RECHTBANK Oost-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/425465 / HA ZA 26-227
Vonnis van 22 juli 2026
in de zaak van
[eiser] ,
gesteld gevolmachtigde van:
A) [moeder eiser]
B) [oom eiser]
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. M.A. Ploemen,
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.
1. De procedure
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 3 juni 2026 - het B-formulier van [eiser] van 4 juni 2026
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De beoordeling
Bij tussenvonnis van 3 juni 2026 heeft de rechtbank [eiser] in de gelegenheid gesteld om aan te tonen dat [gedaagde] domicilie had gekozen aan het kantooradres van mr. Kouwenaar (in de dagvaarding onjuist aangeduid als mr. Kouwelaar). [eiser] heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Bij akte van 4 juni 2026 heeft [eiser] een e-mailcorrespondentie tussen mr. Ploemen en mr. Kouwenaar overgelegd waar de domiciliekeuze uit blijkt. Op basis hiervan concludeert de rechtbank dat de dagvaarding op de juiste wijze is betekend en zal zij opnieuw verstek verlenen tegen [gedaagde] .
De rechtbank is van oordeel dat [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen en overweegt daarbij als volgt.
In de kop van de dagvaarding van 8 april 2026 presenteert [eiser] zich als gevolmachtigde van [moeder eiser] (zijn wijlen moeder; overleden op [sterftedag] 2026) en [oom eiser] (zijn oom) in de kwestie van de afwikkeling van de nalatenschap van [erflater] (overleden op [sterftedag] 2024).
Er zit echter geen volmacht door [moeder eiser] in het dossier en bovendien eindigt een volmacht door het overlijden [moeder eiser] . [moeder eiser] was overleden voordat de dagvaarding werd uitgebracht. Zij kan daarmee ook geen procespartij zijn. Correct was geweest als haar erfgenamen – en mogelijk is dat alleen [eiser] ; dat kan de rechtbank echter niet vaststellen – in hun hoedanigheid van erfgenaam (en dus niet als gevolmachtigde) in de procedure waren verschenen. [moeder eiser] heeft dus geen zelfstandig vorderingsrecht. Zij is niet-ontvankelijk en dat geldt dan ook voor [eiser] als de gesteld gevolmachtigde.
De volmacht door [oom eiser] dateert van 23 november 2025. Daarin heeft [oom eiser] [eiser] de volgende bevoegdheid verleend: “Bijstaan in de zaak nalatenschap [erflater] zoals omschreven in dossiernummer : [erflater] advies [nummer]”. Naar het oordeel van de rechtbank is deze omschrijving onvoldoende om te kunnen aannemen dat [eiser] ook is gemachtigd om namens [oom eiser] deze procedure te voeren. Daarbij is van belang dat op het moment van de volmachtverlening, deze procedure nog niet was gestart en de tekst van de volmacht er van lijkt uit te gaan dat het zich beperkt tot adviesverlening door mr. Ploemen.
[eiser] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [gedaagde] betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden echter begroot op nihil.
3. De beslissing
De rechtbank
verleent opnieuw verstek tegen [gedaagde] ,
verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in de vorderingen die hij namens [moeder eiser] en [oom eiser] stelt te hebben ingesteld,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagde] , tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.