RECHTBANK Oost-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/425715 / HA ZA 26-243
Vonnis in incident van 5 augustus 2026
in de zaak van
1. ZON EXPLOITATIE NEDERLAND B.V.,
te Rotterdam,
hierna te noemen: ZEN (vrouwelijk, enkelvoud),
2. BRABANT ZON B.V.,
te Delft,
hierna te noemen: BZ (vrouwelijk, enkelvoud),
eisende partijen in conventie in de hoofdzaak,
verwerende partijen in reconventie in de hoofdzaak,
verwerende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: ZEN c.s. (meervoud),
advocaat: mr. J.R. Gal,
tegen
1. COLDSERVICE REAL ESTATE N.V.,
te Veghel,
hierna te noemen: CRE (vrouwelijk, enkelvoud),2. COLDSERVICE WAREHOUSE N.V.,
te Veghel,
hierna te noemen: CWH (vrouwelijk, enkelvoud),3. COLDSERVICE WAALWIJK B.V.,
te Waalwijk,
hierna te noemen: CWW (vrouwelijk, enkelvoud),4. COLDSERVICE HOLDING B.V.,
te Veghel,
hierna te noemen: CH (vrouwelijk, enkelvoud),
gedaagde partijen in conventie in de hoofdzaak,
eisende partijen in reconventie in de hoofdzaak,
eisende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: CRE c.s. (meervoud),
advocaat: mr. N.T.F. van Barschot.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding,
de conclusie van antwoord, tevens houdende bevoegdheidsincident, tevens houdende conclusie van eis in reconventie,
de conclusie van antwoord in incident.
Vervolgens is bepaald dat vonnis in het incident zal worden gewezen.
2. Het geschil in het incident en de beoordeling daarvan
ZEN is een energieleverancier. BZ is aan ZEN gelieerd.
CRE c.s. zijn onderdeel van een concern dat zich onder andere bezighoudt met de exploitatie van koelhuizen.
Tussen ZEN c.s. enerzijds en CRE, CWE en CWW anderzijds (althans een van hen) zijn drie overeenkomsten van kracht voor de levering van stroom.
In de hoofdzaak vorderen ZEN c.s. in conventie samengevat:
betaling van openstaande facturen (€ 71.859,54 te betalen door CRE, € 36.089,32 door CWE en € 31.141,48 door CWW),
een verklaring voor recht over een rekenmethodiek voor de prijs die kan worden berekend,
medewerking van CRE c.s. voor het realiseren van meerdere aansluitingen,
het verschaffen van toegang door CH tot een dak, zodat een installatie kan worden (terug) geplaatst en geëxploiteerd.
In de hoofdzaak vorderen CRE c.s. in reconventie samengevat betaling van € 111.280,45 (door BZ aan CRE), € 161.775,74 (door ZEN aan CRE) en € 98.161,69 (door ZEN aan CWW). Grondslag hiervoor is, kort gezegd, dat CRE c.s. menen dat zij teveel hebben betaald.
In het incident gaat het geschil over de vraag of deze rechtbank relatief bevoegd is. Volgens CRE c.s. is namelijk de rechtbank Rotterdam, en niet deze rechtbank, bevoegd.
De rechtbank is van oordeel dat zij niet bevoegd is en dat de zaak moet worden doorverwezen, op grond van het volgende.
Het geschil in conventie en in reconventie gaat voornamelijk over openstaande facturen en te berekenen en reeds berekende prijzen. De daarmee verband houdende vorderingen zijn gebaseerd op de overeenkomsten tussen ZEN c.s. enerzijds en CRE, CWE en CWW anderzijds (althans een van hen). In die overeenkomsten is opgenomen dat de rechtbank Rotterdam exclusief bevoegd is. Op grond van het bepaalde in artikel 108 Rv is de rechter in het arrondissement Rotterdam bij uitsluiting bevoegd, in ieder geval ten aanzien van CRE, CWE en CWW voor de vorderingen die verband houden met de overeenkomsten, nu CRE c.s. een beroep hebben gedaan op die bepaling.
Partijen zijn het er ook over eens dat er een samenhang is tussen alle vorderingen. Vanwege de samenhang tussen de vorderingen is de rechtbank Rotterdam op grond van artikel 107 Rv bevoegd voor alle vorderingen tegen alle partijen.
De verweren van ZEN c.s. hiertegen slagen niet.
ZEN c.s. hebben gesteld dat drie van de vier gedaagden in het arrondissement van deze rechtbank zijn gevestigd en dat er reeds een procedure tussen partijen aanhangig is bij deze rechtbank, in verband waarmee ZEN c.s. niet inzien welke belangen zich tegen behandeling door deze rechtbank verzetten. De omstandigheid dat ZEN c.s. niet inzien welke belangen zich tegen behandeling door deze rechtbank verzetten brengt niet mee dat deze rechtbank zich bevoegd zou moeten achten.
ZEN c.s. hebben aangevoerd dat één vordering in conventie, die tegen CH, is gebaseerd op onrechtmatig handelen (en dus niet op een overeenkomst waarin een exclusief forumkeuzebeding is opgenomen), dat CH in Veghel is gevestigd waardoor deze rechtbank bevoegd is ten aanzien van die vordering en dat er samenhang is tussen alle vorderingen, zodat deze rechtbank op grond van artikel 107 Rv bevoegd is.
Dit betoog slaagt echter niet.
Artikel 108 Rv bepaalt dat de rechter bij wie een zaak aanhangig is gemaakt, zich onbevoegd verklaart als partijen in een forumkeuzebeding een andere rechter exclusief hebben aangewezen en de gedaagde zich tijdig op die onbevoegdheid beroept. Dit betekent dat wanneer partijen een specifieke rechter als exclusief bevoegde hebben aangewezen, zij niet van deze rechter kunnen worden afgehouden op grond van andere regels over relatieve bevoegdheid, zoals artikel 107 Rv, dat de bevoegdheid regelt bij meerdere gedaagden.
Op grond van het bepaalde in artikel 110 lid 2 Rv wordt de zaak verwezen naar de rechtbank Rotterdam. Op grond van de samenhang (artikel 107 Rv) kan het gehele geschil worden doorverwezen naar de rechtbank Rotterdam. Dat zal deze rechtbank doen.
Wat de voortzetting van de procedure betreft, wijst de rechtbank op artikel 110 lid 2 Rv en artikel 74 lid 1 en 3 (eerste zin) Rv. Daarin is onder meer bepaald dat ieder van partijen het recht heeft de andere partij bij exploot op te roepen tegen de dag waarop zij de zaak ter rolle wil doen dienen. De voor dagvaarding voorgeschreven termijnen moeten daarbij in acht worden genomen.
ZEN c.s. zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van CRE c.s. worden begroot op:
- salaris advocaat
€
653,00
(1 punt × € 653,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
842,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.
3. De beslissing
De rechtbank
in het incident
wijst de vordering toe,
veroordeelt ZEN c.s. hoofdelijk in de proceskosten van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als ZEN c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt ZEN c.s. hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
verklaart zich onbevoegd om van de vorderingen in de hoofdzaak kennis te nemen,
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rechtbank Rotterdam.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026.