RECHTBANK OOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Eindhoven
Zaaknummer: 11614375 \ CV EXPL 25-2204
Vonnis van 23 juli 2026
in de zaak van
1. [eiser 1] ,
2. [eiser 2],
3. [eiser 3],
4. [eiser 4],
5. [eiser 5],
6. [eiser 6],
7. [eiser 7],
8. [eiser 8],
9. [eiser 9],
10. [eiser 10],
11. [eiser 11],
12. [eiser 12],
13. [eiser 13],
14. [eiser 14],
15. [eiser 15],
16. [eiser 16],
17. [eiser 17],
18. [eiser 18],
19. [eiser 19],
20. [eiser 20],
21. [eiser 21],
22. [eiser 22],
23. [eiser 23],
24. [eiser 24],
25. [eiser 25],
26. [eiser 26],
27. [eiser 27],
28. [eiser 28], allen wonend in [woonplaats] ,
eisende partijen,
gemachtigde (voor alle eisende partijen): mr. T.M.A. Vervoort,
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht RYANAIR DAC,
gevestigd te Swords, Co. Dublin, Ierland,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. J.J. Croon.
Partijen worden hierna Passagiers en Ryanair genoemd.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 26 maart 2026 en de daarin genoemde stukken;- de akte uitlating van de gemachtigde van Passagiers;- de reactie van Ryanair op de akte uitlating van de gemachtigde van Passagiers.
Vervolgens is bepaald dat een vonnis wordt gewezen.
2. De verdere beoordeling
In het tussenvonnis van 26 maart 2026 heeft de kantonrechter overwogen dat het onredelijk is om Passagiers (hoofdelijk) in de proceskosten te veroordelen, tegen de achtergrond dat de gemachtigde van Passagiers zonder toereikende procesvolmacht en mogelijk zelfs buiten hun medeweten heeft geprocedeerd. De kantonrechter heeft het voornemen geuit om niet Passagiers, maar mr. Vervoort die zich in deze procedure heeft gepresenteerd als gemachtigde van Passagiers, op de voet van artikel 245 lid 2 Rv in de proceskosten te veroordelen. De gemachtigde van Passagiers mocht zich bij akte uitlaten over dit voornemen.
Het alsnog overleggen van kopieën van de identiteitsbewijzen van Passagiers kan de gemachtigde van Passagiers niet meer baten. Daarvoor is namelijk geen gelegenheid gegeven. Die identiteitsbewijzen hadden in een eerder stadium van de procedure, in elk geval bij het nemen van de akte tot overlegging van de schriftelijke procesvolmacht, in het geding kunnen en moeten worden gebracht. De gemachtigde van Passagiers heeft geen verklaring gegeven waarom dit niet eerder is gedaan. Dat het overleggen van identiteitsbewijzen niet nodig is om te kunnen vaststellen of Passagiers echt bestaan en om te kunnen vaststellen of zij een vorderingsrecht hebben op Ryanair – zoals tussen partijen ter discussie stond in het opgeworpen incident waarop is beslist bij vonnis van 9 oktober 2025 – betekent niet dat de identiteitsbewijzen niet alsnog nodig kunnen zijn om de (digitale) handtekeningen op de later overgelegde procesvolmacht te controleren. Het was namelijk aan de gemachtigde van Passagiers om een deugdelijke procesvolmacht in het geding te brengen. De kantonrechter volgt dan ook niet de redenering van de gemachtigde van Passagiers op dit punt. Het geheel in ogenschouw nemende ziet de kantonrechter geen aanleiding om terug te komen op het geuite voornemen en de overwegingen in het vonnis van 26 maart 2026.
Het voorgaande betekent dat de kantonrechter de gemachtigde van Passagiers op de voet van artikel 245 Rv zal veroordelen tot betaling van de proceskosten in de hoofdzaak, zoals overwogen in het vonnis van 26 maart 2026. Voor het overige wordt ook beslist zoals in dat tussenvonnis is overwogen.
3. De beslissing
De kantonrechter
verklaart Passagiers (eisers sub 1 tot en met 28) niet-ontvankelijk in hun vorderingen;
veroordeelt mr. T.M.A. Vervoort in de kosten van de procedure (hoofdzaak), aan de kant van Ryanair tot vandaag vastgesteld op € 864,00, te vermeerderen met de eventuele explootkosten in geval van betekening van dit vonnis;
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. van den Berk en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2026.