ECLI:NL:RBOBR:2026:5660

ECLI:NL:RBOBR:2026:5660

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 29-07-2026
Datum publicatie 10-08-2026
Zaaknummer C/01/408352 / HA ZA 24-585
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Prejudiciële vragen aan de HR. Erfpacht, canon, faillissement. Kwalificatie vordering als bestaand of toekomstig.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Zaaknummer: C/01/408352 / HA ZA 24-585

Vonnis van 29 juli 2026

in de zaak van

SOLID B.V.,

te Ede,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: Solid,

advocaat: mr. A. Al-Musawi,

tegen

1. MR. I.C.J.C. VAN DE KLUNDERT in hoedanigheid van curator in het faillissement

van de besloten vennootschap LAND EQUITY B.V.,

te Eindhoven,2. MR. I.C.J.C. VAN DE KLUNDERT in hoedanigheid van curator in het faillissement

van de besloten vennootschap CERTITUDO VASTGOED II B.V.,

te Eindhoven,3. MR. W.J.G. SMITS in hoedanigheid van curator in het faillissement van de

besloten vennootschap LAND EQUITY B.V.,

te 's-Hertogenbosch,4. MR. W.J.G. SMITS in hoedanigheid van curator in het faillissement van de

besloten vennootschap CERTITUDO VASTGOED II B.V.,

te 's-Hertogenbosch,

gedaagde partijen in conventie,

eisende partijen in reconventie,

hierna samen te noemen: de curatoren,

advocaat: mr. B. Rikkert.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 4 maart 2026 en de daarin genoemde stukken;- de akte uitlaten over voornemen tot stellen van prejudiciële vragen van Solid;- de akte uitlaten ten aanzien van het voornemen tot het stellen van prejudiciële vragen van de curatoren;

- de brief van de rechtbank waarin een rechterswissel is medegedeeld aan partijen;

- het bezwaar van de curatoren tegen alinea 18 en 19 van de akte van Solid;

- de reactie van Solid op het bezwaar van de curatoren.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

in conventie en in reconventie

In het tussenvonnis van 4 maart 2026 zijn partijen in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de vragen die de rechtbank voornemens is te stellen aan de Hoge Raad.

Solid heeft in haar akte kort samengevat het volgende aangevoerd. De eerste voorgestelde vraag moet anders geformuleerd worden zodat het antwoord op de vraag ook relevant is voor de beslissing van andere, vergelijkbare geschillen. Ook moet toegevoegd worden dat het niet alleen gaat om de erfpachtcanon over 2024 maar ook die van de jaren erna. Verder wordt betwijfeld over er zelfstandige betekenis toekomt aan de onder 2, 3 en 4 geformuleerde vragen. Voor deze zaak is in de kern slechts relevant het antwoord op de vraag of de erfpachtcanon over 2024 op de faillissementsdatum een bestaande of een toekomstige vordering was. Het antwoord op de vragen kan door de Hoge Raad meegenomen worden als gezichtspunt bij de beantwoording van vraag 1. Voor zover de vragen toch relevant zijn, moeten deze anders geformuleerd worden en moet gewezen worden op door Solid in de processtukken aangehaalde bronnen over de betekenis en reikwijdte van art. 3:9 lid 4 BW. Ook voor de vragen 5 en 6 geldt dat deze vragen mogelijk niet zinvol zijn en niet van belang zijn voor de beslechting van vergelijkbare geschillen. Het antwoord op de vragen kan door de Hoge Raad ook bijgenomen als gezichtspunt bij de beantwoording van de eerste vraag. Voor zover de vragen wel meegenomen worden, wordt voorgesteld om ze te combineren tot één vraag. Daarbij moet de rechtbank ook art. 5:87 lid 2 BW bij de toelichting op deze vraag betrekken omdat er gelet op dit artikel verschil bestaat in de erfpachtcanon over de jaren 2024 en 2025 en de erfpachtcanon over de jaren erna.

De curatoren hebben bij akte, samengevat, het volgende aangevoerd. Voorgesteld wordt om de eerste vraag te abstraheren van de onderhavige casus zodat het een rechtsvraag is die voldoet aan het criterium van art. 392 lid 1 sub b Rv. Tevens hebben zij een aantal voorstellen gedaan om een aantal vragen samen te voegen danwel de volgorde van de vragen aan te passen. Verder hebben de curatoren erop gewezen dat Solid in haar akte een nieuw standpunt heeft ingenomen door te verwijzen naar art. 5:87 lid 2 BW en onderscheid te maken in de erfpachtcanon ontstaan in 2024 en 2025 en de jaren erna. Eerder in de procedure heeft Solid dit standpunt nooit ingenomen en dit kan op dit moment dus ook niet meer gedaan worden. De alinea’s 18 en 19 van de akte van Solid moeten daarom buiten beschouwing gelaten worden.

De rechtbank zal hierna per vraag beoordelen of hetgeen partijen over en weer aangevoerd hebben tot aanpassing of aanvulling van de vraag moet leiden.

Vraag 1

De rechtbank is van oordeel dat de opmerkingen van partijen niet maken dat de formulering van deze vraag aanpassing behoeft. Zoals partijen terecht opmerken heeft het stellen van prejudiciële vragen een abstract karakter. Het staat de Hoge Raad daarom vrij om van de vraag te abstraheren indien dit noodzakelijk geacht wordt.

Vraag 2, 3, en 4

Omdat deze vragen met elkaar samenhangen zullen zij gezamenlijk besproken worden. Opgemerkt wordt dat zoals partijen ook aangevoerd hebben de vragen 3 en 4 bedoeld waren als gezichtspunten die een rol spelen bij de beantwoording van vraag 2. Ter verduidelijking zullen de vragen geformuleerd worden zoals opgenomen onder de beslissing. Daarbij zal de door de curatoren voorgestelde zin (punt 3.10 akte) toegevoegd worden aan huidige vraag 4. Voor het overige geeft hetgeen partijen hebben aangevoerd onvoldoende aanleiding om de vragen aan te passen. De door Solid voorgestelde formuleringen (punt 12 akte) komen op hetzelfde neer als de door de rechtbank geformuleerde vragen en worden daarom niet overgenomen.

Vraag 5 en 6

De rechtbank zal de door de curatoren voorgestelde aanpassing (punt 3.12. akte) van vraag 5 en 6 overnemen. De door Solid voorgesteld vraag (punt 15) akte zal niet overgenomen worden nu deze hetzelfde is als de door de rechtbank geformuleerde vraag.

De discussie over art. 5:87 lid 2 BW

Partijen discussiëren over de vraag of Solid in haar akte een nieuw standpunt heeft ingenomen over de toepasselijkheid van art. 5:87 lid 2 BW op deze casus. Dit lijkt een nieuw standpunt te zijn dat Solid te laat ingenomen heeft. Er hoeft daarom ook geen vraag aangepast te worden. Daarbij wordt opgemerkt dat indien de Hoge Raad het nodig vindt voor de beantwoording van de vragen om in te gaan op art. 5:87 lid 2 BW de Hoge Raad partijen daartoe kan uitnodigen om hierover (nog) een standpunt in te nemen.

Afschrift procesdossier

Solid heeft er verder op gewezen dat in het vonnis waarin de prejudiciële vragen geformuleerd worden een toelichting van de rechtbank opgenomen moet worden en een zo juist en zo volledig mogelijke weergave van de standpunten van partijen dient te bevatten (punt 23 en 24 akte). De rechtbank is van oordeel dat in het vonnis van 4 maart 2026 reeds voldoende toegelicht is waarom het stellen van prejudiciële vragen noodzakelijk is. Wat betreft de standpunten van partijen geldt het volgende. Omdat partijen in hun processtukken vooral verwezen hebben naar (samenvattingen van) volgens hun relevante passages uit de literatuur en enkele uitspraken zal de rechtbank, ook om te voorkomen dat de standpunten niet volledig weergegeven worden, een afschrift van de relevante delen van het procesdossier mee sturen aan de Hoge Raad voor een volledige weergave van de standpunten van partijen. De volgende stukken zullen aan de Hoge Raad gestuurd worden:

de dagvaarding zonder producties;

de conclusie van antwoord zonder producties;

de zittingsaantekeningen van de zitting van 10 december 2025 en de daar voorgedragen spreekaantekeningen;

het tussenvonnis van 4 maart 2026;

de aktes na tussenvonnis;

het bezwaar van de curatoren op de akte van Solid en de reactie van Solid daarop;

een afschrift van onderhavig vonnis.

Het verdere procesverloop

De rechtbank zet de volgende stappen na dit vonnis op een rij, aan de hand van de gangbare procesregels, zodat partijen daarvan op de hoogte zijn:

De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan totdat de rechtbank een reactie van de Hoge Raad ontvangt.

Partijen zijn bij de Hoge Raad geen griffierecht verschuldigd.

De Hoge Raad zal partijen in beginsel in de gelegenheid stellen schriftelijke opmerkingen te maken, tenzij de Hoge Raad direct beslist dat de vragen niet in behandeling worden genomen.

De Hoge Raad zal de vragen wel of niet beantwoorden en de kosten die partijen bij de Hoge Raad hebben gemaakt (als zij ervoor kiezen schriftelijke opmerkingen te maken) begroten.

De rechtbank zal uiteindelijk over de proceskosten beslissen.

Nadat een reactie van de Hoge Raad is ontvangen, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de reactie van de Hoge Raad en over de vervolgstappen in de procedure. De rechtbank bepaalt dan hoe de procedure verder verloopt (bijvoorbeeld een (eind)vonnis of, indien nodig in de context van de reactie van de Hoge Raad, een tweede mondelinge behandeling).

3. De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

stelt de volgende vragen aan de Hoge Raad:

Kwalificeert de erfpachtcanon over het jaar 2024 ten tijde van het faillissement van Land Equity op 20 oktober 2023 als (voorwaardelijk) bestaande of als toekomstige vordering? Welke gezichtspunten zijn daarbij van belang c.q. doorslaggevend?

Erfpachtcanon kan gekwalificeerd worden als een burgerlijke vrucht. Brengt de uitleg van artikel 3:9 lid 4 BW gelet op de wetsgeschiedenis met zich dat de erfpachtcanon als een toekomstige vordering moet worden gekwalificeerd of geeft artikel 3:9 lid 4 BW geen uitsluitsel over het ontstaansmoment van de erfpachtcanon?

a. Als artikel 3:9 lid 4 BW geen uitsluitsel biedt over het ontstaansmoment van de vordering, is het ontstaansmoment van de vordering (erfpachtcanon) dan (uitdrukkelijk) overgelaten aan het oordeel van de rechter?

b. Indien artikel 3:9 lid 4 BW wel zo uitgelegd moet worden dat het uitsluitsel geeft over het ontstaansmoment van de vordering, kunnen partijen hier dan niettemin van afwijken? Anders gezegd, is artikel 3:9 lid 4 BW van regelend recht? Zo ja, hoe dient de rechter in een concreet geval te beoordelen of partijen inderdaad van het uit artikel 3:9 lid 4 BW volgende ontstaansmoment van vorderingen zijn afgeweken?

3. Moet of kan de rechtsregel uit HR 30 januari 1987 (NJ 1987/530, WUH/Emmerig q.q.) zo uitgelegd worden dat deze ook rechtstreeks toegepast moet worden in het geval van erfpachtcanon?

a. Indien het antwoord daarop ‘nee’ is, is de rechtsregel dan analoog van toepassing?

draagt de griffier op een afschrift van de onder rechtsoverweging 2.6. genoemde stukken naar de Hoge Raad te sturen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.S. Frakes en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl INS-Updates.nl 2026-0186
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand