RECHTBANK OOST-BRABANT
Team Insolventie
Rekestnummer:
C/01/418972 / FT RK 25/512 (verzoek schuldsaneringsregeling)
C/01/418975 / FT RK 25/514 (verzoek schuldsaneringsregeling)
Vonnis van 27 januari 2026
op het verzoek van
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedag] 1978,
wonende te [woonplaats] , [adres] ,
hierna te noemen: verzoeker, en
[verzoekster] ,
geboren op [geboortedag] 1983,
wonende te [woonplaats] , [adres] ,
hierna te noemen: verzoekster,
hierna gezamenlijk te noemen: verzoekers,
bijgestaan door:
GR de Bevelanden,
[naam 1] en [naam 2] ,
gevestigd te (4660 MC) Goes, Postbus 2144,
tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Samenvatting
Verzoekers hebben verzocht om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp-verzoek) en hebben daarbij om een eerdere ingangsdatum verzocht. De rechtbank wijst het Wsnp-verzoek af.
1. De procedure
De procedure bestaat uit:
een namens verzoekers op 26 juni 2025 bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant tegelijk met het verzoek tot toepassing van de schudsaneringsregeling ingediend verzoek dwangregeling (zie artikel 287a lid 1 Faillissementswet, hierna: Fw);
het op 4 september 2025 gewezen vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant waarin de rechtbank de zaak in de stand waarin deze zich bevindt ter verdere behandeling heeft verwezen naar de rechtbank Oost-Brabant;
de ter griffie ontvangen stukken die bij het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ontbraken van 13 oktober 2025, 20 november 2025 en 1 december 2025;
de zitting van 15 januari 2026 van de rechtbank Oost-Brabant, zittinghoudende te Bergen op Zoom, waarbij aanwezig waren: verzoekers bijgestaan door [naam 1] en [naam 2] werkzaam bij GR de Bevelanden.
De rechtbank heeft bij vonnis van 27 januari 2026 het verzoek dwangregeling afgewezen.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2. Het verzoek
Verzoekers verzoeken om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling waarbij zij ook verzoeken om de ingangsdatum van de termijn van de schuldsanering op een eerdere datum te bepalen. Volgens verzoekers hebben zij een schuldenlast die zij niet zelf kunnen aflossen.
3. De beoordeling
Een schuldenaar kan worden toegelaten tot de Wsnp als hij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en voldoende aannemelijk is dat hij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de drie jaar voorafgaand aan de dag van indiening van het verzoekschrift. Ook moet voldoende aannemelijk zijn dat de schuldenaar aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen.
Uit het procesdossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het door verzoekers verstrekte overzicht van het vermogen in het verzoekschrift zoals bedoeld in artikel 285 lid 1 aanhef en onder sub b van de Faillissementswet, onvolledig is. Daarbij wordt het volgende in aanmerking genomen.
Verzoekers hebben aanvankelijk, in antwoord op opmerkingen van weigerende schuldeisers, ontkend onroerend goed in Polen te hebben. Pas nadat in november 2025 door GR de Bevelanden onderzoek naar het hebben van onroerend goed in Polen is aangekondigd, heeft verzoekster ter zitting in antwoord op vragen van de rechtbank bekend onroerend goed in Polen te hebben. Nu verzoekers ter zitting hebben verklaard dat zij zijn gehuwd in gemeenschap van goederen, houdt de rechtbank het ervoor dat het onroerend goed in Polen gemeenschappelijk eigendom is van verzoekers.
Ook hebben verzoekers aanvankelijk ontkend een bankrekening in Polen te hebben. Naar aanleiding van de door de rechtbank aanvullend opgevraagde bankafschriften van verzoekster over de periode 2 tot en met 3 mei 2025 hebben verzoekers aanvullende bankafschriften van de bankrekening van verzoekster overgelegd. Uit die bankafschriften blijkt dat verzoekster op 3 mei 2025 een bedrag van € 300,00 heeft overgemaakt naar een Poolse bankrekening op naam van verzoekster. Ter zitting verklaarde verzoekster initieel dat deze Poolse bankrekening niet van haar, maar van haar moeder is. Daarna verklaarde verzoekster ter zitting dat deze Poolse bankrekening weldegelijk op haar naam staat, maar enkel door haar moeder werd gebruikt. De Poolse bankrekening zou volgens verzoekster inmiddels zijn opgeheven.
Gelet op de verklaringen van verzoekers ter zitting stelt de rechtbank vast dat het verzoekschrift een onvolledig en onbetrouwbaar beeld biedt van de goederen van verzoekers. Daarom vormt het verzoekschrift niet het door de wetgever beoogde betrouwbaar kompas voor de rechter om het vermogen vast te stellen en het verzoek te beoordelen.
Nu onduidelijk is wat de waarde van het onroerend goed in Polen is en of sprake is of was van enig saldo op de Poolse bankrekening, is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een problematische schuldensituatie. De rechtbank kan immers niet beoordelen of verzoekers, gezien het mogelijk aanwezige vermogen, niet kunnen voortgaan met het betalen van hun schulden.
Voorts is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat verzoekers ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van hun schulden in de drie jaar voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift te goeder trouw zijn geweest. Aangezien de omvang van het vermogen van verzoekers op dit moment onbekend is, kan de rechtbank niet beoordelen of verzoekers hun schulden te goeder trouw onbetaald hebben gelaten.
Ten slotte is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat verzoekers de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, zoals de informatieplicht en de verplichting in de boedel vallende goederen af te dragen, naar behoren zullen nakomen. Verzoekers hebben, zoals hiervoor is overwogen, in het traject van de minnelijke schuldregeling een onvolledig en onbetrouwbaar beeld gegeven van de omvang van hun vermogen. Daarnaast blijkt uit de overgelegde bankafschriften van verzoekster dat periodiek sprake is van aanzienlijke bijschrijvingen door een zekere [naam 3] ter hoogte van bijvoorbeeld € 1.378,00 onder vermelding van “Asbest en Praxis”. Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat hij via zijn huidige werkgever met korting materialen heeft gekocht voor [naam 3] . [naam 3] heeft die materialen vervolgens terugbetaald aan verzoeker via de bankrekening van verzoekster. Ter zitting heeft de gemachtigde van een van de weigerende schuldeisers in het kader van het verzoek dwangakkoord deze verklaring van verzoeker gemotiveerd betwist. De werkgever van verzoeker is klant bij het kantoor van de gemachtigde en deze werkgever heeft aan de gemachtigde medegedeeld dat de verklaring van verzoeker onjuist is. Verzoeker heeft dat vervolgens niet betwist. Bij de rechtbank bestaat om die reden het vermoeden dat verzoekers in het minnelijk traject niet al hun inkomen boven het vrij te laten bedrag hebben afdragen ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers. Gezien deze gedragingen van verzoekers in het traject van de minnelijke schuldregeling bestaat bij de rechtbank onvoldoende vertrouwen dat verzoekers zich zullen houden aan de verplichtingen van de Wsnp.
Verzoekers worden op grond van het voorgaande niet toegelaten tot de Wsnp.
4. De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven door mr. S.J.O. de Vries, en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 27 januari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.