ECLI:NL:RBOBR:2026:467

ECLI:NL:RBOBR:2026:467

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 28-01-2026
Datum publicatie 27-01-2026
Zaaknummer 388873 / HA ZA 23-14
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Schadestaatprocedure. In de hoofdzaak is aansprakelijkheid vastgesteld voor het alvast uitvoering geven aan een niet rechtsgeldige opzegging van een importeursovereenkomst (die is gevolgd door een wel rechtsgeldige opzegging tegen een latere datum). De rechtbank wijst in de schadestaatprocedure de schadevordering af omdat het vereiste causaal verband tussen de verweten gedragingen en de gestelde schade ontbreekt en omdat eiser schade vordert die niet zijzelf maar haar groepsvennootschappen beweerdelijk hebben geleden.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Zaaknummer: C/01/388873 / HA ZA 23-14

Vonnis van 28 januari 2026

in de zaak van

de rechtspersoon naar buitenlands recht

[eiser] ,

te [vestigingsplaats] ( [land] ),

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

advocaat: mr. T.R.B. De Greve,

tegen

DAF TRUCKS N.V.,

te Eindhoven,

gedaagde partij,

hierna te noemen: DAF,

advocaat: mr. W.B.J. van Overbeek.

1. De zaak in het kort

Deze zaak betreft een schadestaatprocedure.

Partijen hebben een bodemprocedure gevoerd tot in cassatie bij de Hoge Raad. Met die procedure is vast komen staan dat DAF aansprakelijk is voor de schade die zij mogelijk heeft veroorzaakt voor [eiser] door zich in 2014 te gedragen in de overtuiging dat zij de importeursovereenkomst met [eiser] rechtsgeldig had opgezegd tegen 30 november 2014, wat niet het geval was: die overeenkomst is door DAF pas tegen 9 januari 2016 rechtsgeldig beëindigd.

[eiser] vordert schade die zij stelt te hebben geleden (-) doordat zij in 2014, 2015 en 2016 veel minder trucks heeft verkocht en daarmee samenhangend omzetverlies heeft geleden, (-) doordat zij een nieuwe importeursfunctie is misgelopen, en (-) doordat zij kosten heeft moeten maken om een deskundige de schade in kaart te laten brengen.

De rechtbank wijst de vordering af. De belangrijkste redenen daarvoor zijn dat het vereiste causaal verband ontbreekt tussen de verweten gedragingen van DAF en de door [eiser] gestelde schade, en dat [eiser] schade vordert die niet zijzelf maar haar groepsvennootschappen beweerdelijk hebben geleden.

2. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties

- de verwijzing naar de parkeerrol, waarna de zaak weer is opgebracht- de conclusie van antwoord met producties- de brief van de rechtbank waarin mondelinge behandeling is bepaald op 22 april 2025

- het verzoek om uitstel van [eiser] , waartegen DAF bezwaar heeft gemaakt

- de brief van de rechtbank waarin mondelinge behandeling is bepaald op 14 oktober 2025

- de akte van DAF met productie 65

- de akte van [eiser] met producties 52-58

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2025. De advocaten van partijen hebben spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Van wat er overigens op de zitting aan de orde is geweest, heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3. De feiten

Voor een weergave van de feiten in deze zaak verwijst de rechtbank naar de uitspraken van de rechtbank van 10 mei 2017, het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 15 oktober 2019 en de Hoge Raad van 30 april 2021. Hieronder volgt een weergave van feiten die relevant zijn voor de beoordeling in deze schadestaatprocedure.

De samenwerking

[eiser] is als trailerfabrikant marktleider in Turkije en is daarnaast actief op het gebied van truck en trailer services, verkoop en overige dienstverlening binnen de transportsector. DAF houdt zich bezig met de ontwikkeling, productie, marketing, verkoop en service van middelzware en zware bedrijfswagens (trucks).

[eiser] heeft jarenlang trucks van DAF (en componenten en onderdelen daarvan) geïmporteerd. [eiser] kocht regelmatig een grote partij trucks bij DAF en verkocht deze vervolgens uit voorraad, in combinatie met eigen semitrailers (opleggers) of trailers (aanhangers). Voor de afzet van die trucks met (semi)trailers had [eiser] een netwerk van lokale dealers en servicepartners, voor een deel bestaand uit eigen groepsondernemingen.

[eiser] importeerde de DAF trucks op grond van een importeursovereenkomst met DAF uit 1995, die nadien enkele malen is gewijzigd, voor het laatst op 31 augustus 2009. De importeursovereenkomst gaf [eiser] het exclusieve recht en de taak om DAF-producten op eigen naam en voor eigen rekening te importeren en vervolgens te distribueren door middel van een door [eiser] opgezet en gecontroleerd netwerk van DAF-dealers binnen Turkije . Bestuursvoorzitter en grootaandeelhouder van [eiser] is de heer [A] .

De opzegging door DAF

De importeursovereenkomst van 31 augustus 2009 (hierna: de overeenkomst) bevat over de looptijd en beëindiging daarvan de volgende bepaling:

“19. TERM AND TERMINATION

Subject to signature of this Agreement by both parties this Agreement shall commence upon September 1st, 2009 and shall (subject to earlier termination pursuant to article 19.2 and article 20) continue for an indefinite period.

19.2

This Agreement can be terminated by either party by giving the other party a notice of

termination by means of communication ensuring evidence and date of receipt (e.g.

registered mail with return receipt, special courier) not less than two years in advance. This

notice period is reduced to at least one year where:

(i) DAF is obliged by law or by special agreement to pay appropriate compensation on

termination of the Agreement,

(ii) DAF terminates the Agreement where this is necessary to re-organise the whole or a

substantial part of its truck sales and/or service network in the Territory."

Begin december 2012 heeft DAF aan [eiser] laten weten van plan te zijn haar activiteiten in Turkije te reorganiseren. DAF wilde in Turkije een dochtervennootschap oprichten van waaruit DAF zelf als importeur rechtstreeks de Turkse markt zou gaan bedienen. In september en oktober 2013 heeft DAF in het kader van onderhandelingen over een mogelijke beëindiging van de overeenkomst tweemaal een schikkingsbedrag aan [eiser] aangeboden. [eiser] heeft die bedragen niet aanvaard.

In een brief van 19 november 2013 heeft DAF de overeenkomst met [eiser] opgezegd tegen 30 november 2014, met een beroep op de verkorte opzegtermijn van één jaar in verband met reorganisatie als bedoeld in artikel 19.2 (ii) van de overeenkomst (hierna: de eerste opzegging).

In een brief van 13 december 2013 heeft [eiser] zich op het standpunt gesteld dat DAF geen beroep kon doen op deze verkorte opzegtermijn uit de overeenkomst.

DAF heeft daarop in een brief van 9 januari 2014 voor zover nodig de overeenkomst ook opgezegd tegen 9 januari 2016, met inachtneming van de reguliere opzegtermijn van twee jaar bedoeld in artikel 19.2 van de overeenkomst (hierna: de tweede opzegging).

De voorbereidingshandelingen van DAF en de reactie van [eiser]

In een brief aan [eiser] van 31 januari 2014 heeft DAF een aantal onderwerpen opgesomd die zij met [eiser] tijdens een bijeenkomst enkele dagen eerder had besproken. In die brief heeft DAF onder meer het volgende vermeld:

“DAF will respect [eiser] ’s wish to keep confidential the fact that DAF had terminated the [eiser] importer agreement. DAF will further during the notice period honour its obligations under the importers agreement (and will for instance not start to operate a Turkish DAF subsidiary). DAF will however reserve its right to take the position that it is not bound to these obligations when parties will not have finalized a mutually agreeable settlement on the termination agreement by the above mentioned date of February 14, 2014.”

Op basis van een brief van [eiser] van 11 februari 2014 en een bezoek aan [eiser] op 19 februari 2014, heeft DAF in een brief van 11 maart 2014 geconcludeerd dat [eiser] kennelijk geen transitieregeling met DAF wil treffen, en aan [eiser] te kennen gegeven dat zij zich voorbereidt op de situatie waarin de overeenkomst op 30 november 2014 eindigt. DAF heeft daarbij aangekondigd dat zij de bestaande dealers zal gaan benaderen om hen een dealercontract aan te bieden.

In een brief van 3 april 2014 schreef DAF aan [eiser] onder meer het volgende:

"Related to the above is the question whether the current [eiser] affiliated DAF

dealers in Turkey will opt to continue to be part of DAF dealer network in Turkey.

If this would not be the case DAF will need to find alternative dealers to again

complete its network. We would appreciate receiving a clear answer on this point

within the next 14 days, in the absence of which DAF will directly approach the

[eiser] dealers itself and send them a copy of the DAF dealer agreement we have

presented to you earlier."

en

"In the context of its preparations for the situation after 30 November 2014, DAF

will at some point in the coming months, unavoidably need to inform the Turkish

authorities and other relevant parties about the fact that DAF will start its own

importers activities in Turkey. DAF will do so independently of [eiser] , but would

prefer communicating this in a common communication campaign with [eiser] . By

means of this letter, we invite you to, make known to us in writing, within 14 days

following the date of this letter, whether [eiser] is interested in such a joint

campaign. During this 14 day period we do not plan to contact existing or

prospective dealers as referred to in the second paragraph of this letter.”

In een brief van 17 april 2014 liet [eiser] aan DAF weten de geldigheid van de opzegging door DAF te betwisten en het gedrag van DAF onrechtmatig en onredelijk te vinden.

In een brief van 17 mei 2014 heeft [eiser] aan DAF laten weten te hebben vernomen dat DAF geruchten verspreid in Turkije over de beëindiging van de overeenkomst door DAF, wat [eiser] in een lastige positie brengt. [eiser] heeft DAF opgeroepen zich te houden aan de afgesproken vertrouwelijkheid.

Na een bijeenkomst op 17 juli 2014, waar partijen hebben gesproken over mogelijke scenario’s voor samenwerking in de toekomst, heeft DAF als eindbod een concept voor een beëindigingsovereenkomst aan [eiser] voorgehouden, die voorzag in een gecontroleerde transitie, in het kader waarvan de [eiser] dealers zouden doorgaan als DAF dealers / DAF servicepartners. Partijen hebben hierover geen overeenstemming kunnen bereiken.

In een brief aan [eiser] van 18 augustus 2014 heeft DAF vastgesteld dat geen transitieregeling is overeengekomen, en heeft DAF aangekondigd rechtstreeks dealers uit het bestaande dealernetwerk van [eiser] in Turkije te zullen aanschrijven, en zelf de importeursfunctie van [eiser] te zullen gaan overnemen. [eiser] liet weten hiermee niet akkoord te gaan.

Op 28 augustus 2014 heeft DAF alle Turkse DAF dealers (vijf [eiser] dealers en één onafhankelijke dealer) en alle veertien Turkse DAF servicepartners aangeschreven en hen een dealercontract aangeboden, in verband met de beëindiging van de overeenkomst met [eiser] per 30 november 2014.

In reactie hierop heeft [eiser] op 2 september 2024 een brief gestuurd aan de Turkse DAF dealers en servicepartners, en deze brief ook op haar website geplaatst. In deze brief heeft [eiser] uitvoerig gereageerd op de beëindiging van de overeenkomst door DAF. [eiser] heeft daarin verklaard dat de beëindiging door DAF tegen 30 november 2014 ‘volstrekt onrechtmatig, onterecht en ongeldig’ zou zijn tegenover [eiser] en tegenover alle DAF dealers en servicepartners, en aangegeven zich daarbij niet neer te leggen.

Op 24 september 2014 heeft DAF een persbericht op haar website geplaatst waarin zij melding heeft gedaan van het feit dat zij per 1 december 2014 zelf importeur in Turkije zal worden.

In reactie op dit persbericht van DAF heeft [eiser] op diezelfde dag eveneens een persbericht uitgebracht, waarin zij de aankondiging in het persbericht van DAF opnieuw ‘volstrekt onrechtmatig, onterecht en ongeldig’ noemde.

Op 14 oktober 2014 heeft DAF een bijeenkomst georganiseerd met de Turkse DAF dealers en servicepartners in Istanbul om de aanstaande transitie per 1 december 2014 te bespreken. De [eiser] dealers waren uitgenodigd maar niet aanwezig.

Op 23 oktober 2014 heeft DAF het Turkse ministerie van Wetenschap, Industrie en Technologie, dat verantwoordelijk is voor typegoedkeuringen en homologaties, gemeld dat zij per 1 december 2014 de rol van [eiser] als importeur zou overnemen. Het ministerie heeft op 3 december 2014 laten weten de aanvraag van DAF om typegoedkeuringen voor aanvullende modellen te hebben stopgezet, in afwachting van de uitkomst van een door [eiser] aanhangig gemaakt kort geding (zie hierna onder 3.24 en verder).

Per 1 december 2014 heeft DAF [eiser] niet langer toegelaten tot haar IT-systemen en kon [eiser] geen bestellingen meer doen of garantievergoedingen claimen. De DAF dealers en servicepartners in Turkije met wie DAF inmiddels een dealercontract had gesloten, kregen wel toegang tot de IT-systemen.

Het kort geding

Op 28 november 2014 heeft [eiser] DAF gedagvaard in kort geding. [eiser] stelde zich op het standpunt dat de eerste én de tweede opzegging van de overeenkomst beide niet rechtsgeldig waren.

Na de mondelinge behandeling van het kort geding op 9 december 2014 en een sommatiebrief van [eiser] van 11 december 2014 heeft DAF op 12 december 2014 onder meer de toegang van [eiser] tot haar systemen hersteld, en haar dealers en servicepartners in Turkije laten weten dat [eiser] importeur zal blijven (en hen daarom afgesloten van de DAF IT-systemen).

In zijn vonnis van 22 december 2014 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant geoordeeld dat de beëindiging van de overeenkomst door DAF met een opzegtermijn van één jaar niet rechtsgeldig was, maar dat DAF de overeenkomst wel heeft mogen opzeggen met een opzegtermijn van twee jaar, tegen 9 januari 2016. De voorzieningenrechter heeft DAF (i) veroordeeld tot nakoming van de overeenkomst tot en met 9 januari 2016, (ii) verboden om tot die datum zelfstandige activiteiten te ontplooien in Turkije die dienen ter vervanging van de taken en bevoegdheden van [eiser] op grond van de overeenkomst, en (iii) geboden zich tot die datum te onthouden van direct contact met de dealers, alles op straffe van verbeurte van dwangsommen.

Op 29 december 2014 heeft DAF het Turkse ministerie (zie hiervoor onder 3.22) laten weten dat [eiser] weer geautoriseerd was als DAF importeur.

Op 6 februari 2015 heeft DAF een met [eiser] afgestemd persbericht op haar website geplaatst, waarin zij meldt dat de voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de opzegging tegen 30 november 2014 niet rechtsgeldig was, en dat DAF dus niet per 1 december 2014 importeur in Turkije is geworden.

In augustus 2015 heeft [eiser] met DAF gesproken over een order van 500 trucks, maar die order is er niet gekomen omdat partijen het over de prijs niet eens konden worden.

De bodemprocedure

Begin 2015 hebben partijen pogingen gedaan om tot een schikking te komen. [eiser] had DAF laten weten bereid te zijn verder te spreken over een beëindiging van de relatie, in combinatie met continuering van de verkoopactiviteiten door de [eiser] dealers, mits DAF bereid zou zijn tot een financiële compensatie. [eiser] eiste een bedrag van € 15.750.000,- waarmee DAF niet akkoord is gegaan. [eiser] bleef weigeren de rechtsgeldigheid van de tweede opzegging te aanvaarden.

DAF heeft [eiser] bij dagvaarding van 23 februari 2015 in rechte betrokken en onder meer een verklaring voor recht gevorderd dat zij de overeenkomst met [eiser] rechtsgeldig had opgezegd tegen 30 november 2014 (eerste opzegging), althans tegen 9 januari 2016 (tweede opzegging), en een veroordeling van [eiser] tot vergoeding van de schade die DAF zou lijden doordat zij de door haar voorgenomen activiteiten in Turkije door toedoen van [eiser] niet heeft kunnen aanvangen.

De rechtbank heeft bij vonnis van 10 mei 2017 voor recht verklaard dat de eerste opzegging van de overeenkomst door DAF tegen 30 november 2014 rechtsgeldig heeft plaatsgevonden. De overige vorderingen van DAF wees de rechtbank af.

Tegen dit vonnis van 10 mei 2017 heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het hof. Bij arrest van 15 oktober 2019 heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd. Het hof oordeelde dat de eerste opzegging door DAF ongeldig had plaatsgevonden, en verklaarde voor recht dat DAF de overeenkomst wel rechtsgeldig heeft opgezegd tegen 9 januari 2016. Op vordering van [eiser] heeft het hof DAF veroordeeld tot vergoeding van de door [eiser] geleden schade als gevolg van de niet rechtsgeldige eerste opzegging, nader op te maken bij staat.

De schadevordering van [eiser] omvatte onder meer de volgende schadeposten (genoemd in r.o. 3.28 van het arrest van het hof onder ii), iii) en iv)):

(ii) reputatieschade en gemiste omzet doordat DAF in augustus 2014 de voorbereidingen is gaan treffen voor het starten van haar eigen rechtstreeks activiteiten in Turkije en het overnemen van de importeursfunctie van [eiser] per 1 december 2014;

(iii) schade die DAF heeft veroorzaakt doordat zij [eiser] ten onrechte heeft afgesloten van de IT-systemen van DAF, als gevolg waarvan [eiser] niet de service aan haar klanten heeft kunnen bieden waartoe zij gehouden was, waardoor [eiser] geconfronteerd is met schadeclaims van die klanten;

(iv) schade die DAF heeft veroorzaakt doordat DAF ten onrechte gedurende een aantal weken geen bestellingen van [eiser] in behandeling heeft genomen als gevolg waarvan [eiser] omzet is misgelopen.

Het hof heeft daarover in haar ro. 3.33 en 3.34 het volgende overwogen:

“3.33. Het hof ziet aanleiding om de schade die [eiser] onder ii), iii) en iv) vordert samen te behandelen, nu dit allemaal schade betreft die zou zijn veroorzaakt doordat Daf zich in 2014 is gaan gedragen in de overtuiging dat haar eerste opzegging rechtsgeldig was.

(…)

Vast staat dat Daf vanaf augustus 2014 de overname van de markt in Turkije per 1 december 2014 is gaan voorbereiden en dat daardoor ook de Turkse markt daarmee bekend is geworden. Vast staat ook dat [eiser] 12 dagen van bepaalde IT-systemen van Daf afgesloten is geweest en in die periode geen orders bij Daf heeft kunnen plaatsen. Vast staat verder dat [eiser] in 2014 en 2015 evident minder Daf trekkers dan de jaren daarvoor heeft verkocht.

Het hof deelt het oordeel van de rechtbank dat [eiser] – mede in het licht van het daartegen door Daf gevoerde gemotiveerde verweer – niet aannemelijk heeft gemaakt dat de acties van Daf een aantasting van de reputatie van [eiser] tot gevolg hebben gehad.

Echter, dat er onrust ten aanzien van het merk Daf op de markt is ontstaan acht het hof niet onaannemelijk. Aan Daf kan worden toegegeven dat het causaal verband tussen de acties van Daf en de gepretendeerde schade nog zal moeten blijken, maar naar het oordeel van het hof heeft [eiser] de mogelijkheid van schade voldoende aannemelijk gemaakt. Voor de verwijzing naar de schadestaatprocedure is dat voldoende (…). De vordering tot verwijzing naar de schadestaatprocedure ter zake van die schade zal het hof dan ook toewijzen. De overige weren van Daf op dit punt zijn weren die in de schadestaat gevoerd zullen moeten worden gevoerd en beoordeeld.”

DAF heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 30 april 2021 het beroep verworpen en onder meer het volgende overwogen:

“3.5.1. Onderdeel 4 klaagt onder meer dat het hof (in rov.3.34) [eiser] vordering tot verwijzing naar de schadestaatprocedure toewijsbaar heeft geacht zonder de grondslag voor de aansprakelijkheid van DAF te hebben vastgesteld.

Uit hetgeen het hof in rov.3.33 in samenhang met rov.3.34 heeft overwogen, volgt voldoende duidelijk dat naar het oordeel van het hof sprake is van een toerekenbare tekortkoming van DAF in de nakoming van de importeursovereenkomst, daarin bestaande dat DAF’s eerste opzegging van deze importeursovereenkomst niet tot een rechtsgeldige beëindiging daarvan heeft geleid, maar DAF zich niettemin vanaf augustus 2014 is gaan gedragen in de overtuiging dat de eerste opzegging wel rechtsgeldig was. Daarmee heeft het hof de grondslag voor de aansprakelijkheid van DAF vastgesteld. De klacht faalt.”

De aanloop naar de schadestaatprocedure

Bij brief van 9 juli 2021 heeft [eiser] tegenover DAF aanspraak gemaakt op een volledige schadevergoeding uit hoofde van het (na cassatie in stand gebleven) arrest van het hof van 15 oktober 2019, door [eiser] begroot op een bedrag van € 49.457.979,-, te betalen binnen twee weken. [eiser] heeft in die brief ook een schadestaatprocedure en executoriale beslaglegging aangekondigd.

Op 25 augustus 2021 heeft DAF zekerheid aangeboden in de vorm van een bankgarantie tot een bedrag van € 10.000.000,-.

Op 12 november 2021 heeft DAF in kort geding een verbod tot beslaglegging door [eiser] gevorderd. In een vonnis van 14 december 2021 oordeelde de voorzieningenrechter dat [eiser] vooralsnog onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat haar vordering meer bedraagt dan het bedrag van € 10.000.000,- waarvoor door DAF zekerheid was aangeboden. De voorzieningenrechter heeft de vordering van DAF dan ook toegewezen in die zin dat aan [eiser] een verbod is opgelegd tot het leggen van beslag. DAF diende binnen vier weken een bankgarantie te stellen van € 10.000.000,-.

Op 23 december 2022 is onderhavige schadestaatprocedure door [eiser] aanhangig gemaakt.

4. Het geschil

De vorderingen van [eiser]

vordert - samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, DAF veroordeelt tot betaling van € 122.612.075,-, vermeerderd met rente en kosten.

[eiser] stelt dat DAF aansprakelijk is voor de schadelijke gevolgen van alle handelingen die zij heeft verricht om zich voor te bereiden op het einde van de overeenkomst per 30 november 2014 (tegen welke datum niet rechtsgeldig is opgezegd), waaronder het veroorzaken van onrust in de markt vanaf maart 2014, het niet verwerken van orders van [eiser] , het afsluiten van [eiser] van de ICT-systemen, en het (publiekelijk) beginnen met het ontplooien van eigen activiteiten vóór 10 januari 2016.

De schade waarvan [eiser] vergoeding vordert, bestaat uit vier categorieën:

I. schade door de teruggevallen verkoop van trucks

II. schade door teruggevallen omzet die direct samenhangt met de verkoop van trucks, te weten teruggevallen:

a. handel in opleggers en aanhangers,

b. handel in onderdelen,

c. omzet uit service en onderhoud,

d. garantieclaims,

e. financieringsactiviteiten,

f. handel in tweedehands vrachtwagens,

III. schade door het mislopen van een nieuwe importeursfunctie,

IV. schade door gemaakte kosten voor een deskundige om de schade in kaart te brengen.

[eiser] stelt dat de gedragingen van DAF een vernietigend effect hebben gehad op de verkoop van DAF trucks door [eiser] , en daarmee op haar gehele onderneming. Vanaf 2014 verkocht [eiser] veel minder trucks, terwijl de prognose juist was (ook van DAF zelf) dat de verkoop in die jaren fors zou toenemen, door de invoer per 2016 van nieuwe Europese emissienormen. Volgens [eiser] is die daling van de omzet het gevolg geweest van gedragingen van DAF, te weten het vanaf maart 2014 veroorzaken van onrust op de Turkse markt en het tegenwerken van een grote order van 500 trucks door [eiser] eind 2015.

[eiser] stelt dat zij door de teruggevallen verkoop van DAF trucks ook (veel) minder opleggers en aanhangers verkocht (zij leverde doorgaans complete vrachtwagens aan haar klanten). Ook leidde het tot een terugval in de verkoop van onderdelen, waar [eiser] een hoge winstmarge op maakt. Voor de [eiser] dealers betekende de gekelderde verkopen van vrachtwagens een verminderde omzet uit service en onderhoud. Ook verminderde het aantal garantieclaims op DAF producten, waar [eiser] aan verdiende, en het aantal leningen, die [eiser] (met een renteopslag) op uitdrukkelijk verzoek van DAF verstrekte aan klanten voor de aanschaf van DAF producten. Tot slot leidde de terugval van de verkoop van DAF trucks ook tot een daling van de verkoop van tweedehands vrachtwagens.

[eiser] stelt dat zij zonder de gedragingen van DAF zeer waarschijnlijk de nieuwe Volvo dealer in Turkije had kunnen worden. Door de onrust die DAF had veroorzaakt op de markt, was er bij Volvo onzekerheid over de continuïteit van het dealernetwerk van [eiser] , waardoor Volvo niet met [eiser] in zee is gegaan. Volgens [eiser] heeft haar bedrijf daarom niet kunnen omschakelen naar een ander merk en dient de schade die zij hierdoor lijdt voor rekening te komen van DAF.

[eiser] heeft haar schade laten becijferen door accountants- en advieskantoor BDO Turkey (hierna: BDO). BDO heeft een rapport uitgebracht op 7 december 2022. [eiser] vordert vergoeding van de kosten van dit rapport op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW.

Het verweer van DAF

DAF voert gemotiveerd verweer en concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.

DAF voert samengevat de volgende verweren:

[eiser] kan geen schade vorderen die door andere (groeps)vennootschappen is geleden,

tussen de voorbereidingshandelingen van DAF in relatie tot de eerste opzegging en de beweerdelijk door [eiser] geleden schade ontbreekt causaal verband (sine qua non verband): de onrust op de Turkse markt – en daarmee de schade – is ontstaan door gedragingen van [eiser] , niet door gedragingen van DAF,

[eiser] heeft de schadeposten en de omvang daarvan niet goed onderbouwd,

er is sprake van eigen schuld aan de zijde van [eiser] (artikel 6:101 BW),

de kosten van BDO dienen te worden gematigd,

een eventueel toewijzend vonnis dient niet uitvoerbaar bij voorraad te worden verklaard, althans dient daaraan de voorwaarde te worden verbonden dat [eiser] zekerheid stelt tot een door de rechtbank te bepalen bedrag.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5. De beoordeling

In de hoofdzaak is komen vast te staan dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming van DAF in de nakoming van de overeenkomst met [eiser] , die daarin bestaat dat DAF zich vanaf augustus 2014 is gaan gedragen in de overtuiging dat de eerste opzegging rechtsgeldig was, terwijl dat niet het geval was. Die gedragingen vormen de grond voor aansprakelijkheid van DAF.

Het hof heeft in de hoofdzaak geoordeeld dat [eiser] de mogelijkheid dat zij schade heeft geleden door de bedoelde gedragingen van DAF voldoende aannemelijk heeft gemaakt, in verband waarmee de zaak is verwezen naar de schadestaatprocedure.

De schadestaatprocedure dient ertoe om de schade te begroten die DAF aan [eiser] verschuldigd is wegens de in de hoofdzaak vastgestelde tekortkoming. Bij het begroten van de schade kunnen alle onderwerpen aan de orde komen die van invloed zijn op de omvang van die schade en waarover in de hoofdzaak nog niet is beslist. Tot die onderwerpen behoort ook de vraag naar het causaal verband. Het hof heeft overwogen (in ro. 3.34 van het arrest van 15 oktober 2019) dat het causaal verband tussen de acties van DAF en de door [eiser] beweerdelijk geleden schade nog zal moeten blijken. DAF kan alleen worden veroordeeld tot vergoeding van schade waarvan voldoende komt vast te staan dat die daadwerkelijk is veroorzaakt door de in de hoofdzaak vastgestelde toerekenbare tekortkoming van DAF.

DAF voert ter verweer aan dat dit causaal verband ontbreekt, en de rechtbank is van oordeel dat dit verweer slaagt. Ook slaagt het verweer van DAF dat [eiser] geen schade kan vorderen die niet door haarzelf maar door andere (groeps)vennootschappen is geleden. De rechtbank zal een en ander hierna toelichten. Aan een bespreking van de overige verweren van DAF, en aan een begroting van de omvang van de schade, wordt niet toegekomen.

Daling van de verkoop door onrust op de markt

Een groot deel van de schade die [eiser] vordert, is naar zij stelt veroorzaakt door een dramatische terugval van het aantal door [eiser] verkochte DAF-trucks in Turkije .

Het staat vast dat het aantal DAF-trucks dat [eiser] heeft verkocht in de jaren 2014, 2015 en 2016 aanmerkelijk lager lag dan de jaren ervoor, en dat ook het marktaandeel van [eiser] in die jaren aanzienlijk is gedaald. [eiser] heeft hierover de volgende cijfers gedeeld, waarvan de juistheid door DAF niet is betwist:

Aannemelijk is dat deze daling van het aantal verkochte trucks in 2014, 2015 en 2016 heeft geleid tot schade voor [eiser] , wat door DAF in essentie ook niet is betwist (DAF heeft overigens wel uitvoerig verweer gevoerd tegen de door [eiser] gestelde omvang van die schade).

Aannemelijk is ook dat de daling van het aantal verkochte trucks mede is veroorzaakt doordat er in 2014 onrust is ontstaan op de Turkse markt rondom [eiser] en het merk DAF, zoals [eiser] stelt. [eiser] stelt onweersproken dat die onrust op enig moment is ontstaan (volgens [eiser] vanaf maart 2014, volgens DAF pas in het najaar van 2014) en dat een dergelijke onrust in de markt kan leiden tot lagere verkopen. [eiser] stelt dat het in de vrachtwagenbranche in het algemeen zo is dat onrust in de markt over een bepaald merk kan leiden tot onzekerheid over de continuïteit in kwaliteit en service, wat schadelijk is omdat het voor een koper van een vrachtwagen van groot belang is dat de leverancier gedurende de lange levensduur van die vrachtwagen een continue kwaliteit en service kan garanderen om stilstand van de vrachtwagen (en de daarmee gepaard gaande schade) te voorkomen. DAF heeft dit niet weersproken en aangenomen kan daarom worden dat de onrust die in 2014 is ontstaan op de Turkse markt rondom [eiser] en het merk DAF een van de oorzaken is geweest van de vermindering van het aantal door [eiser] verkochte DAF trucks en dus heeft geleid tot schade voor [eiser] .

Wie of wat heeft die onrust veroorzaakt?

Met het oog op het vereiste van causaal verband is van belang of de onrust op de Turkse markt, die tot een verkoopdaling – en daarmee tot schade – heeft geleid, is veroorzaakt door de verweten gedragingen van DAF, zoals [eiser] stelt.

[eiser] stelt dat DAF de onrust heeft veroorzaakt door haar onrechtmatige opzegging van de overeenkomst met [eiser] aan de Turkse markt te communiceren en door dealers uit het netwerk van [eiser] rechtstreeks te benaderen en onder druk te zetten om naar DAF over te stappen. Hierdoor ontstond volgens [eiser] onrust bij de dealers, die al snel oversloeg naar hun (potentiële) klanten, bij wie onzekerheid ontstond over de continuïteit van service en onderdelen. Volgens [eiser] ontstonden door de gedragingen van DAF allerlei wezenlijke vragen, waar geen antwoord op te geven was.

[eiser] stelt dat DAF de onrust heeft veroorzaakt door:

de geruchten die in mei 2014 ontstonden over de eerste opzegging,

de brief die DAF stuurde rechtstreeks aan de DAF dealers en servicepartners op 18 augustus 2014 (bedoeld zal zijn 28 augustus 2014, zie hiervoor onder 3.17),

het persbericht dat DAF op 24 september 2014 plaatste (zie hiervoor onder 3.19),

de bijeenkomst met de DAF dealers en servicepartners die DAF organiseerde op 14 oktober 2014 (zie hiervoor onder 3.21),

de brief die DAF op 23 oktober 2014 stuurde aan het Turkse ministerie (zie hiervoor onder 3.22)

de weigering van DAF vanaf week 44 t/m 51 van 2014 om orders van [eiser] in behandeling te nemen,

de afsluiting van [eiser] van de systemen van DAF vanaf 1 december 2014 (en de toelating van andere DAF dealers tot die systemen vanaf die datum) (zie hiervoor onder 3.23).

DAF betwist dat zij het was die onrust op de Turkse markt veroorzaakte. DAF stelt dat zij tot augustus 2014 de opzegging niet publiek heeft gemaakt, maar heeft geprobeerd met [eiser] tot afspraken te komen over de transitie, wat niet is gelukt. De onrust die vanaf augustus 2014 is ontstaan heeft [eiser] volgens DAF zelf veroorzaakt doordat zij DAF onder druk heeft willen zetten door de facto vrijwel te stoppen met verkoopactiviteiten, door persberichten te publiceren waarin zij haar ongenoegen over de opzegging door DAF kenbaar maakte, en door (tijdelijk) geen garantiewerkzaamheden meer uit te voeren. [eiser] heeft niet alleen de eerste opzegging maar ook de rechtmatige tweede opzegging door DAF niet willen aanvaarden en heeft door haar eigen gedragingen twijfel gezaaid op de Turkse markt over de vraag of de [eiser] dealers en servicepartners in de toekomst voor DAF zouden blijven werken. Daarmee heeft [eiser] zelf de verkoopdaling veroorzaakt, zo stelt DAF.

De rechtbank overweegt allereerst dat de stelling van [eiser] dat DAF al vanaf maart 2014 onrust heeft veroorzaakt op de Turkse markt, buiten beschouwing moet blijven.

Enkel de gedragingen van DAF vanaf augustus 2014 vormen de grondslag voor de aansprakelijkheid van DAF zoals het hof die heeft vastgesteld in de hoofdzaak. Aan deze beslissing van het hof over de grondslag voor de aansprakelijkheid is de rechter in deze schadestaatprocedure gebonden. De grondslag voor aansprakelijkheid kan hier niet worden uitgebreid.

De gedragingen van DAF

De rechtbank acht aannemelijk dat de brief die DAF op 28 augustus 2014 verstuurde aan de DAF dealers en servicepartners bij hen iets teweeg heeft gebracht. In die brief kondigde DAF aan per 1 december 2014 de importeursfunctie van [eiser] te zullen overnemen, en daarmee de verantwoordelijkheid voor het geautoriseerde DAF verkoop- en servicenetwerk in Turkije . DAF kondigde aan dat de dealers en servicepartners vanaf die datum dan ook alle DAF producten rechtstreeks van DAF zouden moeten gaan betrekken. DAF heeft hen in die brief de mogelijkheid geboden een nieuw dealercontract te sluiten met DAF. Dealers en servicepartners die daarvoor belangstelling hadden, dienden dat binnen drie weken aan DAF kenbaar te maken. Degenen die geen nieuw contract met DAF zouden aangaan, zouden vanaf 1 december 2014 geen DAF producten meer mogen aankopen of verkopen, en geen onderhoudsdiensten meer mogen verrichten onder het merk DAF.

Aannemelijk is dat de brief bij de DAF dealers en servicepartners in Turkije heeft geleid tot vragen en bij de [eiser] dealers mogelijk ook tot boosheid. De brief hoefde echter niet noodzakelijkerwijs ook te leiden tot onrust bij (potentiële) klanten. De dealers en servicepartners konden hun vragen en onvrede over de gang van zaken immers intern met DAF bespreken, zonder dit verder naar buiten te brengen. DAF bood hen allen een nieuwe overeenkomst aan, dus zij konden hun activiteiten voor DAF voortzetten en zij mochten redelijkerwijs aannemen dat DAF een nog hechtere band met de Turkse markt nastreefde (en dus niet hen in de steek wilde laten of de Turkse markt wilde verlaten). [eiser] had het in die periode nog voor een belangrijk deel zelf in de hand op welke wijze hierover vanuit haar netwerk zou worden gecommuniceerd naar klanten en meer in het algemeen naar de markt. Vanuit DAF was er geen berichtgeving uitgegaan die reden kon geven voor ongerustheid.

De eerste openbare kennisgeving van haar overname van het importeurschap in Turkije per 1 december 2014 heeft DAF gedaan door de plaatsing op haar website van het persbericht van 24 september 2014. Die overname was op dat moment niet meer echt ‘nieuws’ want [eiser] had hierover al een publicatie geplaatst op 2 september 2014 (zie hierna onder rov.5.24 t/m 5.26). De rechtbank ziet in de inhoud van het bericht van DAF ook onvoldoende grond om aan te nemen dat het heeft geleid tot onrust op de markt en dalende verkopen. Over [eiser] heeft DAF zich niet negatief uitgelaten en voor klanten hoefde het feit dat [eiser] als importeur zou wegvallen op zichzelf geen bron van zorg te zijn. Als de dealers en servicepartners in die tijd naar de klanten toe zouden hebben gecommuniceerd dat DAF hoe dan ook met een Turks netwerk van dealers en servicepunten voor hen zou blijven klaarstaan, dan hoefden klanten zich over de continuïteit van kwaliteit en service geen zorgen te maken. De komst van DAF naar Turkije , ook in de hoedanigheid van importeur, zou kunnen leiden tot een versterking van het merk DAF in Turkije , wat door klanten positief zou kunnen worden gewaardeerd.

Van de bijeenkomst die DAF op 14 oktober 2014 in Istanbul organiseerde voor alle DAF dealers en servicepartners, kan ook niet zonder meer worden aangenomen dat deze tot onrust in de markt heeft geleid: bedoeling van DAF was om de samenwerking met de dealers en servicepartners voort te zetten en om ook vanuit de hoedanigheid van importeur een nog hechtere band met de Turkse markt op te bouwen.

[eiser] stelt dat DAF door het sturen van een brief aan het Turkse ministerie op 23 oktober 2014 de positie van [eiser] als importeur en dealer van DAF voertuigen tegenover de nationale autoriteiten volledig heeft ondergraven. De rechtbank acht dat niet aannemelijk en ziet onvoldoende grond om aan te nemen dat die brief tot onrust op de markt en dalende verkopen heeft geleid.

De stelling van [eiser] dat DAF vanaf week 44 (tot en met week 51) van 2014 geen orders van [eiser] meer in bestelling wilde nemen, heeft zij niet onderbouwd en is volgens DAF feitelijk onjuist. DAF stelt dat [eiser] in oktober 2014 nog drie vrachtwagens heeft besteld, die aan haar zijn uitgeleverd in november 2014. Andere bestellingen zijn volgens DAF niet gedaan, maar konden wel gewoon worden gedaan tot 1 december 2014. Een en ander is door [eiser] niet weersproken. Van een gedraging van DAF die onrust kan hebben veroorzaakt, is in dit verband geen sprake.

Vaststaat dat [eiser] en de [eiser] dealers vanaf 1 december 2014 gedurende 12 dagen afgesloten zijn geweest van de IT-systemen van DAF, omdat de dealers geen nieuw dealercontract met DAF hadden gesloten. Volgens [eiser] kon zij daarom geen garantieclaims meer verzenden, geen servicezaken meer afhandelen en geen onderdelen meer bestellen. De andere DAF dealers en servicepartners sloten wel een dealercontract en kregen vanaf 1 december 2014 wel toegang tot die systemen, waardoor zij direct bij DAF konden kopen (en de prijzen daarvoor kenden) en [eiser] aan hen niet meer kon verkopen.

Volgens DAF hadden de [eiser] dealers toegang kunnen krijgen tot het systeem als zij rechtstreeks met DAF hadden gecontracteerd, en hadden zij bovendien ook zonder die toegang gewoon garantiereparaties kunnen uitvoeren omdat zij over voldoende onderdelen in voorraad beschikten voor die korte periode. DAF had daarvoor dan de gebruikelijke vergoeding betaald, zo stelt DAF. Een bestelling van 10 trucks die [eiser] deed in die periode van 12 dagen kon niet in het bestelsysteem worden gezet, maar dat is op 12 december 2014 alsnog gebeurd, waarna de trucks in januari 2015 zijn uitgeleverd.

De rechtbank is van oordeel dat tussen DAF enerzijds en de [eiser] dealers anderzijds, in de context van de relevante overeenkomsten, een door de redelijkheid en billijkheid beheerste rechtsverhouding bestond. In deze context waren DAF en de [eiser] dealers in de – korte – periode van de afsluiting van de IT-systemen gehouden de bestendige gebruikelijke handelwijze zo goed mogelijk voort te zetten in het belang van de samenwerking en de dienstverlening voor de klanten, zodat de inspanningen voor een oplossing (tussen DAF en [eiser] en, in het verlengde daarvan, tussen DAF en de [eiser] dealers) zouden kunnen slagen. Tegen deze achtergrond was DAF verplicht tot betaling van de door de [eiser] dealers uitgevoerde garantiereparaties op de gebruikelijke wijze, zoals de [eiser] dealers destijds redelijkerwijs al moesten begrijpen. Onweersproken is het standpunt van DAF dat de [eiser] dealers de bestendige gebruikelijke handelwijze hadden kunnen voortzetten omdat de vereiste onderdelen bij hen in huis waren en omdat de periode kort was (12 dagen). DAF is weliswaar tekortgeschoten door de [eiser] dealers af te sluiten van de IT-systemen, maar de door [eiser] gestelde schade is naar het oordeel van de rechtbank – in overwegende mate – veroorzaakt doordat de [eiser] dealers de bestendige gebruikelijke handelwijze niet hebben voortgezet en, in plaats daarvan, tegenover klanten en relaties twijfels hebben geuit over de toekomst van de samenwerking (zie ook hierna vanaf rov.5.23 over de reactie van [eiser] ). De tekortkoming van DAF valt daarbij in het niet en moet daarom niet in aanmerking worden genomen. Daarom is er in dit opzicht geen schade die voor vergoeding in aanmerking komt.

De reactie van [eiser]

DAF stelt dat het niet haar gedragingen zijn geweest die onrust op de markt hebben veroorzaakt, maar gedragingen van [eiser] . DAF stelt dat [eiser] zich niet wenste neer te leggen bij de opzegging van de overeenkomst en de strijd is aangegaan met DAF, en dat het gedragingen van [eiser] zijn geweest – die [eiser] voor een belangrijk deel onvermeld heeft gelaten in haar dagvaarding – die de onrust hebben veroorzaakt waar [eiser] uiteindelijk zelf door is benadeeld.

DAF stelt onweersproken dat [eiser] op 2 september 2014 in een uitvoerige brief aan de DAF dealers en servicepartners (door DAF overgelegd als productie 14) heeft laten weten dat zij zich niet zou neerleggen bij de opzegging van de overeenkomst door DAF per 1 december 2014, die zij daarin ‘completely unlawful, unfair and ineffective’ noemde tegenover haarzelf en tegenover alle DAF dealers en servicepartners, en waarin zij aankondigde dat zij haar activiteiten na 1 december 2014 zou voortzetten zoals voorheen. De brief bevatte allerlei kritiek op de werkwijze van DAF bij het bouwen van een nieuwe serviceorganisatie en op de door DAF te hanteren dealercontracten. [eiser] heeft de brief gepubliceerd op haar website.

DAF stelt ook onweersproken dat [eiser] in reactie op het persbericht van DAF van 24 september 2014 diezelfde dag ook een persbericht op haar eigen website heeft geplaatst (door DAF overgelegd als productie 15), waarin [eiser] – net als in haar brief van 2 september 2014 – de opzegging door DAF ‘completely unlawful, unfair and ineffective’ noemde.

Met DAF is de rechtbank van oordeel dat aangenomen moet worden dat [eiser] met haar brief van 2 september 2014 nogal wat onrust in haar netwerk heeft veroorzaakt. De inhoud van de brief wees immers op een mogelijk geschil met DAF en schiep onduidelijkheid over de toekomstige samenwerking van [eiser] met DAF. In die brief schreef [eiser] ook met zoveel woorden dat door DAF niet zou zijn opgezegd tegen de contractueel toegestane termijn van twee jaar, wat feitelijk onjuist was. Zoals DAF aanvoert, is heel goed denkbaar dat de opstelling van [eiser] zoals die blijkt uit deze brief tot onzekerheid heeft geleid bij de DAF dealers en servicepartners uit het netwerk van [eiser] over de toekomstige positie van [eiser] en over het merk DAF, en mogelijk is dat zij dat hebben laten doorklinken in hun communicatie met klanten, of daarover door klanten zijn bevraagd. De brief is immers tevens op de eigen website van [eiser] geplaatst. [eiser] heeft daarmee het nieuws over de opzegging door DAF als eerste naar buiten gebracht en daarbij direct publiek gemaakt dat er onenigheid was met DAF. Hierdoor, en door de inhoud van die brief enkele weken later nog eens te herhalen in een persbericht, en daarmee haar ongenoegen met de handelwijze van DAF zo expliciet naar buiten toe te ventileren, is er alle aanleiding om te veronderstellen dat het eerst en vooral [eiser] zelf is geweest, en niet DAF, die vanaf die tijd onzekerheid heeft gecreëerd over de toekomst van het dealernetwerk van DAF de [eiser] dealers als DAF dealers, en daarmee onrust heeft veroorzaakt bij (potentiële) klanten.

Wat als DAF direct rechtsgeldig had opgezegd en de ongeldige opzegging achterwege zou hebben gelaten?

Dat [eiser] kritiek had op de eerste opzegging door DAF was terecht, aangezien die opzegging niet rechtmatig was, zoals in de hoofdzaak is vastgesteld. [eiser] mocht zich daarom ook kritisch opstellen tegenover de voorbereidingen die DAF trof om uitvoering te geven aan die opzegging. Dit betekent echter naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat de door het gedrag van [eiser] veroorzaakte onrust (en daarmee schade) als een gevolg van de voorbereidende gedragingen van DAF aan DAF moet worden toegerekend. Via die weg kan geen causaal verband met de gedragingen van DAF worden aangenomen, omdat er aanleiding is om aan te nemen dat [eiser] op gelijke wijze had gehandeld, met soortgelijke gevolgen, als DAF direct rechtmatig had opgezegd tegen een termijn van twee jaar, waarvoor de overeenkomst DAF de ruimte bood. De rechtbank licht dat hier toe.

[eiser] heeft desgevraagd bij de mondelinge behandeling verklaard dat als DAF direct rechtsgeldig had opgezegd, tegen een termijn van twee jaar, eerst een transitieplan zou zijn gemaakt en dat de breuk tussen partijen pas daarna openbaar zou zijn gemaakt. Volgens [eiser] had zij dan in de tussentijd een andere partij kunnen zoeken om mee samen te werken, en had zij niet, zoals nu het geval was, met de rug tegen de muur gestaan doordat de opzegging al naar buiten toe bekend was gemaakt terwijl er nog geen plan lag.

De rechtbank is met [eiser] eens dat het zo had moeten gaan. Zoals [eiser] ook stelt, is het in het belang van beide partijen dat een beëindiging van een langdurige samenwerking zorgvuldig gebeurt, bij voorkeur op basis van een gezamenlijk op te stellen plan, dat pas naar buiten wordt gecommuniceerd wanneer stabiliteit is gegarandeerd, om schade bij beide partijen zoveel mogelijk te voorkomen. De rechtbank acht echter niet aannemelijk dat de transitie op die manier zou zijn verlopen als DAF direct rechtsgeldig had opgezegd. Uit door DAF overgelegde stukken blijkt dat DAF, voordat zij in augustus 2014 min of meer eenzijdig met de voorbereiding van de transitie is begonnen, pogingen heeft gedaan om met [eiser] tot afspraken over een transitieplan te komen, maar dat [eiser] hieraan niet heeft willen meewerken, omdat zij het niet eens was met de opzegging. Het stond [eiser] vrij haar medewerking te weigeren aan een transitieplan voor de eerste (ongeldige) opzegging, maar al kort na die eerste opzegging deed DAF de tweede opzegging van 9 januari 2014, die wel rechtsgeldig was, en van [eiser] mocht worden verwacht dat zij aan die tweede opzegging wel medewerking zou verlenen, omdat [eiser] gehouden was de overeenkomst te goeder trouw ten uitvoer te leggen. De rechtbank onderkent dat DAF, ondanks dat [eiser] het daarmee niet eens was, ten onrechte vasthield aan een beëindiging per 30 november 2014, maar stelt tegelijk vast dat de weerstand van [eiser] niet zozeer betrekking had op de te korte opzegtermijn, maar zich richtte tegen de opzegging zelf. [eiser] was verbolgen over het feit dat DAF de overeenkomst wilde beëindigen, ondanks de langdurige succesvolle samenwerking, en zag het als een ernstige aantasting van haar reputatie dat zij door DAF aan de kant werd gezet. [eiser] erkende niet dat DAF daartoe het recht had. [eiser] erkende daarmee ook niet de rechtsgeldigheid van de tweede opzegging. Vaststaat dat het niet DAF is geweest die de opzegging van de overeenkomst als eerste openbaar heeft gemaakt, maar [eiser] . Door hierbij bovendien openlijk aan te kondigen dat zij zich bij die opzegging niet zou neerleggen, heeft [eiser] zichzelf met de rug tegen de muur heeft geplaatst. De gang van zaken zoals die blijkt uit niet weersproken en met stukken onderbouwde stellingen van DAF laat zien dat [eiser] de strijd is aangegaan met DAF, en DAF onder druk heeft willen zetten, onder meer door haar kritiek op DAF publiekelijk te delen. [eiser] verminderde ook haar bestellingen bij DAF drastisch en liet er onduidelijkheid over bestaan of haar dealers DAF dealers zou blijven. Daarmee heeft [eiser] een groot risico genomen, dat zich in die zin heeft verwezenlijkt dat het heeft geleid tot onrust in de markt en een daling van de verkoop van DAF trucks gedurende de laatste jaren dat zij als importeur werkzaam was, en dus tot schade, ook voor [eiser] . De rechtbank ziet geen reden om aan te nemen dat als DAF direct rechtsgeldig had opgezegd, met inachtneming van de termijn van twee jaar, [eiser] die strijd niet openlijk was aangegaan, maar in de beslotenheid van de samenwerking met DAF was gekomen tot een gezamenlijk gedragen transitieplan, zoals [eiser] stelt.

Aangezien de opzegging tegen 30 november 2014 niet rechtsgeldig was, stond het [eiser] vrij om zich tegenover DAF daartegen te verzetten en het kort geding te voeren om nadelige gevolgen van die ongeldige opzegging zoveel mogelijk te voorkomen. Van [eiser] kon echter in redelijkheid worden verwacht dat zij naar buiten toe loyaal zou zijn naar DAF en zou meewerken aan de tweede opzegging, die wel rechtsgeldig was. Van haar kon worden verwacht dat zij tijdig met DAF in gesprek zou gaan over de wijze waarop de transitie het beste kon plaatsvinden. Daarbij moesten partijen onder meer bespreken hoe zou worden omgegaan met de dealercontracten, want daarover was niets geregeld in de opgezegde overeenkomst. Ook hier waren partijen gehouden de overeenkomst te goeder trouw ten uitvoer te leggen, in een door de redelijkheid en billijkheid beheerste rechtsverhouding, met inachtneming van elkaars gerechtvaardigde belangen. Zoals DAF naar voren heeft gebracht, waren er mogelijkheden om de samenwerking voort te zetten en dat wilde DAF ook graag. DAF wilde de importeursfunctie overnemen maar had belangstelling om te blijven werken met [eiser] dealerorganisatie, waarover zij tevreden was. Dat [eiser] geen DAF dealer kon blijven, zoals zij stelt, is niet onderbouwd en acht de rechtbank niet aannemelijk. Door DAF is immers onweersproken gesteld dat de bepalingen in de opgezegde overeenkomst over exclusiviteit en non-concurrentie alleen betrekking hadden op de rol van importeur, en niet zagen op de dealers. De rechtbank ziet geen reden waarom [eiser] niet DAF dealer had kunnen blijven en tegelijk importeur had kunnen worden van een ander merk trucks. [eiser] stelt dat het feitelijk in de Turkse markt niet zou voorkomen dat dealers voor meerdere merken werken, maar dit is door DAF betwist en staat dus niet vast. Bovendien betekent het enkele feit dat het in Turkije niet gebeurt nog niet dat [eiser] niet als eerste in Turkije dealer had kunnen worden voor meerdere merken. [eiser] heeft niet onderbouwd waarom dat niet zou kunnen. Daarom is er geen ruimte voor nader onderzoek. Dat geldt ook omdat DAF met de tweede opzegging de importeursrelatie mocht beëindigen, ook als dit betekent dat [eiser] in werkelijkheid geen nieuw importeurscontract voor een ander merk kon afsluiten en dat haar dealers in werkelijkheid niet voor twee merken konden gaan werken (schade door deze aspecten komt ook om deze reden niet voor vergoeding in aanmerking). [eiser] had ook (alsnog) in onderhandeling kunnen treden met DAF over verkoop van dealers uit haar eigen groep. [eiser] had tot slot ook de vrijheid om elke verdere samenwerking met DAF te weigeren. Maar hoe dan ook mocht van [eiser] worden verwacht, in de door de redelijkheid en billijkheid beheerste rechtsverhouding bij de wijziging of de afwikkeling van de samenwerking, dat zij in gesprek zou gaan met DAF over de transitie naar de nieuwe situatie, en dat zij ondertussen aan (potentiële) klanten zou laten weten dat DAF hoe dan ook voor hen zou blijven klaarstaan in Turkije . Dit alles heeft [eiser] niet gedaan, en zou [eiser] naar de rechtbank aanneemt ook niet hebben gedaan als DAF direct rechtsgeldig had opgezegd en de ongeldige opzegging achterwege zou hebben gelaten.

Tussenconclusie causaal verband

Concluderend oordeelt de rechtbank dat aangenomen moet worden dat de onrust op de markt omtrent [eiser] en het merk DAF, die heeft geleid tot dalende verkoopcijfers en daarmee schade voor [eiser] , is veroorzaakt door de openlijke strijd die [eiser] is aangegaan met DAF na beëindiging van de overeenkomst door DAF. Er is aanleiding om aan te nemen dat [eiser] die strijd ook zo zou hebben gevoerd als DAF direct rechtsgeldig had opgezegd en de ongeldige opzegging achterwege zou hebben gelaten, omdat [eiser] die opzegging ook niet zou hebben aanvaard. Een causaal verband met de gedragingen van DAF waarop de aansprakelijkheid van DAF is gebaseerd, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld.

Kortom, de rechtbank vergelijkt de huidige situatie (met de gestelde schade) en de hypothetische situatie (waarin DAF onberispelijk zou hebben gehandeld) en komt tot de conclusie dat de gestelde schade zich voordoet in beide situaties en daarom niet in causaal verband staat met de tekortkoming van DAF.

Gemiste order van 500 trucks

[eiser] stelt dat de daling van de verkoop van trucks waardoor zij schade heeft geleden ook is veroorzaakt doordat DAF in 2015 een order van 500 trucks weigerde. [eiser] wilde voor het eind van 2015 nog in één keer 500 trucks van DAF afnemen zodat zij die in de loop van 2016 uit voorraad zou kunnen verkopen. Het ging om trucks die in verband met de aangescherpte Europese emissienormen in 2016 niet meer in Turkije zouden mogen worden ingevoerd, maar nog wel mochten worden verkocht. De verwachting was dat de vraag naar deze (goedkopere) trucks flink zou toenemen. [eiser] stelt dat zij van DAF een korting vroeg van 10% op de relatief hoge standaardprijzen die DAF op dat moment hanteerde. Dit in verband met de risico’s die [eiser] hiermee op zich nam, in een onrustige markt. Dat was volgens [eiser] een alleszins redelijk prijsvoorstel, maar DAF ging daar niet mee akkoord en deed ook geen tegenvoorstel. Volgens [eiser] is DAF hiermee de overeenkomst niet naar behoren nagekomen, vermoedelijk omdat DAF verwachtte dan in 2016 zelf meer trucks in Turkije te kunnen verkopen.

DAF voert gemotiveerd verweer.

De rechtbank is van oordeel dat het verweer slaagt. Partijen zijn het eens dat er geen bindende vaste prijzen of andere voorwaarden zijn afgesproken en dat dus, telkens als [eiser] een order plaatste, onderhandelingen nodig waren, bijvoorbeeld over de prijs. Partijen zijn het ook eens dat [eiser] een lage prijs wenste voor de 500 trucks (volgens DAF om alsnog een hoge compensatie te ontvangen voor de opzegging), dat DAF deze lage prijs niet accepteerde en (kort gezegd) dat partijen er niet uit zijn gekomen. [eiser] heeft in elk geval tegenover de betwisting door DAF onvoldoende concrete feiten naar voren gebracht waaruit volgt dat een verbintenis op DAF rustte tot levering van de 500 trucks. [eiser] heeft bij deze stand van zaken haar stelling, dat DAF daartoe gehouden was, niet voldoende onderbouwd.

Mislopen importeursfunctie Volvo

[eiser] stelt dat zij ook schade heeft geleden doordat zij een nieuwe rol als importeur en dealer van Volvo is misgelopen. Na de opzegging door DAF moest [eiser] op zoek naar een nieuwe leverancier. Volgens [eiser] had zij objectief de beste papieren om de nieuwe importeur van Volvo te worden, maar heeft Volvo uiteindelijk toch voor een andere partij gekozen. Volgens [eiser] is de meest waarschijnlijke oorzaak hiervoor geweest de onrust die was ontstaan doordat DAF [eiser] aan de kant had gezet en de onzekerheid over de afloop daarvan. Onduidelijk was wanneer de overeenkomst met DAF zou eindigen, en wat de toekomst zou zijn van het dealernetwerk van [eiser] . Volvo was in de loop van 2015 op zoek naar een nieuwe importeur en heeft [eiser] daarvoor benaderd, maar door alle onzekerheid kwamen die gesprekken niet verder. Als de overstap van DAF goed zou zijn verlopen, dan was er een aanzienlijke kans geweest dat zij de importeur was geworden van Volvo, aldus [eiser] .

DAF voert gemotiveerd verweer. DAF betwist onder meer het vereiste causaal verband tussen het niet totstandkomen van een importeursovereenkomst tussen [eiser] en Volvo en het feit dat DAF zich vanaf augustus 2014 is gaan gedragen alsof de eerste opzegging rechtsgeldig was. Volgens DAF mist hiervoor elke onderbouwing. Volvo heeft in september 2016 een importeursovereenkomst gesloten met een andere partij. Toen was de opzegtermijn van twee jaar inmiddels ruimschoots verstreken en was DAF als importeur begonnen in Turkije . Waarom Volvo niet voor [eiser] heeft gekozen is onbekend. Wat Volvo mogelijk kopschuw heeft gemaakt was het feit dat [eiser] gedurende heel 2015 haar kaarten bleef zetten op DAF en de rechtsgeldigheid van (ook) de tweede opzegging bleef bestrijden, tot aan het arrest van het hof van 15 oktober 2019, zo meent DAF.

De rechtbank overweegt dat op basis van de stellingen van [eiser] niet kan worden vastgesteld dat de gedragingen van DAF vanaf augustus 2014 er de oorzaak van zijn geweest dat [eiser] geen importeur van Volvo is geworden. [eiser] heeft geen aanknopingspunten voor nader onderzoek gepresenteerd. Voor zover de onrust en onzekerheid waar [eiser] op doelt daarbij een rol hebben gespeeld, verwijst de rechtbank naar wat zij in rov.5.9 en verder (in het bijzonder in rov.5.26) heeft overwogen over de oorzaak van die onrust en onzekerheid. De rechtbank ziet aanleiding die oorzaak overwegend te zoeken in het gedrag van [eiser] zelf. Het vereiste causaal verband tussen de schade die [eiser] vordert en de verweten gedragingen van DAF, is bij deze stand van zaken niet vast te stellen en er is geen ruimte voor nader onderzoek. Deze schadepost komt dan ook niet voor toewijzing in aanmerking.

Schade van groepsondernemingen

Alle voorgaande overwegingen over grondslag van aansprakelijkheid en causaal verband leiden de rechtbank tot de conclusie dat geen van de schadeposten van [eiser] kan worden toegewezen. De rechtbank zou daarom met deze overwegingen kunnen volstaan. Toch zal de rechtbank hierna ook nog kort aandacht besteden aan het verweer van DAF dat schade van groepsondernemingen van [eiser] niet door [eiser] kan worden gevorderd.

Een groot deel van de schade die [eiser] vordert, is naar zij stelt veroorzaakt door een dramatische terugval van het aantal door [eiser] verkochte DAF-trucks in Turkije . Die terugval in de verkoop van trucks leidde volgens [eiser] eveneens tot een terugval in daarmee samenhangende omzet (in de vorm van service, onderhoud, financiering, lease en inruil/verkoop van tweedehands voertuigen) van een aantal van haar groepsondernemingen. [eiser] heeft deze omzetdalingen ook als schadepost in haar schadestaat opgenomen.

Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het verweer van DAF dat schade die ziet op beweerdelijk geleden omzetverlies door groepsvennootschappen niet als schade van [eiser] op de schadestaat kan worden opgenomen. Het moge zo zijn, zoals [eiser] stelt, dat het verlenen van diensten en aftersales onderdeel uitmaakte van de importeursovereenkomst die [eiser] sloot met DAF. [eiser] heeft ervoor gekozen de uitvoering daarvan uit te besteden aan enkele groepsvennootschappen en dat zijn zelfstandige rechtspersonen die geen partij waren bij de overeenkomst met DAF en ook geen partij zijn in deze procedure. Het is niet uitgesloten dat de omzetdaling van deze vennootschappen tevens heeft geleid tot schade voor [eiser] , maar op welke wijze en tot welke bedragen dit dan het geval zou zijn, dat is door [eiser] niet toegelicht of onderbouwd. Een en ander betekent dat een aanzienlijk deel van de door [eiser] gevorderde schade (ook) om deze reden niet voor toewijzing in aanmerking komt.

De kosten voor het opmaken van een schaderapport

[eiser] vordert op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BV vergoeding van de kosten die zij heeft gemaakt om het gekwalificeerde en gerenommeerde accountantsbureau BDO een schadeberekeningsrapport te laten opstellen.

DAF erkent dat [eiser] een schaderapport heeft moeten laten opmaken, en dat de daarmee verband houdende kosten in beginsel voor vergoeding in aanmerking komen, ook indien uiteindelijk komt vast te staan dat geen schade is geleden. DAF meent dat er wel reden is om de kosten van € 103.000,- aanzienlijk te matigen tot een bedrag van € 32.700,00.

De rechtbank is het op dit punt eens met DAF, wijst een bedrag van € 32.700,00 toe en wijst de vordering voor het overige af. De rechtbank verwijst naar de analyse hiervoor over het causaal verband en de groepsvennootschappen.

De proceskosten

[eiser] is (grotendeels) in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van DAF worden begroot op:

- griffierecht

8.519,00

- salaris advocaat

8.714,00

(2 punten × € 4.357,00)

- nakosten

178,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

17.411,00

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6. De beslissing

De rechtbank

veroordeelt DAF tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 32.700,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 september 2022 tot de dag van volledige betaling, en wijst het gevorderde voor het overige af,

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 17.411,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

verklaart dit vonnis wat betreft de veroordeling en de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.S. Frakes en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?