RECHTBANK OOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: 12301222 \ CV EXPL 26-4160
Vonnis in kort geding van 24 augustus 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. N. Roovers,
tegen
SHIZEN B.V.,
te 's-Hertogenbosch ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Shizen ,
gemachtigde: mr. B.C. van Bekkum.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 22,
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 4,- de mondelinge behandeling van 10 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is de datum voor uitspraak bepaald.
2. De feiten
[eiser] is eerst op 4 augustus 2020 in dienst getreden bij Shizen op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot en met aanvankelijk 3 augustus 2021 . Deze arbeidsovereenkomst is op 15 oktober 2020 beëindigd met wederzijds goedvinden.
Op 7 juni 2021 is [eiser] wederom dienst getreden van Shizen op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot en met 31 december 2021 . Na 31 december 2021 is [eiser] feitelijk blijven doorwerken voor Shizen .
Tussen partijen is een nieuwe arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gesloten met ingang van 20 juni 2022 tot en met 19 juni 2023 . Na 19 juni 2023 is [eiser] voor Shizen blijven werken tot en met mei 2024 .
Vervolgens is met ingang van 27 juni 2024 opnieuw een schriftelijke arbeidsovereenkomst tussen partijen overeengekomen tot en met 26 juni 2025 . Op deze overeenkomst is de cao voor het horeca- en aanverwante bedrijf van toepassing (hierna: de cao).
Wederom is [eiser] na de einddatum van de arbeidsovereenkomst feitelijk blijven doorwerken voor Shizen . [eiser] heeft tot en met 29 maart 2026 voor Shizen gewerkt.
[eiser] is daarna naar China gereisd. [eiser] is op 8 mei 2026 in China betrokken geraakt bij een auto-ongeluk en heeft zich op 10 mei 2026 ziekgemeld bij Shizen .
Over de periode vanaf 1 april 2026 tot en met de datum van de mondelinge behandeling heeft [eiser] geen loon ontvangen van Shizen . Evenmin is [eiser] opgeroepen door de bedrijfsarts.
3. Het geschil
[eiser] vordert – samengevat - dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Shizen veroordeelt om aan [eiser] te betalen het tussen partijen geldende (bruto) maandloon vanaf 1 april 2026 tot 8 mei 2026 . Vanaf 8 mei 2026 tot aan de dag van het rechtsgeldig eindigen van de arbeidsovereenkomst dan wel tot aan de dag dat [eiser] weer arbeidsgeschikt is vordert [eiser] betaling van het op grond van de cao dan de wel de wet geldende loondoorbetalingspercentage tijdens ziekte. Vanaf het moment dat [eiser] weer arbeidsgeschikt is vordert hij doorbetaling van het tussen partijen geldende (bruto)maandloon. Dit alles te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente vanaf de respectievelijke vervaldata. Daarnaast vordert [eiser] afgifte van deugdelijke bruto-nettospecificaties over voornoemde periode, aanmelding bij de arbodienst en toelating tot de bedongen arbeid zodra hij arbeidsgeschikt is dan wel tot passende re-integratiewerkzaamhedem, alles op straffe van een dwangsom en met veroordeling van Shizen in de kosten van de procedure.
Aan zijn vordering heeft [eiser] - kort gezegd - ten grondslag gelegd dat Shizen gehouden is tot nakoming van haar betalingsverplichtingen uit hoofde van de arbeidsovereenkomst. [eiser] heeft recht op loondoorbetaling tijdens vakantie en ziekte. Daarmee is Shizen in gebreke gebleven, aangezien vanaf april 2026 geen loon meer is uitbetaald. Omdat het verschuldigde loon niet is voldaan, heeft [eiser] recht op de wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de wettelijke rente. Ook heeft [eiser] recht op afgifte van deugdelijke loonspecificaties, aanmelding bij de bedrijfsarts en toelating tot re-integratie.
Shizen voert verweer. Shizen concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
Shizen voert daartoe het volgende aan. [eiser] heeft op 20 maart 2026 mondeling zijn ontslag ingediend om te gaan reizen in China . [eiser] had daarvoor meerdere malen met tussenpozen tijdelijk voor Shizen gewerkt. Er was geen enkele aanleiding om te twijfelen aan de mededeling van [eiser] dan wel dat die mededeling gedaan zou zijn in een emotionele opwelling. De periode tussen 30 maart 2026 (einde van het dienstverband) en de datum ongeval ( 8 mei 2026 ) is dermate lang dat redelijkerwijs eerder aangenomen kan worden dat hier sprake is van een langdurige reis na het eindigen van het dienstverband dan van een vakantie. Het gaat om 40 dagen (5,71 weken). Op 26 mei 2026 is Shizen gebeld door het UWV omdat [eiser] een WW/ZW uitkering had aangevraagd en het UWV wilde verifiëren of [eiser] zelf zijn dienstverband had opgezegd of dat hij door Shizen was ontslagen. Deze feiten onderschrijven volgens Shizen dat [eiser] zelf ontslag heeft genomen maar dat hij vanwege de afwijzing van een uitkering alsnog probeert om de arbeidsovereenkomst te herstellen. In een gesprek op 3 juni 2026 heeft [eiser] ook aan Shizen gevraagd om de arbeidsovereenkomst met terugwerkende kracht te herstellen zodat [eiser] bij het einde van het contract op 27 juni 2026 een uitkering bij het UWV kon aanvragen. [eiser] heeft daarmee erkend dat er dus geen arbeidsrelatie meer was tussen partijen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Geldigheid dagvaarding
De kantonrechter stelt vast dat de dagvaarding niet aan Shizen is betekend. Op grond van artikel 255 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kunnen partijen afwijken van het procesrecht door vrijwillig ter terechtzitting van de kantonrechter in kort geding te verschijnen. Zij wijken dan af van de regel dat een dagvaarding vereist is. De gemachtigde van Shizen heeft aan de gemachtigde van [eiser] bij e-mail van 13 juli 2026 kenbaar gemaakt dat Shizen vrijwillig zal verschijnen. Shizen heeft een conclusie van antwoord ingediend en (de vertegenwoordigers van) Shizen waren – samen met de gemachtigde - ter zitting aanwezig. Het gegeven dat de dagvaarding niet betekend is, heeft Shizen dus niet in haar belangen geschaad. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat [eiser] ontvankelijk is in zijn vordering.
Toetsingskader kort geding
Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De kantonrechter zal daarbij niet alleen moeten onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In de afweging van de belangen van partijen moet de kantonrechter mede betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mocht de bodemrechter anders beslissen.
Spoedeisend belang
Voldoende is gebleken dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij de door hem gevorderde voorzieningen. Daarbij heeft te gelden dat [eiser] heeft gesteld dat hij het salaris nodig heeft om aan zijn financiële verplichtingen te kunnen voldoen, waardoor gelet op de aard van de vorderingen naar het oordeel van de kantonrechter sprake is van een spoedeisend belang. Dat zijn partner een uitkering ontvangt en daarmee ook een inkomen heeft doet daar niets aan af. Ook bij zijn vorderingen omtrent re-integratie heeft [eiser] ontegenzeggelijk een spoedeisend belang.
Is de arbeidsovereenkomst door [eiser] opgezegd?
Voordat de kantonrechter toekomt aan de beoordeling of er sprake is van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd of onbepaalde tijd, wordt eerst stilgestaan bij de vraag of de arbeidsovereenkomst door [eiser] is opgezegd op 20 maart 2026 . Als die vraag bevestigend wordt beantwoord, is het immers niet langer relevant of de arbeidsovereenkomst voor bepaalde of onbepaalde tijd gold.
[eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling onweersproken verklaard dat het in de arbeidsrelatie tussen hem en Shizen gebruikelijk was dat hij ‘ontslag nam’ op het moment dat hij op vakantie ging. Hij had niet elk jaar vakantie. Veelal reisde hij één keer in de twee jaar voor langere tijd naar China . Hij kwam dan na die reis terug, sloot een nieuwe arbeidsovereenkomst met Shizen en ging weer aan de slag als kok. [eiser] heeft daarnaast nadrukkelijk en eveneens onweersproken verklaard dat hij niet bekend was met zijn (arbeidsrechtelijke) rechten. Hij wist niet dat hij recht had op loondoorbetaling tijdens vakantie. Daarom bevreemde het hem ook niet toen hij in april 2026 geen loon ontving en heeft hij daarover daarom ook geen contact opgenomen met Shizen . Zo ging het immers feitelijk altijd wanneer hij op vakantie had. Zo ook in 2026. Hij heeft Shizen in februari 2026 laten weten dat hij voor langere tijd naar China zou reizen en dit op 20 maart 2026 bevestigd. Hij heeft Shizen laten weten dat hij op 14 mei 2026 weer terug zou zijn.
Dat [eiser] op 20 maart 2026 ‘ontslag nam’ was niet meer en niet minder dan de aankondiging dat hij op vakantie ging, zoals gebruikelijk tussen partijen. In die context moeten ook de verklaringen van de werknemers van Shizen worden gelezen. In de gegeven omstandigheden moet het voor Shizen zonder meer duidelijk zijn geweest dat [eiser] met zijn mededeling op 20 maart 2026 niet bedoelde zijn arbeidsrelatie met Shizen te beëindigen. Zijn mededeling kan gelet op de wilsvertrouwensleer niet worden aangemerkt als een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring die erop gericht is de beëindiging van de arbeidsovereenkomst te bewerkstelligen. Hij heeft immers ook aan Shizen te kennen gegeven dat hij er 14 mei 2026 weer zou zijn. Dat is niet iets wat een werknemer meldt aan een werkgever waarvan hij beoogt definitief afscheid te nemen. Er bestond kortom geen overstemming tussen zijn wil en zijn verklaring. [eiser] wist niet beter dan dat dit de gebruikelijke werkwijze was op het moment dat hij op vakantie ging. Zoals hij ook tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard wilde hij zich na zijn vakantie weer zoals te doen gebruikelijk bij Shizen melden om verder te werken. Niet is gebleken dat Shizen enig onderzoek heeft gedaan naar aanleiding van de door [eiser] gedane opzegging, zodat zij haar onderzoeksplicht heeft geschonden. Het later tussen partijen gevoerde gesprek, waarover partijen wisselend verklaren, is voor de beoordeling voor de wil en verklaring van [eiser] op 20 maart 2026 niet relevant en blijft verder onbesproken.
Gelet op de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden is niet aannemelijk dat [eiser] de arbeidsovereenkomst op 20 maart 2026 tegen 29 maart 2026 heeft opgezegd. Dat betekent dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen ook na 29 maart 2026 voortduurde.
De kwalificatie van de arbeidsovereenkomst: voor bepaalde of onbepaalde tijd?
De vervolgvraag die dan voorligt is of er tussen [eiser] en Shizen een arbeidsovereenkomst voor bepaalde of onbepaalde tijd geldt. [eiser] heeft gesteld dat de op 27 juni 2024 ingegane arbeidsovereenkomst van rechtswege een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is op grond van de in artikel 7:668a lid 1 BW opgenomen ketenregeling. Shizen heeft daartegen geen, op zichzelf staand, verweer gevoerd. De kantonrechter gaat daarom uit van de door [eiser] gestelde feiten op dit punt.
De eerste overeenkomst in de huidige keten tussen partijen liep van 7 juni 2021 tot en met 31 december 2021 . De volgende arbeidsovereenkomst is aangegaan op 20 juni 2022 , en valt daarmee binnen de keten. De tweede arbeidsovereenkomst eindigde op 19 juni 2023 maar [eiser] heeft onbetwist gesteld dat hij nadien tot en met mei 2024 door is blijven werken voor Shizen . De derde schriftelijke arbeidsovereenkomst is aangegaan op 27 juni 2024 . Omdat [eiser] tot mei 2024 voor Shizen is blijven werken, is er geen periode van langer dan 6 maanden gelegen tussen de tweede en derde schriftelijke arbeidsovereenkomst in de keten zodat de keten niet is doorbroken. Dat betekent dat naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter voldoende is komen vast te staan dat met de arbeidsovereenkomst van 27 juni 2024 de termijn van 36 maanden uit artikel 7:668a lid 1 onder a BW is overschreden en vanaf die datum een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan. Gelet op het vorenstaande is naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst niet geëindigd. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat de arbeidsovereenkomst ook na 26 juni 2025 is blijven voortduren. Dat betekent dat de vordering van [eiser] toewijsbaar is.
De hoogte van het verschuldigd loon
[eiser] heeft zich op 10 mei 2026 , tijdig, ziekgemeld. Als uitgangspunt geldt dat een werknemer op grond van artikel 7:629 lid 1 BW recht heeft op loondoorbetaling bij ziekte. Vervolgens ligt de vraag voor op welk percentage van loondoorbetaling [eiser] aanspraak kan maken. De kantonrechter interpreteert de vordering van [eiser] tot betaling van een ‘voorschot’ als een vordering tot loondoorbetaling en gaat ervan uit dat het woord ‘voorschot’ is opgenomen vanwege het feit dat de vordering is ingesteld in een kort geding procedure en daarom een voorlopige voorziening betreft.
[eiser] beroept zich op artikelen 7.2 en 7.3 van de cao, waar (onder andere) een aanvulling tot 95% van het loon tijdens ziekte in de eerste 52 weken van arbeidsongeschiktheid is opgenomen. Daarvoor is vereist dat de werknemer voldoet aan de in artikel 7.3 van de cao opgenomen voorwaarden, waaronder het voldoen aan re-integratieverplichtingen. Shizen stelt zich op het standpunt dat [eiser] niet aan deze voorwaarden heeft voldaan. De kantonrechter passeert dit verweer. [eiser] heeft niet aan enige re-integratieverplichting kunnen voldoen omdat hij nooit door Shizen is aangemeld bij enige bedrijfsarts, zodat de re-integratie nooit is gestart. Dit kan naar het voorshands oordeel van de kantonrechter niet aan [eiser] worden tegengeworpen. [eiser] kan aanspraak kan maken op de aanvullingen uit artikel 7.2 van de cao. De berekening die door [eiser] in randnummer 29 van zijn dagvaarding is overgelegd is, met uitzondering van het toepasselijke loondoorbetalingspercentage, niet door Shizen betwist.
De vordering om Shizen te veroordelen tot betaling van het maandloon vanaf 1 april 2026 wordt toegewezen. Aangezien de door [eiser] overgelegde loonberekening niet door Shizen is betwist, gaat de kantonrechter uit van de juistheid daarvan. De betaling van € 10.244,67 bruto voor de periode vanaf 1 april 2026 tot en met 24 juli 2026 wordt toegewezen zoals gevorderd. Voor de periode vanaf 24 juli 2026 is Shizen het loon conform artikel 7.2 van de cao aan [eiser] verschuldigd gedurende de periode dat [eiser] arbeidsongeschikt blijft, dan wel het maandloon van € 2.600,00 zodra [eiser] weer arbeidsgeschikt is, tot aan het rechtsgeldig einde van de arbeidsovereenkomst. Nu het niet voldoen van het loon aan Shizen is toe te rekenen heeft [eiser] ingevolge artikel 7:625 BW aanspraak op de wettelijke verhoging. Ook deze vordering wordt toegewezen zoals gevorderd (zijnde tot en met 24 juli 2026), evenals de wettelijke rente, met dien verstande dat deze wordt toegewezen vanaf de vervaldatum van de loonbetalingen.
Restitutierisico
Dat de vorderingen tot betaling van voormeld bedrag door de kantonrechter in een bodemprocedure zullen worden toegewezen, acht de kantonrechter voldoende aannemelijk. Tegen die achtergrond, en gelet op de omstandigheid dat [eiser] als werknemer in verhouding tot Shizen in een afhankelijke positie verkeert en de gevorderde bedragen nodig zijn voor zijn levensonderhoud, weegt het bestaan van een eventueel restitutierisico niet zo zwaar dat dat tot afwijzing van de vordering zou moeten leiden.
Shizen moet deugdelijke bruto-netto specificaties verstrekken
[eiser] vordert afgifte van deugdelijke bruto-netto specificaties, omdat hij deze niet heeft ontvangen. De afgifte van deze salarisspecificaties is niet weersproken door Shizen en de stellingen van [eiser] kunnen deze vordering dragen. De afgifte van de juiste salarisspecificaties wordt toegewezen zoals gevorderd.
Shizen moet [eiser] aanmelden bij de bedrijfsarts, haar re-integratieverplichtingen nakomen en [eiser] toelaten de bedongen arbeid dan wel passende re-integratiewerkzaamheden te verrichten
Aangezien er sprake is van een arbeidsrelatie tussen [eiser] en Shizen , is Shizen gehouden om onverkort de re-integratie verplichtingen die gelden voor een werkgever na te leven. De vordering van [eiser] zal dan ook worden toegewezen in die zin dat Shizen [eiser] binnen 5 dagen na betekening van het vonnis bij een arbodienst aanmeld, haar wettelijke re-integratieverplichtingen nakomt en [eiser] toelaat tot de bedongen arbeid zodra hij arbeidsgeschikt is dan wel toelaat tot passende re-integratiewerkzaamheden.
De gevorderde dwangsommen worden afgewezen
De gevorderde dwangsommen zullen worden afgewezen. Shizen heeft verklaard vrijwillig aan een veroordeling te zullen voldoen.
Proceskosten
Shizen wordt in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten (inclusief nakosten) worden veroordeeld. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal Shizen niet worden veroordeeld tot betaling van betekeningskosten. Explootkosten zijn niet door [eiser] gemaakt omdat Shizen vrijwillig is verschenen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- griffierecht
€
93,00
- salaris gemachtigde
€
577,00
- nakosten
€
144,00
Totaal
€
814,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Uitvoerbaar bij voorraad
Dit vonnis wordt, voor zover het de veroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat heeft gevorderd en Shizen daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt. Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt Shizen om binnen 2 dagen na betekening van het vonnis over te gaan tot betaling van een bedrag van € 10.244,67 bruto aan [eiser] ter zake van achterstallig loon, loon tijdens ziekte en vakantiebijslag over de periode 1 april 2026 tot en met 24 juli 2026, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% op grond van artikel 7:625 BW,
veroordeelt Shizen tot betaling van loon conform artikel 7.2 van de cao aan [eiser] vanaf 25 juli 2026 gedurende de periode dat [eiser] arbeidsongeschikt is, dan wel tot betaling van € 2.600,00 bruto per maand zodra [eiser] weer arbeidsgeschikt is, tot aan het rechtsgeldig einde van de arbeidsovereenkomst, telkens uiterlijk op de laatste dag van de maand waarin het loon verschuldigd is,
veroordeelt Shizen tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de in 5.1 en 5.2 toegewezen bedragen, te rekenen vanaf de vervaldatum van de respectievelijke loonbetalingen,
veroordeelt Shizen om binnen vijf dagen na betaling over te gaan tot afgifte van deugdelijke bruto-netto specificaties aan [eiser] vanaf april 2026 tot het rechtsgeldig eindigen van de arbeidsovereenkomst,
veroordeelt Shizen tot het aanmelden van [eiser] bij een arbodienst binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis en alle op haar rustende re-integratieverplichtingen na te komen,
veroordeelt Shizen om, zodra [eiser] arbeidsgeschikt is of passende arbeid kan verrichten, [eiser] toe te laten tot de bedongen arbeid dan wel tot passende re-integratiewerkzaamheden,
veroordeelt Shizen in de proceskosten van € 814,00,
veroordeelt Shizen tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten vanaf de vijftiende dag na betekening van het vonnis tot aan de dag van volledige betaling,
verklaart dit vonnis, voor zover het de veroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. van den Berk en in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2026.