[eiser], uit [vestigingsplaats], eiser
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Eindhoven, de heffingsambtenaar
(gemachtigde: [gemachtigde] en [gemachtigde]).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de hoogte van de aan hem toegekende proceskostenvergoeding in bezwaar.
De heffingsambtenaar heeft met de beschikking van 22 februari 2025 de WOZ-waarde van het bedrijfsobject Het [adres] in Eindhoven vastgesteld voor het kalenderjaar 2025. Met deze waardevaststelling is aan eiser onder andere ook de aanslag onroerendezaakbelasting eigenaar niet-woning voor het kalenderjaar 2025 opgelegd.
Met de uitspraak op bezwaar van 18 september 2025 heeft de heffingsambtenaar de waarde van het bedrijfsobject verlaagd en aan eiser een proceskostenvergoeding van € 161,76 toegekend.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. H. Vloet, kantoorgenoot van de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de heffingsambtenaar.
Beoordeling door de rechtbank
2. Op de zitting heeft eiser naar voren gebracht dat de WOZ-waarde van het bedrijfsobject niet meer in geschil is, maar dat het in beroep alleen nog gaat over de hoogte van de in bezwaar toegekende proceskostenvergoeding.
3. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiser gegrond verklaard en de WOZ-waarde verlaagd. In verband daarmee heeft de heffingsambtenaar aan eiser een proceskostenvergoeding toegekend van € 161,76 (1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting, met een waarde per punt van € 647), waarbij wordt uitgegaan van een vermenigvuldigingsfactor van 0,125.
4. Partijen verschillen van mening over de vraag of de vermenigvuldigingsfactor van 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet WOZ moet worden toegepast.
5. De gemachtigde van eiser stelt dat deze vermenigvuldigingsfactor niet van toepassing is, omdat sprake is van een bijzonder geval. Uit de overgelegde overeenkomst blijkt volgens de gemachtigde namelijk dat tussen hem en eiser geen no cure no pay-afspraak is gemaakt, maar dat sprake is van een reguliere, betaalde opdracht. Sinds 1 januari 2025 neemt de gemachtigde bovendien geen procedures meer aan op basis van no cure no pay. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst de gemachtigde naar een arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025, waarin de Hoge Raad heeft overwogen dat alleen sprake is van optreden op no cure no pay-basis, indien de belanghebbende geen financieel risico draagt bij het inschakelen van de rechtsbijstandverlener.
Op grond van artikel 30a, eerste lid, van de Wet WOZ is voor de bezwaarfase een vermenigvuldigingsfactor van 0,125 van toepassing. Dat is alleen anders als sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025.
Volgens dit arrest is geen sprake van een bijzonder geval als het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde of een kantoor eruit bestaat dat:
wordt opgetreden op basis van no cure no pay,
daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en
de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Aanwijzingen dat dit laatste het geval is, kunnen bijvoorbeeld worden gevonden in de omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak.
Het gaat hierbij niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarin de proceskostenvergoeding wordt toegekend, maar om het bedrijfsmodel. Dit moet zijn ingericht als no cure no pay of op een grondslag die daarmee op één lijn kan worden gesteld. Het is aan de belanghebbende en de gemachtigde, die zich op de uitzondering beroepen, te onderbouwen dat op het moment waarop het rechtsmiddel werd ingesteld niet (langer) wordt gewerkt op basis van no cure no pay of een daarmee op één lijn te stellen bedrijfsmodel. Aangezien het te leveren bewijs moet inhouden dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde of het kantoor kennelijk niet alle hiervoor bedoelde drie kenmerken heeft, moet buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat zijn bedrijfsmodel een of meer van deze kenmerken niet heeft.
De rechtbank is van oordeel dat met wat de gemachtigde van eiser naar voren heeft gebracht, niet buiten redelijke twijfel staat dat hiervan sprake is.
In de bij het bezwaarschrift overgelegde volmacht die namens eiser op 31 maart 2025 is ondertekend, is het volgende opgenomen:
“De kosten van onze werkzaamheden komen neer op de vergoedingen die op grond van art 7:15, 8:75, 4:17 en 8:88 Awb aan u worden toegewezen. Indien van toepassing behoort een nader overgekomen bedrag ook tot deze kosten.**** Zodra de vergoedingen in een uitspraak zijn opgenomen, zijn dit opeisbare vorderingen en zullen deze door [bedrijf] bij u in rekening worden gebracht.”
Uit deze volmacht blijkt dat de gemachtigde van eiser optreedt op basis van no cure no pay, waarbij de proceskostenvergoedingen en andere vergoedingen aan de gemachtigde of zijn kantoor worden afgedragen. In de zaak met nummer 26/167 die ook op de zitting van de rechtbank van 4 juni 2026 is behandeld, heeft (het kantoor van) deze gemachtigde eenzelfde soort volmacht overgelegd.
Ook de overige door eiser overgelegde stukken laten zien dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde van eiser kenmerken van no cure no pay heeft.
Eiser heeft bij zijn beroepschrift twee offertes gevoegd, één in kleur en de ander in zwart-wit. In deze offertes wordt een algemene toelichting gegeven over de werkwijze van [bedrijf] en de vergoedingen. In de bij het beroepschrift gevoegde offerte in kleur is op pagina 11 onder “Specificatie van vergoedingen” te lezen:
“De startfee wordt in rekening gebracht voor de administratieve handelingen voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling, het verwerken van de aanslagbiljetten, het screenen van de objecten op de aanslagbiljetten en het verzenden van het initiële bezwaarschrift. De besparingsfee is op basis van no cure no pay. Bij een ongegronde procedure zal de besparingsfee niet rekening worden gebracht, ongeacht onze inspanningen.
Bij een gegronde procedure zal de gemeente onze vergoedingen aan u overmaken. Dat betreft de proceskostenvergoeding, (eventuele) dwangsom en immateriële schadevergoeding. Deze vergoedingen zijn voor gemachtigde: u zal een factuur ontvangen met het verzoek deze vergoedingen aan ons over te maken. U maakt geen kosten: u zal een vergoeding ontvangen dat voor gemachtigde bestemd is.”
In de bij het beroepschrift gevoegde offerte in zwart-wit bevindt zich op pagina 10 een namens eiser ondertekende “Specificatie van vergoedingen”. Hierin is het volgende opgenomen:
“Bij een gegronde procedure zal de gemeente onze vergoedingen aan u overmaken. Dit betreft de proceskostenvergoeding, (eventuele) dwangsom en immateriële schadevergoeding. Deze vergoedingen zijn voor gemachtigde: u zal een factuur ontvangen met het verzoek deze vergoedingen aan ons over te maken. U maakt geen kosten: u zal een vergoeding ontvangen dat voor gemachtigde bestemd is.”
Hoewel in de offerte in kleur – die overigens niet door eiser is ondertekend – wordt gesproken over een startfee die in rekening wordt gebracht en een besparingsfee, wordt in de namens eiser ondertekende overeenkomst (in zwart-wit) geen melding gemaakt van een dergelijke startfee en besparingsfee. Of bij de inschakeling van (het kantoor van) de gemachtigde van eiser voor het voeren van een procedure een financieel risico wordt gelopen, is daarmee niet duidelijk. Daarbij is de in de offerte genoemde besparingsfee op basis van no cure no pay en wordt deze niet in rekening gebracht bij een ongegronde procedure. De besparingsfee maakt daarom niet dat een belanghebbende een wezenlijk financieel risico loopt. Immers, door de besparingsfee wordt slechts het voordeel van een belanghebbende bij een gewonnen procedure minder groot; een nadeel kan hem dat niet opleveren.
Verder volgt uit artikel 9 van de algemene voorwaarden van [bedrijf] (die gelden tot en met september 2025) dat kan worden overeengekomen dat de opdracht op basis van no cure no pay wordt verricht, waarbij de proceskostenvergoedingen en andere vergoedingen aan het kantoor van de gemachtigde worden afgedragen. In het bezwaarschrift heeft de gemachtigde bovendien zelf vermeld dat ten aanzien van niet-woningen voor een aanzienlijk deel niet op basis van no cure no pay wordt gewerkt, wat betekent dat dit voor een ander deel nog wel het geval is.
Daarnaast heeft de gemachtigde van eiser geen informatie overgelegd waaruit blijkt dat de in de procedures toegekende proceskostenvergoedingen niet veel hoger zijn dan de gemaakte kosten.
Gelet op het voorgaande is voor de rechtbank dus niet buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde van eiser op het moment waarop bezwaar is ingesteld één of meer van de kenmerken zoals genoemd in overweging 6.2 niet heeft. De gemachtigde heeft hiermee niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan. Dit betekent dat de heffingsambtenaar terecht de vermenigvuldigingsfactor van 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet WOZ heeft toegepast voor de proceskosten in de bezwaarfase.
7. Dit betekent dat eiser geen recht heeft op een hogere vergoeding voor de kosten van het bezwaar dan de vergoeding die de heffingsambtenaar reeds heeft toegekend.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de toegekende proceskostenvergoeding in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van den Brink, rechter, in aanwezigheid van drs. J.G.J. van Geesink, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op
14 augustus 2026.
De rechter is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘sHertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘sHertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ‘sHertogenbosch.