RECHTBANK OOST-BRABANT
Toezicht
zaaknummer: 11897351 TD VERZ 24-1436
[initialen griffier]
Beschikking van de kantonrechter van 5 januari 2026
op verzoek van
[naam] ,
als maatschappelijk werkster verbonden aan [naam instelling] ,
correspondentieadres: [adres] ,
hierna te noemen: verzoekster,
met betrekking tot:
[naam] ,
wonende te [adres] ,
hierna te noemen: betrokkene.
procedure
De kantonrechter heeft kennisgenomen van:
- het verzoek (met bijlagen), ontvangen op 29 september 2025.
beoordeling
Het verzoek strekt tot ontslag van de huidige bewindvoerder en benoeming van een opvolgend bewindvoerder.
Verzoekster is onbevoegd onderhavig verzoek te doen.
Om het verzoek in behandeling te kunnen nemen is een uittreksel uit de Kamer van Koophandel en een volmacht waaruit blijkt dat verzoekster het verzoek namens de instelling mag indienen, noodzakelijk. Op 17 oktober 2025 heeft de griffier telefonisch contact gehad met verzoekster met het verzoek om de ontbrekende stukken in te dienen. Hier is geen gehoor aan gegeven. Op 26 november 2025 heeft de griffier een email-bericht naar verzoekster gestuurd met nogmaals het verzoek om de ontbrekende stukken in te dienen. Ook hier is niet op gereageerd.
De kantonrechter overweegt als volgt.
Op grond van artikel 1:432 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek is de verzoekster niet bevoegd tot het indienen van onderhavig verzoek, aangezien zij niet tot de kring van personen behoort die in deze wetsbepaling worden genoemd. De kantonrechter zal de verzoekster daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek.
beslissing
De kantonrechter:
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.P.C. Kuijs, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2025.
de griffier de kantonrechter