
Zaaknummer 01-314910-20strafzaak
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Vrijspraak van mensenhandel. Veroordeling voor mensensmokkel, door het huisvesten van Braziliaanse transgender sekswerkers tegen betaling van een huursom en/of betaling in natura, terwijl hij hiervan een gewoonte heeft gemaakt. Redelijke termijn fors overschreden. Gevangenisstraf voor de duur van 369 dagen, waarvan 270 dagen voorwaardelijk, met aftrek. Vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie ‘s-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01-314910-20

Datum uitspraak: 9 juni 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats 1] op [1956] ,

wonende te [adres 1]

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 14 december 2021 en 23 april 2026. Het onderzoek ter terechtzitting is op 26 mei 2026 gesloten.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 11 november 2021.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1

hij in of omstreeks de periode van 26 december 2018 tot en met 7 september 2021 te

Eindhoven, althans in Nederland,

tezamen met een ander of anderen, althans alleen,

een ander of anderen, te weten:

- [naam 1] (geboren op [1989] te [geboorteplaats 2] ) en/of

- [naam 2] (geboren op [1993] [geboorteplaats 3] ) en/of

- [naam 3] (geboren [1988] te [geboorteplaats 4] ) en/of

- (zich noemende) [naam 4] en/of

- (zich noemende) [naam 5] en/of

- één of meer andere (onbekend gebleven) perso(o)n(en),

uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland of hem/haar/hen daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft,

door:

- bovengenoemde perso(o)n(en) via een whatsappgroep verblijf aan te bieden in zijn, verdachtes, woning en/of

- bovengenoemde perso(o)n(en) in zijn, verdachtes, woning te laten verblijven en/of

- bovengenoemde perso(o)n(en) te laten betalen (met geld of in natura) voor verblijf in zijn, verdachtes, woning en/of

- door bovengenoemde perso(o)n(en) prostitutiewerkzaamheden te laten verrichten vanuit zijn, verdachtes, woning,

terwijl hij, verdachte, wist of ernstige redenen had te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was

en verdachte van het plegen van dit feit een beroep of gewoonte heeft gemaakt.

Feit 2

hij in of omstreeks de periode van 8 mei 2020 tot en met 22 mei 2020 te Eindhoven, althans in Nederland,

een ander, genaamd [naam 3] (geboren [1988] te [geboorteplaats 4] ),

(telkens) met één of meer van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273f Wetboek van Strafrecht genoemde middelen, te weten door dwang en/of geweld en/of een andere feitelijkheid en/of dreiging met geweld of een andere feitelijkheid en/of door afpersing en/of door fraude en/of door misleiding, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie,

- heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen met het oogmerk van uitbuiting (sub 1), en/of

- heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) dan wel enige handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [naam 3] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) (sub 4), en/of

- heeft gedwongen of bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van seksuele handelingen van die [naam 3] met of voor een derde tegen betaling (sub 9),

en/of

(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [naam 3] (sub 6),

waarbij dat geweld of een andere feitelijkheid en/of die dreiging met geweld of een andere feitelijkheid heeft/hebben bestaan uit:

- het mishandelen van die [naam 3] (onder andere door die [naam 3] te slaan en/of te wurgen en/of de keel dicht te knijpen van die [naam 3] ) en/of

- het dwingen althans bewegen van die [naam 3] om (onvrijwillig) onveilige en/of door die [naam 3] als vernederend ervaren en/of deviante seksuele handelingen van en/of met hem, verdachte, te ondergaan en/of te dulden en/of

- het zich op boze en/of agressieve en/of (anderszins) dreigende en/of overheersende en/of denigrerende toon/wijze te uiten tegen die [naam 3] en/of

- het bedreigen van die [naam 3] dat hij, verdachte, die [naam 3] om het leven zou (laten) brengen wanneer die [naam 3] naar de politie zou stappen en/of

- het brengen en/of houden van die [naam 3] in een positie waar zij/hij niet over haar/zijn inkomsten kon beschikken en/of

- het dwingen van die [naam 3] om de opbrengsten uit de prostitutiewerkzaamheden aan hem, verdachte, af te dragen en/of

- het brengen en/of houden van die [naam 3] in een positie waar zij/hij afhankelijk van verdachte was voor het hebben van onderdak en/of

- het onder controle houden en/of opsluiten van die [naam 3] , waardoor het voor die [naam 3] werd bemoeilijkt zich aan die controle en/of de prostitutiewerkzaamheden te onttrekken en/of

- het bijhouden van het paspoort van die [naam 3] , waardoor die [naam 3] hier niet zelf over kon beschikken,

en/of waarbij voornoemde (onder sub 4) "enige handeling" heeft bestaan uit:

- het aangaan en/of onderhouden van een seksuele relatie met die [naam 3] en/of

- het laten verblijven van die [naam 3] in zijn, verdachtes, woning en/of het ter beschikking stellen van die woning als werkplek (voor prostitutiewerkzaamheden van die [naam 3] ) en/of

- het aanmaken en/of onderhouden van één of meer advertenties op één of meer website(s) waarin die [naam 3] werd aangeboden voor prostitutiewerkzaamheden en/of

- het onderhouden van contacten met en/of het maken van afspraken met (potentiële) (prostitutie)klant(en) voor die [naam 3] en/of het maken van afspraken met die (potentiële) klant(en) over de aard van de prostitutiewerkzaamheden en/of de daarvoor te betalen bedragen en/of

- het bepalen dat die [naam 3] 24 uur per dag moest werken in de prostitutie en/of

- het bijhouden en/of in ontvangst nemen van de opbrengsten uit de prostitutiewerkzaamheden van die [naam 3] .

De formele voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Inleiding

Op 15 september 2020 heeft (transgender) sekswerker [naam 3] (hierna: [naam 3] ) bij de politie aangifte gedaan van mensenhandel tegen verdachte. Uit onderzoek van de politie is vervolgens gebleken dat in de woning van verdachte aan [adres 2] eerder, te weten op 22 januari 2019, een prostitutiecontrole had plaatsgevonden, waarbij verdachte en een andere Braziliaanse sekswerker, [naam 1] (hierna [naam 1] ), werden aangetroffen. Deze controle volgde op een fictieve afspraak die de politie via de website [website] met een sekswerker had gemaakt. De desbetreffende sekswerker had daarbij het adres [adres 2] doorgegeven.

Op 22 september 2020 heeft er opnieuw een prostitutiecontrole plaatsgevonden op het woonadres van verdachte, waarbij – naast verdachte – de Braziliaanse sekswerker [naam 2] (hierna: [naam 2] ) werd aangetroffen. Deze controle heeft wederom plaatsgevonden nadat de politie een fictieve seksafspraak had gemaakt via de website [website] , waarbij de [adres 2] werd genoemd. Over [naam 2] , ook wel [naam 6] genoemd, heeft verdachte verklaard dat hij een relatie met haar had.

Op 28 oktober 2020 is het Team Migratiecriminaliteit en Mensenhandel van de politie Oost-Brabant het onderzoek [onderzoeksnaam] gestart. Tijdens dit onderzoek is de verdenking ontstaan dat verdachte een aantal illegaal in Nederland verblijvende Braziliaanse (transgender) sekswerkers in zijn woning heeft gehuisvest.

De verdachte wordt in deze zaak verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel van [naam 3] , alsmede van mensensmokkel in vereniging (in de vorm van het behulpzaam zijn bij het verschaffen van verblijf in Nederland) en daarvan een beroep of gewoonte heeft gemaakt.

Vrijspraak ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde mensenhandel

De rechtbank acht, met de officier van justitie en de raadsman, niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder feit 2 ten laste is gelegd.

Op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan niet uitsluitend worden aangenomen op grond van de verklaring van één getuige. Nu de verklaringen van de [naam 3] over de dwang die verdachte zou hebben uitgeoefend en over de uitbuiting niet worden ondersteund door andere wettige bewijsmiddelen, zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van het onder 2 ten laste gelegde.

De bewijsvraag ten aanzien van feit 1 (mensensmokkel)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 1 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen, met uitzondering van het onderdeel dat ziet op [naam 4] . Ten aanzien van [naam 4] kan volgens de officier van justitie niet worden bewezen dat sprake was van wederrechtelijk verblijf, zodat de verdachte daarvan (partieel) dient te worden vrijgesproken.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft partiële vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde, voor zover het gaat om [naam 4] en [naam 5] . Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte deze personen in zijn woning heeft gehuisvest en/of dat zij vanuit de woning van verdachte prostitutiewerkzaamheden hebben verricht. Ook heeft de verdediging bepleit dat de tenlastelegging nietig is voor zover daarin staat ‘één of meer andere (onbekend gebleven) perso(o)n(en)’ omdat volstrekt onduidelijk is waar die beschuldiging op ziet. De verdediging heeft zich voor de bewezenverklaring van het feit voor het overige gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen

De rechtbank heeft de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden in de bijlage opgenomen.

Bewijsoverwegingen

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mensensmokkel van drie in de tenlastelegging genoemde personen, te weten [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] , en dat hij van mensensmokkel een gewoonte heeft gemaakt. De rechtbank zal dit oordeel hierna toelichten aan de hand van de verschillende bestanddelen van de delictsomschrijving van artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

Juridisch kader

Voor een bewezenverklaring van artikel 197a, tweede lid, Sr, is vereist dat verdachte, uit winstbejag, behulpzaam is geweest bij het verschaffen van verblijf aan een persoon in Nederland of een andere lidstaat van de EU, of dat verdachte daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden, dat het verblijf wederrechtelijk is.

Van ‘behulpzaam zijn bij’ is onder andere sprake bij het regelen van onderdak door een verdachte. Het gaat erom of de verdachte het verblijf van bedoelde persoon in enigerlei opzicht bevordert of gemakkelijk maakt. Onder ‘verblijf’ wordt verstaan het elk zich ophouden in de desbetreffende staat. Voor winstbejag is voldoende dat de handelingen van verdachte gericht zijn op verrijking, daadwerkelijke verrijking niet vereist.

Van wederrechtelijk verblijf is blijkens de wetsgeschiedenis sprake als het verblijf van een persoon plaats heeft zonder dat daaraan enig subjectief recht of enige bevoegdheid aan ten grondslag ligt. In welke gevallen een persoon het recht heeft om in Nederland te verblijven is bepaald in artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000. De verdachte moet van de wederrechtelijkheid van het verblijf op de hoogte zijn geweest, in die zin dat hij daarvan moet hebben geweten (waarbij voorwaardelijk opzet volstaat), of minst genomen ernstige redenen hebben gehad om te vermoeden dat het verblijf wederrechtelijk was (culpa).

Uit winstbejag behulpzaam bij het verschaffen van verblijf

Naar het oordeel van de rechtbank kan worden bewezen dat verdachte de drie hiervoor genoemde personen behulpzaam is geweest bij het verschaffen van verblijf. Uit de verklaringen die verdachte op 5 oktober 2021 ten overstaan van de politie heeft afgelegd blijkt immers dat hij zijn woonruimte aan [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] ter beschikking heeft gesteld.

Dat verdachte daarbij uit winstbejag heeft gehandeld, blijkt onder meer uit de verklaring die hij op 5 oktober 2021 ten overstaan van de politie heeft afgelegd, inhoudende dat hij kamers aan sekswerkers is gaan verhuren om wat extra geld te verdienen. Gebleken is dat verdachte 50 euro per dag aan kamerhuur vroeg van [naam 1] en [naam 3] , en dat hij seks met hen had als zij niet konden betalen, hetgeen in deze context kan worden aangemerkt als een betaling in natura. Ook blijkt het winstbejag uit de kamerhuur die verdachte in het begin vroeg van zijn toenmalige vriendin [naam 2] ( [naam 6] ) en uit het financieel voordeel dat hij later heeft gehad van de verdiensten uit prostitutiewerkzaamheden van [naam 2] , aangezien daarvan een sportschoolabonnement is afgesloten en uitjes werden betaald. Dat zijn handelen ook was gericht op het verkrijgen van financieel voordeel heeft verdachte tijdens de zitting bevestigd door te verklaren dat zijn handelen er in eerste instantie op was gericht om er rijk van te worden.

Wederrechtelijkheid van het verblijf

Naar het oordeel van de rechtbank kan eveneens worden bewezen dat het verblijf van [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] wederrechtelijk was. Dit blijkt uit het in het dossier aanwezige proces-verbaal van 3 december 2020 met betrekking tot de verblijfsstatus van deze drie personen. [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] hebben allen de Braziliaanse nationaliteit, hebben in de ten laste gelegde periode in Nederland verbleven en sekswerk verricht en hadden (dientengevolge) geen legaal verblijf in Nederland.

De rechtbank overweegt in dit verband dat, zelfs indien [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] (in eerste instantie) beschikten over een geldige verblijfstitel, op grond waarvan hun verblijf voor 90 dagen binnen een willekeurig tijdvak van 180 dagen (de vrije termijn) in Nederland rechtmatig was, die rechtmatigheid komt te vervallen op het moment dat het verblijf ten doel heeft arbeid te verrichten (artikelen 8 en 12 van de Vreemdelingenwet). Van die situatie is sprake, nu vast staat dat [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] in Nederland sekswerk hebben verricht.

Opzet/culpa op de wederrechtelijkheid

Ook de wetenschap dan wel het vermoeden van het wederrechtelijk verblijf acht de rechtbank bewezen. Verdachte was op de hoogte van de nationaliteit van [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] . Ook wist hij dat zij sekswerk verrichtten in Nederland. Hij heeft hen immers zelf via [website] benaderd en de seksafspraken vonden onder andere plaats in zijn woning. Verder hebben er meerdere politiecontroles in die woning plaatsgevonden, waarbij [naam 2] en [naam 1] zijn aangehouden op grond van de Wet op de Identificatieplicht. In het geval van [naam 2] heeft verdachte verklaard dat hij een paspoort voor haar heeft aangevraagd in Brussel en dat zij bezig waren om haar in Nederland te kunnen laten blijven.

In dit verband is nog relevant dat iedereen in Nederland geacht wordt de wet te kennen. Voor zover dat niet het geval is, heeft iedereen de verantwoordelijkheid om zich daarin te verdiepen. Illegaliteit en immigratie zijn bovendien nagenoeg voortdurend onderwerp van het publieke debat, dat maakt die verantwoordelijkheid des te meer prangend. Dit geldt in het bijzonder voor verdachte, nu hij kamers verhuurde van waaruit sekswerk werd verricht door personen die afkomstig zijn uit landen van buiten de Europese Unie. Uit de door verdachte afgelegde verklaringen kan worden afgeleid dat verdachte zich niet in de verblijfstatus van [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] heeft verdiept (of willen verdiepen) en ook geen enkele andere inspanning heeft verricht om daarvan op de hoogte te raken.

De rechtbank stelt op grond hiervan vast dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het verblijf van deze personen in Nederland wederrechtelijk was.

Beroep en/of gewoonte

Naar het oordeel van de rechtbank is ook bewezen dat verdachte van mensensmokkel een gewoonte heeft gemaakt. Daarvoor acht de rechtbank bepalend dat verdachte zich gedurende een langere periode schuldig heeft gemaakt aan mensensmokkel, van drie verschillende personen, die hij steeds voor meerdere dagen of weken heeft gehuisvest, waarbij hij steeds dezelfde werkwijze heeft toegepast (contacten via [website] ).

Partiële vrijspraak

De rechtbank is van oordeel dat de ten laste gelegde mensensmokkel niet wettig en overtuigend is bewezen voor zover het gaat om [naam 4] , [naam 5] en één of meer andere (onbekend gebleven) perso(o)n(en), zodat verdachte voor dat deel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken. Het dossier bevat onvoldoende informatie over de identiteit en nationaliteit van deze personen en over een mogelijk verblijf van hen bij verdachte, zodat niet kan worden vastgesteld dat aan alle bestanddelen van de delictsomschrijving van mensensmokkel is voldaan. De rechtbank ziet overigens ook geen aanleiding voor het oordeel dat de dagvaarding nietig verklaard moet worden, voor zover het betreft de zinssnede “één of meer andere (onbekend gebleven) perso(o)n(en)”. Hoewel deze zinsnede weinig concreet is, was het voor verdachte – gelet op hetgeen verder aan hem ten laste is gelegd, het procesdossier en het standpunt daarover van de officier van justitie – voldoende duidelijk waartegen hij zich moest verweren.

Ook het ten laste gelegde medeplegen acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen. Niet is gebleken dat verdachte het ten laste gelegde feit samen met een ander heeft gepleegd. Daarom zal verdachte ook voor dat deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mensensmokkel van [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] , en dat hij daarvan een gewoonte heeft gemaakt.

De bewezenverklaring

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

in de periode van 26 december 2018 tot en met 7 september 2021 te Eindhoven, anderen, te weten:

- [naam 1] (geboren op [1989] te [geboorteplaats 2] ) en

- [naam 2] (geboren op [1993] [geboorteplaats 3] ) en

- [naam 3] (geboren [1988] te [geboorteplaats 4] ),

uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland,

door:

- bovengenoemde personen verblijf aan te bieden in zijn, verdachtes, woning en

- bovengenoemde personen in zijn, verdachtes, woning te laten verblijven en

- bovengenoemde personen te laten betalen (met geld of in natura) voor verblijf in zijn, verdachtes, woning en

- door bovengenoemde personen prostitutiewerkzaamheden te laten verrichten vanuit zijn, verdachtes, woning,

terwijl hij, verdachte, wist of ernstige redenen had te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was

en verdachte van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt.

De strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van de duur van het voorarrest.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 99 dagen, zijnde de periode die verdachte in voorarrest heeft gezeten, al dan niet gecombineerd met een forse taakstraf. De taakstraf zou volgens de verdediging de maximale duur van 240 uur kunnen behelzen. De verdediging heeft er eerder op gewezen dat in deze zaak sprake is van een forse overschrijding van de redelijke termijn.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het feit is begaan

Verdachte, nu 69 jaar oud, heeft zich in de periode van 26 december 2018 tot en met 7 september 2021 schuldig gemaakt aan mensensmokkel en hij heeft hiervan een gewoonte gemaakt. Hij heeft over een periode van bijna drie jaar een kamer in zijn woning verhuurd aan drie verschillende Braziliaanse sekswerkers. Zij verbleven in de kamer en verrichtten daar ook prostitutiewerkzaamheden. In ruil voor het ter beschikking stellen van de kamer ontving verdachte 50 euro per dag aan kamerhuur of had hij bij niet-betaling seks met hen of behaalde hij op een andere manier financieel voordeel.

Verdachte heeft met zijn handelen bijgedragen aan het frustreren van nationaal en internationaal beleid aangaande de bestrijding van illegaal verblijf in Nederland. Verdachte heeft zich daarbij kennelijk enkel laten leiden door persoonlijk gewin en de wens om aan zijn gerief te komen. De rechtbank neemt hem dat kwalijk.

Oriëntatiepunten voor strafoplegging

De rechtbank heeft rekening gehouden met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS-oriëntatiepunten). Bij mensensmokkel is het oriëntatiepunt een gevangenisstraf van drie maanden voor iedere gesmokkelde persoon. Daarbij geldt in beginsel een lineaire verhoging. Bovendien kan het uitgangspunt in het geval van (onder andere) het maken van een beroep of gewoonte van mensensmokkel worden verhoogd.

Persoon van verdachte

Met betrekking tot de persoon van verdachte houdt de rechtbank rekening met het uittreksel uit de justitiële documentatie van 11 maart 2026. Hieruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit. De rechtbank zal het uittreksel uit de justitiële documentatie daarom niet in strafverzwarende zin meewegen.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op de Pro Justitia rapportage over verdachte van 21 januari 2022, opgemaakt door S.P.H. Wijnen, GZ-psycholoog. De deskundige concludeert dat de verdachte lijdt aan een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met borderline en antisociale trekken. Hoewel deze stoornis aanwezig was ten tijde van het ten laste gelegde feit adviseert de deskundige om het feit volledig aan hem toe te rekenen. De verdachte wist dat het verhuren van een kamer illegaal was en hij heeft hier bewuste keuzes in gemaakt om hier toch mee door te gaan.

De rechtbank neemt de conclusies met betrekking tot de vastgestelde stoornis en de volledige toerekenbaarheid over.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 19 maart 2026, inhoudende dat geen mogelijkheden worden gezien voor de inzet van reclasseringsinterventies. Verdachte heeft vanaf eind 2021 tot maart 2025 onder toezicht gestaan van de reclassering in het kader van schorsing van de voorlopige hechtenis, maar de reclasseringsinterventies hebben niet het gewenste resultaat gehad. Verdachte is vanaf maart 2025 volledig uit beeld van de reclassering. Hij is verhuisd naar Spanje. De omstandigheid dat verdachte de hem geboden hulp en ondersteuning onvoldoende heeft geaccepteerd dan wel deze uit eigen beweging heeft beëindigd, weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee.

De rechtbank weegt ook in strafverzwarende zin mee dat verdachte tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis opnieuw is aangetroffen met een Braziliaanse sekswerker in zijn woning, nadat de politie met deze sekswerker een fictieve seksafspraak had gemaakt.

Redelijke termijn

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank tevens gelet op het feit dat de verdachte het recht heeft om binnen een redelijke termijn te worden berecht (artikel 6 EVRM). Als uitgangspunt geldt dat binnen twee jaar na aanvang van de op zijn redelijkheid te toetsen termijn door de rechtbank moet zijn beslist, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In deze zaak is de redelijke termijn aangevangen op 7 september 2021, de dag waarop verdachte in verzekering is gesteld. Verdachte kon daaraan in redelijkheid de verwachting ontlenen dat tegen hem strafvervolging zou worden ingesteld. De redelijke termijn eindigt met het wijzen van dit vonnis op 9 juni 2026. Hieruit volgt dat de termijn waarbinnen de verdachte had moeten worden berecht met ruim 33 maanden is overschreden. Gelet op deze forse overschrijding acht de rechtbank matiging van de straf op zijn plaats.

Strafoplegging

Gelet op de ernst van het feit, de LOVS-oriëntatiepunten en de hiervoor genoemde strafverzwarende omstandigheden geldt oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf als uitgangspunt. Gelet op de forse overschrijding van de redelijke termijn en het gegeven dat deze verdachte op leeftijd inmiddels een leven in Spanje heeft opgebouwd, zal de rechtbank aan verdachte echter geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen die langer is dan de periode die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Alles afwegende legt de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 369 dagen, waarvan 270 dagen voorwaardelijk, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Sr en met een proeftijd van 2 jaren. Daarin komt naar het oordeel van de rechtbank de ernst van het feit voldoende tot uitdrukking. Ook bevat deze straf een flinke stok achter de deur voor verdachte om zich niet opnieuw schuldig te maken aan enig strafbaar feit. Gezien het advies van de reclassering, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het opleggen van bijzondere voorwaarden.

De vordering van de benadeelde partij [naam 3]

Als benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd [naam 3] . De benadeelde partij heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust. Gevorderd wordt € 8.032,52 aan materiële schadevergoeding, bestaande uit zorgkosten, gederfd inkomen, kosten van achtergebleven kleding en reiskosten. Daarnaast wordt € 15.000,00 aan immateriële schadevergoeding gevorderd.

De benadeelde partij heeft gevorderd om het te vergoeden bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij

niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering, omdat deze betrekking heeft op de aan verdachte ten laste gelegde mensenhandel en gevorderd is om verdachte daarvan vrij te spreken.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij

niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering. Voor zover het gaat om de materiële schade is de vordering volgens de verdediging onvoldoende onderbouwd. Voor zover het gaat om de immateriële schade is bij vrijspraak voor de ten laste gelegde mensenhandel geen ruimte voor toewijzing. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat het door de benadeelde partij gevorderde bedrag aan immateriële schade moet worden gematigd.

Het oordeel van de rechtbank

Voor zover de vordering ziet op de onder feit 2 ten laste gelegde mensenhandel zal de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

Voor zover de vordering (ook) ziet op de onder feit 1 ten laste gelegde mensensmokkel zal de benadeelde partij ook niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat onvoldoende is onderbouwd dat de gevorderde schade een rechtstreeks gevolg is van de bewezenverklaarde mensensmokkel. Het zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren om de benadeelde partij de gelegenheid te geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering daarom slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal gelet op het voorgaande geen schadevergoedingsmaatregel opleggen.

De rechtbank ziet aanleiding om te bepalen dat de verdachte en de benadeelde partijen ieder de eigen kosten dragen die in verband met deze vordering zijn gemaakt.

Toepasselijke wetsartikelen

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Artikel 14a, 14b, 14c, 57, 63 en 197a van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

De rechtbank:

- verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 2 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart hetgeen aan verdachte onder feit 1 is ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

- verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende misdrijf oplevert:

ten aanzien van feit 1:

een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is, door een persoon die daarvan een gewoonte maakt, meermalen gepleegd.

- verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

- legt op de volgende straf:

 een gevangenisstraf voor de duur van 369 dagen, waarvan 270 dagen voorwaardelijk, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Sr en met een proeftijd van 2 jaren;

 voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;

- heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

- verklaart [naam 3] niet-ontvankelijk in haar vordering;

- bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.H.P.G. Wielders, voorzitter,

mr. F. van Buchem en mr. M.W.M. Bankers, leden,

in tegenwoordigheid van mr. R. Ringeling, griffier,

en is uitgesproken op 9 juni 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J.H.P.G. Wielders
  • mr. F. van Buchem
  • mr. M.W.M. Bankers

Griffier

  • mr. R. Ringeling

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand