ECLI:NL:RBOBR:2026:4947

ECLI:NL:RBOBR:2026:4947

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 17-07-2026
Datum publicatie 14-07-2026
Zaaknummer 12134093 \ EJ VERZ 26-161
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Eindhoven

Samenvatting

In deze zaak verzoekt werkneemster onder meer om vernietiging van een ontslag op staande voet dat door werkgever is gegeven. De kantonrechter wijst het verzoek toe, omdat het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven, met als gevolg dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Het (voorwaardelijke) tegenverzoek van werkgever tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wijst de kantonrechter af. Er is geen redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Dat betekent dat de arbeidsovereenkomst voortduurt en werkneemster recht heeft op wedertewerkstelling en doorbetaling van het loon.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Eindhoven

Zaaknummer / rekestnummer: 12134093 \ EJ VERZ 26-161

Beschikking van 17 juli 2026

in de zaak van

[verzoeker] ,

te [plaats] ,

verzoekende partij,

verwerende partij in het tegenverzoek,

hierna te noemen: [verzoeker] ,

gemachtigde: mr. S. Blom,

tegen

[verweerder] B.V.,

te [plaats] ,

verwerende partij,

verzoekende partij in het tegenverzoek,

hierna te noemen: [verweerder] ,

gemachtigden: mrs. N.C. Six-Scheffer en L.A. van Meelen.

1. De zaak in het kort

In deze zaak verzoekt [verzoeker] onder meer om vernietiging van een ontslag op staande voet dat door [verweerder] is gegeven. De kantonrechter wijst het verzoek toe, omdat het ontslag niet rechtsgeldig is. Het (voorwaardelijke) tegenverzoek van [verweerder] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wijst de kantonrechter af. Er is geen redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Hieronder wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.

2. De procedure

[verzoeker] heeft een verzoek gedaan om (onder meer) een ontslag op staande voet te vernietigen middels een verzoekschrift met vijf bijlagen. De kantonrechter heeft dit verzoekschrift met bijlagen op 9 maart 2026 ontvangen. [verweerder] heeft bij e-mail van 13 mei 2026 een verweerschrift met dertien bijlagen ingediend en daarin tevens een voorwaardelijk tegenverzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst gedaan.

Bij e-mail van 20 mei 2026 heeft [verweerder] bijlage veertien toegezonden en (eveneens) bij e-mail van 20 mei 2026 heeft [verzoeker] bijlagen zes tot en met elf toegezonden.

Op 26 mei 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij was [verzoeker] aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens [verweerder] is [A ] (hierna: [A ] ), HR-adviseur bij [verweerder] , verschenen, bijgestaan door de gemachtigden van [verweerder] . De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. De gemachtigden van beide partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen, zodat die aan het procesdossier zijn toegevoegd.

Ten slotte is aan partijen medegedeeld dat op uiterlijk 17 juli 2026 een beschikking zal worden gegeven.

3. De feiten

[verweerder] is een juweliersketen. [verweerder] heeft 120 filialen verspreid door Nederland en zij heeft haar hoofdkantoor in Den Haag. Ook heeft [verweerder] een webshop en filialen in België en Duitsland.

[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1969, is op 31 mei 2022 in dienst getreden bij [verweerder] . De laatste functie die zij vervulde, is die van bedrijfsleider (VC), ook wel storemanager (VC), in het filiaal [filiaalnaam] [plaats] (hierna: het filiaal in [plaats] of de winkel), met een loon van € 2.236,94 bruto per maand exclusief 8% vakantiebijslag en overige emolumenten bij een arbeidsomvang van 32 uur per week. De cao Retail Non-Food is op de arbeidsovereenkomst van toepassing.

[verweerder] hanteert gedragsregels, die zijn opgenomen in de “ [verweerder] Gedragscode, versie februari 2023” (hierna: de Gedragscode). [verzoeker] is op de hoogte van deze gedragsregels. In de Gedragscode staat, voor zover van belang, het volgende:

“(…)

Relatie tussen medewerkers

(…)

Agressie, bedreiging en geweld

Fysieke en verbale agressie en bedreiging zijn voor ons onacceptabel. Dit tast de veilige werkomgeving aan waar iedere medewerker recht op heeft.

Wij dulden geen enkele vorm van verbale of fysieke agressie. Conflictsituaties handelen wij volwassen af via een open gesprek met ruimte voor alle betrokkenen.

Wat betekent dit voor jou?

Wees je ervan bewust dat agressie niet altijd fysiek hoeft te zijn. Ook met woorden kun je agressie uiten. Er is een dunne lijn tussen iemand uitschelden en agressie. Ga het conflict niet aan. Grijp tijdig in en maak agressie bespreekbaar. Meld conflictsituaties die uit de hand dreigen te lopen of zijn gelopen bij je leidinggevende of via een van de relevante meldpunten.

(…)

Relatie met onze klanten en bezoekers

(…)

Klantgerichte communicatie

De wens van de klant staat centraal. Bij alles wat we doen, verdiepen we ons in onze klanten. Niet alleen in hun wereld maar vooral ook in hun hoofd en hart. Uiteindelijk moeten alle processen en activiteiten binnen [verweerder] gericht zijn op een excellente customer experience. Dat houdt in dat wij hen op een sympathieke, professionele en doelgerichte manier benaderen. Wij zijn daarbij daadkrachtig in de communicatie naar klanten, scheppen heldere verwachtingen en geven een realistisch beeld van onze producten en diensten. We beloven ook nooit iets wat we niet waar kunnen maken.

Bij ons staat de klant centraal. Wij zeggen wat wij doen en doen wat wij zeggen!

Wat betekent dit voor jou?

Klanten vormen ons bestaansrecht en daarom zetten we de klant elke dag weer centraal in ons werk. Wees altijd bewust van onbesproken gedrag naar de klant en kies voor een sympathieke uitstraling. Wij gedragen ons nooit agressief naar klanten of potentiële klanten. Ook al gedraagt deze klant zich niet correct of zelf agressief. Als de klant zich agressief, bedreigend of aanhoudend onfatsoenlijk opstelt naar jou, zoals vloeken of schreeuwen, hoef je dit niet te tolereren en kun je het gesprek op een passende wijze beëindigen.

(…).”

Het filiaal in [plaats] bevindt zich in het winkelcentrum [naam winkelcentrum] in [plaats] (hierna: het winkelcentrum).

Op 1 februari 2026 werkte [verzoeker] in het filiaal in [plaats] . Op die dag heeft zich - na een woordenwisseling in het filiaal in [plaats] tussen [verzoeker] en een klant (hierna: de klant) - buiten het filiaal in [plaats] , op de gang van het winkelcentrum, een incident voorgedaan tussen [verzoeker] en de klant. Hier zijn camerabeelden van, die zijn opgenomen vanuit het filiaal in [plaats] . Deze camerabeelden heeft [verweerder] intern bij [verweerder] opgevraagd, ontvangen en bekeken tussen 2 en 6 februari 2026.

[verzoeker] heeft het incident met de klant niet gemeld aan [verweerder] . Wel heeft [verzoeker] met haar (privé) telefoon de camerabeelden van het filiaal in [plaats] opgenomen.

Op 2 februari 2026 om 09:03 uur heeft een (anonieme) getuige (hierna: de getuige) van het incident telefonisch een klacht geuit over het incident bij [B] (hierna: [B] ), klantenservice medewerker bij [verweerder] . De melding van de getuige is genoteerd, maar de naam van de getuige is door de klantenservice niet genoteerd. [B] heeft hierover op 20 mei 2026 schriftelijk verklaard:

“(…)

De getuige belde mij dat ze naar de winkel in [plaats] ging met haar vriend (en kind volgens mij). Daar was een andere mevrouw met haar dochter voor haar verjaardag. De getuige vertelde mij dat de dochter draaide aan het zonnebrillenrek, waarop de medewerker boos en schreeuwend tegen de dochter zei dat ze dat niet mocht doen. De dochter schrok en moest hierdoor huilen. De moeder van de dochter ging naar de medewerker toe om aan te geven dat ze haar kind heeft laten huilen en dat ze haar excuses moet aanbieden. Hierdoor ontstond er een discussie in de winkel. De moeder heeft (volgens mij) hierna nog iets geretourneerd bij een andere medewerker aan de balie en wilde de deur uitlopen. Uit reactie en uitblijvende excuses heeft zij nog expres aan het zonnebrillenrek gedraaid om de medewerker te irriteren. Hierdoor triggerde ze de medewerker en vloog de medewerker haar aan. Dit is half buiten de winkel gebeurd en voor de ogen van haar dochter. De beveiliger van het winkelcentrum kwam erbij. Er zijn camerabeelden bekeken samen met het slachtoffer en hier op is te zien dat de medewerker het slachtoffer aanviel. De getuige heeft door dit incident volgens mij ook niks meer gekocht en is de winkel uit gelopen. (…).”

Bij e-mail van 4 februari 2026 heeft [B] aan [A ] bericht:

“(…)

Ik heb een getuige van deze situatie maandag aan de telefoon gehad. Zij vertelde precies ditzelfde verhaal aan mij. We hebben toen nog niks vernomen van de klant zelf die aangevallen is.

Ik had begrepen dat [C] [toevoeging kantonrechter: [C] , regiomanager bij [verweerder] ] en [A ] [toevoeging kantonrechter: [A ] ] hier al van op de hoogte zijn. De klant stuurt ons vandaag de klacht. De klant inkwestie schreef dit:

Beste,

Helaas een klacht waarvan ik nog steeds niet tegoei ben. Nog nooit zoiets meegemaakt in al de jaren dat ik vanuit [plaats] naar [plaats] [naam winkelcentrum] kom voor mijn juwelen en die van mijn dochter.

Wat begon als een leuke shopdag voor mijn dochter haar 10e verjaardag liep uit op geweldpleging vanuit de uitbaatster van [verweerder] de [naam winkelcentrum] .

In bijlage de verklaring van de beveiliger die [verzoeker] (hij heeft enkel haar voornaam gegeven uit privacy, maar zodat jullie zeker de link konden trekken wie het was) uiteindelijk heeft weggetrokken van me.

De beveiliger heeft ons mee naar boven genomen en heeft de camerabeelden ook netjes kunnen terugvinden waarop je ziet hoe ze me bij de keel grijpt. Hierop volgde een gevecht voor de ogen van mijn dochter.

Ik heb een nekaandoening (operatie met tussen nekwervelschijf moeten vervangen en een plaat in mijn nek geschroeft). Hierdoor zit ik nu ook nog eens met enorme pijnen door haar aanval.

Situatieschets: We kwamen binnen, mijn dochter draaide aan de zonnenbrillen molen en [verzoeker] de bedrijfsleidster vloog enorm uit tegen haar dat ze er moest afblijven (vloekend). Hierop begon mijn dochter te huilen (zo praten wij gwn nooit met en tegen elkaar) waarop ik [verzoeker] aansprak of ze sorry kwam zeggen tegen mijn dochter. Maar weer een enorm grote bek tegen mij deze keer. Echt waar, het sloeg gwn nergens op. De klanten die langs haar stonden, keken ook vreemd op. Dus wendde ik mij tot haar jongere collega die achter de balie stond, en vroeg haar of ik met iemand kon spreken om een klacht neer te leggen. Maar dat ging niet want [verzoeker] was blijkbaar de uitbaatster van de [verweerder] in de [naam winkelcentrum] kreeg ik te horen.

Dus huilend kind buiten, scheldend personeel binnen en ander personeelslid dat zich kapot schaamde voor haar collega en amper iets durfde te zeggen. Ik kon dus niets doen blijkbaar dat er zo wordt omgegaan met ons, dus met het kind naar buiten gaan draaide ik nog eens aan de zonnebril molen (kinderachtig i know, maar uit onmacht wou ik een statement maken). Hierdoor triggerde ik haar blijkbaar zo extreem waardoor ze achter me aankwam en me keihard bij de keel greep en kneep. Daarna viel ze me verder aan en heeft een kwart van mijn haar mee uitgetrokken, ik verweerde me zo goed mogelijk, maar had dit uiteraard niet verwacht dus was ook niet voorbereid, en zowiezo, ik heb nog nooit gevochten in mijn leven. Dit staat allemaal dus ook op video.

Ik moest van de beveiliger eerst even via hier contact opnemen en kijken of er iets uit kwam, anders moest ik in Nederland naar de politie stappen en een aangifte doen werd me verteld van lichamelijke aanval.

Er zouden echt stappen moeten worden ondernomen, dit kan niet ongestraft blijven. Dit zou dan de leidinggevende moeten zijn in een zaak?

Indien ik geen antwoord via hier krijg voor volgende week dan ga ik maandag naar de politie hiermee.

[verzoeker] zou niet in een winkel moeten staan. Ik ga hier mee verder, ben nog nooit zo aangevallen en behandeld geweest.

Hopend dat de juiste afdeling me contacteert, anders bij deze weten jullie dat er maandag stappen bij de politie worden genomen.

Alsnog een fijne dag en hopelijk hoor ik snel wat van jullie.

(…).”

Op 6 februari 2026 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [verzoeker] , [A ] en [C] en is [verzoeker] door [verweerder] op staande voet ontslagen. Dit ontslag is bij brief van 10 februari 2026 aan [verzoeker] bevestigd. In die brief staat, voor zover van belang, het volgende:

“(…)

Op vrijdag 6 februari 2026 heeft er een gesprek plaatsgevonden met jou, ondergetekende, en de regiomanager [C] . Aanleiding voor dit gesprek waren de klachten die er binnen zijn gekomen vanuit externe personen dat er op zondag 1 februari jl., een incident heeft plaatsgevonden met een klant in het filiaal waar jij werkzaam bent als storemanager.

Voordat het gesprek inhoudelijk werd gestart, is jou gevraagd of je vooraf nog iets wilde melden. Je gaf in eerste instantie aan niets te willen melden en niet te weten wat de reden van het gesprek was. Vervolgens gaf je aan dat het mogelijk verband hield met wat er op zondag 1 februari was gebeurd. Je bent daarna gevraagd om ons mee te nemen in wat er die dag heeft plaatsgevonden.

Je hebt aangegeven dat je het gevoel had dat de klant jou aan het uitdagen was en dat je de klant daarop achterna bent gelopen, de winkel uit. Vlak voor de winkeldeur heb je naar eigen zeggen de klant “soort van bij de keel gepakt”. Vervolgens heeft de klant jou met een tas geslagen en in het gezicht gespuugd. Je gaf aan dat het je daarna zwart voor de ogen werd en dat het incident verder is geëscaleerd tot meerdere fysieke handelingen van beide kanten. Volgens jouw verklaring is een beveiliger tussenbeide gekomen en heeft deze jou gevraagd te stoppen, waarna je terug de winkel in bent gegaan.

Wij beschouwen dit incident als werkgever als een zeer ernstige zaak en als onacceptabel gedrag. Tijdens het gesprek is jou toegelicht dat wij dit niet kunnen accepteren en dat wij dit aanmerken als een dringende reden voor ontslag op staande voet met ingang van 6 februari 2026. Je bent verzocht de bedrijfseigendommen in te leveren, waaraan je hebt voldaan.

Je hebt aangegeven het niet eens te zijn met dit besluit, omdat je van mening bent dat sprake was van zelfverdediging. Wij stellen echter vast dat je zelf de klant bent gevolgd en volgens jou eigen verklaring de klant fysiek hebt aangeraakt. Daarnaast heb je het incident niet gemeld bij je leidinggevende terwijl dit wel van je mocht worden verwacht. Je hebt wel aangegeven dat je met je privételefoon camerabeelden hebt opgenomen. Het niet melden van het incident bij de regiomanager heb je verklaard doordat dit je volledig is ontgaan.

Wij betreuren dat deze situatie zich heeft voorgedaan, maar zien gelet op de ernst van het incident en jouw handelen geen andere mogelijkheid dan beëindiging van het dienstverband op staande voet.

De eventuele eindafrekening zal plaatsvinden op 9 maart.

(…).”

De gemachtigde van [verzoeker] heeft bij e-mail van 11 februari 2026 aan [verweerder] bericht dat [verzoeker] het niet eens is met het ontslag op staande voet en dat zij zich beschikbaar houdt voor werk.

Bij e-mail van 11 maart 2026 heeft (een van) de gemachtigde(n) van [verweerder] [D] , beveiliger van het winkelcentrum (hierna: de beveiliger), verzocht de camerabeelden van het winkelcentrum met hen te delen. Bij e-mail van 13 maart 2026 heeft de beveiliger afwijzend op het verzoek gereageerd. Zowel [verzoeker] als [verweerder] hebben de camerabeelden van het winkelcentrum niet ingezien. Wel is er in deze procedure door [verweerder] een schriftelijke verklaring van de beveiliger overgelegd. Die verklaring luidt:

“(…)

Beste,

Ik ben [D] , beveiliger van winkelcentrum [naam winkelcentrum] .

Op zondag 13:30 uur zag ik dat de bedrijfsleidster van [verweerder] met een vrouw aan het vechten was, ze waren aan elkaars haren aan het trekken. Ik heb ze uit elkaar gehaald en heb de bezoekers mee naar boven genomen om even hun verhaal te kunnen doen.

Ze gaf aan dat haar dochter van 10 aan een soort molen zat waar zonnebrillen op gestald staan. Daar reageerde de bedrijfsleider heel fel op waardoor de dochter begon te huilen. Hierop wilde de bezoekster een klacht indienen over haar. Van het een kwam het ander.

Ik heb van het voorval buiten de winkel de camerabeelden opgeslagen. Hierop zie dat de bedrijfsleidster naar buiten loopt en de vrouw aanvalt. Wat er binnen precies gebeurt is heb ik geen camerabeelden van en zelf heb ik het ook niet gezien.

[D]

(…).”

4. Het verzoek, het verweer en het voorwaardelijk tegenverzoek

[verzoeker] verzoekt de kantonrechter, primair, het ontslag op staande voet te vernietigen, [verweerder] te verplichten haar weer toe te laten tot de overeengekomen werkzaamheden op straffe van verbeurte van een dwangsom en [verweerder] te veroordelen tot betaling van het loon van [verzoeker] vanaf 6 februari 2026 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging. Subsidiair verzoekt [verzoeker] om toekenning van een billijke vergoeding, de wettelijke transitievergoeding, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en verzoekt [verzoeker] de kantonrechter te bepalen dat [verweerder] geen rechten kan ontlenen aan enig relatiebeding. [verzoeker] legt aan het primaire en subsidiaire verzoek ‑ samengevat ‑ ten grondslag dat het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven, dat de dringende reden niet onverwijld is medegedeeld, alsook dat er geen sprake is van een dringende reden. In alle gevallen verzoekt [verzoeker] om de wettelijke rente over de hiervoor genoemde bedragen en veroordeling van [verweerder] in de proceskosten.

[verweerder] voert verweer en stelt dat de verzoeken van [verzoeker] moeten worden afgewezen. [verweerder] voert ‑ samengevat ‑ aan dat het ontslag op staande voet onverwijld is gegeven, de dringende reden onverwijld is medegedeeld en dat sprake is van een dringende reden die onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt. Voor zover het gegeven ontslag op staande voet wordt vernietigd, verzoekt [verweerder] (voorwaardelijk) de arbeidsovereenkomst tussen partijen tegen de kortst mogelijke termijn te ontbinden op grond van, primair, (ernstig) verwijtbaar handelen (e-grond), subsidiair een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond) en meer subsidiair de cumulatiegrond (i-grond). In alle gevallen verzoekt [verweerder] om veroordeling van [verzoeker] in de proceskosten.

5. De beoordeling van het verzoek en het voorwaardelijk tegenverzoek

Het ontslag op staande voet

Het toetsingskader

Het gaat in deze zaak allereerst om de vraag of de opzegging van de arbeidsovereenkomst (het ontslag op staande voet) moet worden vernietigd. [verzoeker] verzoekt immers primair om vernietiging van het ontslag op staande voet.

Een ontslag op staande voet is een uiterst middel. Door een ontslag op staande voet wordt de arbeidsovereenkomst plotseling en per direct beëindigd. Dit heeft voor de werknemer verstrekkende gevolgen. Daarom moet een ontslag op staande voet aan strenge formele en inhoudelijke eisen voldoen. Deze vereisten staan in artikel 7:677 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Volgens dat wetsartikel is een ontslag op staande voet alleen geldig als aan drie eisen is voldaan. De eerste eis is dat het ontslag op staande voet slechts geldig is als daarvoor een dringende reden bestaat. De tweede eis is dat er onverwijld moet worden opgezegd. De derde eis is dat de dringende reden onverwijld moet worden medegedeeld aan de werknemer.

Op grond van artikel 7:678 lid 1 BW worden als dringende redenen voor de werkgever in de zin van het eerste lid van artikel 7:677 BW beschouwd, zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer dat van de werkgever redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van een dringende reden die opzegging van de arbeidsovereenkomst op staande voet rechtvaardigt, dienen volgens vaste rechtspraak alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking te worden genomen, waaronder de aard en de ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt, en verder onder meer de aard van de dienstbetrekking, de duur ervan en de wijze waarop de werknemer de dienstbetrekking heeft vervuld, alsook de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die het ontslag op staande voet voor hem zouden hebben. De stelplicht en – bij voldoende gemotiveerde betwisting door de werknemer – bewijslast van de dringende reden rusten op de werkgever.

Een werkgever moet zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk overgaan tot het ontslag op staande voet, nadat hij bekend is geworden met de dringende reden. Of sprake is van een onverwijlde opzegging hangt af van de omstandigheden van het geval. Volgens vaste rechtspraak mag enige tijd verstrijken tussen het voordoen van de feiten die aanleiding geven voor het ontslag op staande voet en de daadwerkelijke opzegging (het ontslag op staande voet), bijvoorbeeld om feitenonderzoek te doen of om juridisch advies in te winnen, maar er moet wel voortvarend worden gehandeld.

Het vereiste van de onverwijlde mededeling heeft tot doel dat de werknemer op de hoogte raakt van de redenen waarom hij op staande voet wordt ontslagen, zodat de werknemer in staat is zijn standpunt ten aanzien van het gegeven ontslag te bepalen. De stelplicht en – bij voldoende gemotiveerde betwisting door de werknemer – bewijslast van de aanwezigheid van de onverwijlde opzegging en onverwijlde mededeling van de dringende reden rust op de werkgever.

Er is geen sprake van een onverwijlde opzegging

Zoals hiervoor al is overwogen, is voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet niet slechts het bestaan van een dringende reden vereist. Ook stelt artikel 7:677 lid 1 BW daaraan de eisen dat tegelijk met het ontslag de dringende reden(en) moet(en) zijn medegedeeld en dat het ontslag onverwijld moet zijn gegeven. De kantonrechter ziet aanleiding om eerst te beoordelen of aan de laatstgenoemde eis, de onverwijlde opzegging van de arbeidsovereenkomst, is voldaan.

[verzoeker] stelt dat het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven.

Vast staat dat op 1 februari 2026 - na een woordenwisseling in het filiaal in [plaats] tussen [verzoeker] en de klant - buiten het filiaal in [plaats] , op de gang van het winkelcentrum, een incident heeft plaatsgevonden tussen [verzoeker] en de klant. Ook staat vast dat [verweerder] de camerabeelden van de winkel intern bij [verweerder] heeft opgevraagd, ontvangen en bekeken tussen 2 en 6 februari 2026.

[verweerder] heeft in eerste instantie verklaard dat zij, nadat zij met het incident bekend is geworden, de camerabeelden heeft opgevraagd, de klachten heeft onderzocht en dat zij een gesprek met [verzoeker] heeft gevoerd en dat zij dit alles in een tijdspanne van vijf dagen heeft gedaan (2 februari 2026 tot en met 6 februari 2026).

Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verweerder] haar standpunt gecorrigeerd en aangevoerd dat zij in de periode van 4 februari 2026 tot 6 februari 2026 onderzoek heeft gedaan naar de gebeurtenissen op 1 februari 2026. [verweerder] heeft toegelicht dat de klacht van de klant op 4 februari 2026 bij [verweerder] is binnengekomen, dat de klacht van de getuige van 2 februari 2026 daar vervolgens mee is gecombineerd en dat [verweerder] toen, vanaf 4 februari 2026, onderzoek is gaan doen. Hierdoor is er volgens [verweerder] in feite sprake geweest van een onderzoek van één dag in totaal. Hierna is [verzoeker] direct opgeroepen voor een gesprek op 6 februari 2026 en in dat gesprek is zij op staande voet ontslagen.

Uit productie 14 bij het verweerschrift blijkt dat de klacht van de getuige over het incident op maandag 2 februari 2026 om 09:03 uur bij [verweerder] is binnengekomen (zie r.o. 3.7). Uit hetgeen [B] heeft verklaard over de telefonische melding van de getuige blijkt dat het ging om een serieuze klacht, nu in de verklaring van [B] over het telefonisch contact met de getuige onder meer staat: “(…) Hierdoor triggerde ze de medewerker en vloog de medewerker haar aan. (…) Er zijn camerabeelden bekeken samen met het slachtoffer en hier op is te zien dat de medewerker het slachtoffer aanviel. (…)” (zie eveneens r.o. 3.7 en productie 14 bij het verweerschrift). Voorts heeft [A ] tijdens de mondelinge behandeling erkend dat zij op 2 februari 2026 door de klantenservice is geïnformeerd over de klacht van de getuige. Gelet op de inhoud van de klacht van de getuige en het feit dat er op 2 februari 2026 bij [verweerder] geen melding is binnengekomen van de betrokken medewerker, [verzoeker] , over het incident en gelet op het feit dat [A ] door de klantenservice al op 2 februari 2026 op de hoogte is gebracht van de klacht van de getuige, is de kantonrechter van oordeel dat de klacht van de getuige voor [verweerder] aanleiding had moeten zijn om reeds vanaf dat moment met de nodige voortvarendheid te handelen, door te starten met het onderzoek naar het incident op 1 februari 2026 en de mogelijke dringende reden(en) en direct met [verzoeker] hierover het gesprek aan te gaan. Dat heeft [verweerder] niet gedaan. [verweerder] heeft gewacht met het instellen van een onderzoek naar het incident en de mogelijke dringende reden(en) en is eerst op 4 februari 2026, het moment waarop volgens [verweerder] de klacht van de klant is binnengekomen en zij die klacht combineerde met de klacht van de getuige, onderzoek gaan doen naar hetgeen zich op 1 februari 2026 heeft voorgedaan. Het onder deze omstandigheden wachten met het doen van een dergelijk onderzoek, is naar het oordeel van de kantonrechter in strijd met de eis van onverwijldheid.

Voorts heeft [verweerder] geen, althans onvoldoende, concrete feiten en omstandigheden aangevoerd die tot de conclusie kunnen leiden dat ondanks het verstrijken van de twee dagen waarop door [verweerder] geen onderzoek is gedaan (2 en 3 februari 2026), toch voldaan is aan het vereiste van onverwijldheid.

[verweerder] heeft weliswaar desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij pas op 4 februari 2026 wakker is geworden, toen zij de klacht van de klant combineerde met de klacht van de getuige, maar de kantonrechter acht het onaannemelijk dat [verweerder] pas op 4 februari 2026 deze twee klachten met elkaar in verband heeft gebracht. Bovendien kan de kantonrechter niet vaststellen dat, zoals [verweerder] stelt, zij pas op 4 februari 2026 de klacht van de klant heeft ontvangen. Door [verzoeker] is tijdens de mondelinge behandeling betwist dat de klant pas op 4 februari 2026 een klacht bij [verweerder] heeft ingediend over het incident en ook heeft [verzoeker] betwist dat de klacht van de klant afkomstig is. De kantonrechter stelt vast dat uit productie 9 bij het verweerschrift niet blijkt dat de klacht van de klant afkomstig is en dat daaruit ook niet blijkt dat deze klacht op 4 februari 2026 aan [verweerder] is gestuurd. [verweerder] heeft immers nagelaten de directe klacht van de klant aan [verweerder] in het geding te brengen. Zij heeft volstaan met het inbrengen van een e-mail van [B] aan [A ] , waarin de (door [verweerder] gestelde) klacht van de klant is ingekopieerd en bovendien is deze klacht niet ondertekend en niet gedateerd (zie r.o. 3.8). Daar komt bij dat [verweerder] in deze procedure geen nader concreet bewijs heeft aangeboden, bijvoorbeeld in de vorm van het alsnog in het geding brengen van de directe klacht van de klant aan [verweerder] . Dat had, gelet op de gemotiveerde betwisting van [verzoeker] op dit punt, wel op de weg van [verweerder] gelegen.

Verder is niet gebleken dat [verweerder] rechtstreeks met de beveiliger van het winkelcentrum heeft gesproken over het incident. Ook is niet gebleken dat de verklaring van de beveiliger (zie r.o. 3.11) rechtstreeks aan [verweerder] is toegestuurd. [verzoeker] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat de verklaring van de beveiliger als bijlage is toegevoegd bij de klacht van de klant (zie r.o. 3.8). [verweerder] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard omstreeks 5 februari 2026 de beveiliger rechtstreeks (per telefoon en per e-mail) te hebben benaderd, maar uit niets blijkt dat [verweerder] de beveiliger in haar onderzoek heeft betrokken en dat zij de beveiliger heeft bevraagd over de feitelijke gang van zaken op 1 februari 2026.

Gelet op het voorgaande komt de kantonrechter tot de conclusie dat het (feiten)onderzoek dat [verweerder] heeft gedaan in de periode van 4 tot 6 februari 2026, zoals zij stelt, niet rechtvaardigt dat het ontslag op staande voet (pas) op 6 februari 2026 is gegeven. Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden kan immers slechts de conclusie worden getrokken dat [verweerder] tussen 2 en 6 februari 2026 de interne camerabeelden heeft opgevraagd, ontvangen en bekeken, dat zij op 6 februari 2026 het gesprek met [verzoeker] heeft gevoerd en zij [verzoeker] in dat gesprek op staande voet heeft ontslagen. [verweerder] heeft niet onderbouwd waarom dit (het intern opvragen, ontvangen en bekijken van de camerabeelden en het voeren van het gesprek met [verzoeker] ) een periode van meerdere dagen in beslag heeft genomen. Dit had, gelet op de gemotiveerde betwisting van [verzoeker] , wel op haar weg gelegen.

Nog afgezien van het voorgaande acht de kantonrechter het onbegrijpelijk, gelet op de ernst van de gestelde klachten van de getuige en de klant en de gevolgen die daaraan verbonden zijn, dat [verweerder] het kennelijk niet bezwaarlijk heeft geacht om [verzoeker] in de periode van 2 tot 6 februari 2026 door te laten werken. In het licht van de hiervoor geschetste feiten had het minst genomen meer in de reden gelegen dat [verweerder] [verzoeker] op 2 februari 2026, of ten minste op 4 februari 2026, op gesprek had gevraagd, respectievelijk haar gedurende het onderzoek zou hebben geschorst of op non-actief had gesteld. Gelet op de zwaarte van de beschuldigingen van [verweerder] ten overstaan van [verzoeker] , namelijk fysiek geweld jegens een klant, is het onnavolgbaar, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, dat [verweerder] een storemanager (bijna) een volledige werkweek laat doorwerken en dan pas overgaat tot het voeren van een gesprek, waarin zij de storemanager op staande voet ontslaat.

Het ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig

Gelet op het bovenstaande is de kantonrechter van oordeel dat [verweerder] niet met de vereiste voortvarendheid heeft gehandeld. Het ontslag op staande voet is dus, alles in ogenschouw genomen, niet onverwijld gegeven met als gevolg dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. In het midden kan daarom blijven of zich een dringende reden zich heeft voorgedaan.

Vernietiging van het ontslag op staande voet

Uit artikel 7:681 lid 1 onderdeel a BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever kan vernietigen, indien de werkgever heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Nu hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven, zal het verzoek van [verzoeker] om het ontslag op staande voet te vernietigen, worden toegewezen. Er is immers sprake van een opzegging in strijd met artikel 7:671 BW in combinatie met artikel 7:677 lid 1 BW, zodat er grond is om toepassing te geven aan artikel 7:681 lid 1 BW.

Omdat de opzegging van de arbeidsovereenkomst (het ontslag op staande voet) wordt vernietigd, duurt de arbeidsovereenkomst voort, althans is de arbeidsovereenkomst niet op 6 februari 2026 geëindigd. Dat brengt mee dat partijen de uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen moeten nakomen.

Wedertewerkstelling, loonbetaling, wettelijke verhoging en wettelijke rente

Naast de vernietiging van het ontslag op staande voet heeft [verzoeker] verzocht i) [verweerder] te verplichten haar binnen 24 uur na betekening van de beschikking weer toe te laten tot het verrichten van de overeengekomen werkzaamheden, tot het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag dat [verweerder] hiermee in gebreke blijft en ii) [verweerder] te veroordelen tot betaling van het loon van [verzoeker] van € 2.236,94 bruto per maand conform de tussen partijen geldende arbeidsovereenkomst, te vermeerderen met de vakantiebijslag en overige emolumenten vanaf 6 februari 2026 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW. [verweerder] heeft geen afzonderlijk verweer gevoerd tegen de verzoeken tot wedertewerkstelling en loondoorbetaling.

Uit het voorgaande volgt dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven en dus niet in stand blijft. Ook het tegenverzoek van [verweerder] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen, waarover hierna meer (zie r.o. 5.24 tot en met 5.38). Dat betekent dat de arbeidsovereenkomst voortduurt en [verzoeker] recht heeft op wedertewerkstelling en doorbetaling van het loon. De verzoeken van [verzoeker] tot wedertewerkstelling en loonbetaling zullen daarom worden toegewezen als na te melden. De verzochte dwangsom voor het geval [verweerder] [verzoeker] niet toelaat tot de overeengekomen werkzaamheden zal worden gemaximeerd tot een bedrag van € 50.000,--.

De verzochte wettelijke verhoging (artikel 7:625 BW) en de wettelijke rente (artikel 6:119 BW) zijn eveneens toewijsbaar, omdat [verweerder] niet tijdig heeft betaald. Voorts heeft [verweerder] ook tegen de verzoeken tot betaling van de wettelijke verhoging en de wettelijke rente geen afzonderlijk verweer gevoerd. De wettelijke rente over het (achterstallig) loon wordt toegewezen vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van de loonbetalingen. Over de loonbetalingen vanaf juli 2026 is de wettelijke verhoging en de wettelijke rente alleen verschuldigd als [verweerder] in gebreke blijft met de (tijdige) betaling van dat loon.

Omdat het primair verzochte wordt toegewezen, hoeft het subsidiaire verzoek van [verzoeker] niet meer besproken te worden.

Het ontbindingsverzoek

[verweerder] heeft – voor het geval het ontslag op staande voet wordt vernietigd – een voorwaardelijk tegenverzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend (zie r.o. 4.2). Op dit voorwaardelijk tegenverzoek moet worden beslist, omdat de voorwaarde waaronder [verweerder] het tegenverzoek heeft gedaan, is vervuld. Het ontslag op staande voet wordt namelijk vernietigd (zie r.o. 5.18).

Het gaat in het kader van de beoordeling van het tegenverzoek om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden op grond van artikel 7:671b lid 1 onderdeel a BW. Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is (artikel 7:669 lid 3 BW). Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt (artikel 7:669 lid 1 BW). Verder mag er geen opzegverbod aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg staan, maar van een opzegverbod is in dit geval geen sprake.

[verweerder] verzoekt de arbeidsovereenkomst te ontbinden vanwege (ernstig) verwijtbaar handelen van [verzoeker] (e-grond), dan wel een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond), dan wel een combinatie van deze twee gronden (i-grond). [verzoeker] heeft tijdens de mondelinge behandeling verweer gevoerd tegen het ontbindingsverzoek. Zij voert -samengevat - aan dat er geen redelijke basis is voor een ontbinding op de e-, g- of i-grond en zij verzoekt de kantonrechter het tegenverzoek af te wijzen.

(Ernstig) verwijtbaar handelen

Primair legt [verweerder] aan de ontbinding (ernstig) verwijtbaar handelen van [verzoeker] ten grondslag. Het (ernstig) verwijtbaar handelen bestaat er volgens [verweerder] uit dat [verzoeker] uit eigen beweging de klant met fysiek geweld heeft bejegend na een korte woordenwisseling dan wel dat [verzoeker] de klant uit eigen beweging bij de keel greep. Ter onderbouwing hiervan verwijst [verweerder] naar de camerabeelden die zijn gemaakt vanuit het filiaal in [plaats] , de verklaring van de klant, de verklaring van de beveiliger van het winkelcentrum en de door [verzoeker] gegeven verklaring tijdens het gesprek op 6 februari 2026. Daar voegt [verweerder] aan toe dat [verzoeker] op de hoogte is van de gedragsregels binnen [verweerder] en dat zij weet dat fysiek geweld jegens klanten absoluut niet is toegestaan, nog los van het feit dat zij de functie van storemanager bekleedt en het goede voorbeeld dient te geven. Ook bestaat het (ernstig) verwijtbaar handelen er volgens [verweerder] uit dat er in 2024 en 2025 al meerdere klachten van (potentiële) medewerkers over [verzoeker] zijn binnengekomen bij [verweerder] , waaruit blijkt dat [verzoeker] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, omdat i) uit de klachten een consistent patroon naar voren komt van discriminerend en respectloos gedrag jegens zowel medewerkers als klanten en ii) [verzoeker] haar positie als leidinggevende heeft misbruikt door medewerkers te intimideren en collega’s tegen elkaar uit te spelen.

[verzoeker] betwist dat zij uit eigen beweging fysiek geweld heeft gebruikt tegen de klant en voert aan dat zij in haar hoedanigheid van storemanager is opgetreden tegen wat zij zag als een poging tot vernieling van bedrijfseigendommen, nu de klant – nadat er een woordenwisseling tussen de klant en [verzoeker] had plaatsgevonden – een ferme draai aan een zonnebrillenmolen had gegeven en daarop de winkel uit ging. [verzoeker] vermoedde schade en zij wilde de klant staande houden om dat te kunnen controleren. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] verklaard dat zij de klant weliswaar bij de schouder heeft vastgepakt, maar dat zij haar niet bij de keel heeft gegrepen. Daarop heeft de klant [verzoeker] in een korte geweldsexplosie aangevallen en heeft [verzoeker] zichzelf proberen te verdedigen, aldus [verzoeker] . Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst [verzoeker] eveneens naar de camerabeelden die zijn gemaakt vanuit het filiaal in [plaats] . Daarnaast betwist [verzoeker] dat zij tijdens het gesprek van 6 februari 2026 heeft verklaard dat zij de klant bij de keel heeft gegrepen. Voorts heeft [verzoeker] tijdens de mondelinge behandeling betwist dat de klacht van 4 februari 2026 van de klant afkomstig is en dat die klacht pas op die datum aan [verweerder] is gestuurd (zie r.o. 5.13). Verder heeft [verzoeker] tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat de verklaring van de beveiliger als bijlage is toegevoegd bij de klacht van de klant en dat op basis daarvan niet te achterhalen is of [verweerder] rechtstreeks met de beveiliger heeft gesproken (zie r.o. 5.14). Ten aanzien van de klachten uit 2024 en 2025 voert [verzoeker] aan dat deze niet met [verzoeker] zijn besproken en dat hiervoor geen waarschuwing is gegeven, hierover geen gesprek met haar is gevoerd en dat deze (vermeende) klachten er niet toe hebben geleid dat de (goede) beoordeling van [verzoeker] is aangepast.

Tussen partijen staat vast dat op 1 februari 2026 - na een woordenwisseling in het filiaal in [plaats] tussen [verzoeker] en de klant - buiten het filiaal in [plaats] , op de gang van het winkelcentrum, een incident heeft plaatsgevonden tussen [verzoeker] en de klant. Tussen partijen is niet in geschil dat [verzoeker] de klant (op zijn minst) heeft aangeraakt. Partijen houdt verdeeld wáár op het lichaam [verzoeker] de klant heeft geraakt, of er vanuit [verzoeker] sprake is geweest van een fysieke aanraking dan wel fysiek geweld en indien van dat laatste sprake is, of het fysieke geweld uit eigen beweging vanuit [verzoeker] is geweest of dat er vanuit [verzoeker] sprake is geweest van zelfverdediging. [verweerder] stelt dat [verzoeker] de klant bij de keel heeft gegrepen (zie r.o. 5.27). [verzoeker] voert aan dat zij de klant bij de schouder heeft vastgepakt (zie r.o. 5.28). Tijdens de mondelinge behandeling zijn de camerabeelden, zoals overgelegd in productie 6 bij het verweerschrift en productie 7 bij het verzoekschrift, samen met beide partijen bekeken en beide partijen zijn in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren, respectievelijk een toelichting te geven. De camerabeelden tonen duidelijk de aanloop naar het incident (in het filiaal in [plaats] ), maar het incident buiten het filiaal, op de gang van het winkelcentrum, is op deze camerabeelden slecht zichtbaar. De kantonrechter kan op basis van die camerabeelden niet vaststellen of de lezing van [verweerder] dan wel de lezing van [verzoeker] de juiste is. Ook kan de kantonrechter op basis van desbetreffende camerabeelden niet vaststellen of [verzoeker] zich schuldig heeft gemaakt aan het uit eigen beweging en met geweld bejegenen van de klant (vergelijk randnummers 4.2 en 9.2 van het verweerschrift) dan wel dat [verzoeker] als eerste en uit eigen beweging de klant bij de keel heeft gegrepen (vergelijk randnummers 4.8 en 9.2 van het verweerschrift). Daarbij komt dat de camerabeelden van het winkelcentrum, die mogelijk meer duidelijkheid hierover kunnen geven, niet zijn overgelegd in deze procedure (zie r.o. 3.11). Hoewel [verweerder] daartoe tijdens de mondelinge behandeling uitdrukkelijk in de gelegenheid is gesteld, heeft zij geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om aan te bieden deze camerabeelden alsnog in het geding te brengen, eventueel in het kader van artikel 195a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv).

Ten aanzien van de klacht van de klant is hiervoor reeds geoordeeld dat nergens uit blijkt dat deze ingekopieerde, niet-ondertekende en niet gedateerde klacht van de klant afkomstig is (zie r.o. 5.13). Voor wat betreft de verklaring van de beveiliger heeft de kantonrechter hiervoor geoordeeld dat nergens uit blijkt dat [verweerder] de beveiliger in haar onderzoek vóór het gegeven ontslag op staande voet heeft betrokken en hem heeft bevraagd over de feitelijke gang van zaken op 1 februari 2026 en dat tevens niet is gebleken dat de verklaring van de beveiliger rechtstreeks aan [verweerder] is toegestuurd (zie r.o. 5.14). Als gevolg hiervan kunnen naar het oordeel van de kantonrechter de feiten en omstandigheden die [verweerder] aan het (ernstig) verwijtbaar handelen ten grondslag legt – te weten het uit eigen beweging een klant met fysiek geweld bejegenen na een korte woordenwisseling dan wel het uit eigen beweging naar de keel grijpen – ook niet met deze verklaringen worden vastgesteld.

Als onbetwist staat vast dat [verzoeker] op de hoogte is van de gedragsregels binnen [verweerder] . Voor zover [verweerder] heeft bedoeld een beroep te doen op de gedragsregel die ziet op ‘agressie, bedreiging en geweld’ (zie r.o. 3.3), stelt de kantonrechter vast – los van hetgeen hij hiervoor heeft overwogen – dat die instructie is opgenomen in het hoofdstuk dat ziet op de gedragsregels die van toepassing zijn in de relatie tussen medewerkers en niet in het hoofdstuk dat ziet op de relatie met klanten en bezoekers. In het verweerschrift en tijdens de mondelinge behandeling heeft [verweerder] verwezen naar de gedragsregel ‘klantgerichte communicatie’ (zie eveneens r.o. 3.3) en het standpunt ingenomen dat [verzoeker] , als storemanager, een professionele en zorgvuldige wijze van communiceren had moeten kiezen en dat er voor haar geen enkele reden was om de klant buiten het filiaal nog te benaderen. De kantonrechter kan [verweerder] hierin niet volgen. Nog afgezien van hetgeen zij hiervoor heeft overwogen, volgt uit de processtukken van [verweerder] immers dat zijzelf van mening is dat [verzoeker] in de gegeven omstandigheden verbaal moest optreden tegen de klant. Zo stelt [verweerder] [citaten, met onderstrepingen door de kantonrechter]: “Op de camerabeelden is duidelijk te zien dat de klant op de gang stond en niet (weg)liep. [verzoeker] had de klant derhalve verbaal kunnen en moeten aanspreken, zonder dat direct fysiek ingrijpen noodzakelijk of gerechtvaardigd was (randnummer 4.9 verweerschrift) en “Nadat de klant vervolgens een draai aan de zonnebrillenmolen gaf – een gedraging die mogelijk als kinderachtig kan worden gekwalificeerd, maar die in geen enkel geval fysiek geweld rechtvaardigt – heeft [verzoeker] er bewust voor gekozen om naar buiten te lopen en direct over te gaan tot het gebruik van geweld, terwijl een verbale oplossing voor de hand had gelegen (randnummer 4.10 verweerschrift) en “(…) In dit geval is geenszins sprake van het op een passende wijze beëindigen van het gesprek met de Klant. [verzoeker] heeft het geen moment getracht het conflict verbaal af te doen, maar besloot direct fysiek geweld te gebruiken (randnummer 4.13 verweerschrift) en “Stel al zou de situatie zich hebben voorgedaan dat de klant [verzoeker] zou hebben uitgelokt dan had van [verzoeker] in haar positie en voorbeeldfunctie als storemanager mogen worden verwacht dat zij de klant op professionele wijze zou benaderen en niet een handgemeen zou starten temeer nu er geen reden was om deze klant staande te houden (deze klant had immers niets gestolen of ontvreemdt) (randnummer 2.5 van de pleitnota van [verweerder] ). Voor een deel heeft [verweerder] hiermee de handelingen van [verzoeker] , te weten het naar de klant toe lopen en haar op de gang van het winkelcentrum en dus buiten het filiaal aanspreken, onderschreven als juist. Het vervolgens uit eigen beweging een klant met fysiek geweld bejegenen na een korte woordenwisseling dan wel het uit eigen beweging bij de keel grijpen door [verzoeker] is – zoals hiervoor overwogen – niet komen vast te staan. Daar komt bij dat in de Gedragscode een duidelijke instructie ontbreekt voor situaties waarin niet acceptabel dan wel potentieel schadeveroorzakend handelen van een klant/bezoeker zich voordoet. Een dergelijke instructie is ook niet anderszins verstrekt.

Verder heeft [verweerder] de klachten van (potentiële) medewerkers nog ten grondslag gelegd aan het (ernstig) verwijtbaar handelen. Dit zijn oude klachten uit 2024 en 2025 en los daarvan blijkt nergens uit dat deze klachten (toentertijd) aan [verzoeker] kenbaar zijn gemaakt en met haar zijn besproken, dat [verzoeker] door [verweerder] is aangesproken op haar gedrag en dat [verweerder] hieraan gevolgen voor [verzoeker] heeft verbonden. De klachten kunnen daarom geen grond opleveren om het (ernstig) verwijtbaar handelen door [verzoeker] aan te nemen.

Gelet op al het voorgaande is de conclusie dat niet is komen vast te staan dat [verzoeker] (ernstig) verwijtbaar heeft gehandeld. Dat betekent dat er geen grond is om de arbeidsovereenkomst te ontbinden vanwege verwijtbaar handelen (de e-grond).

Verstoorde arbeidsverhouding

Subsidiair legt [verweerder] een verstoorde arbeidsverhouding aan het ontbindingsverzoek ten grondslag, zodanig dat van [verweerder] in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Het moet daarbij gaan om een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Ter onderbouwing hiervan verwijst [verweerder] deels naar dezelfde feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan de ontbinding wegens (ernstig) verwijtbaar handelen, namelijk het gebruiken van fysiek geweld jegens een klant dan wel het bij de keel grijpen, tegen alle regels van [verweerder] in. Daar voegt zij aan toe dat [verzoeker] hiermee op dusdanige wijze de regels heeft overtreden, dat hierdoor het vertrouwen in [verzoeker] onherstelbaar is beschadigd en een terugkeer voor [verweerder] onmogelijk is. [verzoeker] heeft betwist dat er sprake is van een duurzame verstoorde arbeidsverhouding en zij heeft ingezet op bestendiging van haar dienstverband met [verweerder] .

De verwijten die [verweerder] [verzoeker] ten aanzien van een verstoorde arbeidsverhouding maakt treffen geen doel. Hiervoor is reeds geoordeeld dat het door [verweerder] gestelde (ernstig) verwijtbaar handelen door [verzoeker] niet is komen vast te staan. Daarmee is hetgeen [verweerder] ten grondslag legt aan de verstoorde arbeidsverhouding evenmin komen vast te staan. Het op de g-grond gebaseerde ontbindingsverzoek wordt daarom afgewezen.

Cumulatiegrond

Meer subsidiair verzoekt [verweerder] de arbeidsovereenkomst te ontbinden, omdat sprake is van een zodanige combinatie van omstandigheden zoals genoemd in twee gronden (de e- en g-grond) dat van [verweerder] niet in redelijkheid kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

Nu de kantonrechter hiervoor tot het oordeel is gekomen dat er geen feiten en omstandigheden zijn die kunnen leiden tot de conclusie dat sprake is van een grond om de arbeidsovereenkomst te ontbinden, faalt ook het beroep op een combinatie van omstandigheden in twee of meer gronden als bedoeld in de onderdelen c tot en met e, g en h (artikel 7:669 lid 3 onderdeel i BW).

De arbeidsovereenkomst wordt niet ontbonden

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de kantonrechter van oordeel dat er geen redelijke grond is voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De conclusie is dan ook dat het verzoek van [verweerder] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst voor afwijzing gereed ligt. Dat betekent ook dat het verzoek om het einde van de arbeidsovereenkomst te bepalen tegen de kortst mogelijke termijn zal worden afgewezen.

[verweerder] moet de proceskosten betalen

[verweerder] is zowel in het verzoek als in het voorwaardelijk tegenverzoek in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten (inclusief nakosten) worden veroordeeld. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden in het verzoek begroot op € 1.102,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden in het voorwaardelijk tegenverzoek begroot op € 865,00 aan salaris gemachtigde plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard

Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 288 Rv). Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

6. De beslissing

De kantonrechter

in het verzoek

vernietigt het ontslag op staande voet,

veroordeelt [verweerder] om binnen 24 uur na betekening van deze beschikking [verzoeker] toe te laten tot de overeengekomen werkzaamheden, tot het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag dat [verweerder] hiermee in gebreke blijft tot een maximum van € 50.000,00,

veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] het loon te betalen van € 2.236,94 bruto per maand conform de tussen partijen geldende arbeidsovereenkomst, te vermeerderen met de vakantiebijslag en overige emolumenten, vanaf 6 februari 2026 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging in de zin van artikel 7:625 BW en te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van de loonbetalingen tot aan de dag van algehele voldoening,

veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 1.102,00, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend.

in het voorwaardelijk tegenverzoek

wijst het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af,

veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 865,00, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder] niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend.

in zowel het verzoek als het tegenverzoek

verklaart deze beschikking wat betreft de onder 6.1 tot en met 6.4 en 6.6 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.A.M. van den Berk en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand