ECLI:NL:RBOBR:2026:4344

ECLI:NL:RBOBR:2026:4344

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 18-06-2026
Datum publicatie 16-06-2026
Zaaknummer 25/2202
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning ten behoeve van het plaatsen van tijdelijke woonunits te Asten (de locatie) voor de huisvesting van arbeidsmigranten voor de duur van tien jaar in de vorm van shortstay en midstay. Eiser is het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. De rechtbank komt tot het oordeel dat het besluit een aantal gebreken kent. Eiser krijgt dus gelijk.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Asten, het college

Samenvatting

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 25/2202 OWBOUW

(gemachtigde: mr. J.T.F. van Berkel),

en

(gemachtigden: M.W.H. Rooijakkers, mr. D.C.J.H. van Gerven, N.M.J.P. van Duijnhoven),

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [bedrijf] uit [plaats] , vergunninghoudster.

(gemachtigden: mr. M.C.H. van de Ven).

1. Deze uitspraak gaat over de aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning ten behoeve van het plaatsen van tijdelijke woonunits op [adres] te [plaats] (de locatie) voor de huisvesting van arbeidsmigranten voor de duur van tien jaar in de vorm van shortstay en midstay.

Eiser is het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank deze zaak.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit een aantal gebreken kent. Eiser krijgt dus gelijk, het beroep is gegrond en het besluit van 15 juli 2025 zal worden vernietigd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dat heeft.

Procesverloop

Met het besluit van 28 oktober 2024 heeft het college een omgevingsvergunning verleend. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt. Het college heeft met haar besluit van 15 juli 2025 het bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 28 oktober 2024 herroepen en een nieuw besluit genomen.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Naar aanleiding van het beroepschrift heeft het college op 12 februari 2026 een herstelbesluit genomen.

Met de reactie van 9 maart 2026 heeft eiser daarop gereageerd met een aanvullend beroepschrift. Het college heeft daarop gereageerd met een verweerschrift. Ook vergunninghouder heeft een reactie ingediend. Eiser heeft vervolgens een aanvullende reactie ingediend op het verweerschrift van het college.

De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde, de gemachtigden van het college en vergunninghoudster vertegenwoordigd door [naam] en de gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 4 juli 2024 heeft vergunninghoudster een omgevingsvergunning aangevraagd voor het plaatsen van vier tijdelijke woonunits voor het huisvesten van twintig arbeidsmigranten voor uiterlijk 10 jaar aan [adres] te [plaats] . Hij heeft verzocht om een omgevingsvergunning te verlenen voor de activiteiten bouwen en afwijken tijdelijke deel van het omgevingsplan.

Vergunninghoudster exploiteert een teeltbedrijf voor groenten. De arbeidsmigranten zijn nodig voor werkzaamheden met betrekking tot het bedrijf op die locatie. Deze is niet in eigendom van vergunninghoudster, maar wordt gepacht. De pachtovereenkomst van 26 september 2024 voorziet in een toestemming aan de verpachter voor het plaatsen van de units.

Op de locatie is het “Omgevingsplan gemeente Asten” van toepassing. Dit omgevingsplan bevat de bepalingen uit het bestemmingsplan “Buitengebied Asten

2016”. Op de locatie geldt de enkelbestemming “Agrarisch – Glastuingebied 1”, de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 3” en de gebiedsaanduidingen “overige zone – concentratiegebied glastuinbouw” en “wetgevingszone – beperkingen veehouderij”.

Met het besluit van 28 oktober 2024 (het primaire besluit) heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit in verband met het afwijken van artikel 5.1.1, artikel 5.2.1. onder c en artikel 5.4.1 van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Het college heeft een vergunning verleend, omdat het tot de conclusie is gekomen dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De omgeving leent zich voor dit initiatief en het betreft de huisvesting van eigen werknemers. Er is toestemming verleend voor het plaatsen van de woonunits voor de maximale duur van tien jaar en huisvesting in een combinatievorm van shortstay en midstay. Er is geen toestemming verleend voor longstay.

Eiser is eigenaar van de woning aan [adres] te [plaats] . Deze woning was de voormalige bedrijfswoning bij het achtergelegen teeltbedrijf en ligt naast de locatie waarop de tijdelijke woonunits worden gerealiseerd. Hij verhuurt deze woning. Hij heeft in de bezwaarfase verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft op 30 januari 2025 uitspraak gedaan.

Bestreden besluit

Bij het bestreden besluit van 15 juli 2025 heeft het college het bezwaar gegrond verklaard en een nieuw besluit genomen. Het college heeft voorschriften aan de omgevingsvergunning toegevoegd dat het beheer en huisregelement onderdeel uitmaken van de omgevingsvergunning. Ook zijn voorschriften toegevoegd ten aanzien van de landschappelijke inpassing en parkeren. Verder is duidelijkheid gegeven over hoeveel arbeidsmigranten er mogen worden gehuisvest, zijnde 18.

Het herstelbesluit

Het college heeft op 12 februari 2026 een herstelbesluit genomen. Dit betreft een vervanging van het (bestreden) besluit van 15 juli 2025. Het college heeft de omgevingsvergunning gewijzigd op de volgende punten:

De motivering van het besluit wordt aangepast met betrekking tot de activiteiten “Omgevingsplanactiviteit voor een bouwactiviteit” en buitenplanse omgevingsactiviteit/Omgevingsplanactiviteit: Afwijken tijdelijk deel omgevingsplan naar een activiteit “Omgevingsplanactiviteit voor een bouwactiviteit als buitenplanse omgevingsplanactiviteit”.

De documentenlijst in de verleende omgevingsvergunning te vervangen door de documentenlijst onder “Documentenlijst” in dit herstelbesluit.

Het toevoegen van een nadere motivering aan de verleende omgevingsvergunning zoals opgenomen onder “motivering provinciale verordening”

Het vervangen van het voorschrift onder parkeren door het voorschrift onder voorschrift parkeren in dit herstelbesluit;

Het vervangen van het voorschrift onder landschappelijke inpassing door het voorschrift onder voorschrift landschappelijke inpassing in dit herstelbesluit.

Het college heeft ook een geconsolideerde omgevingsvergunning opgesteld.

Eiser heeft gesteld dat hij het ook niet eens is met het herstelbesluit van 12 februari 2026 en dat met dit besluit niet volledig tegemoet is gekomen aan zijn beroep. Hij verzoekt om het beroep van 4 september 2025 mede te richten tegen dit nieuwe besluit.

Het herstelbesluit is een vervanging van het bestreden besluit. Het beroep van eiser heeft daarom van rechtswege ook betrekking op het herstelbesluit. Dit volgt uit artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank beoordeelt de besluiten aan de hand van de (oorspronkelijke) beroepsgronden van eiser en van de reactie van eiser op het herstelbesluit.

Zorgvuldigheid besluit

Eiser stelt dat het herstelbesluit onzorgvuldig is genomen. Zo bestaat er een verschil in bijlagen/stukken die behoren bij de omgevingsvergunning en het herstelbesluit. Zonder enige motivering zijn stukken die relevant waren voor de verlening van de omgevingsvergunning van 15 juli 2025, niet langer opgenomen zoals de uitgewerkte SNF-norm, tekening [nummer] , de tekening met betrekking tot de waterberging en de toelichting op de tijdelijke woonunits. Verder wordt in het herstelbesluit voor de intekening van de parkeerplaatsen verwezen naar document [nummer] . Uit niets blijkt dat dit document de tekening is die is bijgevoegd bij de beslissing van 12 februari 2026. De tekening is niet gestempeld is en kent geen kenmerk [nummer] .

Het college is van mening dat het herstelbesluit inclusief de bijbehorende documentenlijst een zorgvuldig genomen besluit is. Het herstelbesluit van 12 februari 2026 heeft de gewijzigde beslissing op bezwaar van 24 juli 2025 volledig vervangen. Er is een geconsolideerde omgevingsvergunning opgesteld met nadere voorschriften. Daarbij is een tekening gevoegd waarin alles is opgenomen vanwege de duidelijkheid. Dat laatste document heeft een ander nummer gekregen omdat documentnummers niet gewijzigd kunnen worden. Ook de voorschriften zijn gewijzigd zoals bijvoorbeeld het voorschrift ten aanzien van de waterhuishouding. Die was wel opgenomen bij de verlening van de omgevingsvergunning, maar de tekening ten aanzien van de hemelwatervoorziening is al aangeleverd en is ook aangelegd. Daarmee is het onderdeel van de vergunning geworden en niet als extra voorschrift opgenomen. Als vergunninghoudster daar niet aan voldoet, dan handelt zij in strijd met de omgevingsvergunning. Verder is in het herstelbesluit de tekening “tekening -situatietekening [adres] 7-7-2025” toegevoegd waarin duidelijk staat omschreven dat er een verplichting is om 13 parkeerplaatsen te realiseren. Daarnaast is er een voorschrift opgenomen waarin staat dat de parkeerplaatsen conform diezelfde tekening in stand moeten worden gelaten.

De rechtbank overweegt dat eiser terecht naar voren heeft gebracht dat de tekening “Situatietekening [adres] 7-7-2025” waarop volgens het college alles staat aangegeven niet het kenmerk [nummer] heeft en ook niet gestempeld is. De tekening heeft als kenmerk [nummer] . Dat maakt dat het onduidelijk is of het college op grond van deze tekening zou kunnen handhaven, bijvoorbeeld ten aanzien van de ingetekende parkeerplaatsen of de hemelwatervoorziening. Het college zal dit gebrek moeten herstellen.

Verder is onduidelijk waarom het college het document ten aanzien van de SNF-normen (document [nummer] ) heeft laten vervallen. Dat geldt ook voor de toelichting op de tijdelijke woonunits (document [nummer] ). Het college zal hierover duidelijkheid moeten verschaffen. Deze grond slaagt.

Omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa)

Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan niet in overeenstemming is met het tijdelijke deel van het omgevingsplan.

Een activiteit die in strijd is met het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan wordt een omgevingsplanactiviteit genoemd. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan beoordelingsregels. Deze beoordelingsregels vormen het toetsingskader dat geldt wanneer het college de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit verleent. In artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl staat dat de omgevingsvergunning voor een bopa alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal).

Het begrip ‘evenwichtige toedeling’ is in het Bkl niet nader omschreven. Het bevoegd gezag heeft beleidsruimte om in te vullen wat een evenwichtige toedeling is. Beoogd is om aan te sluiten bij het criterium ‘goede ruimtelijke ordening’ dat gold onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.

Uit artikel 8.0b, tweede lid, van het Bkl volgt dat het college een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een bopa (onder andere) moet weigeren als de aanvraag in strijd is met de instructieregels die de provincie heeft vastgesteld. De instructieregels van de provincie staan in de omgevingsverordening.

Motiveringsgebrek bouwbepalingen

Eiser voert aan de bebouwing zoals die is gerealiseerd, niet voldoet aan de algemene regels voor bouwwerken. Uit de motivering van het herstelbesluit volgt niet dat is getoetst aan de regels voor bedrijfswoningen (artikel 5.2.1. van het bestemmingsplan) of aan artikel 5.2.2 van het bestemmingsplan. Uit dat laatste artikel volgt dat voor bouwwerken een afstand tot de as van een als ‘stroomweg’ aangeduide weg geldt van ten minste 50 meter. De afstand van de woonunits tot [adres] bedraagt nog geen 50 meter.

Het college stelt zich op het standpunt dat het een omgevingsvergunning heeft verleend voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Daarbij is geoordeeld dat dit mogelijk is op basis van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor zover er sprake is van een strijdigheid valt deze onder de motivering zoals deze is opgenomen in het herstelbesluit voor de afwijking van de bouwregels. Uit artikel 5.2.1. van de planregels volgt namelijk dat alleen bouwwerken ten dienste van de bestemming mogen worden opgericht. De aanvraag zag dus ook op afwijking van de bouwregels.

De rechtbank is van oordeel dat het college onvoldoende heeft onderbouwd waarom het afwijken van de bouwregels in dit geval aanvaardbaar is. Vaststaat dat het bouwplan in strijd is met artikel 5.2.1. van de planregels. Hoewel het college in het bestreden besluit heeft benoemd dat er sprake is van strijd met artikel 5.2.1. van de planregels, blijkt uit de motivering in het herstelbesluit niet expliciet dat het aan deze bouwregels heeft getoetst. Ook blijkt daaruit niet of het aan andere bouwregels heeft getoetst. Eiser heeft namelijk gewezen op strijdigheid met artikel 5.2.2 van de planregels. De woonunits staan volgens hem te dicht bij [adres] die als “stroomweg” is aangeduid. De afstand van de woonunits tot [adres] bedraagt nog geen 50 meter. Het college heeft ten aanzien daarvan op zitting enkel gesteld dat het de afstand heeft nagemeten. Dit is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwing om aan te nemen dat er geen sprake is van een strijdigheid. Ook de stelling van het college dat het alle belangen heeft betrokken bij de besluitvorming en dat voor zover er sprake is van een strijdigheid deze valt onder de motivering zoals deze is opgenomen in het herstelbesluit voor de afwijking van de bouwregels, acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd en concreet. Dit betoog slaagt.

Het college zal duidelijk moeten motiveren waarom het van mening is dat mag worden afgeweken van de planregel (artikel 5.2.1.) dat enkel bouwwerken ten dienste van de bestemming mogen worden opgericht. Het college zal ook moeten motiveren of sprake is van strijdigheid met artikel 5.2.2 van de planregels. Indien dat het geval is, zal het ook moeten motiveren waarom van deze planregel kan worden afgeweken.

Strijd met provinciaal beleid

Eiser voert aan dat op meerdere punten sprake is van strijd met provinciaal beleid.

Zo wordt in strijd met artikel 5.77 van de provinciale Omgevingsverordening Noord-Brabant, hoofdgebouwen in de vorm van (bedrijfs)woningen toegevoegd. Dat er wordt gewoond blijkt uit het feit dat met de vergunning een verblijf van 4 maanden tot gemiddeld drie jaar wordt toegestaan. Er is sprake is van midstay-verblijf. In dat geval is geen sprake van logies, maar van wonen.

Het college stelt zich ten aanzien van artikel 5.77 van de provinciale Omgevingsverordening Noord-Brabant op het standpunt dat er geen strijd is met dit provinciale beleid omdat er geen burgerwoningen worden toegevoegd. Het gaat om geclusterde huisvesting anders dan in woningen. In de Omgevingsverordening Noord-Brabant zijn geen specifieke regels voor het huisvesten van arbeidsmigranten opgenomen. De provincie heeft dat overgelaten aan de afzonderlijke gemeenten. Naar de mening van het college past de ontwikkeling binnen haar gemeentelijk beleid en is het voldoende landschappelijk ingebouwd.

De rechtbank overweegt dat in artikel 5.77 lid 1 onder a van de Omgevingsverordening Noord-Brabant is bepaald dat een toename van het aantal woningen in het landelijke gebied is verboden. Uit de toelichting op dit artikel volgt dat het beleid gericht blijft op zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van verdere verstening en verrommeling van het landelijk gebied. Net zoals terughoudend wordt omgegaan met de nieuwvestiging van bedrijven, wordt ook terughoudend omgegaan met het verspreid toevoegen van nieuwe woningen. Bovendien staat een toenemende woonfunctie in het buitengebied op gespannen voet met het bieden van ontwikkelingsmogelijkheden aan de agrarische sector.

De vraag is of de tijdelijke units kunnen worden gekwalificeerd als woningen zoals bedoeld in artikel 5.77 lid 1 onder a van de Omgevingsverordening Noord-Brabant. De rechtbank heeft geconstateerd dat de Omgevingsverordening Noord-Brabant geen definitie bevat wat onder een “woning” wordt verstaan. Daaruit kan dus niet worden afgeleid of de woonunits onder het begrip woning valt. Uit algemeen spraakgebruik kan worden afgeleid dat een woning een gebouw is om in te wonen. De vraag is dan vervolgens wat onder “wonen” wordt verstaan want ook dat begrip is niet gedefinieerd in de omgevingsverordening. In het algemeen spraakgebruik dienen onder “wonen” diverse vormen van huisvesting te worden begrepen, waaronder ook het verhuren van een woning aan buitenlandse werknemers.Daaruit zou kunnen volgen dat ook de tijdelijke woonunits gekwalificeerd zou kunnen worden als woningen.

Uit de toelichting op artikel 5.77 van de omgevingsverordening, volgt dat bepaalde initiatieven waarbij sprake is van wonen zoals mantelzorg en pre-mantelzorg wel mogelijk zijn binnen de instructieregels van de omgevingsverordening zolang er geen nieuwe zelfstandige woonfuncties ontstaan. Het is dan aan de gemeente om dat te borgen en te zorgen dat de situatie tijdelijk is. Hoewel de toelichting niet verwijst naar de huisvesting van arbeidsmigranten in woonunits, is de rechtbank van oordeel dat analoog aan deze bepaling kan worden geoordeeld dat de huisvesting van arbeidsmigranten in woonunits mogelijk is zolang de tijdelijkheid daarvan is geborgd. Gezien het feit dat in de omgevingsvergunning is opgenomen dat de tijdelijke units na 10 jaar moeten worden verwijderd en de units ook verplaatsbaar zijn, is de rechtbank van oordeel dat daaraan kan worden voldaan.

In hetgeen eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de omgevingsvergunning in strijd is met de instructieregels uit artikel 5.77 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant.

Eiser stelt verder dat sprake is van strijd met provinciaal beleid omdat in artikel 5.12 Omgevingsverordening Noord-Brabant regels zijn opgenomen over de ontwikkelingsrichtingen en waaraan een motivering van een omgevingsplan dient te voldoen. De enkele verwijzing van het college naar de omgevingsvisie is in dit kader onvoldoende. Onder meer is vereist dat wordt gemotiveerd welke functies passen in de omgeving, welke effecten de ontwikkeling heeft, op welke wijze de omgevingskwaliteit verstrekt kan worden en op welke wijze sloop wordt gerealiseerd. Hierop is het college niet ingegaan.

De rechtbank overweegt dat een gemeentelijke omgevingsvisie kan worden gebruikt om te voldoen aan artikel 5.12. van de provinciale omgevingsverordening. De gemeenteraad heeft deze opgesteld. Uit het herstelbesluit blijkt dat het college hieraan heeft getoetst en van mening is dat de locatie geschikt is voor deze tijdelijke ontwikkeling. Als motivering is gegeven dat de ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied op basis van de gemeentelijke omgevingsvisie. De locatie is gelegen in het deelgebied “Dynamische dorpen” en de tijdelijke huisvesting draagt bij aan het realiseren van voldoende betaalbare en passende woningen en woonomgevingen voor alle doelgroepen. De vestiging van arbeidsmigranten voldoet verder aan het gemeentelijke beleid voor huisvesting van arbeidsmigranten en het perceel is voldoende landschappelijk ingepast. Daarmee heeft het college naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd of deze ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsrichting van het (buiten)gebied. De rechtbank acht de onderbouwing op dit punt voldoende. Het betoog ten aanzien van artikel 5.12. van de provinciale omgevingsverordening slaagt niet.

Verder heeft eiser aangevoerd dat uit de motivering van het herstelbesluit niet blijkt dat wordt voldaan aan artikel 5.14 van de provinciale omgevingsverordening. Het college had bijvoorbeeld moeten motiveringen of de ontwikkeling bijdraagt aan de fysieke versterking van de omgevingskwaliteit.

Uit het herstelbesluit blijkt niet dat het college hier aan heeft getoetst. Ook is het hier niet nader op ingegaan in het verweerschrift. De rechtbank is van oordeel dat het college zal moeten motiveren of wordt voldaan aan artikel 5.14. van de provinciale omgevingsverordening. De grond slaagt ten aanzien van artikel 5.14. van de provinciale omgevingsverordening.

Strijd met eigen beleid

Eiser heeft verder op meerdere punten aangevoerd dat het herstelbesluit in strijd is met het eigen beleid van het college.

De rechtbank overweegt dat het college voor het huisvesten van arbeidsmigranten beleid heeft opgesteld om invulling te geven aan haar beleidsruimte, dat betreft de Beleidsregels Arbeidsmigranten gemeente Asten 2020 (Beleidsregel). Tijdens de zitting is besproken dat de gemeenteraad van de gemeente Asten voor het nemen van het herstelbesluit op 24 juni 2025 voor het huisvesten van arbeidsmigranten nieuw beleid heeft vastgesteld. Het college heeft op de zitting toegelicht dat het is uitgegaan van de Beleidsregel. De nieuwe regels zijn door de gemeenteraad vastgesteld, maar nog niet door het college. Op grond daarvan acht het college zich nog niet gebonden aan dat beleid en gaat uit van haar eigen beleid. De rechtbank acht dit correct en gaat daarom uit van de Beleidsregel.

Bouwperceel

Eiser voert aan dat de verleende omgevingsvergunning in strijd is met de Beleidsregel omdat de tijdelijke units ten behoeve van de huisvesting van arbeidsmigranten worden geplaatst op een ander kadastraal perceel dan waar het bedrijf (ten behoeve waarvan de huisvesting plaatsvindt) is gevestigd. Er is geen sprake van een bouwperceel. De woonunits moeten daarom worden aangemerkt als hoofdgebouwen en niet als bijgebouwen. Dat is in strijd met de Beleidsregel van het college want op grond daarvan mogen geen nieuwe hoofdgebouwen worden gerealiseerd. Het is verder in strijd is met artikel 5 lid 7 van de Beleidsregel omdat er sprake is van vier separate gebouwen die gerealiseerd zijn, in plaats van een gebouw.

Het college stelt zich op het standpunt dat de twee percelen samen een bouwperceel vormen. Het perceel ( [kenmerk] ) waarop de woonunits zijn gerealiseerd wordt gehuurd door aanvrager. Aansluitend aan het perceel, is het andere kadastrale perceel ( [kenmerk] ) waar het bedrijf is gevestigd ten behoeve waarvan de tijdelijke woonunits voor arbeidsmigranten zijn geplaatst. In de Beleidsregel zijn de begrippen bijgebouw en bestaand gebouw niet nader gedefinieerd, maar wel in het bestemmingsplan in artikel 1.30 (bijgebouw) en 1.59 (hoofdgebouw). Daarbij is de kas het hoofdgebouw omdat dit gebouw noodzakelijk is ter verwezenlijking van de bestemming van het perceel, namelijk agrarisch. De units zijn op hetzelfde bouwperceel gelegen en zijn gelet op de geringe afmetingen ten opzichte van de kas te kwalificeren als een bijgebouw. Indien er geen geschikte bestaande bebouwing aanwezig is, is het mogelijk om tijdelijke bebouwing te plaatsen. Dit volgt uit de artikelen 5, zesde en zevende lid (voor shortstay) en artikel 8, zesde en zevende (voor mid-stay) van de Beleidsregel. Uit de Beleidsregel kan niet worden opgemaakt daarmee slechts één bouwwerk wordt bedoeld.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, is bij de vaststelling van de omvang van een bouwperceel de actuele situatie bepalend. Daarbij wordt in beginsel uitgegaan van kadastrale percelen. Verschillende kadastrale percelen, zoals in dit geval, kunnen in ruimtelijke zin als één geheel worden aangemerkt, als het om bij elkaar behorende bebouwing gaat.

De rechtbank overweegt dat in dit concrete geval niet kan worden geoordeeld dat de afzonderlijke kadastrale percelen samen als één bouwperceel kunnen worden aangemerkt. Er is sprake van verschillende kadastrale percelen hoewel dat op zichzelf niet doorslaggevend is. Daarbij telt ook dat de percelen verschillende eigenaren hebben, de percelen ten tijde van de aanvraag een eigen toegang hadden en de percelen ook nooit bij elkaar hebben gehoord. De percelen waren niet ingericht en werden ook niet gebruikt als bij elkaar behorend. Gelet op het voorgaande kan niet worden gesteld dat het bij de aanvraag van de omgevingsvergunning om bij elkaar behorende bebouwing ging, waardoor meerdere percelen in ruimtelijke zin als één geheel zouden moeten worden aangemerkt.

De voorgaande overweging leidt tot het oordeel dat de vereiste functionele verbondenheid van bedrijfsbebouwing ten tijde van de aanvraag met de woonunits op het perceel ontbrak. Daarom is geen sprake van bijgebouwen, maar van hoofdgebouwen aangezien het een afzonderlijk bouwperceel is. De grond van eiser dat sprake is van strijd met het eigen beleid van de gemeente, slaagt.

Ondanks dat deze beroepsgrond slaagt, is de rechtbank van oordeel dat het college wel mag afwijken van haar eigen beleid. Daarvoor is wel een dragende motivering nodig. Het college zal dit daarom nader moeten motiveren.

De rechtbank is verder van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat uit de Beleidsregel (artikel 5 lid 7) niet kan worden afgeleid dat slechts een enkel bijgebouw geplaatst zou kunnen worden. In de tekst staat weliswaar dat huisvesting dient plaats te vinden in bestaande bebouwing en dat als dat niet mogelijk is, een verzoek tot huisvesting in een te bouwen bijgebouw kan worden ingediend, maar daaruit volgt nog niet dat er geen verzoek kan worden ingediend voor huisvesting in meerdere te realiseren bijgebouwen. Dat er geen beperking geldt leidt de rechtbank onder meer af uit de tekst van het eerste lid. Daar is opgenomen: “voor maximaal 100 personen”. Daaruit blijkt dat er een absoluut maximum geldt en dat ontbreekt in het zevende lid. Uit de beleidsregel volgt dan ook niet dat er geen mogelijkheid zou zijn om het zevende lid gelijktijdig meermalen toe te passen. De grond ten aanzien van artikel 5 lid 7 slaagt daarom niet.

Waterhuishouding

Eiser voert aan dat op grond van de Beleidsregel (artikel 14 lid 3) onvoldoende rekening is gehouden met het belang van de waterhuishouding. Gezien het feit dat de bebouwing 25 centimeter boven de wegas wordt geplaatst is het daarmee gelet op de toename verharding perceel, zeer aannemelijk dat wateroverlast richting zijn perceel zal ontstaan. Er is geen voorschrift verbonden over de aanleg/instandhouding van een WADI. Op grond daarvan kan niet handhavend worden opgetreden. Daarnaast is met enkel het aanleggen van de WADI nog niet voldaan aan de beleidsregel. Een WADI is een uitvoering van een werk en dus gelet op de tekst van de vergunning niet vergund. Er dient een vergunning te zijn voor het aanleggen van een waterberging (artikel 5.6.4. van de planregels), maar deze kan niet verleend worden aangezien deze enkel verleend kan worden voor de agrarische bedrijfsvoering waarvan geen sprake is. Tenslotte wordt niet aangetoond dat er geen wateroverlast gaat plaatsvinden in verband met het verhogen van het perceel, zeker gezien de bestaande wateroverlast. Het enkel aanleggen van een WADI is daarvoor onvoldoende.

Het college stelt zich op het standpunt dat onder de Omgevingswet de onlosmakelijke samenhang is vervallen waardoor vergunninghouder zelf mag bepalen voor welke activiteit(en) hij een aanvraag indient. Op basis van het beleid is de waterhuishouding een te overwegen belang. In het herstelbesluit maken tekening -situatietekening [adres] 7-7-2025 (document [nummer] ) en tekening waterberging – [nummer] (document [nummer] ) onderdeel uit van de vergunning.

Eiser heeft in reactie daarop naar voren gebracht dat aan het herstelbesluit van 12 februari 2026, géén voorschriften zijn verbonden met betrekking tot hemelwaterafvoer. Dit is een verschil ten opzichte van de eerdere omgevingsvergunning waarin wel een voorschrift was opgenomen. Een voorschrift over het realiseren van de WADI (qua omvang en wijze) ontbreekt, maar met name over het in stand houden daarvan vindt eiser een voorschrift noodzakelijk. Op de tekening met nummer [nummer] is een waterhuishoudkundige infrastructuur opgenomen. Voor eiser is niet bekend wat hiermee wordt bedoeld en of het college hiermee een vereiste vastlegt voor de vergunninghouder dat deze waterhuishoudkundige structuur in stand moet worden gehouden.

Uit artikel 14 van de Beleidsregel volgt dat een aanvraag omgevingsvergunning voor een huisvestingsvoorziening in ieder geval wordt geweigerd indien naar het oordeel van het college één of meerdere van de volgende aspecten in onevenredige mate worden aangetast of belemmerd:

(…)

e.de milieu-hygiënische kwaliteit, waterhuishouding, externe veiligheid en de impact op en de aanwezigheid van nutsvoorzieningen (zoals bijvoorbeeld riolering).

Ten aanzien van de waterhuishouding heeft het college in het herstelbesluit overwogen dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat de aanvraag voldoet aan artikel 1.2 Regels Gemeentelijk Rioleringsplan Asten 2021-2025 (GRP) van het geldende bestemmingsplan “Asten Verzamelplan 2019-2” met inachtneming van de gestelde voorwaarden. Verder maakt de tekening waterberging - [nummer] onderdeel uit van het herstelbesluit. De rechtbank gaat ervan uit dat het college hiermee bedoelt te stellen dat er geen redenen zijn om de omgevingsvergunning te weigeren op grond van de waterhuishouding, omdat is getoetst of de omliggende bebouwing voldoende beschermd is tegen wateroverlast en dat daarvan kan worden uitgegaan als kan worden voldaan aan voorwaarden zoals gesteld in het GPR. Op de tekening met nummer [nummer] is een waterhuishoudkundige infrastructuur opgenomen. Daarmee is voldoende vastgelegd voor vergunninghouder dat deze waterhuishoudkundige structuur in stand moet worden gehouden, maar zoals hiervoor is overwogen onder alinea 3.12, moet het college daarvoor nog wel een juiste verwijzing maken.

Ten aanzien van de ophoging van het perceel en de aanleg van de WADI kunnen geen voorschriften worden opgenomen in de omgevingsvergunning voor zover het de instandhouding betreft. Vergunninghoudster heeft de activiteit voor het aanleggen van de wadi en de verhoging van het perceel niet bij de aanvraag voor deze omgevingsvergunning aangevraagd. In principe valt deze activiteit - zoals het college terecht heeft gesteld - buiten de reikwijdte van deze omgevingsvergunning. Desondanks moet het college bij de beoordeling van etfal wel motiveren waarom deze activiteit niet op voorhand de uitvoering van de vergunning onmogelijk maakt. Dit betreft de uitvoerbaarheidstoets. Uit het herstelbesluit blijkt niet expliciet dat het college het voldoende aannemelijk acht dat een omgevingsvergunning voor de aanleg van de wadi of het ophoging van het perceel zal kunnen worden verleend. Dat had in elk geval in het bestreden besluit tot uiting gebracht moeten worden, nu eiser vragen over de uitvoerbaarheid heeft opgeworpen. Op grond daarvan is sprake van een motiveringsgebrek en het college zal dit moeten herstellen. De grond slaagt daarom op dit onderdeel.

Landschappelijke inpassing

Eiser voert verder aan dat het college in het herstelbesluit stelt dat geen landschappelijke inpassing vereist is omdat het bestaande groen voldoende is, terwijl er wel een voorwaarde wordt gesteld ten aanzien van de landschappelijke inpassing die verder gaat dan het bestaand groen. Dit is ook als voorschrift aan de omgevingsvergunning verbonden. Verder is het nog steeds niet duidelijk of het college beleid heeft met betrekking tot landschappelijke inpassing. Het college heeft de datum voor het realiseren en instandhouding van de landschappelijke inpassing met het nieuwe besluit heeft gewijzigd van 1 januari 2026 naar 1 mei 2026.

Het college stelt zich op het standpunt dat in het herstelbesluit een voorschrift is opgenomen ten aanzien van de landschappelijke inpassing waarbij wordt verwezen naar de “tekening -situatietekening [adres] 7-7-2025”. Daarin staat duidelijk omschreven op welke plaatsen de landschappelijke inpassing dient te worden geplaatst en duurzaam in stand moet worden gehouden. Het realiseren en instandhouden van de landschappelijke inpassing is met het nieuwe besluit gewijzigd van 1 januari 2026 naar 1 mei 2026 omdat het geplante groen niet is aangeslagen. Dit zal opnieuw moeten worden geplant.

Uit de artikel 14 van de Beleidsregel volgt dat een aanvraag omgevingsvergunning voor een huisvestingsvoorziening in ieder geval wordt geweigerd indien naar het oordeel van het college één of meerdere van de volgende aspecten in onevenredige mate worden aangetast of belemmerd:

(…)

c. de kwaliteit van het landschap,

(…)

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het herstelbesluit wel dat de landschappelijke inpassing is beoordeeld. Daarbij heeft het college benoemd dat er een zekere mate van openheid naar het openbaar gebied belangrijk is omdat het onwenselijk is dat een huisvestingslocatie wordt weggestopt. Bovendien wordt het terrein reeds omgeven door bestaande groenstructuren die het perceel visueel voldoende afschermen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college daarmee voldoende gemotiveerd dat geen sprake is van onevenredige aantasting van de kwaliteit van het landschap.

Belangenafweging

Eiser voert tenslotte aan dat onvoldoende rekening is gehouden met de belangen van omwonenden zoals bijvoorbeeld het geluid. Verder zorgen de tijdelijke units voor een verminderde woning- en verhuurwaarde. Het verhuren van de woning zal niet meer rendabel zijn en ertoe leiden dat de woning tegen een lagere prijs verkocht zal worden.

Het college stelt zich op het standpunt dat voldoende rekening is gehouden met de belangen van eiser. In het beroepschrift wordt ook niet onderbouwd waarom geen rekening is gehouden met de belangen van eiser. Het college stelt dat de vermeende schade geen reden is om de omgevingsvergunning te weigeren. Het staat eiser vrij om hier een aparte procedure voor op te starten voor nadeelcompensatie. Het college verwijst daarbij naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 januari 2025 en het advies van de bezwaarschriftencommissie die het standpunt van het college bevestigd.

De rechtbank is van oordeel dat eiser niet voldoende duidelijk dan wel onvoldoende heeft onderbouwd welke van zijn belangen bij de etfal niet meegewogen zouden zijn. Zijn stelling ten aanzien van geluid heeft hij niet verder onderbouwd en een vermindering van de woningwaarde is geen reden om een aanvraag om een omgevingsvergunning te weigeren. Deze grond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is gegrond. Het herstelbesluit is in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb ondeugdelijk gemotiveerd en kan daarom niet in stand blijven. Nu het herstelbesluit al onvoldoende gemotiveerd was, is ook het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank vernietigt ook dat besluit.

Door de vernietiging van de besluiten, is er geen beslissing meer op het bezwaar van eiser. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72 vierde lid, van de Awb dat het college binnen 12 weken een nieuw besluit op het bezwaar van eiser moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Omdat het beroep van eiser gegrond wordt verklaard, bepaalt de rechtbank dat het college aan eiser het door hem betaalde griffierecht moet vergoeden. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend (1 punt), heeft gereageerd op het herstelbesluit (0,5 punt) en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen (1 punt). De vergoeding bedraagt dan in totaal (2,5 x € 934,00 =) € 2.335,-.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het herstelbesluit van 12 februari 2026 en het bestreden besluit van 15 juli 2025;

- draagt het college op binnen 12 weken na deze uitspraak een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van eiser;

- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;

- veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.335,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kleijn Hesselink, rechter, in aanwezigheid van

mr. I.M.C. van Og, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage

Omgevingswet

artikel 5.1, eerste lid, onder a

Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:

a. een omgevingsplanactiviteit,

artikel 22.1, aanhef en onder a

In deze afdeling wordt onder het tijdelijke deel van het omgevingsplan verstaan het deel

van het omgevingsplan dat bestaat uit:

a. de besluiten, bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet

Omgevingswet, Invoeringswet Omgevingswet

artikel 4.6, eerste lid, aanhef en onder g, van de lnvoeringswet Omgevingswet

1. Als deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet,

gelden:

g. een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Wet

ruimtelijke ordening,

Bestemmingsplan “Buitengebied Asten 2016”

artikel 5.1.1 van de planregels

De voor ‘Agrarisch - Glastuinbouwgebied 1’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. agrarische bedrijfsdoeleinden, uitsluitend ten behoeve van glastuinbouwbedrijven

alsmede teelt in de open grond en/of agrarisch grondgebruik;

b. bestaande bedrijfswoningen met bijbehorende bijgebouwen, met dien verstande

dat ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen - plattelandswoning’

de bedrijfswoning tevens mag worden bewoond door (het huishouden van) een

persoon wiens huisvesting daar gelet op de bestemming niet noodzakelijk moet

worden geacht;

c. aan huis verbonden beroepen als ondergeschikte functie aan de bedrijfswoning,

een en ander met bijbehorende voorzieningen;

d. hobbymatig agrarisch gebruik als ondergeschikte functie aan de bedrijfswoning;

e. bij de glastuinbouwbedrijven behorende voorzieningen zoals kassen,

bedrijfsgebouwen, installaties in verband met warmtekrachtkoppeling,

watervoorzieningen en gietwaterbassins;

f. aan het glastuinbouwbedrijf ondergeschikte detailhandel in streekgebonden

producten en agrarisch gerelateerde producten, met dien verstande dat maximaal

50 m2 verkoopvloeroppervlak voor deze detailhandelsactiviteit mag worden

aangewend;

g. aan het glastuinbouwbedrijf ondergeschikte inpandige statische opslag ten

behoeve van de agrarische bedrijfsvoering, met dien verstande dat inpandige

statische opslag in kassen niet is toegestaan;

met de daarbij behorende:

h. groenvoorzieningen;

i. doeleinden van openbaar nut;

j. tuinen, erven en verhardingen;

k. parkeervoorzieningen;

1. waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder regenwaterpiekopvang en

infiltratievoorzieningen.

met dien verstande dat:

m. het gehele bestemmingsviak mag worden gebruikt ten behoeve van extensief

recreatief medegebruik, waarbij ter ondersteuning van dit medegebruik beperkte

recreatieve voorzieningen zijn toegestaan zoals paden, banken, picknicktafels,

bewegwijzering e.d.

artikel 5.2.1 Toegestane bebouwing

Uitsluitend mogen worden opgericht bouwwerken ten dienste van de bestemming, waarbij de volgende regels gelden:

a.toegestaan zijn agrarische bedrijfsgebouwen, inclusief kassen, ten behoeve van het glastuinbouwbedrijf;

b.toegestaan zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van het glastuinbouwbedrijf;

c.alleen bestaande bedrijfswoningen zijn toegestaan.

5.4.1 Strijdig gebruik

In ieder geval geldt als strijdig met de bestemming gebruik en/of laten gebruiken van:

Beleidsregels Arbeidsmigranten gemeente Asten 2020

Artikel 1: Begripsbepalingen

Geclusterde huisvesting: huisvesting in een hoofdgebouw door middel van kamerverhuur

met gedeelde voorzieningen of door middel van zelfstandige wooneenheden dan wel

een combinatie van beide.

Lonci-stay (lang verblijf): het verblijf van arbeidsmigranten in Nederland voor de duur van

tenminste drie jaar en/of permanente vestiging.

Mid-stay (middellang verblijf): het verblijf van een arbeidsmigranten in Nederland voor de

duur van 4 maanden tot gemiddeld drie jaar (of langer).

SNE. Stichting Normering Flexwonen

Artikel 5: Geclusterde huisvesting anders dan in woningen

1. Geclusterde huisvesting in gebouwen, anders dan in woningen, is toegestaan in en

buiten de dorpskernen en in alle hieronder genoemde gevallen voor maximaal 100

personen.

2. Geclusterde huisvesting in recreatieve voorzieningen is toegestaan voor zover hiertoe

een kwantitatieve noodzaak bestaat en er sprake is van een strikte (fysieke) scheiding van

arbeidsmigrant en toerist.

3. Geclusterde huisvesting bij een bedrijf mag slechts plaatsvinden indien die personen

werkzaam zijn bij het ter plaatse gevestigde bedrijf.

4. Van het bepaalde in lid 3 kan worden afgeweken, indien meerdere, in de directe

nabijheid gelegen bedrijven gezamenlijk één tijdelijke huisvestingslocatie realiseren en

exploiteren.

5. De initiatiefnemer draagt zorg voor een goede landschappelijke inpassing hiervan en

dient hiervoor, indien nodig, een landschapsplan in.

6, Geclusterde huisvesting dient plaats te vinden in de bestaande bebouwing.

7. Indien het bepaalde in het zesde lid niet mogelijk is, kan een verzoek tot huisvesting in

een te realiseren bijgebouw worden ingediend.

Artikel 8: Geclusterde huisvesting anders dan in woningen

1. Geclusterde huisvesting in gebouwen anders dan in woningen, is toegestaan in en

buiten de dorpskernen en in alle hieronder genoemde gevallen voor maximaal 100

personen.

2. Huisvesting in recreatieve voorzieningen is toegestaan voor zover hiertoe een

aantoonbare kwantitatieve noodzaak bestaat en er sprake is van een strikte (fysieke)

scheiding van arbeidsmigrant en toerist.

3. Geclusterde huisvesting anders dan in woningen bij een bedrijf mag plaatsvinden

indien die personen werkzaam zijn bij het ter plaatse gevestigde bedrijf.

4. Van het bepaalde in lid 3 kan worden afgeweken indien meerdere, in de directe

nabijheid gelegen bedrijven gezamenlijk één tijdelijke huisvestingslocatie realiseren en

zelf exploiteren.

5. Bij het realiseren van de voorziening draagt de initiatiefnemer zorg voor een goede

landschappelijke inpassing. De gemeente verzoekt, afhankelijk van de locatie, om een

landschapspian.

6. Geclusterde huisvesting dient plaats te vinden in de bestaande bebouwing.

7. Indien het bepaalde in het zesde lid niet mogelijk is, kan een verzoek tot huisvesting in

een te realiseren bijgebouw worden ingediend.

Artikel 10: SNF-norm

1. De kwaliteit van de huisvesting(locatie) dient te voldoen aan de inrichtings- en

maatvoeringseisen van de Stichting Normering Flexwonen (SNE). Bij huisvesting als

bedoeld in artikel 8 geldt dat iedere arbeidsmigranten tenminste 12 m2

gebruiksoppervlak per persoon heeft.

2. Diegene die de arbeidsmigranten huisvest dient over een geldig certificaat van

SNF te beschikken en toont dit op eerste verzoek aan de gemeente.

3. Voor zover de SNF-norm conflicteert met het Bouwbesluit, prevaleren de normen

van het Bouwbesluit.

Artikel 12: Huisreglement

1. Degene die de arbeidsmigranten huisvest stelt voor zijn huisvestingslocatie(-s) een

huisreglement op, welke onderdeel uitmaakt van de aanvraag.

2. Het huisreglement als bedoeld in het eerste lid moet in elk geval ingaan op de

volgende aspecten:

a. Gedrag van de huurders/gebruikers (als goede buur) met betrekking tot,

onder andere:

• geluid;

• afval;

• parkeren;

• het ontvangen van bezoek;

• het gebruik van een barbecue of daaraan gelijk te stellen objecten;

• het houden van feesten en dergelijke;

• het bezit en/of het gebruik van hard- en/of softdrugs en

alcoholgebruik;

• het veroorzaken van overlast (geluid, geur, zwerfafval etc.)

• De sanctionering bij overtreding van het bepaalde in het

huisreglement.

b. Brandveiligheid, zoals een vluchtplan en de aanwezigheid en vindplaats van

blusmiddelen;

c. De verplichting tot inschrijving in de Basisregistratie Personen bij een beoogd

verblijf van meer dan vier maanden en tot uitschrijving bij vertrek of verhuizing;

d. Belangrijke telefoonnummers van contacten en hulpdiensten en andere instanties;

e. Minimale woonvereisten;

f. De cao voor uitzendkrachten.

3. Het huisreglement moet op een of meerdere goed zichtbare locaties (in elk geval

bij de in- en uitgangen) worden aangeplakt en aan elke bewoner bij inschrijving op

de locatie ter hand worden gesteld.

4. Het huisreglement moet opgesteld worden in een voor alle bewoners begrijpelijke

taal.

5. Ten behoeve van de huisvestingsvoorziening dient parkeergelegenheid op eigen

terrein te worden gerealiseerd. De Nota Parkeernormen 2016 is aanvullend hierop

van toepassing.

6. Aan de hand van de huisvestingslocatie kan het college specifieke nadere eisen

stellen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand