RECHTBANK Oost-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/426753 / KG ZA 26-175
Vonnis in kort geding van 4 augustus 2026
in de zaak van
NIEUWE EINDHOVENSE OPVANG STICHTING,
te Eindhoven,
eisende partij,
hierna te noemen: “Neos”,
advocaat: mr. B. Poort,
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: “ [gedaagde] ”,
verschenen in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties (genummerd 1 t/m 12),- de mondelinge behandeling van 28 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2. De feiten
Achtergrond
[gedaagde] heeft voorheen een sociale woonruimte gehuurd van Woningstichting Woningbelang. Als gevolg van een forse betalingsachterstand, is Woningstichting Woningbelang een juridische procedure gestart jegens [gedaagde] en is [gedaagde] veroordeeld tot ontruiming van die woonruimte. Het ontruimingsvonnis heeft ertoe geleid dat [gedaagde] op de Signaleringslijst is geplaatst voor de duur van drie jaar.
[gedaagde] heeft zich vervolgens aangemeld bij Springplank040, zijnde een stichting die dak-
en thuisloze mensen, of mensen die dit dreigen te worden, een route biedt naar bestaanszekerheid. [gedaagde] heeft een beschikking 16D02 (Maatschappelijke opvang B Maatwerkvoorziening) en deze beschikking is door de gemeente Eindhoven toegewezen aan Springplank040. De looptijd van deze beschikking is van 16 december 2024 tot 29 augustus 2026.
Neos biedt, als onderaannemer van Springplank, de begeleiding aan [gedaagde] .
Traject begeleid wonen
In het kader van het woonbegeleidingstraject heeft Neos een woonruimte ter beschikking gesteld aan [gedaagde] . Het betreft de woonruimte staande en gelegen te ( [postcode] ) [plaats] , aan de [straat] (hierna: “de woonruimte”). De woonruimte maakt onderdeel uit van een complex dat eigendom is van Neos en wordt gebruikt als voor trainingswoningen voor cliënten.
Neos en [gedaagde] hebben in het kader van woonbegeleiding een verblijfsovereenkomst gesloten (hierna: “de woonbegeleidingsovereenkomst”).
De woonbegeleidingsovereenkomst is aangegaan voor de duur van 24 maanden, ingaande op 19 december 2024 en lopende tot en met 19 december 2026. Ten tijde van het aangaan van de woonbegeleidingsovereenkomst bedraagt de vergoeding ter zake de woonruimte € 521,52 per maand.
Bij aanvang en gedurende het begeleidingstraject zijn er op de verschillende leef- en/of aandachtsgebieden actieplannen met doelen opgesteld en besproken met [gedaagde] . Het gaat om de actieplannen op de navolgende leef- en/of aandachtsgebieden:
a. Wonen;
b. Werken en leren;
c. Financiën.
Tijdens de begeleiding zijn er fysieke contactmomenten geweest, maar ook is via WhatsApp of e-mail gecorrespondeerd.
Begin maart 2026 heeft een driegesprek plaatsgevonden tussen de trajectbegeleider van Neos, de regisseur van het Regieteam+ van de gemeente Eindhoven en [gedaagde] . Van dit driegesprek is een gesprekverslag opgesteld, dat per e-mail van 19 maart 2026 met [gedaagde] is gedeeld. Deze e-mail luidt als volgt:“(…) Zoals beloofd hierbij de rapportage die ik heb geschreven n. a.v. ons 3 gesprek vorige week bij Neos;
3 gesprek bij Neos. Traject begeleider spreekt zijn zorgen uit rondom het traject van mevrouw. Indicatie loopt nog tot augustus 2026 en een aantal zaken zijn niet geregeld door mevrouw en waardoor zij niet verder komen in het traject, Voor nu lijkt het erop dat we het traject gaan afsluiten in augustus 2026. Mevrouw moet een woonhistorie aanvragen bij de gemeente om in aanmerking te komen voor aanmelding DOOR!
Ook moet er een betalingsregeling zijn vooraf betalen huurschuld bij de corporatie waar ze
hiervoor heeft gehuurd. Dit is stopgezet sinds een paar maanden omdat mevrouw gekort wordt op haar uitkering en de aflossing nu niet kan betalen, geeft ze aan. Mevrouw geeft geenopenheid in haar financiën waardoor trajectbegeleider haar hier verder niet mee kan helpen.
Mevrouw geeft aan dat ze vanuit de Europese wetgeving recht heeft op wonen en wil graag weten wat de gemeente voor haar kan betekenen hierin. Voor nu geef ik aan dat ze een vrijwillig maatwerktraject is aangegaan en dat is wat wij bieden. Als blijkt dat de stappen, die hierin gemaakt moeten worden, niet behaald zijn, dan stopt het traject. Er wordt vanuit Neos aangeboden dat we na kunnen navragen wat de juridische verplichting is vanuit Neos en de
gemeente, ik geef hierbij aan dat ik hierover met de teamleider in gesprek ga en niet weet of
wij dit juridisch zullen gaan uitzoeken binnen de gemeente.
Traject begeleider benoemd dat mevrouw kan verhuizen naar een andere kamer in een woning waar ook een vrouw alleen woont, er was eerder al gesproken over verhuizing omdat mevrouw nu alleen in een woning verblijft waar 2 mensen mogen wonen. Mevrouw gaat
hierover nadenken”.
In reactie op de voorgaande e-mail, heeft [gedaagde] op of omstreeks 30 maart 2026 de navolgende e-mail gestuurd naar Neos, waarin zij onder meer aangeeft de gebruiksvergoeding voor maart 2026 niet te kunnen voldoen vanwege een dringende tandheelkundige behandeling. Verder geeft zij aan:“(…) Middels dit schrijven in formeer ik u over een opgelegde verplichting - de huurbetaling voor Maart 2026 - die ik, door omstandigheden buiten mijn controle, niet kan waarmaken.
Ik wend mij tot u met de dringende noodzaak tot een oplossing die recht doet aan de naleving van dwingende normen van het algemeen internationaal recht (jus cogens).
De Staat der Nederlanden heeft de onveranderlijke verplichting, voortvloeiend uit internationaal recht en verankerd in de grondwet, om ervoor te zorgen dat mijn inherent recht op leven beschermd is. Echter, word ik geconfronteerd met eisen en verwachtingen die onverenigbaar zijn met een menswaardig bestaan, zonderde financiële middelen om deze te vervullen. De omstandigheden waarin ik mij bevind, bieden mij geen reële kans op slagen en stellen mijn fundamentele rechten in gevaar. De ontvangen “hulp” is ontoereikend en in strijd met de internationale verplichtingen die de Staat der Nederlanden op zich heeft genomen.
(…)
De noodzaak tot onmiddellijke medische interventie staat mij derhalve in de weg om aan mijn gedwongen huurverplichting te voldoen.
Het gaat niet uitsluitend om de vergoeding; het gaat erom dat ik geen menswaardig bestaan
heb en dat dwingende normen van het algemeen internationaal recht door de Staat der Nederlanden aan de lopende band worden geschonden. Ik word door de Staat der Nederlanden voortdurend in levensbedreigende situaties gebracht waarin overleven een inhumane opgave vormt.
De Gemeente Eindhoven en het Uitvoeringsinstituut Neos dienen thans onmiddellijk in overeenstemming te komen met hun verplichtingen, erga omnes. Ik beroep mij derhalve
op artikel 6(1) van het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten (IVBRP), artikel 11(1) van het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (IVESCR) en artikel 12(1) van het Internationaal Verdrag inzake Economische Sociale en Culturele Rechten (IVESCR). De snelste oplossing is dat de gemeente Eindhoven de vergoeding voor maart 2026 betaald.
Ik verzoek u dringend om een onmiddellijke en adequate oplossing te bieden, waarbij mijn inherent recht op leven en een menselijk bestaan centraal staan.”
Naar aanleiding van de e-mail van [gedaagde] , heeft Neos op 31 maart 2026 geïnformeerd bij de Catharina Kerk of [gedaagde] gebruik kan maken van een fonds vanuit de kerk voor de dringende tandheelkundige behandeling. Diezelfde dag is de trajectbegeleider van Neos ook op huisbezoek geweest bij [gedaagde] om de benodigde tandheelkundige behandeling, alsmede haar financiën, te bespreken.
Neos heeft per e-mail van 23 april 2026 [gedaagde] erop gewezen dat zij stappen dient te ondernemen om haar betalingsachterstand in te lopen en dat indien de betalingsachterstand verder toeneemt, dit aanleiding kan zijn tot beëindiging van de woonbegeleidingsovereenkomst.
[gedaagde] heeft gereageerd bij e-mail van 24 april 2026, waarbij zij een beroep heeft gedaan op haar mensenrechten, maar niet heeft aangegeven welke acties zij heeft uitgevoerd of gaat uitvoeren om de betalingsachterstand in te lopen.
Vervolgens heeft er op 28 april 2026 een huisbezoek plaatsgevonden bij [gedaagde] .
Daarna heeft Neos op 4 mei 2026 een eerste waarschuwingsbrief aan [gedaagde] gestuurd.
De inhoud van deze brief luidt als volgt:
“(…) Met deze brief laten we je weten dat je een officiële waarschuwing van ons krijgt.
De reden van deze waarschuwing is tweeërlei. Op de eerste plaats constateren we dat uw
medewerking aan de opgestelde begeleidingsdoelen minimaal is en op de tweede plaats
constateren we dat uw achterstand in het voldoen van de vergoeding voor verblijf inmiddels
is opgelopen naar 3 maanden. Uw achterstand is € 1.564,56: zegge vierhonderd vier en zestig euro en zes en vijftig cent.
Concreet is het volgende al veelvuldig met u besproken:
Financiën: u stelt dat u wordt gekort door de gemeente op uw uitkering. Daarnaast stelt u dat u niet verplicht kan worden om een vergoeding aan Neos voor het verblijf in de woonruimte te betalen. U beroept zich opgestelde regels en rechten. Aan u is al meerdere keren uitgelegd waarom u de vergoeding voor het verblijf moet betalen en wat de gevolgen zijn indien u weigert die vergoeding alsnog te betalen. U weigert ook tot op heden inzicht te verstrekken in uw financiën, waaronder de schulden die u nog heeft, u wit alles zelf doen en wenst daarin geen ondersteuning;
Werken en leren. U bent al meer dan zes maanden bezig met het opstellen van een bezwaarschrift naar de Verenigde Naties waarin u een beroep wil doen op mensenrechten. Hierdoor komt u niet toe aan acties in de richting van leren en/of werken. Ook is dit telkens onderwerp van gesprek in de contactmomenten, hetgeen ook het voeren van een normaal gesprek erg moeilijk maakt;
Wonen. Uw traject is een tijdelijk traject in een trainingswoning. Dit betekent dat u in elk geval tegen het einde van het traject moet uitstromen. U staat op de Signaleringslijst vanwege een ontruiming bij een corporatie. De reden is een betalingsachterstand. U heeft de betalingsachterstand aan die corporatie tot op heden niet voldaan, hetgeen mede in de weg staat aan een uitstroming en een aanvraag voor een vervolgtraject elders.
Door middel van deze waarschuwingsbrief verwachten we concreet van u dat u:
1. De achterstand inzake vergoeding voor uw verblijf uiterlijk 25 mei 2026 volledig heeft
afgelost;
2. De termijn van juni 2026 en de daarop volgende termijn tijdig voor de eerste van de
maand aan Neos voldoet;
3. Per direct stopt met het opstellen van een bezwaarschrift en zich richt op het behalen
van uw doelen op de gebieden werken, leren, financiën en wonen, meer specifiek;
Financiën: het verlenen van inzage in uw financiën;
Werken en leren: het oriënteren op de opleiding rijinstructeur of vrachtwagen-chauffeur, zoals waar die opleiding kan worden gevolgd, per wanneer en wat de kosten hiervan zijn;
Wonen: het sluiten van een betalingsregeling met Woningbelang, het opvragen van een BRP uittreksel en het voorbereiden van een aanvraag voor verwijdering op de Signaleringslijst.
Deze waarschuwing betekent dat u bij het uitblijven van inzet voor de afgesproken doelen,
het niet nakomen van uw verplichtingen uit de verblijfsovereenkomst en/of het niet oplossen van de betalingsachterstand van uw traject in gevaar brengt.
Wij brengen de trajectregisseur van de Gemeente Eindhoven, (…), op de hoogte van deze officiële waarschuwing.
Als u zich niet houdt aan de doelen en afspraken uit uw actieplan en de gewenste betalingen
uitblijven kan dit leiden tot een volgende officiële waarschuwing of tot een directe beëindiging van de verblijfsovereenkomst en daarmee je traject bij Neos. In dat geval zal je ook niet langer het recht hebben om de woonruimte te mogen gebruiken (…)”.
Neos heeft na de waarschuwing diverse pogingen gedaan om met [gedaagde] in gesprek te komen, maar Neos heeft geen contact met haar gekregen. [gedaagde] stuurt enkel berichten aan Neos, waarin zij verwijten uit jegens Neos (en de Staat) maar geen inhoudelijke reactie geeft op de waarschuwingsbrief van Neos.
Op 11 mei 2026 heeft Neos uiteindelijk toch telefonisch contact gekregen met [gedaagde] . Tijdens dit telefoongesprek ging [gedaagde] wederom niet inhoudelijk in op de waarschuwingsbrief van Neos.
Vervolgens heeft Neos besloten om de zaak aan haar advocaat over te dragen en deze de opdracht te verstrekken om “de einde traject mededeling” te versturen. Op 27 mei 2026 is door de advocaat van Neos namens Neos de woonbegeleidings-overeenkomst per 1 juni 2026 tussentijds beëindigd. In dit bericht is aan [gedaagde] verzocht aan te geven of zij uiterlijk binnen 14 dagen na dagtekening van de e-mail de woonruimte vrijwillig zal verlaten.
[gedaagde] heeft op 1 juni 2026 een reactie per e-mail gestuurd aan de advocaat van Neos, waarin zij wederom spreekt van een onwettelijke schending van (internationale) wetten en regelgeving, maar waarin zij geen inhoudelijke reactie geeft.
Omdat [gedaagde] weigert om te bevestigen dat zij per 10 juni 2026 de woonruimte verlaat, is Neos onderhavige procedure gestart.
3. Het geschil
Neos vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde] veroordeelt om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, althans een termijn door u voorzieningenrechter gezien alle feiten en omstandigheden in redelijkheid te bepalen, de zelfstandige woonruimte staande en gelegen te ( [postcode] ) [plaats] , aan de [straat] , met alle daarin aanwezige personen en goederen, voor zover deze laatste niet het eigendom zijn van Neos, te ontruimen en ontruimd te houden alsmede niet opnieuw in gebruikte nemen en schoon en zonder schade en met afgifte van de sleutels ter vrije beschikking aan Neos te stellen;
II. [gedaagde] veroordeelt om aan Neos te voldoen een bedrag van € 2.607,60, zijnde de betalingsachterstand tot en met juli 2026, vermeerderd met de wettelijk rente ex artikel 6:119 BW, vanaf de datum waarop de betaling had moeten zijn verricht, te weten vanaf de eerste dag van de periode waarop de betaling betrekking heeft, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de datum der algehele voldoening;
III. [gedaagde] veroordeelt om aan Neos te voldoen de per maand verschuldigde vergoeding ad € 521,52, gerekend vanaf augustus 2026 tot aan het tijdstip van ontruiming, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, vanaf de datum waarop de betaling had moeten zijn verricht, te weten vanaf de eerste dag van de periode waarop de betaling betrekking heeft, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de datum der algehele voldoening;
IV. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis en, voor het geval betaling daarvan niet binnen die termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf die termijn voor voldoening.
Neos legt aan de vordering het volgende ten grondslag.
Primaire grondslag tot ontruiming: verblijf in de woning zonder recht of titel
Na het eindigen van de woonbegeleidingsovereenkomst per 1 juni 2026, heeft [gedaagde] jegens Neos zonder recht of titel de woonruimte in gebruik.
Subsidiaire grondslag tot ontruiming: geen geslaagd beroep op huurbescherming
In deze zaak geldt volgens Neos dat de woonbegeleiding een overheersend element is in de woonbegeleidingsovereenkomst en dat deze rechtsgeldig tussentijds is beëindigd op grond van artikel 7 lid 3 sub a, c, e en/of g, althans lid 4 van de woonbegeleidings-overeenkomst. Hierbij is relevant dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de woonbegeleidingsovereenkomst, artikel 7:213 BW en de in de waarschuwingsbrief opgenomen (nadere) afspraken.
Meer concreet geldt dat de woonbegeleidingsovereenkomst tussentijds is beëindigd doordat zij, ondanks mondelinge en schriftelijke waarschuwingen:
Stelselmatig de vergoeding voor de woonruimte niet, althans niet tijdig, voldoet aan Neos alsmede een forse betalingsachterstand heeft laten ontstaan;
Geen stappen zet om een inkomen uit werk te verkrijgen;
Geen inzicht aan Neos verstrekt in haar financiën, waaronder de schulden die zij nog heeft;
Geen stappen zet op het aandachtsgebied wonen, zoals het inlopen van de betalingsachterstand bij Woningbelang, hetgeen mede in de weg staat aan een uitstroming en een aanvraag voor een vervolgtraject elders.
Voormelde gedragingen leiden ertoe dat [gedaagde] de stap die zij moet zetten om tot een geslaagd woonbegeleidingstraject te komen en daarmee een geslaagde uitstroming naar een vervolgtraject, niet, althans niet binnen afzienbare tijd, zal kunnen zetten.
Van [gedaagde] mag worden verwacht dat zij de woonruimte uitsluitend voor zichzelf gebruikt en ten behoeve van woonbegeleiding, de vergoeding voor de woonruimte aan Neos voldoet, afspraken met Neos nakomt, toegang tot de woonruimte verleent aan medewerkers van Neos, zich begeleidbaar opstelt en ook op afspraken bij Neos aanwezig is. Hierin is [gedaagde] te kort geschoten. De wijze waarop [gedaagde] zich heeft gedragen is in strijd met de bepalingen uit- en het doel van de woonbegeleidingsovereenkomst.
Onder deze omstandigheden kan van Neos in alle redelijkheid niet verwacht worden dat zij de woonbegeleiding voortzet. Neos heeft daarom de woonbegeleidingsovereenkomst op terechte gronden beëindigd. Op basis van voormelde omstandigheden, rechtspraak en op grond van artikel 6:215 BW komt [gedaagde] geen beroep toe op huurrechtelijke beschermingsbepalingen, aldus Neos.
Meer subsidiair: tekortkoming in de nakoming van betalingsverplichtingen
[gedaagde] heeft ondanks de inzet van de woonbegeleiding laten zien dat zij op dit moment niet bereid of in staat is om betalingsafspraken na te komen. Sinds februari 2026 wordt de vergoeding voor de woonruimte niet of niet tijdig voldaan. De betalingsachterstand bedraagt tot en met juli 2026 € 2.607,60. Ook hierdoor staat vast dat [gedaagde] in de nakoming van haar verplichtingen jegens Neos tekort is geschoten, dusdanig dat dit
een ontbinding van de overeenkomst en ontruiming van de woonruimte rechtvaardigt.
Spoedeisend belang en belangenafweging
Neos heeft een spoedeisend belang bij ontruiming omdat zij de woonruimte dan weer aan een andere cliënt ter beschikking kan stellen. Er zou volgens Neos ook een verkeerd signaal worden afgegeven als deze situatie zou worden toegestaan.
Ook een belangenafweging dient volgens Neos in haar voordeel uit te vallen.
[gedaagde] voert verweer tijdens de mondelinge behandeling, maar dit ziet niet op de inhoud van de vordering. [gedaagde] stelt dat voor deze kort gedingprocedure geen legitieme rechtsgrond bestaat, omdat haar overlevingsbestaansrecht wordt aangevallen. Hier “doet zij niet aan mee”. Volgens haar is deze procedure een aanval van de staat op de mens, wat in strijd is met de jus cogens-norm en de minimale core-verplichting van de staat, die aan haar onderdanen adequate huisvesting, kleding en voeding dient te verstrekken.
[gedaagde] stelt onder meer dat Neos en de voorzieningenrechter met dit kort geding een inbreuk plegen op artikel 6(1) van het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten (IVBRP), artikel 11(1) van het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (IVESCR) en artikel 12(1) van het Internationaal Verdrag inzake Economische Sociale en Culturele Rechten (IVESCR).
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Toepasselijkheid Nederlands recht
Allereerst verdient opmerking dat [gedaagde] geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd tegen de vorderingen van Neos. [gedaagde] is wel verschenen op de mondelinge behandeling, maar heeft aangegeven dat zij “niet mee doet” omdat voor deze kort gedingprocedure geen legitieme rechtsgrond zou bestaan. [gedaagde] heeft zich beroepen op allerlei internationale verdragsrechtelijke bepalingen. Meer in het bijzonder heeft zij een beroep gedaan op de jus cogens norm (een vermeende strijdigheid met een dwingende norm van algemeen internationaal recht). Volgens [gedaagde] zal het toewijzen van de vordering tot ontruiming van Neos haar en haar twintigjarige dochter (die geen vaste woon- of verblijfplaats heeft) dakloos maken. Hierdoor worden zij en haar dochter direct geraakt in hun overlevingsbestaansrecht, aldus [gedaagde] .
De voorzieningenrechter overweegt over het verweer van [gedaagde] het volgende.
Het beroep van [gedaagde] op allerlei internationale verdragen, meer in het bijzonder op de jus-cogensnorm, leidt er niet toe dat [gedaagde] kan worden vrijgesteld van de Nederlandse wet- en regelgeving. Immers, als de vordering tot ontruiming wordt toegewezen, betekent dit op zichzelf niet dat sprake is van schending van een dwingende norm van algemeen internationaal recht, zelfs niet als [gedaagde] onverhoopt dakloos zal raken. Het beroep op de jus-cogensnorm is daarvoor onvoldoende geconcretiseerd en wordt daarom verworpen.
Inhoudelijke beoordeling
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat Neos daarbij een voldoende spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
Neos heeft voldoende spoedeisend belang bij de gevorderde ontruiming. Zij stelt dat de woonbegeleidingsovereenkomst met [gedaagde] is beëindigd en dat [gedaagde] op dit moment zonder recht of titel in de woonruimte verblijft. Van Neos kan niet worden gevergd dat zij die gestelde onrechtmatige situatie in afwachting van de uitkomst van een bodemprocedure laat voortduren.
Kern van dit kort geding is de vraag of Neos de woonbegeleidingsovereenkomst rechtsgeldig heeft beëindigd. Uitgangspunt daarbij is dat die woonbegeleidings-overeenkomst kwalificeert als een gemengde overeenkomst in de zin van artikel 6:215 BW. De overeenkomst bevat zowel een zorgelement in de vorm van het begeleiden van [gedaagde] naar zelfstandig wonen en een element van huur nu aan [gedaagde] tegen betaling van een maandelijkse vergoeding een woonruimte ter beschikking is gesteld. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn beide elementen onlosmakelijk met elkaar verbonden; het is niet mogelijk om de woonbegeleidingsovereenkomst te splitsen in een afzonderlijke zorg- en huurovereenkomst.
Gelet op de inhoud en strekking van de woonbegeleidingsovereenkomst moet het zorgelement als overheersend worden aangemerkt ten opzichte van het huurelement. Het was uitdrukkelijk de bedoeling van partijen om de woonruimte uitsluitend aan [gedaagde] ter beschikking te stellen in het kader van het woonbegeleidingstraject. Dat is door [gedaagde] verder ook niet weersproken.
Omdat het zorgelement overheersend is geldt dat de dwingendrechtelijke huurbescherming ten aanzien van het beëindigen van de huurovereenkomst niet van toepassing is.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende aannemelijk dat Neos onder de gegeven omstandigheden de woonbegeleidingsovereenkomst in ieder geval op grond van artikel 7 lid 3 onder a. mocht beëindigen. Dit artikel luidt als volgt:
“3. Neos is in ieder geval gerechtigd om de begeleiding c.q. de uitvoering van het actieplan en de verblijfsovereenkomst met onmiddellijke ingang, zonder nadere ingebrekestelling en/of rechterlijke tussenkomst en/of een vereiste van verzuim van cliënt, te beëindigen indien zich een of meerdere van de volgende situaties voordoet:
a. indien cliënt de verplichtingen uit de verblijfsovereenkomst en de aard daarvan, het actieplan en/of de beschikking voor de eigen bijdrage en/of indicatie voor zorg en verblijf niet nakomt en/of niet begeleidbaar of veranderingsbereid blijkt te zijn en/of geen blijk ervan geeft serieus bereid te zijn om de begeleiding te accepteren en op te volgen;”
Kort samengevat geeft voornoemd artikel Neos de bevoegdheid om de overeenkomst te beëindigen als [gedaagde] zich niet conformeert aan de overeenkomst. Voldoende aannemelijk is dat die situatie zich voordoet. [gedaagde] blijkt niet begeleidbaar te zijn en schiet structureel tekort in haar verplichting om voor de eerste van de betreffende maand aan Neos maandelijks een vergoeding te betalen voor het gebruik van de woonruimte. Neos stelt immers onweersproken dat [gedaagde] geen stappen zet om een inkomen uit werk te verkrijgen, omdat zij al haar tijd besteedt aan het opstellen van bezwaarschriften tegen de staat en dat zij geen stappen zet op het aandachtsgebied wonen.
Inmiddels is ook sprake van een aanzienlijke betalingsachterstand die ten tijde van de mondelinge behandeling van dit kort geding was opgelopen tot € 2.607,60, oftewel vijf maanden. Neos heeft die achterstand voldoende onderbouwd door als productie 6 bij dagvaarding de cliëntkaart van [gedaagde] in het geding te brengen, waarop een gedetailleerd betalingsoverzicht vermeld staat. Uit dit overzicht blijkt dat [gedaagde] slechts twee van de zeven verschuldigde maandvergoedingen aan Neos heeft voldaan. Verder heeft [gedaagde] , zoals Neos tijdens de mondelinge behandeling onweersproken heeft gesteld, de maandvergoeding van februari 2026 pas in maart 2026 (dus te laat) onder protest betaald, met de opmerking “All rights reserved”.
[gedaagde] heeft niet gesteld en ook niet aannemelijk gemaakt dat zij niet gehouden zou zijn om de openstaande maandbedragen aan Neos te betalen.
Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat [gedaagde] evident tekort is geschoten in de nakoming van haar (betalings)verplichtingen uit hoofde van de woonbegeleidings-overeenkomst. Die tekortkoming rechtvaardigt op zichzelf al de beëindiging van de woonbegeleidingsovereenkomst door Neos op grond van artikel 7.
Nu voldoende aannemelijk is dat Neos de woonbegeleidingsovereenkomst rechtsgelding heeft beëindigd, geldt dat [gedaagde] zonder recht of titel in de woonruimte verblijft. De vordering tot veroordeling van [gedaagde] om de woonruimte te ontruimen is daarmee in beginsel toewijsbaar.
Afweging van de wederzijdse belangen leidt niet tot een ander oordeel. Neos heeft - mede gelet op de zeer aanzienlijke betalingsachterstand - een zwaarwegend belang om over de woonruimte te kunnen beschikken zodat zij deze aan een andere cliënt ter beschikking kan stellen. Neos heeft er ook belang bij om een duidelijk signaal af te geven aan andere cliënten dat de gemaakte afspraken dienen te worden nagekomen.
Neos heeft [gedaagde] diverse kansen gegeven om alsnog te voldoen aan de uit de woonbegeleidingsovereenkomst voor [gedaagde] voortvloeiende verplichtingen maar zij is deze stelselmatig en op ondeugdelijke gronden niet nagekomen. Het belang van [gedaagde] bij behoud van de woonruimte weegt daar niet tegenop. Niet is gebleken van een noodsituatie aan de zijde van [gedaagde] waardoor zij haar verplichtingen niet zou kunnen nakomen, waaronder de verplichting om de betalingsachterstand in te lopen en om toekomstige maandelijkse vergoedingen tijdig en volledig te betalen. Zij heeft het erop laten aankomen dat Neos tot deze procedure heeft moeten overgaan. Dat toewijzing van de vordering tot ontruiming tot gevolg kan hebben dat [gedaagde] zelf dakloos wordt, heeft de voorzieningenrechter bij de weging van de belangen meegewogen.De meerderjarige dochter die dakloos is en op dit moment bij [gedaagde] in de woning verblijft, is onvoldoende reden om de vordering tot ontruiming af te wijzen. De woning is namelijk een trainingswoning voor [gedaagde] zelf, dus er mogen volgens de woonbegeleidingsovereenkomst geen “derden” in de woning verblijven, zoals Neos tijdens de mondelinge behandeling heeft toegelicht. De andere (minderjarige) kinderen van [gedaagde] verblijven bij hun vader.
[gedaagde] zal daarom worden veroordeeld om de woonruimte te ontruimen binnen één maand na betekening van dit vonnis. Die ontruimingstermijn acht de voorzieningenrechter onder de gegeven omstandigheden redelijk.
Nu de door Neos gevorderde betalingsachterstand voldoende aannemelijk is geworden, en voldoende samenhang heeft met de hoofdvordering tot ontruiming, zal ook die vordering als nevenvordering worden toegewezen.
Ook de vordering om [gedaagde] te veroordelen om de vergoeding vanaf augustus 2026 tot de datum van ontruiming te betalen, zal worden toegewezen, omdat voldoende grond bestaat om aan te nemen dat [gedaagde] die termijnen niet zal betalen.
De wettelijke rente zal worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van Neos worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
153,02
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
Totaal
€
2.065,02
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
veroordeelt [gedaagde] om binnen één maand na betekening van dit vonnis de zelfstandige woonruimte staande en gelegen te de zelfstandige woonruimte staande en gelegen te ( [postcode] ) [plaats] , aan de [straat] , met alle daarin aanwezige personen en goederen, voor zover deze laatste niet het eigendom zijn van Neos, te ontruimen en ontruimd te houden alsmede niet opnieuw in gebruikte nemen en schoon en zonder schade en met afgifte van de sleutels ter vrije beschikking aan Neos te stellen;
veroordeelt [gedaagde] om aan Neos te voldoen een bedrag van € 2.607,60, zijnde de betalingsachterstand tot en met juli 2026, vermeerderd met de wettelijk rente ex artikel 6:119 BW, vanaf de datum waarop de betaling had moeten zijn verricht, te weten vanaf de eerste dag van de maand waarop de betaling betrekking heeft;
veroordeelt [gedaagde] om aan Neos te voldoen de per maand verschuldigde vergoeding ad € 521,52, gerekend vanaf augustus 2026 tot aan het tijdstip van ontruiming, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, vanaf de datum waarop de betaling had moeten zijn verricht, te weten vanaf de eerste dag van de maand waarop de betaling betrekking heeft;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.065,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. T. Zuidema en in het openbaar uitgesproken door mr. W. Schoorlemmer op 4 augustus 2026.