ECLI:NL:RBOBR:2026:5980

ECLI:NL:RBOBR:2026:5980

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 21-08-2026
Datum publicatie 19-08-2026
Zaaknummer 26/1002
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Omgevingsvergunning voor het plaatsen van luchtwassystemen. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, maar laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eiseres

Samenvatting

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 26/1002 OWMIL

(gemachtigde: mr. G.J.M. de Jager),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Reusel-De Mierden, het college

(gemachtigden: E.L.A. Kramer, J.B.G. Simons en E.F.T. Smets-Wolters).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam] uit [woonplaats] (derde-partij).

(gemachtigde mr. A.A.M. van Hoorn).

1. Deze uitspraak gaat over de aan eiseres verleende omgevingsvergunning voor het plaatsen van nieuwe luchtwassystemen op de aanwezige varkensstallen op de locatie [adres] in [vestigingsplaats] . Eiseres is het niet eens met een van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft de omgevingsvergunning op 8 april 2025 aangevraagd. Het college heeft de omgevingsvergunning met het bestreden besluit van 24 februari 2026 verleend.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De derde-partij heeft ook schriftelijk gereageerd.

De rechtbank heeft het beroep op 12 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres de heer [naam] , de gemachtigde van eiseres, de gemachtigden van het college, de derde-partij en de gemachtigde van de derde-partij.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit

3. Met het bestreden besluit is een omgevingsvergunning verleend voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder b, van de Omgevingswet en artikel 3.201 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). De omgevingsvergunning is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als bedoeld in paragraaf 16.5.3 van de Omgevingswet. Een ontwerpbesluit tot weigering van de omgevingsvergunning heeft tussen 22 september 2025 en 3 november 2025 ter inzage gelegen. Eiseres heeft hiertegen zienswijzen ingediend. Naar aanleiding van de zienswijzen zijn er volgens het college geen weigeringsgronden meer en heeft het de omgevingsvergunning verleend.

Het college heeft onder meer voorschrift 1.3.1 aan de omgevingsvergunning verbonden. Dit voorschrift luidt als volgt: “Uiterlijk zes maanden nadat de vergunning in werking is getreden moeten de luchtwassystemen gerealiseerd en in werking zijn.”

Heeft het college voorschrift 1.3.1 kunnen stellen?

4. Eiseres voert aan dat de termijn van zes maanden uit voorschrift 1.3.1 onterecht is gesteld en dat die termijn te kort is. Het college heeft nagelaten te motiveren waarom er voor een termijn van zes maanden is gekozen. Volgens eiseres volgt de gestelde termijn niet uit een wettelijk voorschrift of daartoe strekkend beleid zoals de “Handreiking passende beoordeling luchtwassers” van de provincie Noord-Brabant van december 2023. Eiseres wijst op artikel 8.18 van de Wet milieubeheer (oud), waar een termijn van drie jaar was opgenomen voordat een vergunning voor een inrichting vervalt. Thans is in artikel 5.40, tweede lid, onder b, van de Omgevingswet opgenomen dat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning kan intrekken als gedurende een jaar of een in de vergunning bepaalde langere termijn geen activiteiten zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning. Hieruit maakt eiseres op dat de wetgever reeds heeft beoordeeld dat het in het algemeen evenredig is als er in ieder geval een termijn van een jaar wordt gehanteerd voor het verrichten van activiteiten met gebruikmaking van de vergunning. Volgens eiseres is het in dit geval redelijk om de realisatietermijn te zetten op 1 januari 2030. Eiseres wijst daarbij op de “Aanpak vermindering ammoniakemissie veehouderijen” van de provincie Noord-Brabant. Daaruit volgt dat bestaande huisvestingssystemen in weerwil van artikel 3.98 van de Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant pas vanaf 1 januari 2030 mogelijk aangepast moeten worden. Het huisvestingssysteem van eiseres valt hieronder, aldus eiseres. Verder merkt eiseres op dat er te veel onduidelijkheid is over de vraag hoe de vergunde luchtwassers zich verhouden tot de daaraan door de provincie te stellen eisen op grond van de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Op 14 mei 2026 is er een wijziging van de Omgevingsverordening Noord-Brabant openbaar gemaakt die ziet op de ammoniakreductie en welke luchtwassystemen hiervoor geschikt zijn. De vergunde luchtwassers van eiseres staan niet op de lijst van toegestane luchtwassystemen. Hiervoor is de overgangsregeling nog in de maak, omdat deze wijziging meerdere ondernemingen raakt. Het is nog niet bekend hoe de tekst van de overgangsregeling zal luiden. Daarom kan van eiseres niet worden verwacht dat zij nu al investeringen in de luchtwassers pleegt. Bovendien volgt de noodzaak om deze luchtwassers aan te vragen uit het feit dat een eerdere aanvraag om een omgevingsvergunning, waarin nieuwe luchtwassers waren opgenomen, ten onrechte door het college niet is verleend. Tegen die weigering lopen nog civiele procedures. Ook vanwege die onzekerheid kan op dit moment niet van eiseres worden verlangd dat zij al investeringen pleegt. Het voorschrift is daarmee onevenredig. Tot slot heeft eiseres met het college de afspraak gemaakt dat zij wacht met het aanvragen van de omgevingsvergunning voor het bouwen van de luchtwassers tot de thans verleende omgevingsvergunning onherroepelijk is geworden. Het als voorschrift opnemen van de korte realisatietermijn is een complete verrassing voor eiseres geweest. De termijn van zes maanden is te kort om tijdig over een omgevingsvergunning voor het bouwen te kunnen beschikken.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de bestaande luchtwassers niet goed functioneren, waardoor het zeer aannemelijk is dat er sprake is van emissies naar de omgeving. Voor de bestaande veebezetting wordt niet voldaan aan de noodzakelijke emissiebeperkende voorzieningen. Het college heeft voorschrift 1.3.1 opgenomen om te borgen dat de plaatsing van de nieuwe luchtwassers daadwerkelijk plaats zou vinden. Het college wijst op zijn beleidsvrijheid om voorschriften aan een vergunning te verbinden ter bescherming van het milieu en de omgeving. De termijn van zes maanden is volgens het college haalbaar. Het college heeft hierover bij meerdere leveranciers van luchtwassers informatie ingewonnen. De door eisers benoemde termijnen uit de Wet milieubeheer en Omgevingswet zien niet op een realisatietermijn voor de vergunninghouder. Het is de termijn waarna het bevoegde gezag een niet gerealiseerde vergunning kan intrekken. Verder is de provincie Noord-Brabant in deze procedure geen partij, en daarmee staat de toetsing aan de eisen uit de Omgevingsverordening Noord-Brabant hier niet ter discussie. De vergunde luchtwassers zijn door eiseres aangevraagd en op die aanvraag heeft het college beslist. Het had op de weg van eiseres gelegen om na vergunningverlening door te gaan met de plaatsing van de luchtwassers. Het tijdig actie ondernemen om een aangevraagde vergunning uit te kunnen voeren, mag tot de verantwoordelijkheid van een ondernemer worden gerekend. Voorbereiding van de uitvoering leidt niet tot een situatie die onomkeerbare gevolgen heeft en grote kosten met zich meebrengt.

De rechtbank stelt vast dat het college, zoals eiseres terecht stelt, heeft nagelaten de termijn van zes maanden uit voorschrift 1.3.1 in het bestreden besluit te motiveren. De rechtbank acht de termijn van zes maanden uit voorschrift 1.3.1 kort, en het is de rechtbank ook niet gebleken dat het stellen van een dergelijke korte termijn gebruikelijk is in omgevingsvergunningen voor luchtwassers. Dat rechtvaardigt een motivering van de termijn. Dat de korte termijn volgens het college geen verassing voor eiseres kon zijn, daarbij verwijzend naar de lopende handhavingsprocedure over de bestaande luchtwassystemen van eiseres die niet in overeenstemming zijn met de vergunde situatie en de geuroverlast die omwonenden ervaren, betekent niet dat het college kon nalaten voorschrift 1.3.1 te motiveren. Het college had zijn motivering in het bestreden besluit moeten opnemen. Daarom slaagt de beroepsgrond van eiseres op dit punt. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen, voor zover het ziet op voorschrift 1.3.1.

5. In zijn verweerschrift en ter zitting heeft het college de termijn uit voorschrift 1.3.1 alsnog gemotiveerd. De rechtbank zal hierna onderzoeken of de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Zij zal in dit kader aan de hand van de gronden van eiseres beoordelen of het college de termijn van zes maanden heeft kunnen stellen.

De rechtbank is van oordeel dat het college voorschrift 1.3.1 heeft kunnen stellen. Naar het oordeel van de rechtbank is voorschrift 1.3.1 namelijk niet in strijd met artikel 5.40, tweede lid, onder b, van de Omgevingswet. Dat artikel bepaalt dat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning kan intrekken als gedurende een jaar of een in de vergunning bepaalde langere termijn geen activiteiten zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning. De bevoegdheid uit artikel 5.40 van de Omgevingswet om een omgevingsvergunning in te trekken, staat los van de realisatietermijn uit voorschrift 1.3.1. Bovendien doet voorschrift 1.3.1 niet af aan de termijn van één jaar voordat tot intrekking kan worden overgegaan, zoals bepaald in artikel 5.40 van de Omgevingswet. De vrees van eiseres dat het college direct de omgevingsvergunning intrekt wanneer zij de luchtwasser niet binnen zes maanden heeft gerealiseerd is dus ongegrond, omdat artikel 5.40, tweede lid, onder b, van de Omgevingswet daaraan in de weg staat.

De rechtbank heeft verder begrip voor de situatie waarin eiseres verkeert. Het plaatsen van de vergunde luchtwassers vraagt om een niet-geringe financiële inspanning van eiseres, terwijl er tegelijkertijd twijfel bestaat over de effectiviteit en de mate van emissiereductie van het luchtwassysteem dat eiseres wil toepassen. Om die reden is dit type luchtwassysteem ook niet opgenomen op de “menukaart” neergelegd in Bijlage VI bij de Omgevingsverordening Noord-Brabant en waar artikel 3.98 van die Omgevingsverordening naar verwijst. Dat betekent dat eiseres met de vergunde luchtwassers mogelijk niet voldoet aan de bepalingen uit de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Eiseres wil voorkomen binnen afzienbare termijn opnieuw te moeten investeren in andere luchtwassers, en dat is logisch. Eiseres heeft echter zelf dit type luchtwasser aangevraagd, terwijl de twijfels over de effectiviteit en de mate van emissiereductie van het luchtwassysteem op dat moment al bekend waren. Bovendien heeft eiseres ter zitting aangegeven dat ook wanneer de realisatietermijn zou zijn gesteld op drie jaar, zoals door eiseres verzocht, de aangevraagde luchtwassers mogelijk niet worden gerealiseerd.

Tegenover het belang van eiseres staat het belang van de derde-partij en dat van de andere omwonenden. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft in de uitspraak van 17 maart 2025 al geoordeeld dat de lasten onder dwangsom die het college aan eiseres heeft opgelegd om kortgezegd de emissiepunten van de bestaande luchtwassers in overeenstemming te brengen met de vergunde situatie en de luchtwassystemen in werking te brengen en te houden, overeind konden blijven. Juist naar aanleiding van die procedure heeft eiseres de nieuwe luchtwassers aangevraagd, om de gevolgen van het voortduren van de overtreding voor de omgeving te voorkomen. Voor de rechtbank staat daarmee vast dat eiseres geuroverlast veroorzaakt, en die geuroverlast is voor het college aanleiding geweest om voorschrift 1.3.1 te stellen. De rechtbank acht de termijn in voorschrift 1.3.1 kort, maar onder deze omstandigheden en gezien de gehele voorgeschiedenis niet onevenredig. Dat de termijn van zes maanden nooit haalbaar zou zijn, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt. Dat eiseres een afspraak heeft met het college dat zij pas de omgevingsvergunning voor het bouwen van de nieuwe luchtwassers zou aanvragen nadat de onderhavige omgevingsvergunning onherroepelijk is, heeft zij niet aangetoond. Het college betwist die afspraak, en stelt dat slechts is afgesproken dat eiseres de omgevingsvergunning voor het bouwen van de nieuwe luchtwassers zou aanvragen zodra de onderhavige omgevingsvergunning was verleend.

6. Gelet op het voorgaande, heeft het college voorschrift 1.3.1 kunnen stellen. De rechtbank zal daarom de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand laten. Dat betekent dat eiseres, ingevolge voorschrift 1.3.1, uiterlijk op 28 augustus 2026 de luchtwassystemen gerealiseerd en in werking moet hebben. Ter zitting heeft eiseres aangegeven dat zij de omgevingsvergunning voor het bouwen van de luchtwassers inmiddels heeft aangevraagd. De rechtbank gaat er daarom van uit dat eiseres op korte termijn stappen kan zetten om de luchtwassers te realiseren. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om ambtshalve door middel van het treffen van een voorlopige voorziening de termijn uit voorschrift 1.3.1 te verlengen. Als het college in de toekomst handhavend optreedt tegen eiseres omdat zij voorschrift 1.3.1 overtreedt, dan kan eiseres daar op dat moment tegen dat handhavingsbesluit rechtsmiddelen aanwenden.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit, voor zover het ziet op voorschrift 1.3.1. Maar de rechtbank laat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.

Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt zij ook een vergoeding van haar proceskosten.

Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,-, omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 24 februari 2026, voor zover het ziet op voorschrift 1.3.1;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- bepaalt dat het college het griffierecht van € 397,- aan eiseres moet vergoeden;

- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Grimbergen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.A.B. Elsman, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R. Grimbergen

Griffier

  • mr. M.J.A.B. Elsman

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl STAB-OGR-Updates.nl 2026-0199
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand