RECHTBANK Oost-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer hoofdzaak: C/01/410150 / HA ZA 24-696 en zaaknummer vrijwaringszaak: C/01/414147 / HA ZA 25 -228
Vonnis van 24 juni 2026
in de hoofdzaak van
GEMEENTE HILVERSUM,
te Hilversum,
eisende partij,
hierna te noemen: de gemeente,
advocaat: mr. F.G. Horsting,
tegen
1. HOLLAND DRILLING B.V.,
te Cuijk,
hierna te noemen: Holland Drilling,
advocaat: mr. C. Banis,2. [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] B.V.,
te [plaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] ,
advocaat: mr. P.E. Bloemendal,
gedaagde partijen,
en
in de vrijwaringszaak van
[gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] B.V.,
te [plaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] ,
advocaat: mr. P.E. Bloemendal,
tegen
HOLLAND DRILLING B.V.,
te Cuijk,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: Holland Drilling,
advocaat: mr. C. Banis.
1. Inleiding en korte samenvatting beslissing
In deze zaak gaat het over de vraag wie verantwoordelijk is voor de schade die tijdens de uitvoering van werkzaamheden is ontstaan aan een rioolpersleiding.
In opdracht van waterleidingmaatschappij Vitens is een nieuwe waterleiding aangebracht. Vitens verstrekte de opdracht aan hoofdaannemer [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] . Tijdens een gestuurde boring door onderaannemer Holland Drilling is een rioolpersleiding van de gemeente geraakt.
De calamiteit heeft grote schade tot gevolg gehad, waaronder noodmaatregelen en een nieuwe rioolpersleiding. De gemeente (eigenares/netbeheerder grond en riool) raamt de schade op bijna € 600.000,-. Volgens de gemeente is Holland Drilling hoofdelijk aansprakelijk voor de schade omdat deze het gevolg is van onzorgvuldig en toerekenbaar handelen. [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] is als hoofdaannemer grond van artikel 6:171 BW mede hoofdelijk aansprakelijk, aldus de gemeente.
In de hoofdzaak vordert de gemeente vergoeding van haar schade en gemaakte kosten, waaronder die van conservatoire beslagen.
Holland Drilling en [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] voeren verweer. Volgens hen is er geen sprake geweest van onzorgvuldig handelen door hen. De schade is volgens hen veroorzaakt omdat de gemeente als eigenares/netbeheerder en ondanks verzoeken niet voldoende informatie heeft verstrekt.
De vrijwaringszaak tussen [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] en Holland Drilling gaat over de vraag wie van hen, bij een hoofdelijke veroordeling in de hoofdzaak, uiteindelijk voor de schade van de gemeente dient op te komen. Beide partijen ( [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] in conventie, Holland Drilling in reconventie) stellen dat de schade door de andere partij dient te worden gedragen.
In de hoofdzaak komt de rechtbank tot het oordeel dat zowel Holland Drilling als [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] aansprakelijk is voor 2/3 van de schade van de gemeente en dat de gemeente 1/3 van de schade als eigen schuld zelf moet dragen. Enkele schadeposten moeten nader worden toegelicht. In de vrijwaringszaak is de conclusie dat Holland Drilling tot het bedrag van de aanneemsom draagplichtig is, en [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] voor het overige.
2. De procedure in de hoofdzaak
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaardingen van 11 november 2024
- het vonnis in de incidenten van 19 februari 2025
- de conclusie van antwoord van [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] van 2 april 2025
- de conclusie van antwoord van Holland Drilling van 16 april 2025
- het B16-formulier van de gemeente met producties 4, 5, 16 en een USB stick
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 31 maart 2026 met als bijlagen de spreekaantekeningen van mrs. Horsting en Crommelin en de spreekaantekeningen van mr. Bloemendal- de schriftelijke opmerkingen op het proces-verbaal van mr. Bloemendal van 21 april 2026.
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank bepaald dat schriftelijk uitspraak wordt gedaan.
3. De procedure in de vrijwaringszaak
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 13 maart 2025 met producties 1 tot en met 8
- de conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie met productie 1
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties 9 en 10
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 31 maart 2026 met als bijlage de spreekaantekeningen van mr. Bloemendal- de schriftelijke opmerkingen op het proces-verbaal van mr. Bloemendal van 21 april 2026.
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank bepaald dat schriftelijk uitspraak wordt gedaan.
4. De feiten in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak
De gemeente is eigenaar en beheerder van het openbaar riool in de gemeente.
[gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] is een aannemingsbedrijf op het gebied van grond-, water- en wegenbouw. Zij houdt zich in het bijzonder bezig met de aanleg en vervaardiging van buisleidingen en kabelnetten. Daarvoor heeft [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] raamovereenkomsten gesloten met diverse netbeheerders, waaronder Waterleidingbedrijf Vitens N.V. (hierna: Vitens).
Een horizontaal gestuurde boring (hierna: een HDD) is een zogenoemde sleufloze techniek. Daarbij worden boorstangen (buizen) met behulp van een hydraulische of elektrische boorunit ingebracht in de grond. Bij een HDD wordt het maaiveld zo min mogelijk verstoord. Dat gebeurt alleen bij het intredepunt en het uittredepunt van de boorstreng.
Holland Drilling is een gespecialiseerd bouwbedrijf op het gebied van het aanbrengen van kabel- en leidingsystemen door middel van sleufloze technieken.
Vitens heeft aan [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] opdracht gegeven om een nieuwe waterleiding aan te brengen onder de [straat] te [plaats] . Daarbij heeft [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] Holland Drilling als onderaannemer ingeschakeld om een HDD uit te voeren.
Op 31 oktober 2022 heeft Holland Drilling een opdrachtbevestiging naar [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] gestuurd. [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] heeft deze ondertekend en geretourneerd.
De overeengekomen aanneemsom bedraagt € 240.000,-. Een bijkomende stelpost van € 10.000,- is daarbij vermeld. In de opdrachtbevestiging staat ook een beperking van aansprakelijkheid onder punt 9:
“Holland Drilling kan nimmer aansprakelijk worden gesteld voor gevolgschade en/of bijkomende kosten als gevolg van uitloop van de boorwerkzaamheden door onvoorziene omstandigheden. Holland Drilling kan voor maximaal de opdrachtsom van de desbetreffende boring aansprakelijk worden gesteld.”
Uit de opdrachtbevestiging blijkt dat tot de werkzaamheden van Holland Drilling behoren:
opstellen boorplan
opstellen boorprofiel HDD
aanvragen en verwerken KLIC-melding bij het Kadaster.
Holland Drilling heeft de KLIC-melding gedaan bij het Kadaster (in een systeem dat grondroerders gebruiken om gebiedsinformatie in te winnen), waarmee Holland Drilling de gegevens ophaalde die de gemeente heeft gemeld bij het Kadaster. Holland Drilling vond deze gegevens niet toereikend voor een goed beeld van de ondergrond en dus voor een zorgvuldige voorbereiding van de gestuurde boring. In een e-mail van 31 oktober 2022 heeft Holland Drilling daarom de gemeente verzocht om aanvullende gegevens met betrekking tot de riolering ter plaatse (hierna ook: de informatie-aanvraag):“T.b.v. het ontwerp van een gestuurde boring ( [straat] [huisnummerreeks 1] [plaats] ) had ik graag de diepte(s) en diameter(s) van de omcirkelde rioleringen in onderstaand gebied.”Op de tekening onder deze tekst zijn vier leidingen door Holland Drilling omcirkeld. Ter plaatse staan een gebouw met huisnummers [huisnummerreeks 2] en een korte afstand verderop naar het zuiden een gebouw met huisnummers [huisnummerreeks 3] . Het beeld van de tekening in de e-mail houdt op aan de zuidzijde van het gebouw met huisnummers [huisnummerreeks 2] . De relevante boring (het begin van de gestuurde boring aan de zuidzijde) zou plaatsvinden in de openbare ruimte bij de [straat] ter hoogte van ongeveer de zuidzijde van het gebouw met huisnummers [huisnummerreeks 3] – een locatie die niet stond op de tekening in de informatie-aanvraag.
In reactie op de informatieaanvraag heeft de gemeente op 31 oktober 2022 een tekening uit Geovisia (het digitale systeem dat de gemeente voor dit doel beheert) per e-mail aan Holland Drilling gestuurd, met de tekst:
“In de bijlage een pdf van de [straat] [huisnummerreeks 1] te [plaats] . Hierop staan de details waarom u gevraagd heeft. Wenst u meer informatie dan verzoek ik u gebruik te [maken] van het onderstaand e-mailadres.”
Deze tekening betreft hetzelfde gebied als de e-mail van Holland Drilling van 31 oktober 2022 (4.8 hiervoor). Deze tekening loopt dus niet door tot de locatie van de boring ter hoogte van het gebouw met huisnummers [huisnummerreeks 3] . Deze tekening houdt op aan de zuidzijde van het gebouw met huisnummers [huisnummerreeks 2] . Het deel van de HDPE-persleiding dat in dit geval is geraakt (zie 4.12 hieronder) is daarom op de tekening niet te zien. Op de tekening is wel te zien dat een AC400-leiding (een gangbare ondergrondse leiding van asbestcement, 400 mm dwarsdoorsnede) onder de grond loopt en ter hoogte van de noordzijde van het gebouw met huisnummers [huisnummerreeks 2] aansluit op een HDPE-persleiding (een andere gangbare ondergrondse leiding, van kunststof, namelijk high density polyethyleen). De AC400-leiding ligt volgens de informatie uit het Kadaster (verkregen na de KLIC-melding) op een dieptepeil van 3,15 meter, dieptenauwkeurigheid tot 50 cm. Op de tekening is de diepteligging van de HDPE-persleiding niet uitdrukkelijk vermeld. Ook niet uitdrukkelijk vermeld is of de HDPE-leiding steeds dezelfde diepte heeft of op verschillende locaties een andere diepte.
Op 2 november 2022 zijn [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] , Holland Drilling en de directievoerder van de gemeente op de locatie geweest. Holland Drilling heeft toen gevraagd of het uittredepunt mocht worden verlegd. Deze vraag is door de directievoerder bevestigend beantwoord.
Op 10 november 2022 heeft de gemeente aan Vitens de vergunning verleend voor de uitvoering van de werkzaamheden. Bij de omgevingsvergunning is een tekening gevoegd. Deze tekening is opgesteld door Holland Drilling. Uit deze tekening blijkt dat de boring en de HDPE-persleiding elkaar in de breedte kruisen, maar de diepteligging van de HDPE-persleiding is op de tekening niet te zien.
Op 29 november 2022 heeft Holland Drilling tijdens de uitvoering van de werkzaamheden een HDPE-persleiding van de gemeente beschadigd op een diepte van ongeveer 6-7 m. De beschadiging vond plaats in de openbare ruimte ongeveer aan de noordzijde van het gebouw met huisnummers [huisnummerreeks 3] .
Tussen 30 november 2022 en 6 december 2022 heeft de gemeente werkzaamheden uitgevoerd ter vaststelling van de schade. Er is in opdracht van de gemeente een noodvoorziening aangelegd en in gebruik genomen.
Op 28 december 2022 heeft expertisebureau [A] in opdracht van de verzekeringsmakelaar van Holland Drilling een rapport uitgebracht. In dit rapport wordt geconcludeerd dat de schade is terug te voeren op het ontbreken van de profielschets van het persriool (de HDPE-persleiding) bij de informatie die bij de KLIC-melding beschikbaar werd gesteld en bij de gebiedsinformatie die door de gemeente is aangeleverd (4.9 hiervoor). De profielschets, die [A] hier beschrijft, is kort na het ongeval in het archief van de gemeente gevonden door een medewerker van de gemeente die betrokken was bij de inspanningen om de aard, omvang en oorzaak van de schade in kaart te brengen. Deze profielschets was tot kort na het ongeval niet bekend bij Holland Drilling of [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] en ook niet bij het gemeentelijke team dat desgevraagd informatie heeft gestuurd naar Holland Drilling (4.8 hiervoor). De profielschets geeft de diepteligging van de HDPE-persleiding weer (door de grond “in profiel”, vanaf de zijkant als het ware, weer te geven, waarbij het maaiveld bovenaan staat en daaronder verschillende dieptes en leidingen worden weergegeven). De profielschets is het enige document dat deze diepteligging weergeeft.
De profielschets maakt duidelijk:
( a) dat de HDPE-persleiding is uitgevoerd als een gestuurde boring en daarom niet steeds op dezelfde diepte ligt, maar vanaf de noordzijde schuin naar beneden loopt, daarna lang doorloopt op dezelfde diepte en daarna aan de zuidzijde schuin omhoog loopt
( b) dat het deel van de HDPE-persleiding, dat lang op dezelfde diepte doorloopt, veel dieper lag (6-7 m) dan de AC400-leiding (3,15 m) en
( c) dat de HDPE-persleiding zich op/rondom de boorlocatie (ter hoogte van de zuidzijde van het gebouw met huisnummers [huisnummerreeks 4] ) bevond op 6-7 m diepte, waardoor (i) het boortraject van Holland Drilling en (ii) de HDPE-persleiding elkaar niet alleen in de breedte (zoals al bekend bij alle betrokkenen) maar ook in de diepte op dezelfde locatie kruisten, zodat de HDPE-persleiding door de boring is geraakt en de schade is ontstaan.
Holland Drilling beschikte echter bij de boring niet over de profielschets. Zij was er dus bij de boring van uitgegaan:* dat de HDPE-persleiding evenals de AC400-leiding op 3,15 m diepte lag* dat de HDPE-persleiding door een open ontgraving was aangelegd en dus over de gehele afstand op die diepte lag en * dat het boortraject van Holland Drilling dus veel dieper (6-7 m) zou zijn dan de HDPE-persleiding (3,15 m), waardoor er geen gevaar zou zijn.
Op 15 maart 2024 heeft de gemeente [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] en Holland Drilling gesommeerd over te gaan tot vergoeding van de schade. Vervolgens heeft de gemeente conservatoir derdenbeslag laten leggen. Deze beslagen zijn opgeheven nadat zekerheid was gesteld.
[gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] en Holland Drilling hebben aansprakelijkheid van de hand gewezen.
5. Het geschil
in de hoofdzaak
De gemeente vordert - samengevat - bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Holland Drilling en [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] hoofdelijk – des de een betalende de ander zal zijn gekweten – te veroordelen tot:
I. vergoeding van de door de gemeente geleden schade ten bedrage van € 589.935,36, te voldoen binnen veertien dagen, dan wel een redelijk geachte termijn, na het vonnis, en te vermeerderen met de wettelijke rente berekend over de periode vanaf 16 april 2024, dan wel een redelijke geachte datum, tot aan de dag der algehele voldoening;
II. in de kosten van dit geding, waaronder de kosten van voormelde conservatoire beslagen ten bedrage van € 3.881,46 en de kosten van rechtsbijstand aan de zijde van de gemeente, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen, dan wel vanaf een redelijk geachte datum, na het vonnis indien en voor zover deze kosten niet voordien zijn voldaan;
III. in de nakosten van € 192,- zonder betekening en € 260,- met betekening, laatstbedoeld bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente indien en voor zover dit niet binnen de (wettelijk vereiste termijn van) twee dagen, althans binnen een redelijk geachte termijn na betekening van het vonnis is voldaan.
De gemeente stelt dat de schade aan de rioolpersleiding (de HDPE-persleiding) is ontstaan als gevolg van onzorgvuldig en toerekenbaar handelen door Holland Drilling. [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] is als hoofdaannemer aansprakelijk op grond van artikel 6:171 BW, aldus de gemeente.
Holland Drilling en [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] voeren verweer. Holland Drilling en [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van de gemeente, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de gemeente, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de gemeente in de kosten van deze procedure.
in de vrijwaringszaak
de vordering van [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] tegen Holland Drilling (in conventie)
[gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] vordert - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, tegelijk met het vonnis in de hoofdzaak en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
voor recht verklaart dat Holland Drilling gehouden is om [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] volledig te vrijwaren voor de aanspraak van de gemeente in de hoofdzaak en eventuele daaruit voortvloeiende (schadestaat)procedures, althans voor een door de rechtbank te bepalen gedeelte daarvan;
Holland Drilling veroordeelt om aan [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] , tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te vergoeden:
al hetgeen waartoe [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] als gedaagde in de hoofdzaak en eventuele
daaruit voortvloeiende (schadestaat)procedures ten gunste van de gemeente mocht
worden veroordeeld (met inbegrip van wettelijke rente, proceskosten en nakosten),
te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van betaling door [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] tot aan de datum van algehele voldoening door Holland Drilling;
alle door [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] gemaakte en nog te maken kosten van verweer in en buiten de hoofdzaak en eventuele daaruit voortvloeiende (schadestaat)procedures, nader op te maken bij staat; en
in de proceskosten van deze vrijwaringszaak en in de nakosten (ter hoogte van
€ 178,00 zonder betekening en te vermeerderen met € 92,00 in geval van
betekening), beide te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het te wijzen
vonnis en - voor het geval voldoening niet binnen die termijn plaatsvindt - te
vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dagtekening van het
vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.
Holland Drilling voert verweer. Zij beroept zich op de beperking van aansprakelijkheid in haar overeenkomst met [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] . Holland Drilling concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] in de kosten van deze procedure.
de tegenvordering van Holland Drilling op [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] (in reconventie)
Holland Drilling vordert - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, tegelijk met het vonnis in de hoofdzaak en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
( i) voor recht verklaart dat [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] gehouden is om Holland Drilling volledig te vrijwaren voor de aanspraken van de gemeente in de hoofdzaak en eventuele daaruit voortvloeiende (schadestaat)procedures, althans voor een door de rechtbank te bepalen gedeelte daarvan;
(ii) [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] veroordeelt om aan Holland Drilling, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te vergoeden:
- al hetgeen waartoe Holland Drilling als gedaagde in de hoofdzaak en eventuele daaruit voortvloeiende (schadestaat)procedures ten gunste van de gemeente mocht worden veroordeeld (met inbegrip van wettelijke rente, proceskosten en nakosten), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van betaling door Holland Drilling tot aan de datum van algehele voldoening door [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] ;
- alle door Holland Drilling gemaakte en nog te maken kosten van verweer in en buiten de hoofdzaak en eventuele daaruit voortvloeiende (schadestaat)procedures, nader op te maken bij staat;
- in de proceskosten van deze vrijwaringszaak en in de nakosten - ter hoogte van
€ 178,- zonder betekening en te vermeerderen met € 92,- in geval van betekening
- beiden te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis en - voor het geval voldoening niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na dagtekening van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.
[gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] voert verweer. [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Holland Drilling, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Holland Drilling, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Holland Drilling in de kosten van deze procedure.
6. De beoordeling
in de hoofdzaak
De grondslag van de vordering van de gemeente op Holland Drilling is onrechtmatige daad. Een onrechtmatige daad is een handeling (of juist het nalaten daarvan) die in strijd is met de wet of met wat volgens de samenleving zorgvuldig is, en waardoor iemand anders schade lijdt. Het geschil spitst zich toe op de vraag wie verantwoordelijk kan worden gehouden voor de schade die tijdens de boorwerkzaamheden aan de rioolpersleiding is ontstaan. Is dit (vooral) te wijten aan onzorgvuldig handelen door Holland Drilling? Of juist (vooral) aan de gemeente zelf omdat zij onjuiste/onvolledige informatie heeft verstrekt?
Het toetsingskader
Volgens vaste rechtspraak dienen diegenen onder wiens verantwoordelijkheid of leiding graafwerkzaamheden worden verricht (hierna: grondroerders) hun werkzaamheden op zorgvuldige wijze te verrichten. Op grondroerders rusten zorgplichten om het toebrengen van schade aan in de grond gelegen kabels en leidingen te voorkomen. Daartoe dienen grondroerders op grond van de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (hierna: WIBON) en het op de WIBON gebaseerde Besluit informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (hierna: BIBON) ten minste ervoor zorg te dragen dat voor aanvang van de werkzaamheden een graafmelding is gedaan, onderzoek is verricht naar de precieze ligging van onderdelen van netten op de graaflocatie en dat de ontvangen gebiedsinformatie over de ligging van het net op de graaflocatie aanwezig is.
Voor de invulling van de zorgvuldigheidsnorm is verder van belang de Richtlijn zorgvuldig grondroeren van initiatief- tot gebruiksfase (de CROW 500, hierna: de Richtlijn). In de Richtlijn wordt beschreven hoe het graafproces zorgvuldig kan worden uitgevoerd, zodat de kans op schade aan kabels en leidingen tot een minimum wordt beperkt. De rechter dient bij de invulling van de zorgplicht in beginsel aan te sluiten bij de Richtlijn.
In de Richtlijn zijn voorschriften opgenomen over de onderzoeksfase, de ontwerpfase en de werkvoorbereidingsfase. Verder bevat de Richtlijn een hoofdstuk over de beoordeling van de gebiedsinformatie en het lokaliseren van kabels en leidingen.
Voor de beoordeling in deze zaak acht de rechtbank met name, in aansluiting op het debat tussen partijen, die zich op de Richtlijn hebben beroepen, deze voorschriften in de Richtlijn over de te verrichten handelingen voorafgaand aan en tijdens het graafproces van belang:
3. Onderzoeksfase
[...]
Voorkomen van schade door grondroeren
In deze fase wordt een oriëntatieverzoek gedaan om gebiedsinformatie te verkrijgen. De
gebiedsinformatie geeft inzicht over de theoretische ligging en relevante eigenschappen van
kabels en leidingen en dient als basis voor het maken van een risico-inventarisatie.
Gebiedsinformatie
Wie gebiedsinformatie heeft ontvangen, mag erop vertrouwen dat deze juist is. Wel moet de ontvanger de verkregen gebiedsinformatie beoordelen [..]. De beoordelaar van de
gebiedsinformatie neemt contact op met de netbeheerder bij onduidelijkheden, twijfels of
aanwijzingen over onjuistheden of onvolledigheden.
[..]
Risico-inventarisatie
Na de beoordeling van de gebiedsinformatie wordt een risico-inventarisatie gemaakt van alle grondroeringen. Hierin worden mogelijke conflicten tussen kabels en leidingen en de
grondroeringen van het project in beeld gebracht en voorzien van een of meer mogelijke
beheersmaatregelen.
[...]
4. Ontwerpfase
[…]
Voorkomen van schade door grondroeren
De risico-inventarisatie uit de onderzoeksfase wordt uitgewerkt tot een maatregelenplan per grondroering. Vaak vormt een tekening met de bestaande kabels en leidingen en het
projectontwerp de basis voor het maatregelenplan. In de ontwerpfase wordt per kabel of
leiding een keuze gemaakt uit de mogelijke maatregelen zoals deze zijn geïnventariseerd in de onderzoeksfase.
[...]
Lokaliseren
De gebiedsinformatie geeft een theoretische ligging van een kabel of leiding. [...]
De werkelijke ligging wordt bepaald door de kabels en leidingen te lokaliseren, waarna beheersmaatregelen gekozen kunnen worden.
De ontwerper beslist op basis van de risico-inventarisatie wat er in de ontwerpfase wordt
gelokaliseerd.
[...]
5. Werkvoorbereidingsfase
[...]
Werkinstructies
Het maatregelenplan uit de ontwerpfase wordt beoordeeld en uitgewerkt tot werkinstructies voor de verschillende grondroeringen. (...) De werkinstructies maken duidelijk wat er in de uitvoering gedaan moet worden om schade door grondroeren te voorkomen en bevat:
[...]
- waar en wanneer kabels en leidingen gelokaliseerd moeten worden tijdens de uitvoering, welke methode daarvoor is gekozen en hoe deze (indien nodig) worden gemarkeerd [...];
- hoe er zorgvuldig grond geroerd zal worden nabij kabels en leidingen [...].
[...]
Van het hoofdstuk in de Richtlijn over de beoordeling van de gebiedsinformatie en het lokaliseren van kabels en leidingen acht de rechtbank, in aansluiting op het debat tussen partijen, die zich op de Richtlijn hebben beroepen, deze voorschriften van belang:
2. Beoordelen gebiedsinformatie
Bij het beoordelen van de gebiedsinformatie komen onder andere de volgende punten aan
bod:
Volledigheid van de informatie :
[...]
- Ontbreekt er iets aan de informatie (deel van de tekening weggevallen, enzovoort)?
- Is er informatie over aansluitleidingen meegestuurd?
- Is er detailinformatie (dwarsprofielen) van de gestuurde boringen, zinkers, enzovoort meegestuurd?
Duidelijkheid informatie:
- Is de informatie duidelijk/begrijpelijk?
- Is er een duidelijke referentie gebruikt (bijvoorbeeld maaiveld, bodemprofiel, NAP,
enzovoort)?
- Is de informatie voldoende nauwkeurig om de kabel of leiding te lokaliseren (voldoende meetpunten, enzovoort)?
[...]
Neem bij onduidelijkheden, onvolledigheden, tegenstrijdigheden of andere vragen contact op met de netbeheerder."
[…]
3. Lokaliseren van kabels en leidingen
Welke kabels en leidingen gelokaliseerd moeten worden, is afhankelijk van het graafprofiel, de maak- en meettoleranties en de nauwkeurigheid van de
gebiedsinformatie.
Graafprofiel
Het graafprofiel is het gebied waar de grond wordt geroerd. Het wordt bepaald aan de hand
van de tekening, bijvoorbeeld door de contouren van een bewerkingsoppervlak [...].
Maak- en meettoleranties
[...]
Standaard geldt een minimale maak- en meettolerantie in het horizontale vlak van 0,50 meter en in het verticale vlak van 0.05 meter, deze zijn gebaseerd op grondroeren met een
graafmachine.
Voor andere type grondroeringen zoals [...] boren (sleufloze technieken) [...] moet de maak- en meettolerantie afzonderlijk worden bepaald.
De nauwkeurigheid van de gebiedsinformatie
De gebiedsinformatie heeft een nauwkeurigheid van 1,00 meter in het horizontale vlak ten
opzichte van de hartlijn. Voor de diepteligging (het verticale vlak) is geen nauwkeurigheidseis vastgesteld.
Zoekgebied
Het zoekgebied is het gebied waarbinnen kabels en leidingen gelokaliseerd moeten worden.
De begrenzing van het zoekgebied wordt als volgt bepaald:
- in het horizontale vlak is het zoekgebied het graafprofiel dat aan alle zijden
wordt vermeerderd met de maak- en meettoleranties (0,50 meter) en met de nauwkeurigheid van de gebiedsgegevens (1,00 meter);
- in het verticale vlak is het zoekgebied het graafprofiel dat wordt vermeerderd
met de maak- en meettoleranties (0,05 meter) en een extra marge (0,15
meter), doordat een nauwkeurigheidseis ontbreekt.
Iedere kabel of leiding waarvan de theoretische ligging binnen het zoekgebied valt, moet
worden gelokaliseerd omdat er tijdens het grondroeren risico op beschadigingen bestaat. Het
lokaliseren is begrensd tot het zoekgebied.
LET OP:
Is er in de gebiedsinformatie een breedte van een kabelbed of diameter van een leiding
gegeven, controleer dan of de ligging van deze kabels of leidingen binnen het zoekgebied valt.
In dat geval moeten ook deze kabels of leidingen worden gelokaliseerd.
Kabel of leiding NIET gevonden
Kan een kabel of leiding niet in het zoekgebied worden gevonden, dan moeten er aanvullende acties worden uitgevoerd. Hiervoor zijn de volgende mogelijkheden:
- verder zoeken tot 1 meter aan weerszijden van de theoretische ligging, ook
wanneer daarmee de grens buiten het zoekgebied komt, of
oplossing om de grondroering uit te kunnen voeren. Het kan nodig zijn dat de
netbeheerder de kabel of leiding lokaliseert.
De rechtbank komt tot de conclusie dat Holland Drilling wist dat zij te weinig informatie had, toch heeft geboord, en daarom aansprakelijk is, en dat de gemeente eigen schuld heeft
De rechtbank is van oordeel dat de zorgvuldigheidsnorm door Holland Drilling en door de gemeente is geschonden. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.
Vast staat dat de gemeente geen informatie heeft verstrekt over het deel van het boortraject waar de schade is ontstaan, namelijk de openbare ruimte ter hoogte van de noordzijde van het gebouw met huisnummers [huisnummerreeks 3] (onweersproken). De rechtbank vindt het duidelijk dat er een miscommunicatie is geweest tussen Holland Drilling en de gemeente wat betreft:(a) welke gegevens Holland Drilling wilde opvragen in de e-mail van 31 oktober 2022 (4.8 hiervoor) (tot de zuidzijde van het gebouw met huisnummers [huisnummerreeks 2] , zoals de tekening impliceert, of tot de zuidzijde van het gebouw met huisnummers [huisnummerreeks 3] , conform de tekst van de e-mail van Holland Drilling) en(b) welke gegevens de gemeente wilde verstrekken in haar e-mail van 31 oktober 2022 (4.9 hiervoor) (tot de zuidzijde van het gebouw met huisnummers [huisnummerreeks 2] , zoals de tekening impliceert, of tot de zuidzijde van het gebouw met huisnummers [huisnummerreeks 3] , conform de tekst van de e-mail van de gemeente).
De miscommunicatie impliceert fouten van Holland Drilling en de gemeente: Holland Drilling heeft weliswaar de juiste huisnummers gemeld maar een tekening gestuurd die niet het hele werkgebied betreft; de gemeente is afgegaan op de onjuiste tekening en heeft de juiste huisnummers over het hoofd gezien. Holland Drilling en de gemeente hadden allebei de onnauwkeurigheid moeten zien en daarover contact moeten opnemen met de ander.
De miscommunicatie is op zichzelf verder niet doorslaggevend voor de beoordeling omdat de schade niet is veroorzaakt door de miscommunicatie. De oorzaak van de schade is gelegen in het ontbreken van de profielschets, die het enige document is waar de relevante informatie in staat over de diepte van de HDPE-persleiding. Aannemelijk is dat de gemeente de profielschets toch niet zou hebben verstrekt (en Holland Drilling de profielschets toch niet zou hebben gekregen) als de informatie-aanvraag geheel nauwkeurig en juist zou zijn geweest, omdat de profielschets niet beschikbaar was bij het team van de gemeente dat informatie-aanvragen behandelt. De gemeente heeft niet toegelicht welke inspanningen zij zou hebben geleverd om de informatie op orde te krijgen als Holland Drilling nog eens informatie zou hebben gevraagd over de diepte(s).
De rechtbank is van oordeel dat de gemeente de profielschets (4.14 hiervoor) moest verwerken in de gegevens bij het Kadaster en moest verstrekken bij haar e-mail van 31 oktober 2022 (4.9 hiervoor). De gemeente heeft, door dit na te laten, in de visie van de rechtbank onzorgvuldig gehandeld. De publieke verantwoordelijkheid van de netbeheerder (de gemeente) om de vereiste zorg te betrachten om juiste en niet misleidende gegevens te verstrekken – in de eerste plaats bij het Kadaster en vervolgens in reactie op informatie-aanvragen – is onderdeel van het evenwicht in de wetgeving en staat in dat evenwicht tegenover een zwaarwegende onderzoeksplicht en controleplicht van de aannemer (Holland Drilling). De gemeente wijst zelf op haar verantwoordelijkheid onder 3.5 van de dagvaarding, met een citaat uit de parlementaire geschiedenis (Kamerstukken II 2005/2006, 30475, nr. 3, p. 13-14). In dat citaat staat onder meer dat de beheerder aansprakelijk is voor eventuele schade ingeval van onjuiste gegevens (leidingen buiten de foutmarge) en:
“Dit geeft een grote stimulans aan beheerders om de liggingsgegevens op de juiste wijze aan te bieden en ook op orde te krijgen.”
De taak van de gemeente betreft dus het op de juiste wijze aanbieden en het op orde krijgen van deze gegevens. De gemeente legt vervolgens uit dat de Hoge Raad groot gewicht geeft aan de CROW 500 richtlijn, waar de rechter in beginsel bij moet aansluiten. Maar nergens uit blijkt dat de “grote stimulans” uit de wetsgeschiedenis is weggevallen of tenietgedaan. Deze stimulans betreft in de aangehaalde parlementaire geschiedenis overigens de foutmarge in de breedte, maar de problematiek van elkaar kruisende leidingen in de diepte is naar het oordeel van de rechtbank daarmee op één lijn te stellen.
De profielschets betreft het hele traject van de HDPE-leiding en dus ook het gebied op de tekeningen bij de informatie-aanvraag (4.8 hiervoor) en de reactie van de gemeente (4.9 hiervoor). Dat gebied betreft de huisnummers vanuit het noorden tot en met [nummer 1] (onweersproken). De profielschets behoort in de visie van de rechtbank daarmee in elk geval tot de gegevens die Holland Drilling heeft opgevraagd en die de gemeente moest verstrekken, conform de betekenis die de gemeente redelijkerwijs moest geven aan de informatie-aanvraag – ook indien het gemeentelijke standpunt wordt gehonoreerd waarin de tekening doorslaggevend is (niet de opgegeven huisnummers). Voor de gemeente was dus wel duidelijk, anders dan de gemeente betoogt, dat Holland Drilling over informatie zoals de profielschets wilde beschikken: Holland Drilling heeft in haar e-mail van 31 oktober 2022 uitdrukkelijk de “diepte(s)” van de leidingen benoemd.
De enige reden die de gemeente heeft opgegeven voor haar nalaten om de profielschets te verstrekken, is dat de profielschets zich bevond in het archief en niet beschikbaar was bij het team dat informatie-aanvragen behandelt. Dat neemt de onzorgvuldigheid in de visie van de rechtbank niet weg; integendeel, dat maakt de onzorgvuldigheid zwaarder. De gemeente heeft geen goede verklaring gegeven voor haar nalaten om (de gegevens uit) de profielschets te melden bij het team dat informatie-aanvragen behandelt en bij het Kadaster. Uit de aangehaalde parlementaire geschiedenis (de “grote stimulans”) volgt dat deze melding behoort tot de plicht van de gemeente. Bij gebreke van een toelichting is aannemelijk dat, als de gemeente aan deze plicht zou hebben voldaan, Holland Drilling eenvoudig en tijdig alle relevante gegevens zou hebben ontvangen via de KLIC-melding, in het bijzonder de gegevens over de diepteligging van de HDPE-persleiding.
De gemeente heeft er ook onweersproken op gewezen dat het punt waar de HDPE-persleiding is geraakt (ter hoogte van de noordzijde van het gebouw met huisnummers [huisnummerreeks 3] ) buiten het gebied van de tekening in de e-mail van Holland Drilling van 31 oktober 2022 is gelegen. De gemeente merkt op, eveneens onweersproken, dat Holland Drilling, als zij uitsluitend had geboord binnen dit gebied (op de dikke rode lijn in die tekening), de HDPE-persleiding niet zou hebben geraakt. De rechtbank verwerpt dit betoog omdat Holland Drilling in die tekening de HDPE-persleiding aanwijst (rood omcirkeld) en informatie vraagt, inclusief de “diepte(s)”. Tegen deze achtergrond was er voor de gemeente zonder meer reden om de profielschets te verstrekken, omdat de profielschets onder meer gaat over het gebied op de tekening in de e-mail van Holland Drilling van 31 oktober 2022. Dit is al van beslissende betekenis, maar er komt nog bij dat Holland Drilling in die e-mail onmiskenbaar melding heeft gemaakt van het gebied tot huisnummer [nummer 2] (dus inclusief het punt waar de HDPE-persleiding is geraakt). De conclusie is dat de gemeente onzorgvuldig heeft gehandeld door de profielschets niet te verstrekken.
Echter, in deze context is de rechtbank van oordeel dat ook Holland Drilling onzorgvuldig heeft gehandeld.
De Richtlijn schrijft voor dat de grondroerder (Holland Drilling, onweersproken) moet controleren of de ontvangen informatie volledig en duidelijk is (6.6 hiervoor, onder 2). Daaronder valt de vraag of de ontvangen informatie voldoende nauwkeurig is om de aanwezige kabels en leidingen te lokaliseren. De diepteligging behoort in dit geval tot deze gegevens; daar zijn partijen het ook wel over eens. De fout van de gemeente (6.9 hiervoor) laat onverlet dat Holland Drilling als grondroerder de taak heeft alle gegevens te beoordelen en zich ervan te vergewissen dat deze compleet zijn.
Holland Drilling had uit de beschikbare informatie redelijkerwijs kunnen en moeten afleiden dat de diepteligging van de HDPE-persleiding niet was opgenomen in de door de gemeente verstrekte gebiedsinformatie. Uit de informatie die in de KLIC-viewer van het Kadaster beschikbaar is, blijkt immers duidelijk dat de AC400 leiding met een diameter van 40 centimeter na het op de door de gemeente verstrekte gebiedsinformatie weergegeven koppelpunt (ter hoogte van de noordzijde van het gebouw met huisnummers [huisnummerreeks 2] ) overgaat in de HDPE-persleiding met een diameter van 55 centimeter. Daarmee was duidelijk dat er vanaf het koppelpunt naar het zuiden, en binnen het werkgebied van het boortraject, sprake was van een ander type leiding, waarover geen dieptegegevens beschikbaar waren, of waarover in elk geval geen dieptegegevens duidelijk waren verstrekt in vervolg op de KLIC-melding en de informatie-aanvraag. Holland Drilling heeft aangenomen dat de HDPE-persleiding overal op dezelfde diepte lag als de AC400-leiding (3,15 m) en dat er dus geen gevaar was (de verticale marge is 0,2 m en de boring van Holland Drilling was op 6-7 m diepte). De enige reden die Holland Drilling voor deze aanname heeft gegeven is dat “door de wijze van weergave van het tracé, zoals opgenomen in de gebiedsinformatie, de indruk [wordt] gewekt dat de persrioolleiding in een zgn. open ontgraving (dus het graven van sleuven en daarin dan de leiding leggen) is aangelegd” (antwoord, 2.16) en dat bij een open ontgraving de gehele leiding op dezelfde diepte ligt. Deze reden is niet voldoende ter toelichting van de aanname omdat Holland Drilling niet heeft uitgelegd welke “wijze van weergave” zij bedoelt en waarom deze wijze de indruk van een open ontgraving wekt.
Op basis van deze aanname is Holland Drilling vervolgens aan het werk gegaan. Nu vooraf duidelijk was dat haar boring de HDPE-persleiding van de gemeente zou kruisen in de breedte (onweersproken), had Holland Drilling op grond van de Richtlijn moeten concluderen dat informatie over de diepteligging cruciaal was en ontbrak en had zij: * daarover verder navraag moeten doen bij de gemeente/netbeheerder (of haar werkzaamheden stilliggen en de problematiek melden bij haar opdrachtgever, zodat haar opdrachtgever actie kon nemen)* verder onderzoek in de grond moeten uitvoeren, of * moeten werken als in een risicogebied (Richtlijn, 6.6 hiervoor, onder Kabel of leiding NIET gevonden). Ter toelichting wat betreft een risicogebied: de Richtlijn impliceert dat op een grondroerder in een risicogebied de verplichting rust zo veilig mogelijk te werken dat kabel- en leidingschade wordt voorkomen, zowel in het geval dat de kabels en leidingen met theoretische ligging in het zoekgebied vooraf zijn gelokaliseerd, als in het geval dat die kabels en leidingen niet (of niet alle) zijn gevonden.
Zo had Holland Drilling bij de gemeente/netbeheerder specifiek moeten wijzen op de omstandigheid dat de diepteligging van de HDPE-persleiding niet bleek uit de beschikbare documenten. Holland Drilling had ook zelf nader onderzoek kunnen doen of kunnen werken als in een risicogebied. Als onweersproken staat vast dat Holland Drilling niet één van deze opties heeft toegepast.
De conclusie is dat Holland Drilling de werkzaamheden heeft uitgevoerd op basis van de aanname dat de HDPE-persleiding op alle relevante locaties op dezelfde diepte lag als de AC400-leiding, zonder voldoende voorbereiding, onderzoek en voorzichtigheid. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van schending van de zorgplicht van Holland Drilling als grondroerder.
De rechtbank sluit bij al het voorgaande niet uit dat Holland Drilling de kosten van vertraging of de kosten van nader onderzoek of het werken in een risicogebied, indien zij deze zou hebben gemaakt, in rekening zou hebben mogen brengen bij de gemeente, omdat de gemeente is tekortgeschoten in haar verplichting alle beschikbare informatie bij het Kadaster te melden en in haar eigen systemen te verwerken. Deze mogelijkheid past bij het stelsel van de wet en bij de “grote stimulans” die in de aangehaalde parlementaire geschiedenis wordt benadrukt.
Als verweer is door Holland Drilling naar voren gebracht dat (ook) aan de zijde van de gemeente fouten zijn gemaakt in die zin dat zij onjuiste/onvolledige informatie heeft verstrekt. In dat verband zijn drie punten naar voren gebracht:
de profielschets, 4.14 hiervoor
de vergunning die op 10 november 2022 aan Vitens is verleend
de omstandigheid dat een medewerker van de gemeente op de boorlocatie is geweest.
Het eerste standpunt betreft de profielschets. De rechtbank honoreert dit standpunt omdat de gemeente tekort is geschoten, zoals hiervoor is overwogen. De fout van de gemeente levert een relevante en aanzienlijke mate van eigen schuld op. De rechtbank moet dan ook afwegen in hoeverre de over en weer gemaakte fouten hebben bijgedragen aan het ontstaan van de schade. De rechtbank komt daarbij tot de conclusie, in de verhouding tussen Holland Drilling en de gemeente, dat de gemeente een draagplicht heeft voor 1/3 van de schade, en Holland Drilling voor 2/3. Hiermee komt de “grote stimulans” voor de beheerder (gemeente) om de informatie op orde te krijgen tot uitdrukking, terwijl ook op passende wijze aandacht wordt besteed aan de vergaande onderzoeksplicht en controleplicht van de grondroerder (Holland Drilling). Als alle schade tot de draagplicht van Holland Drilling wordt gerekend, dan heeft de “grote stimulans” uit de parlementaire geschiedenis geen gewicht of betekenis meer, zoals mr. Banis namens Holland Drilling heeft benadrukt tijdens de mondelinge behandeling. Als alle schade tot de draagplicht van gemeente wordt gerekend, dan heeft de plicht van Holland Drilling voor onderzoek en controle te weinig gewicht. Daarom moet een verdeling plaatsvinden.
De gemeente zou de schade hebben voorkomen als zij aan haar zorgplicht zou hebben voldaan door de profielschets op 31 oktober 2022 te verstrekken of de gegevens uit de profielschets te verwerken bij het Kadaster; dan zou Holland Drilling, zo is aannemelijk op grond van het dossier, het profiel hebben gezien en haar werkwijze daarop hebben afgestemd. Holland Drilling zou de schade hebben voorkomen als zij aan haar zorgplicht zou hebben voldaan door te handelen conform de CROW 500 (nader overleg met de gemeente, nader onderzoek of werken zoals in een risicogebied). Het gaat hier om de zogenaamde meervoudige causaliteit en zowel Holland Drilling als de gemeente is daarom aansprakelijk.
De rechtbank benadrukt nogmaals dat de gemeente haar databanken en informatievoorziening niet op orde had en een “grote stimulans” (aangehaalde parlementaire geschiedenis) nodig had om die wel op orde te krijgen. Daar komt bij dat door de presentatie van de gegevens vanuit het Kadaster en in vervolg op de informatie-aanvraag in enige mate de indruk is gewekt dat de HDPE-persleiding steeds op dezelfde diepte lag, zoals Holland Drilling ten onrechte heeft aangenomen. Immers, de diepte is wel opgegeven bij de AC400-leiding en daar vlak onder, ten zuiden van het koppelpunt, werd geen andere diepte vermeld. Echter, die indruk levert onder de omstandigheden geen gerechtvaardigd vertrouwen op bij Holland Drilling. Holland Drilling moest er als ervaren gespecialiseerde aannemer, die gestuurde boringen uitvoert, op bedacht zijn dat elke (nieuwere) leiding, zoals in dit geval de HDPE-persleiding, als gestuurde boring kan zijn uitgevoerd en dus ten opzichte van een oudere AC400-leiding een afwijkend diepteprofiel kan hebben. Dat geldt in elk geval waar geen specifieke dieptegegevens voor de HDPE-persleiding worden verstrekt door het Kadaster en de gemeente. Holland Drilling heeft hier onvoldoende aandacht aan besteed. Deze onachtzaamheid van Holland Drilling weegt naar het oordeel van de rechtbank zwaarder dan de fout van de gemeente omdat Holland Drilling de grondroerder was die (a) de wettelijke zorgplicht had voor controle en beoordeling van alle gegevens en (b) daadwerkelijk ging boren en dus de gelegenheid had om daarvóór nog aan de bel te trekken.
De rechtbank komt in het licht van alle omstandigheden tot de conclusie, in de verhouding tussen Holland Drilling enerzijds en de gemeente anderzijds, dat 2/3 van de schade tot de draagplicht van Holland Drilling behoort, en 1/3 tot de draagplicht van de gemeente.
Het tweede standpunt betreft de verleende vergunning. Een week na het informatieverzoek van Holland Drilling heeft de gemeente een vergunning aan Vitens verleend. Holland Drilling en [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] stellen dat de gemeente op grond daarvan bekend was met het boortraject. De gemeente heeft aangegeven dat het gaat om een totaal verschillende procedure dan die van de informatie-uitwisseling met een grondroerder. Deze procedures worden binnen de gemeente door andere teams van medewerkers uitgevoerd. Waar de vergunning aan Vitens ziet op het gebruik van bovengrondse openbare ruimte, gaat het bij de aanvraag van Holland Drilling juist om informatie met betrekking tot het ondergrondse. Deze punten van de gemeente zijn niet gemotiveerd weersproken. Het gaat zoals hiervoor overwogen om de profielschets; het team bij de gemeente dat de vergunning verleent, hoeft gelet op de onweersproken standpunten van de gemeente niet (a) op de hoogte te zijn van de profielschets en (b) de zorgvuldigheid van het ontwerp voor de ondergrondse boring te beoordelen. De rechtbank verwerpt daarom het standpunt over de verleende vergunning.
Het derde standpunt betreft bezoeken van een aan de gemeente gelieerde persoon. Namens de gemeente is de heer [B] op twee momenten op de locatie aanwezig geweest. De heer [B] was als directievoerder betrokken bij de rioolwerkzaamheden die op hetzelfde moment in dezelfde straat plaatsvonden. In verband met deze rioolwerkzaamheden werd de waterleiding van Vitens verlegd. De gemeente stelt onbetwist dat de heer [B] geen inhoudelijke betrokkenheid heeft gehad met de verlegging van de waterleiding. Daarmee had de heer [B] evenmin inhoudelijke betrokkenheid bij de werkzaamheden van Holland Drilling. De aanwezigheid van de heer [B] tijdens de twee momenten maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat hij er uit eigen beweging voor had moeten zorgen dat er door de gemeente meer informatie aan Holland Drilling zou worden verstrekt. Geen informatie is naar voren gebracht waaruit volgt dat de heer [B] tijdens de bezoeken relevante feiten heeft kunnen of moeten waarnemen over de problematiek van de diepteligging van de HDPE-persleiding en de ontbrekende gegevens daarover. De rechtbank verwerpt het derde standpunt.
[gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] is aansprakelijk omdat Holland Drilling heeft gewerkt ter uitoefening van het bedrijf van [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228]
De volgende vraag is of behalve Holland Drilling ook [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] aansprakelijk is voor de schade. Volgens de gemeente is [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] aansprakelijk op grond van artikel 6:171 BW.
[gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] stelt dat zij niet aansprakelijk is. [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] voert op twee punten verweer. Op de eerste plaats is volgens haar geen sprake van een fout. Ten tweede ontbreekt het vereiste “functioneel verband”.
Hierboven is overwogen waarom er naar het oordeel van de rechtbank wel sprake is van een fout van Holland Drilling. Daar wordt hier niet verder op ingegaan. Wel wordt toegelicht waarom er naar het oordeel van de rechtbank eveneens sprake is van een functioneel verband.
De rechtbank wijst op de conclusie van advocaat-generaal mr. Spier van 21 december 2001 (ECLI:NL:PHR:2001:AD7395, onderdeel 4.3.2.1, citaat TM) voor het arrest van dezelfde datum (ECLI:NL:HR:2001:AD7395):
“De genoemde aansprakelijkheid van de onderneming bestaat alleen indien zij werkzaamheden ter uitoefening van haar bedrijf doet verrichten door een niet aan haar ondergeschikte opdrachtnemer. Zo is de bouwonderneming krachtens het onderhavige artikel aansprakelijk als zij een gedeelte van de bouwwerkzaamheden door onderaannemers en hun ondergeschikten doet verrichten en bij die werkzaamheden onrechtmatig aan derden schade wordt toegebracht. De vervoersonderneming is aansprakelijk voor de onrechtmatige daden van degene bij wie zij een deel van het vervoer heeft uitbesteed en van diens ondergeschikten.”
Dit voorbeeld is door de advocaat-generaal en de Hoge Raad met instemming aangehaald.
Holland Drilling heeft als onderaannemer de gestuurde boring uitgevoerd in opdracht van [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] . Dat is gebeurd voor de uitoefening van het bedrijf van [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] als hoofdaannemer voor een bouwproject waarvan de gestuurde boring een wezenlijk onderdeel was. De gestuurde boring behoorde tot de opdracht die Vitens aan [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] heeft gegeven: het aanbrengen van een waterleiding. [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] erkent dat zij zich bezig houdt met “de aanleg van ondergrondse infrastructuur voor water, energie en telecommunicatie” (antwoord, 2.1).
Het is dus in de visie van de rechtbank onmiskenbaar dat artikel 6:171 BW van toepassing is in situaties van bouwprojecten, aanneming en onderaanneming, zoals de situatie in deze zaak. De aanleg van een waterleiding is in geen relevant opzicht anders dan de bouw van een brug, een kantoorpand of een huis. [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] heeft in elk geval geen relevante verschillen naar voren gebracht. In al deze situaties is het eenvoudig: artikel 6:171 BW is van toepassing. Het functioneel verband is gegeven.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de gemeente twee uitspraken genoemd over het functioneel verband. Daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat ook in deze zaak sprake is van een functioneel verband. Zo overwoog de rechtbank Den Haag over het verband tussen bodemonderzoek en daartoe verrichte grondboringen:
“De door IDDS aan [onderaannemer] uitbestede grondboorwerkzaamheden vormen een zo essentieel onderdeel van het maken van een "rapport betreffende milieukundig bodemonderzoek" dat sprake is van eenheid van onderneming.
Uit de titel van het rapport volgt immers dat IDDS zich bezig houdt met het doen van bodemonderzoek. Het verrichten van (het onderhavige) bodemonderzoek is niet mogelijk zonder het doen van grondboringen, getuige ook het door IDDS opgemaakte rapport dat mede op de boorresultaten is gebaseerd. Zonder het doen van de grondboringen, had IDDS het onderhavige rapport niet kunnen opstellen. De grondboringen zijn daarom door [onderaannemer] verricht ter uitvoering van het bedrijf van IDDS.”
De rechtbank Arnhem overwoog over de inschakeling van specialistische onderaannemers het volgende:
"De omstandigheid dat de door de onderaannemers uitgevoerde werkzaamheden niet tot de specialismen van MBB behoren en MBB in voorkomend geval daartoe altijd onderaannemers inschakelt, leidt er niet toe dat deze werkzaamheden niet in de uitoefening van het bedrijf van MBB zijn verricht. In de parlementaire geschiedenis, Boek 6, p. 719, is in dit verband het volgende opgemerkt:
"Door de toenemende specialisatie komt het steeds meer voor dat ondernemingen bij de uitoefening van hun bedrijf personen die niet aan hen ondergeschikt zijn inschakelen om een deel van de bedrijfshandelingen te verrichten. Het onderhavige artikel bepaalt nu dat, indien de aldus ingeschakelde personen of hun ondergeschikten onrechtmatig schade toebrengen bij de uitvoering van de opgedragen werkzaamheden, ook de onderneming jegens de benadeelde
aansprakelijk kan zijn, behoudens verhaal op de opdrachtnemer. (...)
De genoemde aansprakelijkheid van de onderneming bestaat alleen indien zij werkzaamheden ter uitoefening van haar bedrijf doet verrichten door een niet aan haar ondergeschikte opdrachtnemer. Zo is de bouwonderneming krachtens het onderhavige artikel aansprakelijk als zij een gedeelte van de bouwwerkzaamheden door onderaannemers en hun ondergeschikten doet verrichten en bij die werkzaamheden onrechtmatig aan derden schade wordt toegebracht. (...)"."
De rechtbank verwerpt om deze redenen het betoog van [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] dat haar bedrijfsuitoefening voor bouwprojecten voor ondergrondse infrastructuur zich niet uitstrekt tot gestuurde boringen, die onderdeel zijn van bouwprojecten voor ondergrondse infrastructuur. Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] aansprakelijk is op grond van artikel 6:171 BW. Dat wat subsidiair naar voren is gebracht over de (hoofdelijke) aansprakelijkheid van [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] op grond van artikel 6:162 BW wordt daarom niet verder beoordeeld.
De schade
Volgens de gemeente bedraagt de schade in totaal € 589.935,36. Zij heeft deze onderverdeeld in verschillende posten:
A
[C] B.V.
Kosten riooltransporten
€ 57.275,23 incl btw
B
[D] B.V.
Kosten onderzoek naar de beschadiging en de aanleg van een tijdelijke noodleiding
€ 95.144,18 incl btw
C
Werkzaamheden medewerkers gemeente
Informeren omwonenden, onderzoeks- en beredderingskosten, toezicht werkzaamheden, controleren en testen noodleiding
€ 5.350,00 ex btw
[E] B.V.
D
bodemonderzoek
€ 2.595,45 incl btw
E
engineering nieuwe leiding
€ 25 .833,50 incl btw
F
aanleg nieuwe leiding
€ 367.973,10 incl btw
G
9% opslag over de uitvoeringskosten voor voorbereiding, projectbegeleiding, administratie en toezicht door de gemeente
€ 27.369,90 ex btw
H
[F] B.V.
€ 8.394,00
Totaal
€ 589.935,36
Holland Drilling en [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] voeren verweer. Hieronder wordt per post hun standpunt daarover weergegeven.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de gemeente haar vordering gewijzigd, in die zin dat zij thans alle bedragen exclusief btw vordert.
A. [C] B.V.
Volgens de gemeente heeft het riooltransport tijdelijk moeten plaatsvinden door middel van tankwagens. Het gaat de gemeente om de periode tussen het moment van de beschadiging en de aanleg van een noodleiding. De gemeente onderbouwt dit deel van de vordering met twee facturen: een van 31 januari 2023 (€ 51.160,48 incl btw) en een van 11 augustus 2023 (€ 4.306,85 incl btw).
Holland Drilling zet vraagtekens bij de laatste factuur. Daarop staat 15 mei 2023 als inzetdatum, zodat het verband met de beschadiging volgens haar niet duidelijk is.
[gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] wijst er op dat het gevorderde bedrag niet aansluit op de facturen. De inzetdata van de eerste factuur lopen door tot 6 december 2022, terwijl de werkzaamheden volgens haar naar verwachting 3 tot 4 dagen zouden duren.
De gemeente heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de transporten hebben plaatsgevonden totdat de aanleg van de noodleiding was voltooid. De aanleg was volgens haar relatief ingewikkeld omdat de schade zich op zes meter diepte bevond en de leiding over verkeerskruisingen moest worden aangelegd. Ook een weekend viel volgens haar in die periode. De noodleiding is zo snel mogelijk aangelegd en niet onnodig vertraagd, aldus de gemeente.
Uit de factuur van 31 januari 2023 blijkt dat de werkzaamheden zijn uitgevoerd in de periode van 29 november 2022 tot en met 6 december 2022. De uitleg van de gemeente over de duur van de werkzaamheden heeft de rechtbank er voldoende van overtuigd dat deze niet langer hebben geduurd dan nodig was. De kosten zijn in redelijkheid gemaakt, het vereiste causaal verband (c.s.q.n. en toerekening naar redelijkheid) moet worden aangenomen. Daarom zal een bedrag van € 42.281,39 worden toegewezen. Dat is het totaalbedrag van de eerste factuur exclusief btw.
Dit bedrag wordt verminderd met 1/3 in verband met de eigen schuld van de gemeente.
Ook het bedrag van de tweede factuur is gegrond. De gemeente heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat de nieuwe leiding op 15 mei 2023 in gebruik is genomen. Ten behoeve van de overstap van de oude leiding naar de nieuwe is het gemaal volgens haar leeggemaakt. Deze punten van de gemeente zijn onweersproken. Daarmee is het causaal verband tussen de beschadiging en de werkzaamheden naar het oordeel van de rechtbank aanwezig. Het bedrag dat wordt toegewezen is € 3.559,38 exclusief btw,
verminderd 1/3 in verband met de eigen schuld van de gemeente.
B. [D] B.V.
Deze kosten hebben betrekking op het onderzoek naar de beschadiging en de aanleg van een noodleiding. Volgens [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] zijn deze kosten buitensporig hoog omdat de gemeente het tracé zelf niet kende. De kosten die daarvoor zijn gemaakt kan de gemeente volgens haar niet verhalen. Uit de facturen blijkt volgens haar dat de noodleiding een half jaar in gebruik is geweest. De gemeente heeft volgens haar niet voortvarend gehandeld omdat zij pas eind januari 2022 een aannemer heeft ingeschakeld voor definitief herstel.
Die vertraging houdt volgens haar geen verband met de gemaakte fout en komt voor eigen rekening van de gemeente. Ook heeft de gemeente volgens [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] het herstel niet als afzonderlijk project opgedragen.
De gemeente betwist dat de aanleg is vertraagd. Er moest volgens haar een ander tracé worden bepaald voor de nieuwe persleiding vanwege drukte in de ondergrond. De nieuwe leiding loopt volgens haar onder het terrein van derden en zij dienden daarvoor vanzelfsprekend akkoord te geven. Een vergadering van de vereniging van eigenaren was volgens haar nodig. In de periode viel volgens haar de kerstvakantie. Aannemer [E] B.V. was volgens haar in de straat bezig met een ander project en kon daarom snel handelen. Ook was haar materieel al ter plaatse, aldus de gemeente.
De rechtbank is van oordeel dat de gemeente haar stellingen met de bovenstaande verklaringen voldoende heeft onderbouwd. Bovendien blijkt het gevorderde bedrag uit diverse facturen. Deze zijn niet afzonderlijk betwist en de standpunten van Holland Drilling en [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] zijn niet voldoende toegelicht. De kosten zijn in redelijkheid gemaakt, het vereiste causaal verband (c.s.q.n. en toerekening naar redelijkheid) moet worden aangenomen. De conclusie is dat alle facturen kunnen worden toegewezen. Wel is de rekensom wat betreft de btw ingewikkeld. Het gaat om een behoorlijk aantal facturen, waaronder facturen waarin geen btw is genoemd en facturen waarin dat wel is gedaan. De rechtbank stelt de gemeente daarom in de gelegenheid wat betreft deze post de btw rekensom te maken. Daarna zullen Holland Drilling en [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] de gelegenheid krijgen daarop te reageren. De eigen schuld van de gemeente (1/3) wordt in aanmerking genomen.
C. werkzaamheden medewerkers gemeente
De gemeente stelt dat haar medewerkers diverse werkzaamheden hebben verricht die zonder de calamiteit niet zouden hebben plaatsgevonden. Het gaat dan volgens haar om het informeren van omwonenden, onderzoeks- en beredderingskosten in verband met het transport van rioolwater, toezicht tijdens de tijdelijke werkzaamheden en het controleren en testen van de noodleiding. Aan de hand van haar overzicht komt de gemeente tot een totaalbedrag van € 5.350,-. Volgens de dagvaarding is dit zonder btw.
Volgens Holland Drilling zijn de dagtarieven van de medewerkers niet onderbouwd. Er zijn volgens haar alleen namen vermeld, maar geen functies. Een nadere specificatie is daarom volgens haar nodig.
Ook [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] wijst er op dat er geen bewijs is overgelegd, zodat het urenoverzicht niet controleerbaar is. Er zijn volgens haar hoge uurtarieven gerekend. Dit zijn externe tarieven en geen interne loonkosten, aldus [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] . Bovendien is volgens haar niet gesteld dat het om extra loonkosten gaat. Reguliere loonkosten kunnen volgens haar ook schade zijn, maar ook dit is niet onderbouwd. [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] verwijst in dit verband naar een uitspraak van de Hoge Raad.
Volgens de gemeente zijn in het overzicht kostendekkende tarieven opgenomen, gebaseerd op een tarievenlijst uit 2021. De uren in het overzicht komen volgens haar rechtstreeks uit de urenregistratie van de gemeente. In de spreekaantekeningen zijn de functies genoemd en de bijbehorende uurtarieven. Het is volgens de gemeente niet mogelijk om precies na te gaan en aan te tonen welke reguliere werkzaamheden niet zijn verricht. Wel blijkt volgens haar uit de jaarrekening voor 2023 dat de vervangingsopgave in dat jaar niet is gerealiseerd. Als de schade zich niet had voorgedaan, hadden de medewerkers aan reguliere werkzaamheden kunnen werken, aldus de gemeente.
Het komt de rechtbank aannemelijk voor dat de gemeente vanwege de schade interne kosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking zouden kunnen komen.
De rechtbank oordeelt dat Holland Drilling en [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] niet hebben verteld wat voor uren, uurtarieven en bedragen volgens hen voor soortgelijke werkzaamheden in de markt wel redelijk zouden zijn (als interne kostenpost). Hun kritiek is daarom niet voldoende toegelicht. De vordering komt aannemelijk voor. De kosten zijn in redelijkheid gemaakt, het vereiste causaal verband (c.s.q.n. en toerekening naar redelijkheid) moet worden aangenomen. De rechtbank wijst de vordering toe en neemt de eigen schuld van de gemeente (1/3) in aanmerking.
D. [E] B.V. (bodemonderzoek)
Deze kosten hebben betrekking op uitvoeringskosten van ZVS Eemnes. Deze bedragen € 2.145,- exclusief btw. De factuur is overgelegd met de andere facturen van [E] B.V. en heeft als omschrijving “meerwerk 13”.
[gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] voert als verweer dat niet duidelijk is waar het bodemonderzoek betrekking op heeft. De gemeente heeft daarop aangegeven dat het gaat om een standaard onderzoek conform de normen NEN 5707 (asbest in bodem) en NEN 5740 (verkennend bodemonderzoek). Deze werkzaamheden worden volgens haar in beginsel altijd verricht voorafgaand aan de uitvoering van een boorplan.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben Holland Drilling en [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] niet weersproken dat er een nieuw tracé moest worden onderzocht voor de nieuwe leiding. Daarmee is de noodzaak van deze kosten in de visie van de rechtbank voldoende onderbouwd. De kosten zijn in redelijkheid gemaakt, het vereiste causaal verband (c.s.q.n. en toerekening naar redelijkheid) moet worden aangenomen. Het bedrag van € 2.145,- kan daarom worden toegewezen, verminderd met 1/3 in verband met de eigen schuld van de gemeente.
E. [E] B.V. (engineering)
Deze kosten hebben betrekking op het ontwerp van de nieuwe leiding. De factuur bedraagt € 21.350,- exclusief btw en heeft als omschrijving “meerwerk 14”.
[gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] voert als verweer dat deze kosten niet marktconform voorkomen.
Ook wat betreft deze kosten is de noodzaak daarvan in de visie van de rechtbank voldoende door de gemeente onderbouwd. Met de overgelegde factuur is ook de hoogte daarvan onderbouwd. Dat geldt echter niet voor het verweer van [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] . Zij stelt weliswaar dat de kosten aan de hoge kant zijn, maar zij onderbouwt dit standpunt niet en zij vertelt niet wat voor kosten wel redelijk zouden zijn. Daarmee zijn de stellingen van de gemeente onvoldoende weersproken. De kosten zijn in redelijkheid gemaakt, het vereiste causaal verband (c.s.q.n. en toerekening naar redelijkheid) moet worden aangenomen. De rechtbank wijst ook het bedrag van € 21.350,- daarom toe, verminderd met 1/3 in verband met de eigen schuld van de gemeente.
F. [E] B.V. (aanleg nieuwe leiding)
Dit is veruit de grootste post, namelijk € 304.110,- exclusief btw. De factuur heeft als omschrijving “meerwerk 15”. Daarbij horen drie pagina’s met omschrijvingen van materialen en werkzaamheden.
Zowel Holland Drilling als [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] wijzen er op dat in het rapport van [A] de aanleg van de nieuwe leiding is begroot op € 125.000,-. Dat is een aanzienlijk verschil. De gemeente geeft aan dat het bedrag niet is onderbouwd in het rapport. Het is volgens haar waarschijnlijk gebaseerd op een initiële prijsopgave van Holland Drilling zelf, waarbij het uitgangspunt was dat de boring zou plaatsvinden op hetzelfde tracé als de oude leiding. Dit was volgens haar echter niet mogelijk omdat de oude persleiding niet kan worden verwijderd. Daarom is volgens haar een ander tracé bepaald. De gekozen oplossing was het meest geschikt en kostenefficiënt, aldus de gemeente.
[gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] en Holland Drilling hebben niet gereageerd op deze toelichting van de gemeente. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat een ander tracé noodzakelijk was (onweersproken). Dat de herstelwerkzaamheden van [E] meer hebben omvat dan alleen de vervanging van de kapotte leiding door eenzelfde leiding is niet gebleken. Holland Drilling en [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] zijn ter zake deskundig en in staat hun standpunt beter te motiveren. Gezien de toelichting op de facturen hadden zij hun verweer dat sprake kan zijn geweest van verbeteringen nader moeten uitwerken. Dat is niet gebeurd, zodat daaraan voorbij wordt gegaan.
Holland Drilling heeft betwist dat een gyroscoopmeting nodig zou zijn geweest. Dit was volgens de gemeente nodig en ook opgenomen in de offerte die [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] aan Vitens heeft verstrekt. De rechtbank gaat er daarom van uit dat zowel Holland Drilling als [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] bekend zijn met het nut van deze meting. Zij hebben hun standpunt hierover echter niet nader onderbouwd. De rechtbank gaat ervan uit dat deze meting noodzakelijk was.
Ten slotte heeft [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] naar voren gebracht dat er een correctie moet plaatsvinden omdat de oude leiding door een nieuwe is vervangen. De oude leiding was volgens [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] 14 jaar oud en zou 50 jaar meegaan, zodat de correctie ten minste 28% moet zijn (14/50).
De gemeente heeft daarop aangevoerd dat er in het geheel geen aftrek moet worden toegepast omdat er geen sprake is van voordeel. De beschadigde leiding was volgens haar nog lang niet afgeschreven. Deze kan volgens haar niet meer worden gebruikt. De situatie is volgens haar dus niet verbeterd ten opzichte van de situatie voor de beschadiging.
Als er toch een aftrek wordt toegepast, dan is 50 jaar volgens haar de minimale levensduur. De werkelijk verwachte levensduur is echter (meer dan) 100 jaar, aldus de gemeente.
De rechtbank is van oordeel dat er door de vervanging van de oude leiding door de nieuwe (toch) sprake is van enig voordeel aan de zijde van de gemeente. [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] heeft tijdens de zitting ook voldoende aangevoerd waarom correctie in dit geval redelijk zou zijn. De nieuwe leiding zal 100 jaar vanaf de aanleg meegaan en dat is langer dan 86 jaar (resterende levensduur oude leiding) (gemeente, onweersproken).
De kosten zijn in redelijkheid gemaakt, het vereiste causaal verband (c.s.q.n. en toerekening naar redelijkheid) moet worden aangenomen. Gezien de onbetwiste stelling van de gemeente over de verwachte levensduur (100 jaar) wordt een correctie toegepast van 14% (14/100). Dit betekent dat van het bedrag van € 304.110,- uiteindelijk € 258.493,50 wordt toegewezen (€ 304.110,- -/- 14%), verminderd met 1/3 in verband met de eigen schuld van de gemeente.
G. opslag
De gemeente vordert een bedrag van € 27.369,90. Dat is 9% opslag over de aanlegkosten van € 304.110,-. Het gaat om werkzaamheden door de gemeente in verband met voorbereiding, projectbegeleiding, administratie en toezicht.
[gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] voert verweer. Deze post is volgens haar niet onderbouwd en ook heeft de gemeente niet gesteld dat zij extra loonkosten heeft gemaakt.
De rechtbank overweegt dat het hierbij om dezelfde soort kosten gaat als onder C., namelijk interne kosten van de gemeente. Ook voor deze post geldt dat de hoogte ervan is betwist en dat deze vervolgens niet nader is onderbouwd. Immers, bewijsstukken ontbreken volledig. Niet toegelicht is dat en waarom de opslag naast de vordering onder C. moet worden toegewezen en welke kosten wel zijn gemaakt en niet behoren tot de vordering onder C. De rechtbank oordeelt daarom dat deze post moet worden afgewezen.
H. [F] B.V.
Ook deze post heeft betrekking op de kosten van advies, waaronder ontwerpwerkzaamheden en de bijbehorende kostenraming. Deze vordering is onderbouwd met twee facturen: een van 20 februari 2023 (€ 1.900,00 excl btw) en 24 april 2023
(€ 6.494,00 excl btw). Daarbij zit een bijlage met een kostenoverzicht met namen, kostensoorten, uren en eenheidsprijzen.
[gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] voert verweer. Volgens haar is niet duidelijk waarom deze kosten gemaakt dienden te worden. Daarop heeft de gemeente toegelicht dat dit adviesbureau onderzoek heeft verricht naar de vraag of de bestaande leiding kon worden gerepareerd of dat een nieuwe leiding moet worden aangelegd.
De rechtbank is van oordeel dat de gemeente daarmee de noodzaak van dit onderzoek voldoende heeft onderbouwd en dat het standpunt van [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] niet voldoende is toegelicht. Reparatie is immers een minder ingrijpende en (meestal ook) goedkopere methode van herstel dan de aanleg van een volledig nieuwe leiding. De hoogte van de kosten zijn overigens niet betwist. De kosten zijn in redelijkheid gemaakt, het vereiste causaal verband (c.s.q.n. en toerekening naar redelijkheid) moet worden aangenomen. De rechtbank wijst daarom het bedrag van € 8.394,00 toe, verminderd met 1/3 in verband met de eigen schuld van de gemeente.
Beslagkosten
De gemeente vordert dat Holland Drilling en [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van de beslagkosten. De beslagen zijn opgeheven, omdat er zekerheid is gesteld.
Holland Drilling voert geen verweer tegen dit deel van de vordering. [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] doet dat wel. Zij kan allereerst niet inzien waarom zij zou moeten opkomen voor de kosten van beslaglegging ten laste van Holland Drilling. Ook overigens komen volgens haar de kosten niet voor vergoeding in aanmerking. Primair omdat [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] niet aansprakelijk is en subsidiair omdat de beslagen volstrekt onnodig zijn gelegd. De gemeente hoefde volgens haar niet te vrezen voor een tekort aan verhaalsmogelijkheden. Overigens heeft de gemeente volgens haar twee jaar lang nauwelijks prioriteit gegeven aan de vordering om in oktober 2024 plotseling beslag te leggen. Daarbij ging het volgens haar niet alleen om een eenvoudig bankbeslag, maar ook om beslagen onder opdrachtgevers. Toen bleek dat het bankbeslag voor een veelvoud van de vordering doel had getroffen eiste de gemeente volgens haar zekerheid in de vorm van een bankgarantie, met alle kosten van dien. [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] houdt de gemeente daarom aansprakelijk voor die kosten en alle andere schadelijke gevolgen van de beslagen. Zij behoudt zich alle rechten voor.
Op grond van artikel 706 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kunnen de kosten van een beslag worden gevorderd, tenzij het beslag nietig, onnodig of onrechtmatig was.
Uit de overwegingen hiervoor blijkt dat [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] naar het oordeel van de rechtbank naast Holland Drilling aansprakelijk is voor de schade van de gemeente. Hoewel de omvang daarvan in dit tussenvonnis nog niet volledig vaststaat, is wel duidelijk dat het om een aanzienlijk bedrag gaat. Gezien de standpunten die [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] en ook Holland Drilling in deze procedure hebben ingenomen, ook over hun onderlinge verhouding, acht de rechtbank het niet zonder meer aannemelijk dat [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] op verzoek van de gemeente zekerheid zou hebben verstrekt als geen beslaglegging zou hebben plaatsgevonden. Uit de stellingen van [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] kan worden afgeleid dat de handelwijze van de gemeente wellicht buitenproportioneel is geweest, maar [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] heeft niet onderbouwd welke schade zij daardoor heeft geleden. Uiteindelijk is snel een oplossing bereikt in de vorm van zekerheid. De rechtbank ziet daarom geen grond voor het oordeel dat het beslag onnodig of onrechtmatig is gelegd. De vordering is gegrond.
Proceskosten
De door de gemeente gevorderde proceskosten zijn toewijsbaar omdat de gemeente (grotendeels) in het gelijk wordt gesteld.
in de vrijwaringszaak, conventie en reconventie
In deze zaak stellen [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] en Holland Drilling, in conventie respectievelijk reconventie, dat zij door de ander volledig dienen te worden gevrijwaard, zodat de schade van de gemeente geheel voor rekening van de ander dient te komen. Hun vorderingen zijn als het ware “gespiegeld” en worden om die reden gezamenlijk beoordeeld.
[gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] stelt dat Holland Drilling in geval van hoofdelijke veroordeling in de hoofdzaak volledig draagplichtig is. Op grond van artikel 6:101 BW dient volgens haar een causale verdeling plaatst te vinden. Omdat [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] niet heeft bijgedragen aan het ontstaan van het schadevoorval is Holland Drilling volledig schadeplichtig, aldus [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] .
Aanvankelijk heeft Holland Drilling twee verweren naar voren gebracht. Haar eerste verweer (een beroep op haar algemene voorwaarden) heeft zij tijdens de mondelinge behandeling laten vallen. Het tweede verweer is wel gehandhaafd. Dat verweer houdt in dat de aansprakelijkheid van Holland Drilling op grond van het negende punt van de “bepalingen” bij de overeenkomst beperkt is tot de opdrachtsom, in dit geval € 240.000,- en een stelpost van € 10.000,-.
Volgens [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] gaat het verweer van Holland Drilling niet op. Van de bepaling is volgens haar niet de volledige tekst geciteerd. Deze is volgens haar alleen van toepassing bij uitloop van boorwerkzaamheden door onvoorziene omstandigheden. Die situatie doet zich volgens haar niet voor. Er is volgens haar geen ruimte voor een andere uitleg van deze bepaling. Indien de bepaling wel van toepassing is, dan geldt volgens haar dat het beding moet wijken voor daarvan afwijkende aansprakelijkheidsregelingen in de overeenkomst en in de UAV 2012.
[gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] stelt onder verwijzing naar de tekst van punt 9 (4.6 hiervoor) dat de exoneratie alleen geldt bij vertraging (“uitloop”) door onvoorziene omstandigheden, omdat de eerste zin een beperkende werking heeft voor de reikwijdte van de tweede zin. Volgens Holland Drilling is dat standpunt niet juist. Het gaat volgens haar om nevengeschikte zinnen, die los van elkaar staan. Bij vertraging en stilstand (“uitloop”) door onvoorziene omstandigheden is er volgens haar geen aansprakelijkheid voor gevolgschade en/of bijkomende kosten; hoe dan ook is volgens haar elke vorm van aansprakelijkheid (ook zaakschade zoals hier) beperkt tot maximaal de opdrachtsom.
De rechtbank is van oordeel dat wat betreft de uitleg van de bepaling het standpunt van Holland Drilling moet worden gevolgd. De maatstaf is wat deze professionele partijen uit de schriftelijk vastgelegde tekst redelijkerwijs hebben mogen afleiden en wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar hebben mogen verwachten, waarbij de tekst veel gewicht toekomt. In dit geval hebben partijen niets anders dan de tekst naar voren gebracht als
relevant bij de uitleg. De rechtbank geeft veel gewicht aan de tekst in deze zaak tussen professionele partijen die allebei thuis zijn in het vak. De eerste zin van de bepaling sluit volgens de in de markt gangbare betekenis van de gebezigde bewoordingen de aansprakelijkheid voor bepaalde categorieën schade uit als sprake is van uitloop van de boorwerkzaamheden door onvoorziene omstandigheden. Deze categorieën en omstandigheden worden in de tweede zin niet genoemd, zodat daaronder alle schadesoorten vallen en ook alle omstandigheden; de tweede zin is gesteld in algemene bewoordingen en heeft klaarblijkelijk een algemene strekking. Een algemene beperking voor alle soorten schade tot de opdrachtsom is ook gangbaar in de zakelijke praktijk in de relevante branche (bouw/aanleg van infrastructuur). Met andere woorden: iedere zin staat op zichzelf en in de tweede zin is een op zichzelf staande aansprakelijkheidsbeperking vastgelegd. Dit is naar het oordeel van de rechtbank de betekenis die partijen redelijkerwijs aan deze tekst hebben mogen geven bij het aangaan van de overeenkomst.
[gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] heeft nog betoogd dat een contra preferentem regel geldt: omdat de opdrachtbevestiging door Holland Drilling is opgesteld en deze een onduidelijke bepaling bevat, moet deze in het nadeel van Holland Drilling worden uitgelegd.
Naar het oordeel van de rechtbank is deze regel niet doorslaggevend. De bepaling is immers duidelijk, in de zin die deze professionele partijen aan de gebezigde bewoordingen redelijkerwijs hebben mogen geven. Beide partijen hebben met de bepaling ingestemd en het maakt onder deze omstandigheden niet uit wie de bepaling heeft opgesteld. De conclusie is dat het negende punt van de “bepalingen”, waarin de beperking van aansprakelijkheid tot de opdrachtsom is vastgelegd, van toepassing is op deze zaak.
Wat betreft het beroep van [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] op tegenstrijdigheid met andere aansprakelijkheidsregelingen in de overeenkomst en de UAV 2012 overweegt de rechtbank als volgt.
Volgens [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] is het beding tegenstrijdig met de projectmatrix op pagina 4 van de overeenkomst. Onder punt 1.15 van die matrix hebben partijen volgens haar voor dit specifieke project de afspraak vastgelegd dat op uitsluitend Holland Drilling de verplichting rust om zorg te dragen voor een aansprakelijkheidsverzekering. Daarmee is volgens haar tot uitdrukking gebracht dat het aansprakelijkheidsrisico voor dit project bij Holland Drilling ligt.
De rechtbank volgt dit standpunt niet. In de matrix staat weliswaar aangegeven dat Holland Drilling zorg zal dragen voor een aansprakelijkheidsverzekering en dat [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] dat voor de CAR verzekering doet, maar over de onderlinge aansprakelijkheid zegt dit niets. De afspraak over wie voor welke verzekering zorgt, is goed te rijmen met een beperking van aansprakelijkheid; voor de hand ligt dan, in de zin die partijen redelijkerwijs hebben mogen geven aan de bepaling, dat de taak van Holland Drilling gaat over een verzekering voor de aansprakelijkheid die Holland Drilling volgens de overeenkomst heeft, en dat [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] een verzekering regelt voor de aansprakelijkheid die voor haar uit de overeenkomst volgt ( [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] heeft niet betoogd dat zij hiervoor geen verzekering
heeft). Partijen hebben bij deze stand van zaken het door [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] beoogde gevolg redelijkerwijs niet mogen afleiden uit de gebezigde bewoordingen in de tekst. Partijen hebben ook in deze context niets anders gepresenteerd dan deze bewoordingen. Aan de projectmatrix kan dus niet het door [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] gewenste gevolg worden verbonden.
Wat betreft de UAV 2012 geldt dat in de overeenkomst is opgenomen dat deze bepalingen van toepassing zijn. Volgens [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] is sprake van strijd met het bepaalde in paragraaf 6 lid 8 waarin is bepaald dat de aannemer de opdrachtgever vrijwaart tegen aanspraken van derden. De bepalingen verschaffen volgens haar geen duidelijkheid welke set voorwaarden prevaleert. In paragraaf 2 lid 1 van de UAV 2012 staat volgens haar duidelijk dat de bepalingen van de UAV gelden voor zover daarvan in het bestek niet uitdrukkelijk is afgeweken. Dat betekent dat in dit geval punt 9 (de beperking van aansprakelijkheid, 4.7 hiervoor) terzijde moet worden gesteld, aldus [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] .
Ook dit standpunt wordt niet gevolgd. De rechtbank overweegt dat de UAV een algemene strekking hebben, terwijl de bepalingen van de overeenkomst, waaronder de beperking van aansprakelijkheid, specifiek door Holland Drilling en [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] zijn overeengekomen met het oog op dit geval en in de overeenkomst zijn vastgelegd. Deze afspraken van partijen behelzen een uitdrukkelijke afwijking van het UAV op dit punt en prevaleren naar het oordeel van de rechtbank daarom boven dat wat in de UAV is opgenomen. Zo hebben partijen redelijkerwijs de beperking van aansprakelijkheid in verhouding tot de UAV mogen begrijpen bij het aangaan van de overeenkomst. Dat betekent in dit geval dat Holland Drilling een beroep kan doen op de beperking van aansprakelijkheid.
De conclusie is dat Holland Drilling in het gelijk wordt gesteld wat betreft haar beroep op de overeengekomen exoneratie. Dat houdt in dat Holland Drilling in de onderlinge verhouding met [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] slechts tot maximaal de opdrachtsom aansprakelijk is. [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] dient alles wat daarboven komt als haar draagplicht voor haar rekening te nemen.
Voor de vorderingen van beide partijen in de vrijwaring betekent dit het volgende. Holland Drilling is gehouden om [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] voor het bedrag van de opdrachtsom te vrijwaren voor de aanspraak van de gemeente. De vordering van [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] in conventie zal in die zin worden toegewezen. De tegenvordering van Holland Drilling in reconventie zal in vergelijkbare zin worden toegewezen, zodat [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] gehouden is om Holland Drilling te vrijwaren voor aanspraken van de gemeente die het bedrag van de opdrachtsom te boven gaan. In de hoofdzaak worden partijen hoofdelijk veroordeeld.
In de vrijwaringszaak zijn beide partijen (deels) in het gelijk gesteld. De rechtbank komt daarom tot het oordeel de proceskosten in de vrijwaringszaak te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
7. De beslissing
De rechtbank
in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 19 augustus 2026 voor het nemen van een akte door de gemeente over wat is vermeld onder 6.37, waarna Holland Drilling en [gedaagde in HA ZA 24-696, eiser in HA ZA 25-228] op de rol van acht weken daarna een antwoordakte kunnen nemen,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.S. Frakes en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.