RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 januari 2026 in de zaak tussen
[verzoekster], uit [vestigingsplaats], verzoekster
Samenvatting
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/3456 (verzoek) en SHE 25/3460 (beroep)
(gemachtigde: [naam]),
en
de minister van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit: Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit
(gemachtigde: mr. J.J. Ton).
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: stichting [naam] en stichting [naam] uit [vestigingsplaats].
1. Deze uitspraak naar aanleiding van het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster gaat over het besluit van de minister op verzoeken, die de derde-partijen op grond van de Wet open overheid (Woo) hebben ingediend. Verzoekster is het niet eens met dit besluit. Zij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voert daartoe een aantal gronden aan.
De voorzieningenrechter doet ook uitspraak op het beroep. Het beroep is ongegrond en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Op 2 januari 2024 hebben de derde-partijen ieder afzonderlijk een Woo-verzoek ingediend bij de minister.
3. De minister heeft in een besluit van 18 juli 2024 besloten de door de Woo-verzoekers gevraagde informatie gedeeltelijk openbaar te maken. De minister is met het bestreden besluit van 27 oktober 2025 op het bezwaar van verzoekster bij dat besluit gebleven.
4. Verzoekster heeft een beroepschrift ingediend tegen het bestreden besluit en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die inhoudt dat het bestreden besluit wordt geschorst tot op beroep is beslist of zodanige voorziening te treffen die de voorzieningenrechter gerede voorkomt.
5. De minister heeft bevestigd dat openbaarmaking van de informatie zal worden opgeschort totdat de voorzieningenrechter uitspraak op het verzoek heeft gedaan.
6. De derde-partijen hebben aangegeven niet deel te nemen aan de procedure, maar wel de uitspraak willen ontvangen.
7. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 januari 2026 op zitting behandeld, tegelijk met de zaken met de zaaknummers 25/3460, 25/3404, 25/3405, 25/2902 en 25/2903, waarin de rechtbank op dezelfde datum, maar afzonderlijk uitspraak doet. Aan die zitting hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van de minister.
Totstandkoming van het bestreden besluit
1. alle inspectierapporten en rapporten van bevindingen die de NVWA heeft opgemaakt in 2023 naar aanleiding van welzijnsschendingen bij Nederlandse varkensslachterijen en bij de aanvoer van varkens, inclusief bijbehorende documenten, zoals veterinaire verklaringen, bevindingenbrieven, waarschuwingsbrieven en het bijbehorende beeld- en audiomateriaal;
2. De specifieke interventies die uit deze inspecties zijn voortgekomen, zoals corrigerende en bestraffende maatregelen, waaronder tenminste vallen – maar niet beperkt tot – schriftelijke waarschuwingen, bestuurlijke boetes en boeterapporten, alsmede opgemaakte processen-verbaal t.b.v. strafrechtelijke vervolging door het OM;
3. alle (interne) werkinstructies van directie Keuren die zien op dierenwelzijnsinspecties bij Nederlandse varkensslachterijen;
1. alle individuele inspectierapporten en rapporten van bevindingen die de NVWA heeft opgemaakt in het jaar 2023 naar aanleiding van welzijnsschendingen bij Nederlandse roodvleesslachthuizen (m.u.v. varkens) en bij de aanvoer van deze dieren, inclusief bijbehorende documenten, zoals veterinaire verklaringen, bevindingenbrieven, waarschuwingsbrieven en het bijbehorende beeld- en audiomateriaal;
2. De specifieke interventies die uit deze inspecties zijn voortgekomen, zoals corrigerende en bestraffende maatregelen, waaronder tenminste vallen – maar niet beperkt tot – schriftelijke waarschuwingen, bestuurlijke boetes en boeterapporten, alsmede opgemaakte processen-verbaal t.b.v. strafrechtelijke vervolging door het OM;
3. alle (interne) werkinstructies van directie Keuren die zien op dierenwelzijnsinspecties bij Nederlandse roodvleesslachterijen;
8. Verzoekster exploiteert een onderneming die zich richt op het slachten van varkens en de verwerking en opslag van vlees.
9. Op 2 januari 2024 heeft stichting [naam] een verzoek op grond van de Woo ingediend bij de minister. Daarin vraagt zij om digitale toezending van:
“(…)
(…)
(…)
(…)”
10. Op 2 januari 2024 heeft stichting [naam] een Woo-verzoek ingediend bij de minister. Daarin vraagt zij om digitale toezending van:
“(…)
(…)
(…)
(…)”
11. De derde-partijen hebben verwezen naar een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 8 februari 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:489, kenmerk 202105710/1/A3) en hebben de minister verzocht om in de documenten ook de bedrijfsnaam van het betrokken slachthuis openbaar te maken.
12. De minister heeft besloten om een deel van de verzochte informatie openbaar te maken. Daarbij heeft hij besloten om bijzondere persoonsgegevens op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder d van de Woo niet openbaar te maken. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e van de Woo heeft de minister besloten om nationale identificatienummers niet openbaar te maken. De minister heeft ook besloten om op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e van de Woo geen informatie openbaar te maken als dit de persoonlijke levenssfeer schaadt en op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i van de Woo geen informatie openbaar te maken die het functioneren van de Staat of andere overheden in gevaar zou kunnen brengen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
13. In artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is bepaald dat indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
14. De voorzieningenrechter vindt dat verzoekster een spoedeisend belang heeft, omdat de aangekondigde openbaarmaking na uitvoering onomkeerbaar is.
Kortsluiten?
15. In de kennisgevingen die verzoekster en de minister voor de zitting hebben gekregen, staat dat de voorzieningenrechter ook een uitspraak kan doen op het beroep (artikel 8:86, eerste lid, van de Awb). In dit geval is sprake van een situatie als bedoeld in dat artikel. De voorzieningenrechter zal daarom ook uitspraak doen op het beroep.
Aan de hand van de gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
De voorzieningenrechter verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit heeft.
Het standpunt van verzoekster
16. Verzoekster heeft gesteld dat zij door een negatieve beeldvorming als gevolg van het openbaar maken van haar bedrijfsnaam, te maken kan krijgen met imago- en reputatieschade binnen het handelscircuit en agressie en sabotagerisico’s door dierenactivisten. Daarbij heeft verzoekster verwezen naar een mededeling dat op 27 juni 2025 vanuit het Europese Parlement vragen zijn gesteld aan de Europese Commissie over de strategische aanpak op Europees niveau van dierenextremisme. Verzoekster heeft ook aangevoerd dat lopende beroepsprocedures een bijzondere omstandigheid kunnen vormen op grond waarvan openbaarmaking van informatie geweigerd moet worden. Publicatie van de beoogde informatie werkt volgens verzoekster defamerend en beschuldigend en plaatst haar in een kwaad daglicht. Daarbij stelt verzoekster dat in rechterlijke uitspaken regelmatig wordt geoordeeld dat constateringen van toezichthouders onvoldoende of onjuist zijn en dat boetebesluiten daarom worden vernietigd. Verzoekster wijst op de toepassing van artikel 5.1, vijfde lid van de Woo en artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder h van de Woo.
Had de minister artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder h van de Woo moeten toepassen?
17. In artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder h van de Woo is bepaald dat het openbaar maken van informatie achterwege blijft voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van beveiliging van personen en bedrijven en het voorkomen van sabotage.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat het uitgangspunt van de Woo ‘openbaar, tenzij’ is. Een bestuursorgaan maakt bij de toepassing van de relatieve weigeringsgronden van artikel 5.1, tweede lid, van de Woo een inhoudelijke afweging tussen het vooropgestelde algemene belang van openbaarheid en de belangen die worden beschermd door de weigeringsgronden. De weigeringsgronden moeten restrictief worden uitgelegd. Vervolgens overweegt de voorzieningenrechter dat de Afdeling in haar uitspraak van 8 februari 2023 heeft geoordeeld dat het openbaar maken van informatie over de wijze waarop een toezichthouder toezicht houdt op bedrijven het publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering dient. Openbaarmaking van deze informatie draagt bij aan het maatschappelijk debat en vergroot de transparantie van het toezicht door de NVWA. Dit sluit aan bij een ontwikkeling in wet- en regelgeving en in de bestuurspraktijk van toezichthouders om in toenemende mate actief toezichtinformatie over ondernemingen openbaar te maken. Ook overweegt de Afdeling in deze uitspraak dat onderwerpen als voedselveiligheid en dierenwelzijn in de maatschappelijke belangstelling staan en het verstrekken van bij de overheid aanwezige informatie over welke onderneming welke bedrijfsactiviteiten op welke wijze in deze bedrijfssector uitoefent een bijdrage levert aan het voeren van het maatschappelijke debat hierover en het vergroten van de transparantie van het toezicht hierop door de NVWA. De Afdeling overweegt verder dat het publieke belang van openbaarmaking niet in voldoende mate wordt gediend door een geanonimiseerde openbaarmaking in de inspectierapporten.
Bij het toepassen van de in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder h van de Woo vermelde weigeringsgrond moet aannemelijk zijn dat openbaarmaking van de desbetreffende informatie daadwerkelijk schade zal toebrengen aan het met geheimhouding gediende belang, te weten de beveiliging van personen en bedrijven en het voorkomen van sabotage. De enkele vrees voor onevenredige gevolgen door openbaarmaking alleen is onvoldoende om openbaarmaking te weigeren. Uit de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 8 februari 2023 blijkt dat sprake moet zijn van concrete, actuele aanknopingspunten aan de hand waarvan aannemelijk is dat sprake is van dreiging jegens verzoekster. De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekster haar vrees voor bedreigingen of acties vanuit dierenwelzijnsorganisaties onvoldoende concreet heeft onderbouwd. De omstandigheid dat vanuit het Europese Parlement vragen zijn gesteld aan de Europese Commissie over een noodzakelijke strategische aanpak op Europees niveau van dierenextremisme, is daarvoor onvoldoende. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat niet is gebleken dat openbaarmaking van haar bedrijfsnaam daadwerkelijk schade zou toebrengen aan het met geheimhouding gediende belang van verzoekster. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister artikel 5.1, vijfde lid van de Woo moeten toepassen?
18. Uit artikel 5.1, vijfde lid van de Woo volgt dat in uitzonderlijke gevallen openbaarmaking van andere informatie dan milieu-informatie achterwege kan blijven als openbaarmaking onevenredige benadeling toebrengt aan een ander belang dan genoemd in het eerste of tweede lid en het algemeen belang van openbaarheid niet tegen deze benadeling opweegt.
Van deze uitzondering op het uitgangspunt dat openbaarheid de regel is, is slechts sprake als zich bijzondere omstandigheden voordoen. Zo kan de aard van de verzochte informatie meebrengen dat openbaarmaking niet, of niet zonder context, mag plaatsvinden. Zo gaat het bij informatie over toezicht en controles regelmatig om informatie uit de fase voorafgaand aan een handhavingstraject en kan er met het oog op het belang van het voorkomen van onevenredige benadeling aanleiding bestaan om de verzochte informatie te voorzien van context-informatie, bijvoorbeeld in de vorm van een disclaimer of het verstrekken daarbij van een update met een weergave van de huidige stand van zaken, waardoor onevenredige gevolgen worden weggenomen.
In de zaken 25/3405 en 25/2903, die hiervoor in rechtsoverweging 7 onder procesverloop zijn genoemd en die op dezelfde zitting zijn behandeld, heeft verzoekster gesteld dat de boetebesluiten, die zijn vermeld in de informatie die de minister voornemens is openbaar te maken, niet onherroepelijk zijn omdat er nog (hoger) beroep loopt. Zij heeft die stelling in die zaken onderbouwd met een concrete verwijzing naar de nog lopende beroepszaken. In de onderhavige zaken heeft verzoekster die onderbouwing niet gegeven, maar heeft zij volstaan met de algemene stelling dat boetebesluiten regelmatig worden vernietigd en dat informatie, die nog in geschil is in een rechterlijke procedure, niet zonder meer openbaar gemaakt mag worden. Deze algemene stelling is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende om te spreken van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 5.1, vijfde lid van de Woo. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
19. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verzoekster geen gelijk heeft. Omdat nu is beslist op het beroep heeft verzoekster geen belang meer bij een beoordeling van het door haar ingediende verzoek om een voorlopige voorziening. Dat verzoek wordt dan ook afgewezen. De voorzieningenrechter ziet wel grond om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb de voorlopige voorziening te treffen dat de minister pas twee weken na bekendmaking van deze uitspraak over mag gaan tot openbaarmaking van de hier in geschil zijnde documenten. De voorzieningenrechter treft deze voorziening, om verzoekster in de gelegenheid te stellen rechtsmiddelen tegen deze uitspraak in te stellen.
Omdat de voorzieningenrechter het beroep ongegrond verklaart, krijgt verzoekster geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.M.H. de Koning, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van R.G.B.M Spapens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.