RECHTBANK Oost-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/401407 / HA ZA 24-112
Vonnis van 5 augustus 2026
in de zaak van
1. [eiser 1] ,
handelend onder de naam [handelsnaam eiser 1],
te [plaats] ,2. [eiser 2],
te [plaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. M.P.M. Riep,
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. M.W. van der Heijden.
1. De zaak in het kort
Dit eindvonnis is een vervolg op het tussenvonnis van 7 mei 2025, waarin de rechtbank aan mevrouw [eiser 2] en aan [gedaagde] bewijsopdrachten heeft verstrekt. Voor de inhoud van de zaak verwijst de rechtbank naar dat tussenvonnis.
In dit eindvonnis oordeelt de rechtbank dat mevrouw [eiser 2] erin is geslaagd te bewijzen dat zij de door haar gestelde bedragen heeft betaald voor de aankoop van de keuken en de kookplaat. De rechtbank oordeelt dat [gedaagde] er niet in is geslaagd te bewijzen dat hij een afspraak maakte met mevrouw [eiser 2] dat zij ieder de helft van de door mevrouw [eiser 2] voorgeschoten kosten van de verbouwing zouden dragen.
De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser 2] en mevrouw [eiser 2] gedeeltelijk toe, op de wijze als weergegeven onder de beslissing.
2. De verdere procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 7 mei 2025- de akte houdende uitlating bewijsopdracht met producties 27 t/m 36 van [eisers]- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 22 oktober 2025
- het proces-verbaal van tegen-getuigenverhoor van 10 maart 2026
- de conclusie na getuigenverhoor met productie 3 van [gedaagde]
- de antwoordconclusie van [eisers]
Ten slotte is vonnis bepaald.
3. De verdere beoordeling
De rechtbank zal in vervolg op de beoordeling zoals die is gegeven in het tussenvonnis van 7 mei 2025 hierna beoordelen of partijen zijn geslaagd in de hen opgedragen bewijslevering en wat dat betekent voor de vorderingen.
De aankoop van de keuken
De rechtbank heeft aan mevrouw [eiser 2] bewijs opgedragen van haar stelling dat zij € 16.150,- heeft betaald voor de aankoop van de keuken (zie ro. 5.38 van het tussenvonnis van 7 mei 2025).
Mevrouw [eiser 2] heeft bij akte nader bewijs aangedragen in de vorm van aanvullende schriftelijke producties 27 tot en met 33, voorzien van een toelichting.
[gedaagde] meent dat mevrouw [eiser 2] met de door haar gegeven uitleg en overgelegde stukken nog altijd geen daadwerkelijk bewijs heeft geleverd van de door haar gestelde betalingen, waarbij hij opmerkt dat uit het overgelegde bankafschrift volgt dat de betaling is verricht door [A] en niet door [eiser 2] .
De rechtbank stelt vast dat door [gedaagde] niet is betwist dat een nieuwe keuken in zijn woning is geplaatst en dat die is betaald door mevrouw [eiser 2] . De rechtbank is van oordeel dat mevrouw [eiser 2] met de door haar overgelegde aanvullende stukken en de daarbij gegeven toelichting voldoende heeft onderbouwd dat zij in totaal € 16.150,- voor de keuken heeft betaald, bestaande uit een (contante) aanbetaling van € 5.000,-, een aanvullende betaling (per bankoverschrijving) van € 11.000,- en een (contante) vergoeding voor de kosten van tijdelijke opslag van € 150,-. De rechtbank neemt daarbij het volgende in overweging.
De factuur van 18 augustus 2023 voor het totaalbedrag van € 16.150,- was een verzamelfactuur die op dat moment al volledig was voldaan. Dit blijkt uit de begeleidende mail van 10 september 2023 (productie 33) waarin [C] aan mevrouw [eiser 2] schrijft: “Hierbij de eindfactuur van de keuken inclusief de extra opslagkosten. Deze factuur is in zijn geheel voldaan.”.
De factuur voor de aanbetaling bedroeg € 3.000,- (productie 27) maar uit de overgelegde mailwisseling van 9 mei 2023 (productie 32) blijkt dat mevrouw [eiser 2] [C] er op heeft gewezen dat zij € 5.000,- had aanbetaald, waarna [C] direct erkende dit fout te hebben geboekt. Uit de hoogte van het totaalbedrag van de eindfactuur van [C] (productie 33) blijkt dat [C] daarbij ook van een aanbetaling van € 5.000,- is uitgegaan.
De overboeking van € 11.000,- van 17 mei 2023 sluit aan bij de factuur van 1 juni 2023 (productie 28) en is gedaan vanaf de bankrekening van [A] , waarvan mevrouw [eiser 2] genoegzaam heeft aangetoond dat het haar bankrekening is door in de conclusie na enquête een kopie op te nemen van haar identiteitsbewijs, waarop haar volledige voornamen staan vermeld: [A] .
Mevrouw [eiser 2] is hiermee in haar bewijsopdracht geslaagd.
De aankoop van de kookplaat
De rechtbank heeft aan mevrouw [eiser 2] bewijs opgedragen van haar stelling dat zij € 2.750,- heeft betaald voor de aankoop van de kookplaat (zie ro. 5.39 van het tussenvonnis van 7 mei 2025).
Mevrouw [eiser 2] heeft bij akte nader bewijs aangedragen in de vorm van aanvullende schriftelijke producties 34, 35 en 36, voorzien van een toelichting.
[gedaagde] meent dat de op verzoek en achteraf verkregen bevestiging van de leverancier dat er € 2.750,- contant zou zijn betaald, niet kan dienen als bewijs.
De rechtbank stelt vast dat door [gedaagde] niet is betwist dat in zijn nieuwe keuken een kookplaat is aangebracht die is aangekocht en betaald door mevrouw [eiser 2] . De rechtbank is van oordeel dat mevrouw [eiser 2] met de door haar overgelegde aanvullende stukken en de daarbij gegeven toelichting voldoende heeft onderbouwd dat zij € 2.750,- heeft betaald voor die kookplaat. De rechtbank neemt daarbij het volgende in overweging.
Mevrouw [eiser 2] heeft een exemplaar overgelegd van de factuur van € 2.750,- van 22 juli 2023 met daarop de handgeschreven en ondertekende vermelding: “Contant voldaan 22 juli 2023 - kookplaat in onbeschadigde staat meegegeven” (productie 36). Zij heeft ook toegelicht hoe zij aan deze afgetekende factuur is gekomen: na het tussenvonnis van 7 mei 2025 (met daarin de bewijsopdracht) heeft zij contact gezocht met de eigenaar van [B] , waarvan zij de kookplaat kocht en hem gevraagd om een bevestiging van de eerdere betaling. Deze heer [eigenaar B] bleek daartoe bereid. Ter onderbouwing heeft mevrouw [eiser 2] een mailbericht overgelegd dat zij op 12 mei 2025 stuurde aan [B] , waarin zij schreef: “bedankt voor het telefoongesprek van zojuist. Fijn dat jij namens [B] de factuur van de kookplaat kunt aftekenen en daarmee kunt bevestigen dat deze contant is voldaan. Ik kom de factuur vanmiddag ophalen”.
Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk dat het de eigenaar van [B] is geweest die op verzoek van mevrouw [eiser 2] heeft bevestigd dat de overeengekomen koopprijs van € 2.750,- is voldaan. Een schriftelijke bevestiging zoals hier gegeven kan in dit geval als bewijs dienen, een getuigenverklaring is daarvoor niet noodzakelijk. Mevrouw [eiser 2] heeft dan ook voldoende onderbouwd dat zij dit bedrag voor de kookplaat heeft betaald. Dat de eigenaar van [B] bij het opstellen van de factuur van 22 juli 2023 kennelijk een fout heeft gemaakt bij de berekening van de btw, doet aan het voorgaande niet af.
Mevrouw [eiser 2] is hiermee in haar bewijsopdracht geslaagd.
De afspraak dat ieder de helft zou betalen
De rechtbank heeft aan [gedaagde] bewijs opgedragen van zijn stelling dat hij en mevrouw [eiser 2] de afspraak maakten dat ieder van hen de helft zou dragen van de (alleen) door mevrouw [eiser 2] betaalde kosten van de verbouwing aan de woning van [gedaagde] (zie ro. 5.47 van het tussenvonnis van 7 mei 2025).
[gedaagde] heeft zichzelf, zijn moeder, een zwager en een tante als getuige laten horen door de rechtbank en meent dat uit de verklaringen van deze getuigen en uit een Whatsappbericht tussen hem en zijn zwager (overgelegd als productie 3) volgt dat door hem en mevrouw [eiser 2] de bedoelde afspraak werd gemaakt.
Mevrouw [eiser 2] is van mening dat [gedaagde] niet is geslaagd in zijn bewijsopdracht en beroept zich daarbij onder meer op de verklaringen van de getuigen in tegenverhoor (een neef van [gedaagde] en diens vriendin) en op de bij dagvaarding overgelegde geluidsopname van een gesprek tussen haarzelf en [gedaagde] van 14 oktober 2023 (productie 11).
De rechtbank ziet in hetgeen de door [gedaagde] opgeroepen getuigen hebben verklaard en het door hem overgelegde Whatsappbericht onvoldoende onderbouwing voor het bestaan van de gestelde afspraak, wanneer een en ander wordt bezien in het licht van hetgeen [gedaagde] en mevrouw [eiser 2] bespraken op 14 oktober 2023, en overweegt daartoe het volgende.
Bij de dagvaarding heeft mevrouw [eiser 2] een USB-stick overgelegd met daarop een geluidsopname van een gesprek dat zij en [gedaagde] voerden op 14 oktober 2023 over onder andere het stuklopen van hun relatie en de financiële afwikkeling daarvan. In die opname (die in totaal ruim een uur duurt) is onder meer het volgende te horen:
(…)
[minuut 5.20:]
[gedaagde] : “…Voor mij is het ook lastig hoor snap je, we zouden dit met z’n tweeën doen en nou komt in één keer alles op mijn bordje, dat is ook wel logisch want het is mijn huis maar daar had ik van tevoren niet op gerekend snap je..”
(…)
[minuut 7.20:]
[gedaagde] : “Daar zit ik nou ook echt weer mee, omdat we het eigenlijk met z’n tweeën zouden doen en nou valt alles op mijn bordje snap je, dus ik heb dadelijk sowieso ergens een dikke schuld.”
Mevrouw [eiser 2] : “maar je wist dat ik die dingen voorschoot en dat had ik toen ook gezegd van joh weet je geld van jou en”..
[gedaagde] : “ja, ja, dat wist ik wel, maar als we gewoon een langere relatie hadden gehad dan had het over een aantal jaren kunnen verspreiden, dat hadden we afgesproken snap je, maar dat is logisch dat, ja, nou is het over en dan eh…”
[gedaagde] erkent dat hij in dit gesprek dat hij voerde met mevrouw [eiser 2] niets heeft gezegd over een afspraak die er zou zijn tussen hen beiden dat mevrouw [eiser 2] de helft van de door haar betaalde verbouwingskosten (blijvend) voor haar rekening zou nemen. De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] in dit gesprek daarentegen uitdrukkelijk heeft erkend dat de betalingen door mevrouw [eiser 2] voorschotten waren die terugbetaald moesten worden. Waar [gedaagde] het in dit gesprek heeft over het ‘samen doen’ van de verbouwing bedoelt hij dus dat hij en mevrouw [eiser 2] ieder een deel van de kosten zouden voldoen, waarbij de betalingen van mevrouw [eiser 2] hadden te gelden als voorschotten die later door [gedaagde] zouden moeten worden terugbetaald omdat het zijn woning was die werd verbouwd.
In het licht van het bovenstaande (in ro. 3.21 en 3.22) overweegt de rechtbank dat indien het juist is, zoals de door [gedaagde] opgeroepen getuigen hebben verklaard, dat [gedaagde] en mevrouw [eiser 2] aan deze familieleden tijdens een gezamenlijk etentje op 5 februari 2023 en ook op andere momenten hebben laten weten ‘dat zij de verbouwing samen zouden doen’ en ‘dat mevrouw [eiser 2] ook de helft van de kosten zou betalen’, hieruit nog niet de conclusie kan worden getrokken dat [gedaagde] en mevrouw [eiser 2] daarbij doelden op een afspraak die zij zouden hebben gemaakt die inhield dat zij uiteindelijk ieder de helft zouden dragen van de kosten die mevrouw [eiser 2] zou maken voor de verbouwing, zoals [gedaagde] stelt. Overigens hebben de door mevrouw [eiser 2] als getuigen in tegenverhoor opgeroepen neef van [gedaagde] en diens vriendin, die ook bij het bewuste etentje aanwezig waren, verklaard niets te hebben meegekregen over het onderwerp verbouwing (neef) dan wel zich niet te herinneren of over dat onderwerp is gesproken (vriendin van neef).
[gedaagde] heeft zelf als getuige het volgende verklaard: “Toen mevrouw [eiser 2] bij mij in de woning trok is de verbouwing van de woning ter sprake gekomen, zij wilde dat graag. Toen is ook ter sprake gekomen dat ieder de helft van de kosten zou betalen. Dat was het voorstel van mevrouw [eiser 2] . Ik had het geld niet. Dit is voor de start van de verbouwing besproken en ook daarna is er nog verschillende keren over gesproken. Wij zouden allebei betalen en het achteraf bekijken en verdelen” en “De afspraak over de verdeling van de kosten zag op het geheel van de kosten, dus niet over specifieke kosten”.
Ook uit deze eigen verklaring van [gedaagde] , bezien in het licht van het bovenstaande (in ro. 3.21 en 3.22), blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet helder het bestaan van de te bewijzen afspraak over een gelijke verdeling van de door mevrouw [eiser 2] betaalde verbouwingskosten.
In het door [gedaagde] als productie 3 overgelegde Whatsappbericht, dat hij op 3 februari 2023 stuurde aan zijn zwager, schreef [gedaagde] : “Maar [eiser 2] betaald de helft mee omdat die er ook profijt van heeft anders zou ik sws niet verbouwen als ze niet mee zou betalen”. Voor zover [gedaagde] hiermee al heeft bedoeld tegen zijn zwager te zeggen dat hij en mevrouw [eiser 2] de afspraak hadden gemaakt dat mevrouw [eiser 2] de helft van de door haar betaalde verbouwingskosten zou dragen – wat niet heel duidelijk is in het licht van het bovenstaande (in ro. 3.21 en 3.22) – dan vormt dat nog geen bewijs voor het bestaan van die afspraak.
De conclusie luidt dat [gedaagde] niet in zijn bewijsopdracht is geslaagd.
De vordering van mevrouw [eiser 2]
Aangezien mevrouw [eiser 2] is geslaagd in haar bewijsopdracht over de door haar betaalde verbouwingskosten en [gedaagde] niet is geslaagd in zijn bewijsopdracht over de gestelde afspraak dat zij de helft van die kosten zou dragen, is de vordering van mevrouw [eiser 2] ter zake van voorgeschoten verbouwingskosten toewijsbaar tot een bedrag van (€ 34.399,31 - € 1.650,- =) € 32.749,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 december 2023 (zie ro. 5.42, 5.48 en 5.50 van het tussenvonnis van 7 mei 2025).
De vordering van mevrouw [eiser 2] ter zake schadevergoeding wegens het onbeheerd achterlaten van haar spullen op straat wordt afgewezen, evenals haar vordering tot vergoeding van gemaakte buitengerechtelijke kosten (zie ro. 5.57 en 5.59 van het tussenvonnis van 7 mei 2025).
De vordering van [eiser 2]
Zoals de rechtbank eerder heeft toegelicht, is de vordering van [eiser 2] ter zake uitgevoerde verbouwingswerkzaamheden toewijsbaar tot een bedrag van € 21.561,69, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 oktober 2023 en moet de vordering voor het overige worden afgewezen (zie ro. 5.1 en verder van het tussenvonnis van 7 mei 2025).
De proceskosten
[gedaagde] is voor wat betreft de vordering van [eiser 2] grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de door [eiser 2] gemaakte proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser 2] worden – rekening houdend met het feit dat de gemaakte kosten deels ook voor mevrouw [eiser 2] zijn gemaakt – begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
68,69
(50% van betaalde bedrag)
- griffierecht
€
662,50
(50% van betaalde bedrag)
- salaris advocaat
€
2.090,00
(2,5 punt × € 836,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
3.010,19
[gedaagde] is ook voor wat betreft de vordering van mevrouw [gedaagde] grotendeels in het ongelijk gesteld. [gedaagde] en mevrouw [eiser 2] hebben echter samengewoond en het geschil houdt verband met de relatie die zij hebben gehad. Daarom zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat ieder van hen de eigen kosten draagt.
4. De beslissing
De rechtbank
veroordeelt [gedaagde] om aan de heer [eiser 1] te betalen een bedrag van € 21.561,69, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 28 oktober 2023 tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van de heer [eiser 1] van € 3.010,19, te betalen binnen veertien dagen na dit vonnis, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] om aan mevrouw [eiser 2] te betalen een bedrag van € 32.749,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 5 december 2023 tot de dag van volledige betaling,
compenseert de kosten van de procedure tussen [gedaagde] en mevrouw [eiser 2] , in die zin dat ieder van hen de eigen kosten draagt,
wijst het meer of anders gevorderde af,
verklaart dit vonnis voor wat betreft de daarin gegeven veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op
5 augustus 2026.