ECLI:NL:RBOBR:2026:4029

ECLI:NL:RBOBR:2026:4029

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 10-04-2026
Datum publicatie 09-06-2026
Zaaknummer C/01/424480 / FA RK 26-1192
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Verzoek om een zorgmachtiging - opnemen in een accommodatie, waaronder opname in een instelling als bedoeld in artikel 3:1, eerste lid, of artikel 3:3, eerste lid, van de Wet forensische zorg (Wfz) – verblijf in PPC ter overbrugging – de overbruggingsperiode moet zo kort mogelijk duren.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie 's-Hertogenbosch

Zaaknummer: C/01/424480 / FA RK 26-1192

Datum uitspraak: 10 april 2026

Beschikking zorgmachtiging

op het verzoek van de officier van justitie voor

[betrokkene] ,

geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats],

hierna te noemen betrokkene,

wonend in [woonplaats],

verblijvende te PI Vught, Lunettenlaan 501, 5263 NT Vught, PPC,

advocaat mr. S. Ben Tarraf uit Amsterdam.

1. Het verloop van de procedure

De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 20 maart 2026.

De zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2026. Daarbij zijn gehoord:

betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;

[naam GD PPC Vught], geneesheer-directeur/behandelend psychiater van het PPC in de PI Vught (hierna: [naam GD PPC Vught] respectievelijk PPC Vught);

- [naam], officier van justitie (telefonisch);

- [naam GD GGZ], geneesheer-directeur van GGZ inGeest (telefonisch; hierna ook wel [naam GD GGZ]).

2. Wat vaststaat

De rechtbank heeft een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel verleend tot en met 22 maart 2026. Betrokkene verblijft met deze machtiging in het PPC Vught.

3. Het verzoek

De officier van justitie verzoekt de rechtbank een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van zes maanden.

4. De beoordeling

De rechtbank verleent de machtiging voor de duur van vier weken, dus tot en met 8 mei 2026 en houdt de beslissing op het verzoek voor het overige aan. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.

Op grond van artikel 5:17 Wvggz, in samenhang met artikel 6:4 Wvggz, verleent de rechtbank een zorgmachtiging indien naar haar oordeel is voldaan aan de criteria voor verplichte zorg, bedoeld in artikel 3:3 Wvggz en het doel van verplichte zorg, bedoeld in artikel 3:4 Wvggz, onderdelen b tot en met e. De rechtbank neemt hierbij de algemene uitgangspunten van artikel 2:1 Wvggz in acht.

De rechtbank is van oordeel dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis in de vorm van recidiverende psychoses, voortvloeiende uit schizofrenie, een licht verstandelijke beperking en middelengebruik.

Deze stoornis veroorzaakt ernstig nadeel. Dit nadeel bestaat uit:

- levensgevaar;

- ernstig lichamelijk letsel;

- ernstige psychische schade;

- ernstige verwaarlozing;

- maatschappelijke teloorgang;

- gevaar voor de algemene veiligheid van personen en goederen.

De rechtbank volgt betrokkene niet in zijn verweer dat, omdat hij gestabiliseerd is, er geen sprake meer is van ernstig nadeel. De rechtbank wijst daarbij op het volgende.

Er bestaat een sterk verhoogd risico dat betrokkene ernstig en onvoorspelbaar fysiek agressief wordt naar anderen, als hij zou stoppen met anti-psychotische medicatie. Nadat er in begin 2025 aanwijzingen zijn dat betrokkene is gestopt met zijn medicatie, zijn er op 27 en 29 augustus 2025 bij de politie meldingen ontvangen dat betrokkene zijn zusje (van op dat moment vier jaar oud) en zijn moeder fysiek heeft mishandeld. Op 30 augustus 2025 heeft betrokkene bij binnenkomst op de HIBZ te Amsterdam, een medewerker meerdere malen met de vuist in het gezicht geslagen. Op 23 december 2025 is betrokkene betrokken geweest bij een ernstig geweldincident tegen personeel van het PPC Haaglanden. Naar aanleiding hiervan is betrokkene op 6 januari 2026 overgeplaatst naar het PPC Vught. Hij verblijft daar op een afdeling met het hoogste beveiligingsniveau. Hij heeft een individueel programma en dat betekent dat hij geen contact heeft met medegedetineerden. In deze hoog beveiligde en prikkelarme setting is de fysieke agressie van betrokkene onder controle. Met adequate anti-psychotische medicatie is de psychose verbleekt. [naam GD PPC Vught] heeft tijdens de zitting toegelicht dat de effecten van de medicatie rond begin februari 2026 bij betrokkene merkbaar zijn geworden. Als betrokkene zou stoppen met de anti-psychotische medicatie en naar huis zou gaan, dan is het risico dat hij weer psychoses krijgt en ernstig fysiek agressief wordt, hoog. Betrokkene ontkent echter zijn ziektebeeld en geeft aan niet bereid te zijn om de medicatie in een vrijwillig kader te continueren. Hij wil naar huis en wil geen klinische behandeling. Betrokkene is de afgelopen week – toch onverwachts – fysiek agressief geweest tegen een medewerker van het PPC Vught. [naam GD PPC Vught] heeft tijdens de zitting toegelicht dat niet te verklaren is waar dat gedrag vandaan komt. Wel is het zo dat door de medicatie de frequentie van het agressief gedrag van betrokkene lager is geworden, aldus [naam GD PPC Vught].

Om het ernstig nadeel af te wenden of de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen heeft betrokkene zorg nodig.

Er zijn geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis. Betrokkene heeft geen ziektebesef en -inzicht. Hij toont geen bereidheid om zich vrijwillig klinisch en medicamenteus te willen laten behandelen. Daarom is verplichte zorg nodig.

De rechtbank is op grond van het zorgplan, de medische verklaring, het advies van de geneesheer-directeur en de toelichting tijdens de zitting van oordeel dat de volgende vormen van verplichte zorg nodig zijn:

- het toedienen van medicatie;

- het verrichten van medische controles;

- het verrichten van andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;

- het beperken van de bewegingsvrijheid;

- insluiten;

- uitoefenen van toezicht op betrokkene;

- onderzoek aan kleding of lichaam;

- onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen;

- controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen;

aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;

beperken van het recht op het ontvangen van bezoek;

- opnemen in een accommodatie, waaronder opname in een instelling als bedoeld in artikel 3:1, eerste lid, of artikel 3:3, eerste lid, van de Wet forensische zorg (Wfz).

De verzochte vorm van verplichte zorg ‘het toedienen van vocht en voeding’ zal

worden afgewezen, omdat is gebleken dat deze vorm van verplichte zorg niet noodzakelijk

is om het ernstig nadeel af te wenden.

Uit de tijdens de zitting gegeven toelichting van [naam GD GGZ] leidt de rechtbank af dat opname in een accommodatie nodig kan zijn tot beveiligingsniveau 4. Dat is ook de reden waarom GGZ inGeest heeft ingestoken op een plaatsing van betrokkene bij de Rooyse Wissel. De rechtbank stelt vast dat beveiligingsniveau 4 ziet op een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC), een gesloten justitiële instelling met een hoog beveiligingsniveau. De rechter kan op grond van artikel 6:4 lid 4 Wvggz in de zorgmachtiging bepalen, indien hij dit noodzakelijk acht vanwege de veiligheid binnen de accommodatie, dat betrokkene wordt opgenomen in een instelling als bedoeld in artikel 3:1, eerste lid, of artikel 3:3, eerste lid van de Wfz, zijnde een FPC. Hoewel de officier van justitie niet een verzoek om toepassing van artikel 6:4 lid 4 Wvggz heeft gedaan, acht de rechtbank het noodzakelijk dat de mogelijkheid bestaat om betrokkene in een FPC te plaatsen. Immers, de incidenten die zich in de klinieken en instellingen in 2025 en 2026 hebben afgespeeld en die er ook toe hebben geleid dat betrokkene in het PPC Vught op het hoogste beveiligingsniveau verblijft, rechtvaardigen dat. De rechtbank zal om die reden (gelet op artikel 6:4 lid 5 Wvggz) bepalen dat voor de duur van de opname in een dergelijke instelling de artikelen 7, eerste en derde lid, 42 vijfde lid, en 44, alsmede de hoofdstukken V, VI, VII van de Beginselenwet ter beschikking gestelden van toepassing zijn.

Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. De vormen van verplichte zorg die de rechtbank toewijst zijn evenredig en naar verwachting effectief. Bij het bepalen van de juiste vormen van zorg is rekening gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen en om te zorgen voor de veiligheid van betrokkene en zijn omgeving.

Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz.

Niettemin zal de rechtbank de zorgmachtiging voor de duur van vier weken, dus tot en met 8 mei 2026, verlenen en het verzoek voor het overige aanhouden. De rechtbank licht dat als volgt toe.

De strafrechtelijke detentie van betrokkene in het PPC Vught is geëindigd en het verblijf in het PPC Vught van betrokkene nu dient ter overbrugging van de periode dat opname in de voor hem bestemde accommodatie nog niet mogelijk is. Voor een dergelijke overbrugging biedt de thans verleende zorgmachtiging met de mogelijkheden om betrokkene in een accommodatie op te nemen en diens bewegingsvrijheid in te perken, in samenhang met het bepaalde in artikel 9, tweede lid, aanhef en onder h, van de Penitentiaire beginselenwet, de grondslag. Zo heeft de wetgever in de in de Tweede nota van wijziging toegelicht:

“Hoewel de zorgmachtiging dadelijk uitvoerbaar is, zou de situatie zich voor kunnen doen dat de in de zorgmachtiging genoemde zorgaanbieder een wachtlijst heeft of anderszins nog voorbereidingen moet treffen waardoor niet gegarandeerd is dat een verdachte die in het kader van zijn voorlopige hechtenis in een penitentiair psychiatrisch centrum (PPC) is geplaatst meteen aansluitend aan het vonnis bij de aangewezen zorgaanbieder terecht kan terwijl er op dat moment geen strafrechtelijke titel meer is om hem nog langer in het PPC te kunnen behandelen. Die situatie moet zich uiteraard niet kunnen voordoen, ook de regering is er alles aan gelegen dat te voorkomen. Wij menen echter dat die situatie zich binnen de huidige procedure ook niet voor hoeft te doen. De geneesheer-directeur ziet er reeds bij de voorbereiding van het verzoek om de zorgmachtiging op toe dat de beoogde zorgaanbieder, en zo nodig ook de beoogde accommodatie, in het zorgplan wordt opgenomen. Op het moment dat de zorgmachtiging daadwerkelijk wordt afgegeven, heeft de zorgaanbieder zich dus al enige tijd kunnen voorbereiden op de komst van betrokkene. Daarnaast is het zo dat de begrippen «zorgaanbieder» en «accommodatie» ruim gedefinieerd zijn. Door die ruime definities, valt ook de zorgverlening in een PPC onder de reikwijdte van deze begrippen. Mocht dat nodig zijn, dan is het dus mogelijk dat een zorgmachtiging tijdelijk ten uitvoer wordt gelegd in een PPC. Wanneer de strafrechter zich ervan wil vergewissen dat de continuïteit van zorg geborgd is, dan kan hij in de zorgmachtiging opnemen dat de zorgmachtiging tijdelijk ten uitvoer kan worden gelegd in het PPC waar betrokkene reeds verblijft. Daarbij is het uiteraard wel zaak dat alle betrokken partijen zich ten volle inspannen om betrokkene zo spoedig mogelijk in zorg te krijgen bij de beoogde zorgaanbieder. Het verblijf in het PPC dient niet langer te duren dan strikt noodzakelijk.”

Ook kan uit deze passage worden afgeleid dat de overbruggingsperiode zo kort mogelijk moet duren. In dit geval duurt de overbruggingsperiode, nu de strafrechtelijke detentie van betrokkene op 3 of 4 maart 2026 is geëindigd, in feite al ruim vijf weken. Tijdens de zitting heeft [naam GD GGZ] verklaard dat de Rooyse Wissel bereid is om betrokkene tijdelijk – voor enkele weken – op te nemen, maar dat het niet duidelijk is wanneer die plaatsing gaat plaatsvinden. Daar komt bij dat het na de tijdelijke plaatsing bij de Rooyse Wissel de bedoeling is dat betrokkene definitief gaat verblijven bij Veldzicht en dat die instelling een wachtlijst heeft van zes maanden. Ook is een plaatsing van betrokkene met de Woenselse Poort besproken, maar dat is, naar de rechtbank [naam GD GGZ] begrijpt, afgeketst op een boeteclausule. Gelet op het voorgaande verwacht de rechtbank dat als zij de zorgmachtiging voor zes maanden zou verlenen, dat betrokkene al die tijd in het PPC Vught blijft. Dat kan en mag niet de bedoeling zijn. De hiervoor geschetste capaciteits- en financieringsproblemen waren te voorzien en hiervan mag betrokkene, die in een huis van bewaring verblijft in afwachting van een zorgaanbieder, niet de dupe worden.

Om ook een vinger aan de pols te houden zal de rechtbank bepalen dat de mondelinge behandeling wordt voortgezet op 1 mei 2026 en zal zij de officier van justitie opdragen om op uiterlijk 29 april 2026 een schriftelijke toelichting in te dienen over de actuele stand van zaken met betrekking tot de plaatsing van betrokkene op een passende forensische instelling/accommodatie. De rechtbank gaat ervan uit dat de officier van justitie zich daarbij verstaat met de geneesheer-directeur van GGZ inGeest.

5. De beslissing

De rechtbank:

verleent een zorgmachtiging voor [betrokkene], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats], wat inhoudt dat de maatregelen die in paragraaf 4.9. staan kunnen worden toegepast;

bepaalt dat voor de duur van de opname in een instelling als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, of artikel 3.3, eerste lid, van de Wfz, de artikelen 7, eerste en derde lid, 42 vijfde lid, en 44, alsmede de hoofdstukken V, VI, VII van de Beginselenwet ter beschikking gestelden van toepassing zijn;

bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 8 mei 2026;

houdt de beslissing op het verzoek voor het overige aan;

bepaalt dat de mondelinge behandeling wordt voortgezet op 1 mei 2026;

draagt de officier van justitie op om uiterlijk 29 april 2026 een schriftelijke toelichting in te dienen over de actuele stand van zaken met betrekking tot de plaatsing van betrokkene op een passende forensische instelling/accommodatie.

Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026 door mr. S.D.M. Michael, rechter, in aanwezigheid van de griffier.

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S.D.M. Michael

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand