RECHTBANK Oost-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/421794 / HA ZA 25-741
Vonnis in incident van 10 juni 2026
in de zaak van
[eiseres] ,
te [plaats] ,
eisende partij in conventie in de hoofdzaak,
verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak,
eisende partij in het door haar opgeworpen incident,
verwerende partij in het door [gedaagde] opgeworpen incident,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. P. Verkooijen,
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak,
eisende partij in reconventie in de hoofdzaak,
eisende partij in het door hem opgeworpen incident,
verwerende partij in het door [eiseres] opgeworpen incident,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. P.J.A. Grosfeld.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van [eiseres] 18 november 2025
- het vonnis van de rechtbank Zeeland-West Brabant van 3 december 2025, waarin de zaak naar deze rechtbank is verwezen
- de conclusie van antwoord in de hoofdzaak tevens eis in reconventie tevens provisionele vordering van [gedaagde] van 22 april 2026
- de conclusie van antwoord in incident, tevens eis in reconventie in incident van [eiseres] van 25 maart 2026
- de conclusie van antwoord in reconventie in het incident van [gedaagde] van 8 april 2026
- de conclusie van antwoord in reconventie in de hoofdzaak van [eiseres] van 22 april 2026
- de akte uitlating producties van [eiseres] van 22 april 2026.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2. Het geschil in de hoofdzaak
In de hoofdzaak speelt, kort samengevat en alleen voor zover relevant voor de beoordeling van de incidenten, het volgende.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Deze relatie is op 5 september 2024 geëindigd. Partijen zijn nu nog samen eigenaar van de woning aan de [adres] in [plaats] (hierna: de woning) en van de daarin aanwezige inboedel. Vanaf 6 januari 2025 woont [eiseres] in de woning en verblijft [gedaagde] elders.
De vorderingen van partijen in conventie en in reconventie in de hoofdzaak zien op de verdeling van de gezamenlijke woning en inboedel van partijen en op de verdere financiële afwikkeling van hun samenleving. In dat kader vordert [eiseres] dat de woning aan haar wordt toegedeeld. [gedaagde] vordert op zijn beurt dat de woning aan hem wordt toegedeeld.
3. De door partijen ingestelde incidentele vorderingen
[gedaagde] vordert in incident – kort samengevat – dat de rechtbank bepaalt, voor de duur van de procedure, dat [gedaagde] bij uitsluiting van [eiseres] gerechtigd is tot het gebruik van de woning van partijen met de zich daarin bevindende gezamenlijke inboedel, met bevel dat [eiseres] de woning moet verlaten en deze verder niet mag betreden, op straffe van verbeurte van een dwangsom.
[gedaagde] legt aan deze vorderingen het volgende ten grondslag.
[gedaagde] wil de woning toegedeeld krijgen en hij heeft daarbij ook het grootste belang. Hij vordert dat daarom in de hoofdzaak. Van [gedaagde] kan niet worden verwacht dat hij de afwikkeling van de hoofdzaak afwacht. Hij zwerft al meer dan een jaar van het ene naar het andere adres. [eiseres] heeft volgens [gedaagde] wel goede alternatieve woonruimte. Zij kan in de woning van haar overleden vader gaan wonen of in de woning van haar nieuwe partner. Bovendien hebben partijen afspraken met elkaar gemaakt over het gebruik van de woning, inhoudende dat [eiseres] vanaf 5 januari 2025 maar vier maanden alleen in de woning zou verblijven. Daarna zou [gedaagde] weer alleen in de woning mogen verblijven
In het licht van de wederzijdse belangen, prevaleert het belang van [gedaagde] bij het uitsluitend gebruik van de woning.
[eiseres] brengt in reactie hierop het volgende als verweer naar voren.
[gedaagde] heeft geen, althans onvoldoende (spoedeisend) belang bij zijn incidentele vordering.
Verder valt een belangenafweging juist uit in het voordeel van [eiseres] ; haar belang bij het kunnen blijven wonen in de woning gaat boven het belang van [gedaagde] . Daarbij merkt [eiseres] op dat [gedaagde] geen gering inkomen heeft, zodat hij in staat moet zijn om gedurende de procedure woonruimte te huren. Bovendien heeft [gedaagde] een nieuwe duurzame relatie, waar hij terecht kan. [eiseres] heeft geen alternatieve woonruimte.
Bovendien kan de toewijzing van de vordering van [gedaagde] onomkeerbare consequenties hebben voor de staat van de woning en de inboedel, omdat [eiseres] niet normaal met spullen omgaat.
Ook betwist [eiseres] dat partijen afspraken hebben gemaakt over het gebruik van de woning.
[eiseres] vordert in incident, samengevat:
te bepalen dat [eiseres] met uitsluiting van [gedaagde] voor de duur van de procedure gerechtigd is tot het uitsluitend gebruik van de woning en de gemeenschappelijke inboedel;
een verbod voor [gedaagde] om de woning te betreden en/of zich daarin te bevinden anders dan met voorafgaande schriftelijke toestemming van [eiseres] , op straffe van verbeurte van een dwangsom;
een verbod voor [gedaagde] om zich te bevinden in het gebied rond de woning zoals aangeduid in productie 29 van [eiseres] , op straffe van verbeurte van een dwangsom;
een gebod voor [gedaagde] om de contracten en facturen met betrekking tot Vattenfall, ZLM, Brabant Water en de gemeentelijke belastingen op naam van [eiseres] te stellen, althans om [eiseres] inloggegevens te verstrekken waarmee zij de contracten en bijbehorende digitale faciliteiten gedurende haar verblijf in de woning zelf kan beheren, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
een gebod voor [gedaagde] om het gebruik van het adres van de woning als postadres te staken en gestaakt te houden, althans zich te bedienen van een automatische doorzend- of verhuisservice voor zijn post;
te bepalen dat [eiseres] bij uitsluiting van [gedaagde] bevoegd is om gedurende de procedure namens partijen als enige contactpersoon op te treden richting de aannemer in verband met het uitvoeren van garantiewerkzaamheden aan de woning.
[eiseres] legt aan deze vorderingen het volgende ten grondslag.
[eiseres] heeft een spoedeisend en zwaarwegend belang bij het exclusieve gebruik van de woning. Met het toekennen van het exclusieve gebruik aan [eiseres] wordt de huidige status quo gehandhaafd, wat zorgt voor rust en stabiliteit. [eiseres] woont al lang in de woning en heeft haar dagelijkse leven daarop ingericht. Als [gedaagde] het gebruik van de woning krijgt, is de kans reëel dat dit leidt tot nieuwe discussies en escalaties. Verder geldt dat [eiseres] de toedeling van de woning kan financieren, dat zij op dit moment alle lasten van de woning betaalt en dat zij prudenter met een wisseling zal omgaan, mocht de woning uiteindelijk toch aan [gedaagde] worden toegedeeld.
Ten aanzien van het gevorderde gebiedsverbod, stelt [eiseres] dat [gedaagde] zich veelvuldig tegen haar wil bij de woning heeft opgehouden, waarbij zich incidenten hebben voorgedaan. [gedaagde] vertoont structureel intimiderend en ontoelaatbaar gedrag en hij handelt daarmee onrechtmatig jegens [eiseres] . Het verbod is nodig als ordemaatregel, om rust te creëren tijdens de verdelingsprocedure. De gedragingen van [gedaagde] veroorzaken bij [eiseres] sterke gevoelens van angst en onveiligheid.
Met betrekking tot de vordering die ziet op het de contracten, facturen en digitale faciliteiten rond de vaste lasten van de woning, brengt [eiseres] het volgende naar voren. [gedaagde] weigert [eiseres] inzage in die gegevens te geven. Omdat de betreffende overeenkomsten en facturen op naam van [gedaagde] staan, kan [eiseres] daar zelf niet bij. Het gaat hierbij om:
het stroom- en gascontract bij Vattenfall;
de inboedel- en opstalverzekering bij ZLM;
informatie met betrekking tot de levering van water (door Brabant Water);
informatie met betrekking tot gemeentelijke belastingen.
[gedaagde] moet deze overeenkomsten en facturen op naam van [eiseres] zetten, althans – subsidiair – aan [eiseres] inloggegevens verstrekken waarmee zij het zelf kan beheren. [eiseres] betaalt immers op dit moment alle lasten van de woning.
Met betrekking tot het gebruik door [gedaagde] van de woning als postadres, stelt [eiseres] het volgende. Op het adres van de woning komt nog regelmatig post voor [gedaagde] binnen, wat tussen partijen tot discussies leidt. [gedaagde] mag de woning daarom niet meer als postadres gebruiken, althans hij moet gebruik maken van een automatische doorzendservice.
Met betrekking tot de vordering van [eiseres] om aangewezen te worden als enig contactpersoon van de aannemer die de woning van partijen heeft gebouwd, brengt [eiseres] het volgende naar voren. In de woning van partijen moeten nog enkele garantiewerkzaamheden worden uitgevoerd door aannemer [A] . Het gaat hierbij om stuc- en schilderwerk in verband met scheurvorming in de gang en de woonkamer. [eiseres] wil als enige bevoegd zijn om hiervoor als contactpersoon van [A] op te treden. De wijze van betrokkenheid van [gedaagde] staat aan een doelmatige afwikkeling van de garantiepunten in de weg. Toewijzing van deze vordering voorkomt dat de uitvoering van de garantiewerkzaamheden leidt tot veelvuldig contact en spanningen tussen partijen. Ook voorkomt het dat [A] klem raakt door tegenstrijdige instructies of parallelle communicatie.
[gedaagde] voert tegen deze vorderingen van [eiseres] het volgende verweer.
Ten aanzien van het exclusieve gebruik van de woning stelt [gedaagde] dat zijn belangen op dat punt spoedeisender zijn geworden, waarbij hij onder meer benadrukt dat hij al ruim 15 maanden niet over zijn eigen woonruimte beschikt. Verder betwist [gedaagde] de door [eiseres] gestelde belangen aan haar kant.
Een verbod om de woning te betreden is niet nodig. [gedaagde] heeft de woning niet betreden en hij zal dat ook niet doen. Wel wil hij in de woning aanwezig zijn als de woning getaxeerd moet worden of als er herstelwerkzaamheden aan de woning worden uitgevoerd.
Voor het gevorderde gebiedsverbod ontbreekt volgens [gedaagde] een feitelijke en juridische grondslag. Daarbij komt dat een gebiedsverbod een verstrekkende beperking vormt van de bewegingsvrijheid van [gedaagde] , temeer omdat er vrienden van hem in de buurt van de woning wonen.
Verder heeft [gedaagde] nooit onwelwillend gestaan tegenover het overleggen van contracten en facturen en dergelijken. Als het exclusieve gebruik aan [eiseres] wordt toegekend, zal [gedaagde] hieraan vrijwillig meewerken, zolang [eiseres] de contracten ongemoeid laat zolang de woning niet is verdeeld.
Ook zal [gedaagde] zich ervoor inspannen dat, als het exclusieve gebruik aan [eiseres] wordt toegekend, zijn post zal worden doorgezonden door een doorzendservice. [gedaagde] gaat er daarbij van uit dat [eiseres] de post die daar doorheen slipt, aan hem doorstuurt of afgeeft op het adres van een vriend van [gedaagde] in [plaats] .
Ten aanzien van de vraag wie contactpersoon wordt van de aannemer, stelt [gedaagde] dat juist [eiseres] de doelmatige afwikkeling van de garantiepunten in de weg staat. [eiseres] hoopt hiermee de waarde van de woning te drukken. De resterende garantiewerkzaamheden moeten in onderling overleg worden gecoördineerd en uitgevoerd. Als mede-eigenaar van de woning wil [gedaagde] daarbij betrokken blijven en hij heeft daarbij belang, omdat hij zelf toedeling van de woning wenst. Bovendien ontbreekt bij deze vordering het spoedeisend belang bij [eiseres] .
4. De beoordeling van de incidentele vorderingen van partijen
Het juridische kader:
Op grond van artikel 223 Rv kan tijdens een aanhangig geding iedere partij vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen. Deze voorlopige voorziening is een ordemaatregel, die geldt voor de duur van het geding, dus tot het moment waarop uitspraak in de hoofdzaak wordt gedaan. Hieruit volgt dat de voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv naar haar aard een tijdelijk karakter heeft.
Toewijzing van een vordering tot een voorlopige voorziening voor de duur van het geding is alleen mogelijk wanneer die voorziening voldoende samenhang vertoont met de hoofdvordering, bijvoorbeeld doordat zij een onderdeel van de hoofdvordering als inhoud heeft of gericht is op een conservatoire maatregel die met de hoofdvordering in verband staat.
Bovendien moet de incidenteel eisende partij voldoende belang hebben bij de gevorderde voorlopige voorziening. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als de incidenteel eisende partij de afloop van de hoofdzaak niet kan afwachten of als een deel van de hoofdvordering krachtens een eindbeslissing al toewijsbaar is.
Tegen deze achtergrond zal de rechtbank hierna de verschillende incidentele vorderingen van partijen verder bespreken.
Het door beide partijen gevorderde exclusieve gebruik van de woning:
Partijen zijn samen eigenaar van de woning en hebben op grond daarvan in beginsel allebei evenveel recht op het gebruik daarvan. Gelet op het eindigen van de relatie van partijen, is het echter niet mogelijk voor partijen om samen in de woning te wonen. Voor de vraag wie van partijen de woning mag gebruiken, komt het aan op een belangenafweging.
De rechtbank is van oordeel dat aan [eiseres] het exclusieve gebruik van de woning toekomt zolang de hoofdzaak voortduurt. Haar belang om in afwachting van de beslissing in de hoofdzaak in de woning te kunnen blijven wonen, gaat boven het belang van [gedaagde] om daar te gaan wonen. De bestaande situatie rond de bewoning van de woning wordt hiermee gehandhaafd. Beide partijen willen de woning toegedeeld krijgen, maar het is aan de bodemrechter om daarover te beslissen. Binnen de kaders van dit incident kan de rechtbank niet op die beslissing vooruitlopen. Daarbij is van belang dat geen van partijen een evident groter belang dan de ander heeft gesteld bij die toedeling. Ook kan de rechtbank op voorhand niet concluderen dat één van partijen die toedeling (financieel) helemaal niet zal kunnen realiseren. Hoe de verdeling van de woning uiteindelijk vorm zal krijgen, is dus nog onduidelijk.
Daar komt bij dat [gedaagde] niet aannemelijk heeft gemaakt, dat het voor hem onmogelijk of onevenredig moeilijker is om alternatieve woonruimte te vinden. [eiseres] heeft gemotiveerd betwist:* dat zij eenvoudig alternatieve woonruimte kan vinden, * dat zij in het huis van haar familie kan wonen (omdat het in slechte staat verkeert waardoor de eigenaren (moeder en oom) geen toestemming geven voor bewoning) en * dat zij bij haar partner kan wonen (omdat die geen andere woonruimte heeft en bij [eiseres] woont).
De incidentele vordering van [eiseres] onder 1 zal daarom worden toegewezen. De incidentele vordering van [gedaagde] zal op dit punt worden afgewezen.
Het door [eiseres] gevorderde verbod voor [gedaagde] om de woning te betreden:
De toewijzing van het exclusieve gebruik van de woning aan [eiseres] , brengt met zich dat [gedaagde] de woning niet zal mogen gebruiken. Er is dan voor hem in beginsel geen reden om de woning te betreden. Het door [eiseres] gevorderde verbod zal daarom worden toegewezen, maar met inachtneming van de hierna te bespreken uitzonderingen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] namelijk wel een gerechtvaardigd belang om in de woning te kunnen zijn, voor zover dat nodig is voor (1) de coördinatie en/of beoordeling van de garantie-/herstelwerkzaamheden die nog in/aan de woning moeten worden uitgevoerd door aannemer [A] en voor (2) een eventuele taxatie van de woning door een makelaar/taxateur, wanneer dat nodig is in het kader van de verdeling van de woning. In deze gevallen moet het voor [gedaagde] mogelijk zijn om (kortdurend) de woning te betreden. [eiseres] moet daaraan, binnen redelijke grenzen, haar medewerking verlenen.
De rechtbank zal hiervoor een voorziening opnemen onder de beslissing, inhoudende – kort gezegd – dat [gedaagde] , na overleg met [eiseres] en met een tijdige waarschuwing voorafgaand aan het bezoek, samen met de aannemer of de makelaar/taxateur de woning mag betreden.
De gevorderde dwangsom op dit punt zal worden beperkt als volgt.
Het door [eiseres] gevorderde gebiedsverbod:
[eiseres] stelt dat [gedaagde] zich sinds zij in de woning woont met regelmaat in de directe nabijheid van de woning bevindt (op de straat voor de woning en de parkeerplaats achter de woning) en daar gedragingen vertoont, die sterke gevoelens van angst en onveiligheid bij [eiseres] veroorzaken. Ter onderbouwing hiervan heeft [eiseres] onder meer een overzicht in het geding gebracht (haar prod. 27), waarin zij voor de periode van 11 januari 2025 tot en met 6 maart 2026 onder meer heeft vermeld op welke data [gedaagde] bij de woning is gekomen en wat zich daar op die momenten heeft voorgevallen. Van een aantal van deze momenten heeft [eiseres] foto’s en/of videobeelden in het geding gebracht (haar producties 28 I en 28 II). [eiseres] stelt – samengevat – dat [gedaagde] in de genoemde periode: regelmatig heen en weer langs de woning rijdt, bij de woning stilstaat, foto’s of filmbeelden van de woning maakt, de nieuwe partner van [eiseres] met de auto tot aan de woning achtervolgt en hem bij de woning filmt, bij het langs de woning lopen op intimiderende wijze dingen in de richting van de woning roept en op intimiderende wijze dingen door de brievenbus van de woning roept.
[eiseres] stelt dat het gedrag van [gedaagde] een onaanvaardbare inbreuk vormt op haar persoonlijke levenssfeer en in strijd is met de maatschappelijke zorgvuldigheid. [gedaagde] maakt zich hiermee schuldig aan onrechtmatig handelen richting [eiseres] . Een gebiedsverbod is daarom volgens [eiseres] nodig, als ordemaatregel, om rust te creëren gedurende de verdelingsprocedure.
De rechtbank stelt het volgende voorop. Een gebiedsverbod zoals [eiseres] vordert, is een ingrijpende maatregel die inbreuk maakt op het recht op persoonlijke vrijheid, waaronder begrepen het recht dat iedereen (dus ook [gedaagde] ) heeft om zich vrij te verplaatsen. Een gebiedsverbod kan alleen worden toegewezen als sprake is van ernstig onrechtmatig handelen en van concreet gevaar voor herhaling daarvan. De rechtbank moet alle relevante omstandigheden van het geval in aanmerking nemen en de betrokken belangen van partijen afwegen om te beoordelen in hoeverre dat verbod kan worden gerechtvaardigd en toegewezen.
De rechtbank ziet binnen deze kaders voldoende grond voor toewijzing van het gevorderde gebiedsverbod.
[gedaagde] heeft niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist dat de door [eiseres] gestelde gedragingen van [gedaagde] rond de woning zich hebben voorgedaan. Het is daarom voldoende aannemelijk geworden dat sprake is van een stelselmatige, ontoelaatbare inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [eiseres] (en haar partner) door [gedaagde] . [gedaagde] heeft met die gedragingen gedurende een lange periode ernstig inbreuk gemaakt op het rustige woongenot van [eiseres] . De inbreuk is naar het oordeel van de rechtbank zodanig ernstig, dat deze een beperking van [gedaagde] in zijn bewegingsvrijheid rechtvaardigt.
Het belang van [eiseres] op een leefomgeving met zo min mogelijk spanningen weegt bovendien, gelet op het voorgaande, naar het oordeel van de rechtbank zwaarder dan het belang van [gedaagde] om zich in het beperkte gebied rond de woning (waar [eiseres] met uitsluiting van [gedaagde] mag verblijven) te begeven. Het door [eiseres] gevorderde gebiedsverbod zal daarom worden toegewezen voor het gebied zoals afgebakend op productie 29 van [eiseres] (bijlage bij dit vonnis). De rechtbank merkt op:*dat [eiseres] een tabel met talrijke ernstige incidenten heeft overgelegd en dat [gedaagde] deze incidenten niet heeft weersproken,*dat de door [eiseres] beschreven incidenten niet alleen zijn gebeurd in de eerste dagen na de breuk tussen partijen (najaar 2024), maar ook stelselmatig en regelmatig weken en maanden erna en zelfs tot in maart van dit jaar,*dat de incidenten hebben geleid tot herhaalde interventies van de politie en zelfs tot een “stopgesprek” van de politie met [gedaagde] , waarna er later op de dag van het stopgesprek weer een incident was (onweersproken), met gevaarlijk rijgedrag in de auto,*dat het verbod een klein gebied betreft (enkele huizen in de breedte; straat, huis, tuin en parkeerterrein in de hoogte op de kaart) en dus om een verwaarloosbare beperking van de vrijheid van [gedaagde] oplevert,*dat het gebiedsverbod bijdraagt aan rust en welzijn voor beide partijen, die nu vooral naar de toekomst moeten kijken.
Anders dan [gedaagde] stelt, is dit gebiedsverbod niet te verstrekkend. [gedaagde] heeft er daarbij alleen op gewezen dat vrienden van hem in de buurt van de woning wonen. De rechtbank stelt vast dat deze vrienden niet in het gebied wonen waar het verbod voor zal gelden en dat de woning van die vrienden via de openbare weg ook met de auto toegankelijk blijft, zonder dat [gedaagde] daarbij voor de woning langs hoeft te rijden.
Wel moet het voor [gedaagde] mogelijk blijven om, zoals hiervoor uitgewerkt, met aannemer [A] of een makelaar/taxateur de woning te bezoeken. Hiermee zal de rechtbank rekening houden bij het op te leggen gebiedsverbod.
De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als volgt.
De vordering van [eiseres] met betrekking tot contracten, facturen en digitale faciliteiten:
Voor het geval [eiseres] het exclusieve gebruik van de woning krijgt, heeft [gedaagde] zich bereid verklaard om de door [eiseres] gevorderde contracten en facturen en inloggegevens in verband met de aan de woning verbonden vaste lasten aan haar beschikbaar te stellen. In zoverre heeft [gedaagde] zich tegen deze vordering onder 4 niet verweerd en is die vordering toewijsbaar op de hierna onder de beslissing vermelde wijze.
Voor een verplichting om de betreffende abonnementen op naam van [eiseres] te zetten, ziet de rechtbank op dit moment echter nog geen grond. Dat is pas aan de orde in het geval [eiseres] de woning uiteindelijk ook toegedeeld krijgt. Dit deel van vordering 4 van [eiseres] zal daarom worden afgewezen. Als [eiseres] de betreffende abonnementen wil opzeggen of wijzigen, zal zij dat dus nog in overleg met en met toestemming van [gedaagde] moeten doen. Dat geldt overigens ook voor [gedaagde] .
De gevorderde dwangsomsanctie op dit punt zal worden afgewezen. De rechtbank gaat ervan uit dat [gedaagde] zijn toezegging om [eiseres] de gevorderde documenten en (inlog-) gegevens te verstrekken zal nakomen. Mocht dat anders zijn, dan staat het [eiseres] vrij om als aanvullende voorlopige voorziening alsnog om een dwangsomsanctie te vragen.
De vordering van [eiseres] met betrekking tot het gebruik van de woning als postadres:
Voor het geval [eiseres] het exclusieve gebruik van de woning krijgt, heeft [gedaagde] zich ook bereid verklaard om een doorzendservice in te schakelen voor zijn post die naar het adres van de woning wordt gestuurd.
De rechtbank zal de vordering van [eiseres] onder 5 daarom toewijzen, waarbij zij ervan uitgaat dat [eiseres] de post voor [gedaagde] die ondanks het inschakelen van een doorzendservice bij de woning wordt bezorgd, aan [gedaagde] doorgeleidt.
Het door [eiseres] gevorderde exclusieve contact met aannemer [A] :
Voor toewijzing van deze vordering ziet de rechtbank geen grond. Partijen zijn nog samen eigenaar van de woning en hebben daarmee allebei belang bij een correcte afwikkeling van de garantiewerkzaamheden aan de woning door aannemer [A] . Dit geldt temeer, omdat nog niet vast staat of een van partijen de woning toegedeeld krijgt of dat de verdeling inhoudt dat de woning moet worden verkocht aan een derde.
In hetgeen [eiseres] heeft aangevoerd, ziet de rechtbank onvoldoende reden om haar rond de garantiewerkzaamheden alleen te laten beslissen zolang de bodemzaak voortduurt. Partijen zullen zich moeten inspannen om de verdere uitvoering van de garantiewerkzaamheden aan hun woning in onderling overleg (al dan niet via hun advocaten) tot een goed einde te brengen.
De vordering van [eiseres] onder 6 zal de rechtbank daarom afwijzen.
De proceskosten:
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij in deze incidentele procedure de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De rechtbank,
in de incidenten:
bepaalt dat [eiseres] , met uitsluiting van [gedaagde] , voor de duur van de procedure gerechtigd is tot het uitsluitend gebruik van de woning gelegen aan de [adres] in [plaats] , en van de in die woning aanwezige gezamenlijke inboedel van partijen,
verbiedt [gedaagde] om zich voor de duur van de procedure in de hoofdzaak te bevinden in het gebied zoals aangegeven op de aan dit vonnis gehechte kaart,
verbiedt [gedaagde] in het bijzonder om zonder toestemming van [eiseres] de woning te betreden en/of zich daarin te bevinden,
met dien verstande dat het [gedaagde] is toegestaan om in het gebied te komen en om de woning te betreden samen met aannemer [A] (dan wel een voor deze aannemer optredende (onder-) aannemer) of met een makelaar/taxateur,
waarbij voor beide verboden geldt:
dat het bezoek met de aannemer tot doel moet hebben de coördinatie en/of beoordeling van de garantiewerkzaamheden die nog aan de woning moeten worden uitgevoerd;
dat het bezoek met een makelaar/taxateur verband moet houden met de verdeling van de woning;
[gedaagde] minimaal een week voor het door hem gewenste bezoek aan de woning schriftelijk [eiseres] daarvan op de hoogte brengt, tenzij het bezoek door de aannemer of makelaar/taxateur al met [eiseres] is afgestemd;
het bezoek aan de woning doordeweeks en binnen gebruikelijke kantooruren moet plaatsvinden, tenzij [eiseres] instemt met andere dagen en/of tijdstippen,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] een dwangsom te betalen van € 100,00 voor iedere keer dat hij niet aan de veroordeling onder 5.2. voldoet, tot een maximum van € 3.000,00,
bepaalt dat geen dwangsom wordt verbeurd voor zover dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, gelet op alle omstandigheden en in het bijzonder de inspanningen van [gedaagde] om aan de veroordeling te voldoen,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] beschikbaar te stellen de contracten en facturen met betrekking tot:
het stroom- en gascontract bij Vattenfall;
de inboedel- en opstalverzekering bij ZLM;
de levering van water (door Brabant Water);
de gemeentelijke belastingen,
althans om aan [eiseres] inloggegevens beschikbaar te stellen, waarmee zij de genoemde facturen en contracten kan inzien,
beveelt [gedaagde] om het gebruik van het adres van de woning van partijen als postadres te staken en gestaakt te houden door het inschakelen van een doorzendservice,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders door [eiseres] in het incident gevorderde af,
wijst de incidentele vorderingen van [gedaagde] af,
compenseert de kosten van de incidenten tussen partijen, in die zin dat iedere partij in zowel het door [gedaagde] als het door [eiseres] opgeworpen incident de eigen kosten draagt,
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de rol van 24 juni 2026 voor beraad over het vervolg van de procedure,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.S. Frakes en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.
Bijlage bij het vonnis van 10 juni 2026: