ECLI:NL:RBOBR:2026:5719

ECLI:NL:RBOBR:2026:5719

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 29-07-2026
Datum publicatie 11-08-2026
Zaaknummer C/01/405445 / HA ZA 24-379
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Eiseres vordert betaling van de resterende schuld uit hoofde van een geldleningsovereenkomst. Gedaagde betwist dat zij de schriftelijke geldleningsovereenkomst heeft ondertekend en stelt dat deze haar daarom niet bindt. Daarnaast betwist zij dat het bedrag dat in de geldleningsovereenkomst is genoemd ten volle is opgenomen of gebruikt voor het in die overeenkomst vermelde doel, te weten de verbouwing van een woning. Volgens de rechtbank is de schriftelijke overeenkomst geen akte met bewijskracht nu gedaagde stellig betwist dat zij de handtekening onder de schriftelijke geldleningsovereenkomst heeft geplaatst. Op eiseres rust de bewijslast van de echtheid van de handtekening. Zij wordt daarom in de gelegenheid gesteld bewijs van de echtheid van de handtekening te leveren. De wijze waarop eiseres bewijs wil bijbrengen staat haar vrij.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Zaaknummer: C/01/405445 / HA ZA 24-379

Vonnis van 29 juli 2026

in de zaak van

[eiseres] B.V.,

te [plaats] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: [eiseres] ,

advocaat: mr. I. Soetens,

tegen

[gedaagde] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. L. Stam.

1. De procedure

In deze zaak is op 9 oktober 2024 een tussenvonnis gewezen. Daarin staan de processtukken opgesomd die tot dat moment tussen partijen gewisseld zijn.

[gedaagde] heeft op 20 november 2024 schriftelijk gereageerd op de dagvaarding van [eiseres] en tegenvorderingen ingesteld (conclusie van antwoord met eis in reconventie).

Bij brief van 4 december 2024 heeft de rechtbank beslist dat in deze zaak een mondelinge behandeling (zitting) zal worden gehouden. Voorafgaand aan de zitting heeft [eiseres] schriftelijk gereageerd op de tegenvorderingen van [gedaagde] (conclusie van antwoord in reconventie). [gedaagde] heeft op haar beurt aanvullende producties (nummer 15 en 16-17) ingezonden.

De zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2025. Hiervan zijn door de griffier aantekeningen gemaakt. De stellingen van partijen zijn tijdens de zitting toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen. [eiseres] heeft op de zitting ook nog een aanvullende productie (nummer 18) in het geding gebracht. [gedaagde] heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt, omdat haar tijdens de zitting de gelegenheid is geboden om daarvan kennis te nemen en daar desgewenst op te reageren.

Aan het slot van de zitting heeft de rechtbank [eiseres] in de gelegenheid gesteld om bij akte stukken te overleggen en zich uit te laten over een mogelijke minnelijke regeling. Partijen hebben geen minnelijke regeling bereikt. Bij akte van 17 december 2025 heeft [eiseres] aanvullende stukken in het geding gebracht. [gedaagde] heeft hierop gereageerd bij antwoordakte van 14 januari 2026.

Ten slotte heeft de rechtbank beslist dat vonnis zal worden gewezen in deze zaak.

2. De feiten

[gedaagde] heeft tot 2016 een affectieve relatie gehad met de heer [A] (hierna: [A] ).

Samen met [A] houdt [gedaagde] de aandelen in het geplaatst kapitaal van [eiseres] , een vennootschap die op 12 juli 2011 is opgericht. [gedaagde] houdt 450 van de 1.800 aandelen en [A] houdt de overige 1.350 aandelen.

Sinds de oprichting was [gedaagde] samen met [A] bestuurder van [eiseres] .

[eiseres] is houder van alle aandelen in het geplaatst kapitaal van [B] B.V. (hierna: de [B] ). Via deze vennootschap, die ook op 12 juli 2011 is opgericht, wordt een restaurant geëxploiteerd.

Op 31 maart 2017 hebben [gedaagde] en [A] de woning aan de [straat] in [plaats] (hierna: de Woning) in gezamenlijke eigendom verkregen, ieder voor de onverdeelde helft.

Op 30 september 2021 is [gedaagde] ontslagen als bestuurder van [eiseres] .

Bij vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 17 juni 2022 is [gedaagde] – kort gezegd – veroordeeld om medewerking te verlenen aan de verkoop van de Woning.

De Woning is uiteindelijk verkocht en geleverd aan een vennootschap die gelieerd is aan [A] .

Bij (aangetekende) brief en e-mail van 25 september 2023 is namens [eiseres] onder meer het volgende aan [gedaagde] geschreven:

‘‘(…)

Deze brief strekt ertoe u (i) te sommeren de lopende rekening-courant volledig in te lossen en (ii) u te informeren over uw schuld aan cliënte welke bij verkoop / levering van de woning voldaan zal moeten worden.

(…)

De wet, meer concreet artikel 6:140 BW en verder, stelt dat het aan cliënte is om het saldo bij te houden, hetgeen is gebeurd. Ultimo 2022 bedroeg de rekening-courantverhouding € 38.410,-- (credit cliënte). Dit is het bedrag door u aan cliënte te voldoen.

Op dit bedrag strekt in mindering 4% rente per jaar. De rente verschuldigd tot en met 1 oktober 2023 bedraagt € 1.153,35.

Per 1 oktober 2023 bent u aldus verschuldigd de som van € 39.563,35.

Namens cliënte verzoek en sommeer ik u het bedrag groot € 39.563,35 uiterlijk maandag 2 oktober 2023 te 16:00 uur te hebben voldaan op de derdengeldrekening van mijn kantoor. (…)

Overeenkomst geldlening

Voorts benadert cliënte u met het oog op de aan u (en de heer [A] ) verstrekte geldlening.

Bij overeenkomst d.d. 12 december 2019 is een overeenkomst van geldlening bekrachtigd waarin u zich hoofdelijk verbindt de verplichtingen uit die overeenkomst na te komen. De hoofdsom van de geldlening betrof € 165.000,--.

(…)

Zoals u weet zal de woning indachtig het vonnis, zonder uw medewerking, worden verkocht en geleverd. U reageert daar tot op heden niet op maar feit is dat het vonnis zoals dat is gewezen maakt dat uw medewerking niet nodig is. U bent daar eerder op gewezen.

Met de verkoop en levering van de woning voornoemd, zal de hoofdsom direct opeisbaar worden. Deze hoofdsom bedraagt per 30 september 2023 € 144.625,65.

Deze brief strekt er voor nu toe u hierover te informeren. (…)’’

Op 19 februari 2024 is namens [eiseres] een verzoekschrift ingediend tot het leggen van conservatoir derdenbeslag op de gelden die zich in verband met de levering van de Woning onder de notaris bevinden voor een gepretendeerde vordering van [eiseres] op [gedaagde] van in totaal € 237.671,00 en een vordering van [eiseres] op [A] van € 185.490,00. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft op 20 februari 2024 verlof verleend tot het leggen van voornoemd beslag. Hierbij is de vordering op [gedaagde] begroot op een bedrag van € 237.000,00 en de vordering op [A] op een bedrag van € 185.000,00.

Namens [eiseres] is bij deurwaardersexploot van 28 februari 2024 ten laste van [gedaagde] en [A] conservatoir beslag gelegd onder de notaris.

Bij e-mail van 12 maart 2024 is namens [eiseres] het volgende aan [gedaagde] geschreven:

‘‘Per brief d.d. 25 september 2023 is uw cliënte al bij aangetekend schrijven gesommeerd een bedrag groot € 144.625,65 te betalen. Dit bedrag neemt periodiek af omdat cliënt de verplichtingen uit hoofde van de geldleningsovereenkomst nakomt. U zult uw cliënte uit kunnen leggen dat daarmee de vordering van cliënt in privé op uw cliënte periodiek toeneemt. Anno vandaag bedraagt de hoofdsom van de geldlening € 142.510,38. Uw cliënte heeft, anders dan dreigementen, inhoudelijk nooit gereageerd en is dit bedrag simpelweg hoofdelijk verschuldigd.

Daarnaast is uw cliënte bedragen verschuldigd uit hoofde van een rekening-courant. Ook ten aanzien van die opeisbare som is uw cliënte gesommeerd over te gaan tot betaling van destijds een bedrag groot € 39.563,35. Cliënte verwijst naar de brief voornoemd. Op dit moment bedraagt deze schuld de som van 40.139,50 (+ P.M.). Ook dit bedrag is niet betaald en opeisbaar.

(…)

Namens cliënte verzoek en sommeer ik uw cliënte om uiterlijk woensdag 27 maart 2024 te 15:00 uur zorg te hebben gedragen voor betaling van het bedrag (samen) groot € 182.649,88 (+P.M.). Dit bedrag dient alsdan te zijn ontvangen op de derdengeldrekening van mijn kantoor met rekeningnummer [nummer] ten name van Stg. Derdengelden [naam] , zulks onder vermelding van; " [kenmerk] - inlossing schuld [eiseres] B.V.".

(…)

Juridisch ingestoken, wordt uw cliënte gewezen op de gevolgen van aanblijvende wanprestatie. Mocht betaling niet plaatsvinden, dan zal uw cliënte buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn. Deze bedragen € 6.775,-- excl BTW en aldus € 8.197,75 inclusief BTW. (…)’’

[gedaagde] is niet tot betaling van enig bedrag aan [eiseres] overgegaan, waarna [eiseres] deze procedure is gestart.

3. De vorderingen van [eiseres] en de tegenvorderingen van [gedaagde]

[eiseres] vordert in deze procedure – samengevat – om [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 142.510,38 en een bedrag van € 40.139,50, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder vordert [eiseres] om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 1.423,44, een en ander met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure, de beslagkosten daaronder begrepen en te vermeerderen met de wettelijke rente.

In voorwaardelijke reconventie vordert [gedaagde] – na eiswijziging – om [eiseres] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 13.844,79, vermeerderd met de wettelijke rente. [gedaagde] vordert verder om [eiseres] te veroordelen in de kosten van de procedure, vermeerderd met de wettelijke rente.

Wat partijen aan hun vorderingen ten grondslag leggen en wat zij daartegen als verweer hebben aangevoerd, zal de rechtbank – voor zover nodig voor de beoordeling – hierna vermelden.

4. De beoordeling

in conventie:

[eiseres] legt aan haar vordering tot betaling van € 142.510,38 ten grondslag dat zij op 15 juni 2018 een geldleningsovereenkomst met [gedaagde] en [A] heeft gesloten voor de verbouwing van de Woning, waarbij [gedaagde] en [A] een bedrag in hoofdsom van € 165.000,00 ter leen hebben ontvangen. Onder verwijzing naar een schriftelijke geldleningsovereenkomst stelt [eiseres] dat [gedaagde] en [A] zich hoofdelijk verbonden hebben om de geleende hoofdsom in 360 gelijkblijvende maandelijkse termijnen terug te betalen tegen een rente van 2,5%. [eiseres] stelt dat op de dag van dagvaarden nog een schuld resteerde van € 142.510,38. Zij wil dat [gedaagde] de geldleningsovereenkomst nakomt en de openstaande schuld voldoet. Volgens [eiseres] bestaat de vrees dat [gedaagde] haar aandeel in de verkoopopbrengst van de Woning niet zal gebruiken om de schuld aan haar te betalen, waardoor zij besloten heeft om conservatoir beslag te leggen onder de notaris.

[gedaagde] betwist dat de handtekening die onder de geldleningsovereenkomst staat van haar afkomstig is, zodat de overeenkomst haar niet bindt. Voor het geval moet worden aangenomen dat zij de geldleningsovereenkomst wel is aangegaan, voert [gedaagde] aan dat in de geldleningsovereenkomst omschreven staat waarvoor het geleende bedrag zou worden gebruikt, namelijk het verbouwen of verbeteren van de Woning, maar dat zij betwist dat het (volledige) bedrag van € 165.000,00 daarvoor is opgenomen en gebruikt. [gedaagde] stelt dat alleen de badkamer, de keuken, het toilet en de vloer zijn vernieuwd. Het bedrag dat daarvoor benodigd is, correspondeert volgens [gedaagde] niet met het de hoofdsom van de gestelde geldlening. [gedaagde] wijst erop dat zij langere tijd met een lekkend dak en zonder warm water in de Woning heeft verbleven, en dat zij uit eigen middelen vloerverwarming en centrale verwarming heeft laten aanleggen. Wat [gedaagde] betreft dient de vordering van [eiseres] vanwege een gebrek aan onderbouwing te worden afgewezen. [gedaagde] meent ten slotte dat ook de redelijkheid en billijkheid zich in de gegeven omstandigheden verzetten tegen het feit dat [eiseres] aanspraak maakt op terugbetaling van de geldlening.

In reactie op het verweer van [gedaagde] heeft [eiseres] de gestelde geldlening nader onderbouwd. [eiseres] heeft in de eerste plaats een grootboekkaart ingezonden waaruit volgens haar volgt dat in totaal voor meer dan € 174.000,00 aan betalingen ten bate van de Woning zijn verricht. [eiseres] stelt dat deze kosten voldaan zijn met het geleende geld waarvan in deze procedure terugbetaling wordt gevorderd. Verder heeft [eiseres] een andere grootboekkaart in het geding gebracht. [eiseres] stelt dat hieruit de verschillende mutaties volgen. Volgens [eiseres] is hiermee bewezen dat betalingen ten bate van de Woning zijn gedaan en dat het geleende bedrag van € 165.000,00 daarvoor is aangewend.

[eiseres] heeft verder aangevoerd dat [gedaagde] er ten onrechte van uitgaat dat het op de weg van [eiseres] ligt om te bewijzen dat [gedaagde] haar handtekening onder de geldleningsovereenkomst heeft gezet. Volgens [eiseres] ligt het op de weg van [gedaagde] om te bewijzen dat zij de handtekening niet heeft gezet. [eiseres] wijst verder op de overgelegde correspondentie, waaruit volgens haar volgt dat [gedaagde] de afgelopen jaren veelvuldig verwezen heeft naar de geldlening van € 165.000,00 en de geldlening daarmee erkend heeft. [eiseres] stelt dat deze correspondentie dateert van voor het moment dat namens [gedaagde] de echtheid van de handtekening werd betwist.

Tijdens de zitting heeft [eiseres] hier nog aan toegevoegd dat [gedaagde] ten tijde van het sluiten van de geldleningsovereenkomst bestuurder was, dat zij alles met [A] besproken heeft en dat [gedaagde] vervolgens een handtekening heeft gezet onder de geldleningsovereenkomst.

Na afloop van de zitting is [eiseres] in de gelegenheid gesteld om stukken in het geding te brengen, namelijk de facturen van [C] BV (hierna: [C] ) als vermeld op de grootboekkaart die door [eiseres] als productie 12 is overgelegd. [eiseres] heeft ook een e-mail van [C] overgelegd waarin namens [C] verklaard wordt dat [C] alleen werkzaamheden heeft verricht aan de Woning en niet aan het restaurant.

De rechtbank overweegt dat het bij dit geschilpunt gaat over de vraag of de schriftelijke geldleningsovereenkomst, een onderhands stuk dat [gedaagde] als akte wordt tegengeworpen, als akte bewijskracht heeft tegenover [gedaagde] . Naar het oordeel van de rechtbank is dat vooralsnog niet het geval. [gedaagde] heeft namelijk stellig betwist dat zij de handtekening onder de schriftelijke geldleningsovereenkomst heeft geplaatst. Aan deze ‘stellige ontkenning’ worden geen verdere eisen gesteld. Anders gezegd, [gedaagde] hoeft geen onderbouwing van haar ontkenning te geven.

Artikel 159 lid 2 Rv brengt mee dat, indien de persoon aan wie een stuk als onderhandse akte wordt tegengeworpen, stellig ontkent dat de onder het stuk aanwezige handtekening van hem afkomstig is, aan dat stuk geen enkele bewijskracht toekomt, zolang niet is bewezen van wie de handtekening afkomstig is. In tegenstelling tot wat [eiseres] aanvoert, rust op haar de bewijslast van de echtheid van de handtekening. [eiseres] beroept zich namelijk op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde feiten, zodat op haar de stelplicht en – gelet op de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] – de bewijslast rusten van haar stelling dat [gedaagde] ten titel van geldlening een bedrag van in totaal € 165.000,00 heeft ontvangen en dat [gedaagde] zich ten opzichte van haar verbonden heeft tot terugbetaling van dit bedrag. Een bijzondere regel of feiten of omstandigheden op grond waarvan naar de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit, zijn gesteld noch gebleken.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, zal [eiseres] in de gelegenheid worden gesteld om zich bij akte uit te laten over de vraag of zij een deskundigenonderzoek wil laten uitvoeren, zodat onderzocht kan worden of de handtekening onder de overgelegde geldleningsovereenkomst van [gedaagde] afkomstig is. Als [eiseres] een handtekeningonderzoek wil laten uitvoeren, dient zij zich ook uit te laten over de persoon van de deskundige en de aan de deskundige voor te leggen vragen. De rechtbank stelt in dat geval voor om de volgende vragen aan de deskundige voor te leggen:

Kunt u vaststellen of, en zo ja, met welke mate van waarschijnlijkheid, de handtekening onderaan de geldleningsovereenkomst van 12 december 2019 (producties 3 bij dagvaarding, bij de naam “ [D] ’’) afkomstig is van [gedaagde] ?;

Kunt u toelichten hoe u tot het antwoord op vraag 1 bent gekomen?;

Heeft u in uw hoedanigheid van deskundige nog andere opmerkingen die voor de beoordeling van deze zaak van belang kunnen zijn?

Het staat [eiseres] uiteraard ook vrij om het bewijs van haar stelling dat [gedaagde] de geldleningsovereenkomst heeft ondertekend op andere wijze te leveren, bijvoorbeeld door middel van het horen van getuigen.

Nadat [eiseres] zich bij akte heeft uitgelaten over de vraag hoe zij bewijs wenst te leveren, zal [gedaagde] de gelegenheid krijgen om bij antwoordakte te reageren. Mocht [eiseres] bewijs willen leveren door middel van een handschriftdeskundige, dan krijgt [gedaagde] uiteraard de gelegenheid om zich in deze antwoordakte ook uit te laten over de persoon van de deskundige en de aan de deskundige te stellen vragen.

De rechtbank zal, als een handschriftdeskundige wordt benoemd, bepalen dat [eiseres] de originele geldleningsovereenkomst aan de deskundige moet verstrekken. Verder zal de rechtbank bepalen dat [gedaagde] de deskundige op zijn of haar verzoek moet voorzien van origineel referentiemateriaal. Het gaat hierbij in ieder geval om een aantal originele en onomstreden door [gedaagde] op verschillende data ondertekende stukken, waaronder ten minste enkele uit dezelfde periode als waarin de geldleningsovereenkomst zou zijn getekend.

De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen, om [eiseres] in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de vraag of zij wil overgaan tot bewijslevering en zo ja, op welke wijze. [gedaagde] zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld om een antwoordakte te nemen. Als [eiseres] afziet van bewijslevering, dan zal eindvonnis worden gewezen.

Rekening-courantschuld

Onder verwijzing naar haar jaarcijfers van 2018 stelt [eiseres]

dat [gedaagde] ultimo 2022 een bedrag van € 38.410,00 aan haar verschuldigd was

uit hoofde van een rekening-courantverhouding. [eiseres] stelt dat daarover een rente van 4% verschuldigd is en dat de rente tot en met 15 februari 2024 € 1.729,50 bedraagt, zodat [gedaagde] per 15 februari 2024 een bedrag van € 40.139,50 aan [eiseres] verschuldigd is. [eiseres] vordert dit bedrag van [gedaagde] uit hoofde van de rekening-courantverhouding.

[gedaagde] meent primair dat de vordering van [eiseres] moet worden afgewezen vanwege een gebrek aan onderbouwing. Subsidiair betwist [gedaagde] de omvang van de vordering. In dit verband voert zij aan dat hierop in ieder geval in mindering strekt een bedrag aan achterstallige management fee van € 13.944,79. [gedaagde] heeft verder nog bestreden dat een aantal met name genoemde posten onder de rekening-courant schuld moeten worden gebracht.

De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet ter discussie staat dat tussen [eiseres] en [gedaagde] een rekening-courantverhouding bestaat. Op grond van artikel 6:140 BW wordt het saldo van de rekening-courant vastgesteld door mededeling van het saldo (lid 2) en het uitblijven van protest door de wederpartij (lid 3). Vast staat dat [gedaagde] zich door verschillende advocaten heeft laten bijstaan voordat mr. Stam de behandeling van de zaak overnam. Tijdens de zitting heeft [eiseres] verklaard dat de jaarcijfers en een overzicht van de rekening-courantschuld door de verschillende advocaten van [gedaagde] zijn opgevraagd en ontvangen. Dit is door [gedaagde] niet betwist. Tijdens de zitting heeft [gedaagde] slechts verklaard dat zij niet kan verifiëren of dit klopt. [eiseres] heeft verder verklaard dat de rekening-courantschuld met de vorige advocaten van [gedaagde] besproken is en dat zij de omvang van de vordering op geen enkel moment hebben bestreden. Ook dit is door [gedaagde] niet betwist. Ten slotte heeft [eiseres] onweersproken gesteld dat zij bij e-mail van 20 augustus 2021 nog een gespecificeerd overzicht van de rekening-courantschuld aan [gedaagde] heeft toegestuurd. Dit overzicht sluit op een bedrag van € 35.952,00. [gedaagde] heeft de ontvangst van deze e-mail met bijlage niet gemotiveerd betwist.

Hiermee staat vast dat [eiseres] op verschillende momenten mededeling heeft gedaan van het saldo van de rekening-courant. Het had op grond van artikel 6:140 lid 3 BW op de weg van [gedaagde] gelegen om, telkens na ontvangst van de overzichten, binnen redelijke tijd te protesteren tegen de aan haar medegedeelde saldi als zij van mening was dat deze onjuist waren. De verweren van [gedaagde] in deze procedure ten aanzien van individuele posten op de overzichten zijn niet binnen de hiervoor genoemde redelijke termijn gevoerd en zullen daarom niet worden besproken. Gelet op het feit dat [gedaagde] niet (tijdig) tegen de saldi in de opvolgende jaren heeft geprotesteerd, gelden die saldi tussen partijen ( [eiseres] en [gedaagde] ) als vastgesteld. Deze saldi (en rentepercentages) blijken uit de overzichten die [eiseres] als productie 15 heeft overgelegd waartegen [gedaagde] evenmin binnen redelijke termijn heeft geprotesteerd.

[gedaagde] heeft nog aangevoerd dat de redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat [eiseres] haar niet kan aanspreken tot betaling. In dit verband voert zij – kort gezegd – aan dat [eiseres] (flinke) winst maakt en dat zij desondanks geen dividend uitkeert waarmee [gedaagde] de gestelde vordering had kunnen voldoen. [gedaagde] tekent hierbij aan dat [eiseres] jarenlang heeft toegestaan dat er

aandeelhoudersvergaderingen zijn gehouden waarin, in strijd met wat in de notulen vermeld staat, niet het gehele geplaatste kapitaal aanwezig is geweest en [gedaagde] om die reden niet aan de besluitvorming heeft kunnen deelnemen. Volgens [gedaagde] had zij anders het besluit om geen dividend uit te keren ter discussie kunnen stellen en, zo nodig, een oordeel van de rechter kunnen vragen op dit punt.

De rechtbank volgt [gedaagde] hierin niet. Mede gelet op het feit dat de betalingen als vermeld op de rekening-courantoverzichten zijn verricht ten behoeve van [gedaagde] , brengt de redelijkheid en billijkheid niet mee dat [gedaagde] niet kan worden aangesproken door [eiseres] . Het feit dat geen dividend is uitgekeerd, maakt dit niet anders. Er kunnen strategische, vermogenstechnische of andere overwegingen zijn om in een bepaald jaar en onder bepaalde (markt)omstandigheden geen dividend uit te keren.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, zal de vordering tot betaling van € 40.139,50 bij eindvonnis worden toegewezen. Hetzelfde geldt voor de daarover gevorderde wettelijke rente met ingang van 1 oktober 2024, omdat [gedaagde] zowel tegen de verschuldigdheid als de ingangsdatum geen afzonderlijk verweer heeft gevoerd.

De management fee

In reconventie vordert [gedaagde] betaling van een bedrag aan achterstallige management fee van € 13.944,79. [gedaagde] heeft haar tegenvordering voorwaardelijk ingesteld, namelijk voor het geval de vorderingen van [eiseres] geheel of deels worden afgewezen. Omdat nog niet duidelijk is of deze voorwaarde zal worden vervuld, zal de rechtbank deze vordering pas beoordelen na bewijslevering door [eiseres] .

Het verdere verloop van de procedure

In afwachting van de aktewisseling tussen partijen wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank,

in conventie:

draagt [eiseres] op om bewijs te leveren van haar stelling dat [gedaagde] de geldleningsovereenkomst van 12 december 2019 (zoals overgelegd als productie 3 bij dagvaarding) heeft ondertekend;

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 12 augustus 2026 voor uitlating door [eiseres] of zij dit bewijs wil leveren en zo ja, of zij het bewijs wil leveren door middel van een onderzoek door een handschriftdeskundige dan wel op andere wijze (zoals het horen van getuigen);

bepaalt dat [eiseres] , als zij bewijs wil leveren door middel van handtekeningonderzoek, zich ook uitlaat over hetgeen is vermeld onder 4.9 van dit tussenvonnis;

bepaalt dat [eiseres] , als zij getuigen wil laten horen, op voornoemde roldatum opgave zal doen van de naam en woonplaats van de te horen getuigen met de verhinderdata van partijen, hun advocaten en de getuigen voor een periode van drie maanden na genoemde roldatum, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald;

bepaalt dat, als [eiseres] bewijsstukken wil overleggen, zij die stukken dan direct bij de in 5.2 bedoelde akte in het geding moet brengen;

bepaalt dat, als [eiseres] in haar akte aangeeft dat zij bewijs wil leveren door middel van een onderzoek door een handschriftdeskundige dan wel bewijsstukken overlegt, [gedaagde] op de rol van woensdag 9 september 2026 bij antwoordakte op de akte van [eiseres] kan reageren ten aanzien van de overgelegde bewijsstukken en/of datgene wat is vermeld onder 4.9 van dit tussenvonnis;

in conventie en in reconventie:

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand