RECHTBANK OOST-BRABANT
Team Insolventie
Zaaknummers /rekestnummers:
C/01/418967 / FT RK 25/511 (verzoek dwangregeling)
C/01/418972 / FT RK 25/512 (verzoek schuldsaneringsregeling)
C/01/418973 / FT RK 25/513 (verzoek dwangregeling)
C/01/418975 / FT RK 25/514 (verzoek schuldsaneringsregeling)
Uitspraakdatum: 27 januari 2026
Afwijzing verzoek dwangregeling
in de zaak van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedag] 1978,
wonende te [woonplaats] , [adres] ,
hierna te noemen: verzoeker, en
[verzoekster] ,
geboren op [geboortedag] 1983,
wonende te [woonplaats] , [adres] ,
hierna te noemen: verzoekster,
hierna gezamenlijk te noemen: verzoekers,
bijgestaan door:
GR de Bevelanden,
[naam 1] en [naam 2] ,
gevestigd te (4660 MC) Goes, Postbus 2144,
tegen
1. Belastingdienst/LIC MSNP,
gevestigd te (6400 AC) Heerlen, Postbus 100,
hierna te noemen: de Belastingdienst,
2. [verweerder 2] ,
wonende te [woonplaats] , [adres] ,
hierna te noemen: [verweerder 2] ,
3. Sinke Recycling B.V.,
gevestigd te (4415 PE) Oostdijk, Nishoek 38-A,
hierna te noemen: Sinke,
4. Zweestek Handelsonderneming,
gevestigd te (4451 HT) Heinkenszand, Schouwersweg 102,
hierna te noemen: Zweestek,
5. [verweerder 5a] en [verweerder 5b] ,
wonende te [woonplaats] , [adres] ,
hierna te noemen: [verweerder 5] ,
6. Agat + Sp. zo. 0,
gevestigd te 70-800 Szczecin, Przestrzenna 75, Polen,
hierna te noemen: Agat,
7. [verweerder 7] Houthandel,
gevestigd te [vestigingsplaats] , [adres] ,
hierna te noemen: [verweerder 7] ,
8. [verweerder 8] ,
wonende te [woonplaats] , [adres] ,
hierna te noemen: [verweerder 8] ,
9. [verweerder 9] ,
wonende te [woonplaats] , [adres] ,
hierna te noemen: [verweerder 9] ,
10. [verweerder 10] ,
wonende te [woonplaats] , [adres] ,
hierna te noemen: [verweerder 10] ,
11. [verweerder 11] ,
wonende te [woonplaats] , [adres] ,
hierna te noemen: [verweerder 11] ,
12. [verweerder 12] ,
wonende te [woonplaats] , [adres] ,
hierna te noemen: [verweerder 12] ,
hierna gezamenlijk te noemen: verweerders.
1. Het procesverloop
Namens verzoekers is op 26 juni 2025 bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant tegelijk met het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling een verzoek dwangregeling ingediend (zie artikel 287a lid 1 Faillissementswet, hierna: Fw). Verzoekers verzoeken – kort gezegd – om verweerders, die weigeren mee te werken aan een aangeboden schuldregeling, te bevelen hiermee in te stemmen.
[verweerder 7] , de Belastingdiensten en [verweerder 9] hebben bij berichten van respectievelijk 30 juli 2025, 7 augustus 2025 en 28 augustus 2025 laten weten de aangeboden schuldregeling te accepteren. Het verzoek dwangregeling richt zich dus nog tegen [verweerder 2] , Sinke, Zweestek, [verweerder 5] , Agat, [verweerder 8] , [verweerder 10] , [verweerder 11] en [verweerder 12] .
Op 4 september 2025 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant de zaak in de stand waarin deze zich bevindt ter verdere behandeling verwezen naar de rechtbank Oost-Brabant.
De rechtbank heeft acht geslagen op de navolgende stukken:
Van de zijde van verzoekers:
de stukken ingekomen per post op 13 oktober 2025;
de stukken ingekomen per post op 20 november 2025;
de stukken ingekomen per e-mail op 1 december 2025;
de e-mail van 5 januari 2026 met daarin een reactie op het verweerschrift van Sinke.
Van de zijde van verweerders:
het verweerschrift namens Sinke ingekomen per post op 21 oktober 2025;
de pleitnota van [verweerder 2] inkomen per e-mail op 5 januari 2026;
de e-mail van [verweerder 10] van 7 januari 2026;
de e-mail van Agat van 9 januari 2026;
de e-mail van Sinke van 12 januari 2026;
de e-mail van de advocaat van [verweerder 11] van 13 januari 2026;
de e-mail van Sinke van 15 januari 2026;
de e-mail van de gemachtigde van Sinke en Zweestek van 21 januari 2026.
Het verzoek is op 15 januari 2026 door de rechtbank Oost-Brabant ter zitting te Bergen op Zoom behandeld. Daarbij zijn verzoekers verschenen, bijgestaan door [naam 1] en [naam 2] werkzaam bij GR de Bevelanden. Namens verweerders zijn verschenen:
[verweerder 2] en zijn partner [naam 3] ;
[naam 4] van Effect Collect namens Sinke en Zweestek;
[verweerder 5b] en zijn partner [verweerder 5a] ;
[verweerder 8] ,
[verweerder 11] en haar partner [naam 5] bijgestaan door mr. Q. Groenendaal van NautaDutilh;
[verweerder 12] en haar partner [naam 6] .
Namens Agat en [verweerder 10] is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niemand ter zitting verschenen.
2. Het verzoek en het verweer
Namens verzoekers is bij brieven van 9 december 2024 door GR de Bevelanden aan in totaal 27 concurrente schuldeisers en 3 preferente schuldeisers een schuldregeling aangeboden inhoudende een betaling van 0,63 % respectievelijk 1,26 % tegen finale kwijting. Daarbij is gesteld dat jaarlijks een inkomenstoets zal plaatsvinden, waarbij het budget wordt herberekend. Alle inkomsten van verzoekers boven het vrij te laten bedrag worden maandelijks gereserveerd en worden na de jaarlijkse hercontrole uitbetaald aan de schuldeisers. Eerst na afloop van de schuldregeling kan de definitieve afkoopsom worden vastgesteld. De hiervoor genoemde percentages zijn dus prognoses, aldus verzoekers.
Verzoekers hebben aan hun verzoek ten grondslag gelegd dat [verweerder 2] , Sinke, Zweestek, [verweerder 5] , Agat, [verweerder 8] , [verweerder 10] , [verweerder 11] en [verweerder 12] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de aangeboden schuldregeling hebben kunnen komen. Ter zitting heeft de rechtbank verzoekers verzocht om de gronden van het verzoek nader toe te lichten. Verzoekers hebben in reactie daarop verwezen naar een bijlage in de stukken met de gronden van het verzoek. De rechtbank heeft deze bijlage niet in de stukken aangetroffen. Uit de brieven die op 17 april 2025 aan de weigerende schuldeisers zijn toegezonden ter heroverweging van de aangeboden schuldregeling blijkt echter dat verzoekers kort gezegd de volgende gronden aanvoeren. Nu [verweerder 2] , Sinke, Zweestek, [verweerder 5] , Agat, [verweerder 8] , [verweerder 10] , [verweerder 11] en [verweerder 12] niet met de schuldregeling hebben ingestemd, worden de belangen van de andere schuldeisers onevenredig geschaad. Een eventuele toelating van verzoekers tot de wettelijke schuldsaneringsregeling zal, gezien de daaraan verbonden kosten, voor de schuldeisers namelijk naar verwachting een lagere uitkering opleveren. Daarnaast is de aangeboden schuldregeling voor verzoekers de maximaal haalbare schuldaflossing.
Namens Sinke is bij brief ingekomen ter griffie op 21 oktober 2025 en per e-mail van 12 januari 2026 het navolgende - kort en zakelijk weergegeven - verweer gevoerd. Sinke heeft in redelijkheid tot weigering van de aangeboden schuldregeling kunnen komen omdat:
sprake is van ongelijkheid van schuldeisers nu schuldeiser Sagro door verzoekers buiten het schuldhulpverleningstraject is voldaan;
van Zweestek gehuurde goederen door verzoeker nimmer zijn geretourneerd;
sprake zou zijn van onroerend goed in Polen op naam van verzoeker. Dat onroerend goed is niet meegenomen in het aanbod aan de schuldeisers;
uit een strafrechtelijke uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant blijkt dat verzoeker een bedrag van € 153.000,00 in contanten heeft ontvangen en het onduidelijk is waar dit geld is gebleven;
met de aangeboden schuldregeling een te laag bedrag van de vordering van Sinke wordt afgelost.
Ter zitting heeft de gemachtigde van Sinke verklaard ook gemachtigd te zijn om Zweestek te vertegenwoordigen. Het verweer van Sinke dat hiervoor kort en zakelijk is weergegeven, is ter zitting herhaald, mede namens Zweestek.
Namens [verweerder 2] is bij e-mail van 5 januari 2026 het navolgende – kort en zakelijk weergeven – verweer gevoerd. [verweerder 2] heeft in redelijkheid tot weigering van de aangeboden schuldregeling kunnen komen omdat:
verzoeker in 2021 een verbouwing bij [verweerder 2] heeft uitgevoerd en deze verbouwing nooit is voltooid. Dit heeft ernstige gevolgen gehad voor [verweerder 2] en zijn kinderen. [verweerder 2] heeft destijds geld geleend om de woning veilig te maken. [verweerder 2] lost nog steeds maandelijks op deze lening af. Dat verzoeker nu een saneringstraject kan krijgen voelt onrechtvaardig;
er onvoldoende onderzoek is gedaan door GR de Bevelanden naar: contant geld dat verzoeker heeft ontvangen zoals blijkt uit een strafrechtelijke uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, onroerend goed in Polen op naam van verzoekers, de aanwezigheid van bedrijfsmiddelen (materiaal en gereedschap) van verzoeker na beëindiging van zijn eenmanszaak en vorderingen op debiteuren van de beëindigde eenmanszaak van verzoeker;
verzoekster slechts 24 uur per week arbeid verricht zonder medische onderbouwing en de huur van de woning buitensporig hoog is in verhouding tot de schuldenlast;
verzoekers niet te goeder trouw zijn en geen volledige openheid van zaken hebben gegeven met betrekking tot hun vermogen.
Door [verweerder 10] is bij e-mail van 7 januari 2026 het navolgende – kort en zakelijk weergegeven – verweer gevoerd. [verweerder 10] heeft in redelijkheid tot weigering van de aangeboden schuldregeling kunnen komen omdat met de aangeboden schuldregeling een te laag bedrag van de vordering van [verweerder 10] wordt afgelost. Verzoeker heeft [verweerder 10] 15 maanden na zijn betaling voor de levering van rolluiken aan het lijntje gehouden.
Door Agat is bij e-mail van 9 januari 2026 kort gezegd als verweer aangevoerd dat zij aanvaarding van het aanbod in redelijkheid weigert aangezien de kosten om de door verzoeker afgenomen materialen te produceren veel hoger zijn dan de aangeboden schuldregeling. Met de aangeboden schuldregeling wordt aldus een te laag bedrag van de vordering van Agat afgelost.
Namens [verweerder 11] is bij e-mail van 13 januari 2026 kort gezegd als verweer aangevoerd dat zij aanvaarding van het aanbod in redelijkheid weigert omdat door de verbouwing door verzoeker ernstige schade is ontstaan aan haar woonwagen waardoor haar kinderen ziek zijn geworden. Bovendien zijn de rolluiken die volledig zijn betaald nooit door verzoeker geleverd.
Ter zitting hebben [verweerder 5] , [verweerder 8] en [verweerder 12] kort gezegd als gelijkluidend verweer gevoerd dat zij in redelijkheid tot weigering van de aangeboden schuldregeling hebben kunnen komen nu de met verzoeker overeengekomen werkzaamheden niet of niet deugdelijk zijn uitgevoerd. Daardoor is veel schade ontstaan. Met de aangeboden schuldregeling wordt een te laag bedrag van de vorderingen van [verweerder 5] , [verweerder 8] en [verweerder 12] afgelost.
3. De beoordeling
Op grond van artikel 287a lid 5 Fw moet het verzoek om de weigerachtige schuldeiser te bevelen in te stemmen met de aangeboden schuldregeling worden toegewezen indien deze in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat de schuldeiser heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad.
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrijstaat om te verlangen dat zijn vordering, eventueel vermeerderd met rente, volledig wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vorderingen van verweerders staat hun belang bij weigering van instemming met de schuldregeling vast. Daar staat tegenover dat verzoekers er belang bij hebben dat hun schulden worden gesaneerd. Wanneer de voorgestelde schuldregeling niet tot stand komt, zijn zij aangewezen op de schuldsaneringsregeling, indien zij daarin worden toegelaten.
Schuldregeling niet goed en betrouwbaar gedocumenteerd
De bij brief van 9 december 2024 aan [verweerder 2] , Sinke, Zweestek, [verweerder 5] , Agat, [verweerder 8] , [verweerder 10] , [verweerder 11] en [verweerder 12] en de overige schuldeisers aangeboden schuldregeling is niet goed en betrouwbaar gedocumenteerd. Daarbij wordt het volgende in aanmerking genomen.
Naar aanleiding van diverse vragen en opmerkingen van enkele verweerders in reactie op de op 9 december 2024 aangeboden schuldregeling heeft GR de Bevelanden op 30 december 2024 aan verzoekers, onder andere, vragen gesteld over onroerend goed in Polen, een bankrekening in Polen en een contante betaling ter hoogte van € 153.000,00 zoals blijkt uit een strafrechtelijke uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant waarin verzoeker als getuige verklaringen heeft afgelegd. In reactie op die vragen van GR de Bevelanden heeft verzoeker op 19 januari 2025 per e-mail namens verzoekers als volgt verklaard: “We hebben geen huis gekocht in Polen. Dit is het ouderlijk huis dat ik zal erven nadat mijn ouders zijn overleden” en “Ik heb geen rekening in Polen.” en “Ik heb dit bedrag niet van klanten ontvangen”.
Ter zitting heeft verzoekster in antwoord op vragen van de rechtbank verklaard dat zij weldegelijk eigenaar is van onroerend goed in Polen. Verzoekers hebben ter zitting verklaard dat zij in gemeenschap van goederen zijn gehuwd. De rechtbank houdt het er om die reden voor dat het onroerend goed in Polen gemeenschappelijk eigendom van verzoekers is. Er zou volgens de verklaring van verzoekster ter zitting sprake zijn van een Poolse variant van vruchtgebruik ten behoeve van haar ouders. Verzoekers zouden hierover eerder niet de waarheid hebben gesproken uit angst dat de ouders van verzoekster de woning in Polen zouden moeten verlaten. Ter zitting heeft GR de Bevelanden verklaard dat het eigendom van dit onroerend goed niet is meegenomen in de op 9 december 2024 aan de schuldeisers aangeboden schuldregeling nu GR de Bevelanden pas zeer recent ter ore is gekomen dat weldegelijk sprake is van eigendom van onroerend goed door verzoekster. De waarde van dit Poolse onroerend goed is onbekend. Voorts is op dit moment onduidelijk of het onroerend goed dat is belast met het recht van vruchtgebruik onder Pools recht kan worden vervreemd door de blote eigenaar en dus enige waarde vertegenwoordigt.
Naar aanleiding van de door de rechtbank aanvullend opgevraagde bankafschriften van verzoekster over de periode 2 tot en met 3 mei 2025 hebben verzoekers aanvullende bankafschriften van de bankrekening van verzoekster overgelegd. Uit die bankafschriften blijkt dat verzoekster op 3 mei 2025 een bedrag van € 300,00 heeft overgemaakt naar een Poolse bankrekening op naam van verzoekster. Ter zitting verklaarde verzoekster initieel dat deze Poolse bankrekening niet van haar, maar van haar moeder is. Daarna verklaarde verzoekster ter zitting dat deze Poolse bankrekening weldegelijk op haar naam staat, maar enkel door haar moeder werd gebruikt. De Poolse bankrekening zou volgens verzoekster inmiddels zijn opgeheven.
Uit de overgelegde bankafschriften van verzoekster blijkt bovendien dat periodiek sprake is van aanzienlijke bijschrijvingen door een zekere [naam 7] ter hoogte van bijvoorbeeld € 1.378,00 onder vermelding van “Asbest en Praxis”. Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat hij via zijn huidige werkgever met korting materialen heeft gekocht voor [naam 7] . [naam 7] heeft die materialen vervolgens terugbetaald aan verzoeker via de bankrekening van verzoekster. Ter zitting heeft de gemachtigde van Sinke en Zweestek deze verklaring van verzoeker gemotiveerd betwist. De werkgever van verzoeker is klant bij het kantoor van de gemachtigde van Sinke en Zweestek en deze werkgever heeft aan de gemachtigde medegedeeld dat de verklaring van verzoeker onjuist is. Verzoeker heeft dat vervolgens niet betwist.
Verzoeker heeft ter zitting bevestigd dat hij de getuige is genoemd in de bedoelde strafrechtelijke uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant die heeft verklaard een bedrag van € 153.000,00 contant te hebben ontvangen. In afwijking van de hierboven onder 3.4. genoemde verklaring van verzoeker dat hij het bedrag van € 153.000,00 niet van klanten zou hebben ontvangen, heeft verzoeker ter zitting verklaard dat hij dit bedrag wel heeft ontvangen. Ter zitting is verzoeker met zijn tegenstrijdige verklaringen geconfronteerd. Verzoeker heeft in reactie daarop ter zitting verklaard dat hij met zijn aanvankelijke verklaring heeft bedoeld te zeggen dat hij het bedrag van € 153.000,00 niet heeft ontvangen van een van de verweerders. Voorts heeft verzoeker ter zitting verklaard dat hij het bedrag van € 153.000,00 heeft besteed aan bouwmaterialen. Stukken om die stelling te onderbouwen gaf verzoeker aan niet te hebben.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verzoekers in het kader van de omvang van hun vermogenspositie op diverse punten wisselend en in strijd met de waarheid hebben verklaard. Daardoor is onvoldoende inzichtelijk geworden wat de omvang van de vermogenspositie van verzoekers is. De rechtbank komt tot de conclusie dat de aangeboden schuldregeling niet goed en betrouwbaar is gedocumenteerd.
Schuldregeling niet het uiterste waartoe verzoekers in staat zijn
De bij brief van 9 december 2024 aan [verweerder 2] , Sinke, Zweestek, [verweerder 5] , Agat, [verweerder 8] , [verweerder 10] , [verweerder 11] en [verweerder 12] en de overige schuldeisers aangeboden schuldregeling is niet het uiterste waartoe verzoekers financieel in staat moeten worden geacht. Verzoekster zou immers eigenaar zijn van onroerend goed in Polen dat, ondanks het recht van vruchtgebruik ten behoeve van haar ouders, naar alle waarschijnlijkheid waarde vertegenwoordigt. De waarde van het onroerend goed in Polen is in ieder geval niet meegenomen in de aan de schuldeisers aangeboden schuldregeling. Daarnaast is onduidelijk of sprake is (geweest) van tegoeden op de Poolse bankrekening van verzoekster. Eventuele tegoeden op deze rekening zijn evenmin meegenomen in de aan de schuldeisers aangeboden schuldregeling. Verder is onvoldoende duidelijk wat er met de bijschrijvingen van [naam 7] en de contante betaling van € 153.000,00 is gebeurd.
De rechtbank komt tot de conclusie dat niet voldoende vaststaat dat de uitvoering van de aangeboden schuldregeling leidt tot een uitbetaling aan de schuldeisers die als uiterste moet worden beschouwd waartoe verzoekers in staat zijn.
Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verzoekers aan hun schuldeisers, waaronder [verweerder 2] , Sinke, Zweestek, [verweerder 5] , Agat, [verweerder 8] , [verweerder 10] , [verweerder 11] en [verweerder 12] geen deugdelijke schuldregeling hebben aangeboden, zodat [verweerder 2] , Sinke, Zweestek, [verweerder 5] , Agat, [verweerder 8] , [verweerder 10] , [verweerder 11] en [verweerder 12] in redelijkheid tot weigering van instemming met de door verzoekers aangeboden schuldregeling hebben kunnen komen. Het verzoek dwangregeling zal daarom worden afgewezen.
Verzoekers hebben ter zitting verklaard bij een eventuele afwijzing van het verzoek dwangregeling hun verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling te willen handhaven. De rechtbank zal in een afzonderlijk vonnis op dat verzoek beslissen.
4. De beslissing
De rechtbank:
- wijst het verzoek dwangregeling af.
Deze beslissing is gegeven door mr. S.J.O. de Vries en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 27 januari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier .