ECLI:NL:RBOBR:2026:5717

ECLI:NL:RBOBR:2026:5717

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 29-07-2026
Datum publicatie 11-08-2026
Zaaknummer C/01/426122 / HA ZA 26-265
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Incidentele vordering afgifte/inzage ex art. 194 jo. 195 Rv. Vordering wordt afgewezen wegens ontbreken belang eiser. Gedaagde wordt in de proceskosten veroordeeld, omdat pas na het instellen van de eis in het incident het expertiserapport is verstrekt.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Zaaknummer: C/01/426122 / HA ZA 26-265

Vonnis in incident van 29 juli 2026

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] B.V.,

statutair gevestigd te [plaats] en kantoorhoudende te [plaats] ,

eisende partij in conventie in de hoofdzaak,

verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak,

eisende partij in het incident,

advocaat: mr. M.M.M. Rooijen,

tegen

1. [gedaagde 1] ,

2. [gedaagde 2],

beiden wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partijen in conventie in de hoofdzaak,

eisende partijen in reconventie in de hoofdzaak,

verwerende partijen in het incident,

advocaat: mr. M. de Jong.

Partijen zullen hierna “ [eiseres] ” en (in mannelijk enkelvoud) “ [gedaagden] ” worden genoemd.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met een incidentele vordering van 20 mei 2026;

- de verleende akte niet dienen voor de conclusie van antwoord in het incident;

- de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De feiten voor zover van belang in het incident

Tussen partijen is op 30 maart 2024 een koopovereenkomst tot stand gekomen met betrekking tot de woning annex kantoorruimte gelegen aan het adres [straat] te [plaats] (hierna: “de woning”). De woning is op 2 juli 2024 aan [eiseres] geleverd.

3. Het geschil in het incident

[eiseres] vordert in het incident dat [gedaagden] wordt veroordeeld om binnen zeven dagen na betekening van het vonnis afschrift te verstrekken van, dan wel inzage te verschaffen in de volgende documenten:

I. het expertiserapport opgesteld door de deskundige van [gedaagden] ; althans

II. de communicatie (e-mails, chat- en appberichten, gespreksnotities, brieven, logboeken, systeemnotities) gevoerd tussen (de advocaat van) [gedaagden] en de deskundige waaruit de conclusies van de expertise kunnen worden afgeleid;

III. een en ander op straffe van een dwangsom als [gedaagden] daarmee in gebreke blijft.

[gedaagden] heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen de incidentele vordering. [gedaagden] heeft enkel gesteld dat, zo begrijpt de rechtbank, [eiseres] geen belang meer heeft bij haar incidentele vordering, omdat zij al over het expertiserapport beschikt.

4. De beoordeling in het incident

Het beoordelingskader

De rechtbank stelt voorop dat voor een recht op afschrift op grond van artikel 194 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: “Rv”) aan een aantal voorwaarden moet zijn voldaan:

degene die om de informatie verzoekt is partij bij een rechtsbetrekking,

degene van wie inzage wordt verlangd beschikt over de gevraagde gegevens of kan deze makkelijk van een derde verkrijgen,

er is sprake van voldoende belang bij het informatieverzoek,

e verlangde gegevens zijn voldoende bepaald.

Als aan deze voorwaarden wordt voldaan, is degene die over de gegevens beschikt verplicht daarvan afschrift te verstrekken, tenzij hem een verschoningsrecht toekomt of gewichtige redenen zich daartegen verzetten.

In artikel 195 lid 1 Rv is verder bepaald dat de rechter op verzoek van de partij die daar op grond van artikel 194 lid 1 Rv recht op heeft, de wederpartij kan bevelen tot het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens waarover de wederpartij beschikt.

Vordering onder I

De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot afschrift/inzage moet worden afgewezen. [gedaagden] heeft weliswaar geen verweer gevoerd tegen de vordering van [eiseres] maar [eiseres] heeft geen belang meer bij haar vordering, omdat [gedaagden] het gevorderde expertiserapport bij de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie heeft overgelegd. Daarnaast heeft hij ook een e-mail van 27 mei 2026 overgelegd, waaruit blijkt dat (de advocaat van) [gedaagden] het rapport op die dag aan (de advocaat van) [eiseres] heeft toegestuurd.

Vordering onder II

Met betrekking tot de vordering onder II oordeelt de rechtbank dat deze eveneens afgewezen moet worden, omdat [eiseres] de conclusies van de expertise uit het overgelegde rapport kan afleiden. Communicatie die gevoerd is tussen (de advocaat van) [gedaagden] en de deskundige is daarmee niet van toegevoegde waarde, althans [eiseres] heeft dat niet voldoende aangetoond. Ook dit deel van de incidentele vordering zal dus worden afgewezen.

De conclusie is dat de incidentele vorderingen worden afgewezen. De daaraan verbonden dwangsommen delen dat lot en worden eveneens afgewezen.

De proceskosten

[gedaagden] moet de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. [eiseres] heeft onweersproken gesteld dat [gedaagden] geweigerd heeft de bevindingen van de deskundige met hem te delen en dat hij tegenover [gedaagden] aanspraak kan maken op afgifte van het expertiserapport, zodat daarvan kan worden uitgegaan. [gedaagden] heeft het expertiserapport pas na het instellen van de eis in het incident aan [eiseres] verstrekt en moet daarom als de in het ongelijk gestelde partij worden aangemerkt. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op € 842,00 (€ 653,00 aan salaris advocaat (1 punt × € 653,00) en € 189,00 aan nakosten), plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5. De beslissing

De rechtbank

in het incident

wijst de vordering af,

veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

veroordeelt [gedaagden] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

verklaart dit vonnis voor zover het betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

verwijst de zaak naar de rol van 12 augustus 2026 voor beraad rolrechter omtrent het bepalen van een mondelinge behandeling,

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand