ECLI:NL:RBOBR:2026:6031

ECLI:NL:RBOBR:2026:6031

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 20-08-2026
Datum publicatie 25-08-2026
Zaaknummer 26/2096 en 26/2097 gerectificeerd
Rechtsgebied Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure Voorlopige voorziening
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

dit is de gerectificeerde versie van ECLI:NL:RBOBR:2026:5930

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 augustus 2026 in de zaken tussen

[verzoekers]

de burgemeester van de gemeente Eindhoven (hierna: de burgemeester)

Samenvatting

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 26/2096 (verzoek) en SHE 25/2097 (beroep) gerectificeerd

[verzoekers] ,

beiden uit [woonplaats] ,

(hierna samen: verzoekers)

(gemachtigde: mr. M.J.G. Pennings)

en

(gemachtigden: mr. A.M. Huiswoud en I.M.A. de Brouwer).

1. Deze zaak gaat over een sluiting van een loods van verzoekers voor de duur van twaalf maanden. De burgemeester heeft tot deze sluiting besloten omdat in de loods een productielocatie voor harddrugs is aangetroffen. Verzoekers zijn het niet met de sluiting eens en hebben beroep ingesteld tegen de beslissing van de burgemeester om de loods te sluiten. In dit beroep voeren zij tegen de sluiting een aantal gronden aan. Zij hebben ook om een voorlopige voorziening verzocht. Aan de hand van de aangevoerde gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de rechtmatigheid van de sluiting.

De voorzieningenrechter kan direct op het beroep beslissen. Hij komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de burgemeester geen juist besluit heeft genomen. Er is onvoldoende rechtvaardiging voor een sluiting zo lang als twaalf maanden. Verzoekers krijgen dus gelijk en het beroep is gegrond. De voorzieningenrechter vernietigt het besluit op bezwaar en bepaalt dat een sluiting van vier maanden lang genoeg was. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat verzoekers daarbij geen belang meer hebben. Hieronder legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit heeft.

Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staat wat er voorafging aan dit

verzoek om een voorlopige voorziening. De beoordeling door de voorzieningenrechter volgt vanaf 4. Daarbij gaat de voorzieningenrechter in op de volgende in deze zaak van belang zijnde vragen:

 Hebben verzoekers een spoedeisend belang bij de verzochte voorlopige voorziening?

 Kan de voorzieningenrechter direct in de hoofdzaak beslissen?

 De evenredigheid: is sluiting van het pand noodzakelijk?

 De evenredigheid: is sluiting van het pand voor twaalf maanden evenwichtig?

Aan het eind staat de beslissing van de voorzieningenrechter en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Met het besluit van 26 januari 2026 heeft de burgemeester besloten het pand voor twaalf maanden te sluiten met ingang van de dag waarop de openbare bekendmaking hiervan op het pand wordt aangebracht. Het pand is vervolgens op 11 februari 2026 gesloten. Verzoekers hebben tegen het besluit van 26 januari 2026 bezwaar gemaakt bij de burgemeester.

Met het besluit van 10 juli 2026 (hierna: het bestreden besluit) heeft de burgemeester het bezwaar van verzoekers ongegrond verklaard en het besluit van 26 januari 2026, in afwijking van het advies van de bezwarencommissie – die een sluiting van zes maanden had geopperd – en met een aanvullende motivering, in stand gelaten. Verzoekers hebben hiertegen beroep ingesteld bij deze rechtbank en daarnaast de voorzieningenrechter van deze rechtbank gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

De burgemeester heeft met een verweerschrift gereageerd op het verzoek om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening op 7 augustus 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers, hun gemachtigde en de gemachtigden van de burgemeester.

Wat ging er vooraf aan het verzoek om een voorlopige voorziening?

3. Verzoekers zijn eigenaren van het pand. Het pand werd sinds 24 maart 2025 door hen verhuurd aan een door een eenmanszaak gerunde transportonderneming. De eenmanszaak is in december 2025 failliet verklaard.

Uit een bestuurlijke rapportage van de politie van 11 december 2025 blijkt dat de politie op 20 november 2025 onderzoek heeft gedaan op het adres [adres] in [woonplaats] . Dit onderzoek vond plaats op verdenking van het illegaal aftanken van rode diesel door de transportonderneming. Bij de inval vond de politie een aantal met zwart krimpfolie omwikkelde pallets met daarop een aantal jerrycans van 20 liter waarop etiketten zaten met daarop vermeld “epoxy solvent”. Zulke jerrycans worden vaak aangetroffen op productieplaatsen van synthetische drugs. Na een indicatieve test bleek dat in de jerrycans fosforzuur zat. Ook vond de politie een deduster – een industriële ontstoffer – waarmee net geslagen tabletten worden ontdaan van reststof. Op de deduster zat poeder dat na een indicatieve test positief testte op MDMA. Verder trof de politie een grote grinder op een statief aan. Zo’n machine wordt ook gebruikt om MDMA-kristallen fijn te malen voordat deze worden vermengd met kleurstof en tabletteerpoeder om er daarna tabletten van te maken. Op de grinder zat groen/geel poeder dat na een indicatieve test positief testte op MDMA. Ook stond er in de hal van het pand een afgesloten drie-assige oplegger van een vrachtwagen met daarin een complete tabletteerruimte. Die hele ruimte was vervuild met poeder. Er stonden onder andere diverse emmers, bakken en zakken met poeder – vermoedelijk kleurstoffen en tabletteerpoeders – en een betonmolen voor het mixen van poeders. Op een werktafel in de oplegger stonden een weegschaal en een sealmachine. In de ruimte stonden ook een zogenaamde machinale grinder en een 27-slags rondloper tabletteermachine die onder het roze poeder zat. Ook lagen er enkele rechthoekige roze tabletten. Na een indicatieve test testte het roze poeder positief op MDMA.

Uit een aanvullende bestuurlijke rapportage van de politie van 14 januari 2026 blijkt dat verzoekers geen antecedenten hadden. De eigenaar van de eenmanszaak daarentegen had twee antecedenten, een van 30 september 2013 en een van 5 december 2025, beide voor vervaardiging van softdrugs. Verder wordt in deze bestuurlijke rapportage toegelicht dat er vier pallets met in totaal 49 jerrycans van 20 liter zijn gevonden. De exacte hoeveelheid gevonden MDMA is onbekend, omdat het voornamelijk residu was. Wel was de hele oplegger en de daarin staande apparatuur vervuild met residu. In de oplegger lag een schroefdekselvat met onderin een restant lichtbruin poeder, dat na een indicatieve test MDMA bleek te zijn. Het totale gewicht van dat poeder was 80 gram. Ook werden enkele tientallen losse tabletten gevonden. Tot slot staat in deze aanvullende bestuurlijke rapportage het volgende:

Het betrof hier een serieuze productielocatie. Er werd een complete tabletteerruimte aangetroffen (tabeletteermachine, verschillende zegels, etc.), die met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid gebruikt […] voor het vervaardigen van XTC-tabletten.

In de hal zijn goederen en chemicaliën aangetroffen welke te relateren zijn aan de vervaardiging van MDMA en/of het tabletteren van XTC-tabletten.

Ook werden chemicaliën (fosforzuur) aangetroffen welke gebruikt kunnen worden bij de vervaardiging van MDMA vanuit een preprecursor.

Omwille van het aangetroffen poeder op de apparaten kan ook vanuit zekerheid grenzende waarschijnlijkheid gesteld worden dat er reeds geproduceerd is in het verleden.

LFO stelt dat gezien de grootte van de tabletteermachines en de verdere aanwezige apparatuur zoals meerdere grinders en een deduster kan worden gesteld dat deze locatie in het kader van de strafvorderingsrichtlijn 10a Opiumwet geschaard kan worden onder categorie IV. Uit de richtlijn strafvordering blijkt dat categorie IV de grootste soort locatie is.

Met een brief van 29 december 2025 heeft de burgemeester verzoekers op de hoogte gebracht van zijn voornemen om het pand voor twaalf maanden te sluiten. Hierop hebben verzoekers met een brief van 7 januari 2026 hun zienswijze gegeven.

Hierna heeft de burgemeester het besluit van 26 januari 2026 genomen, waartegen verzoekers bezwaar hebben gemaakt.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Hebben verzoekers een spoedeisend belang bij de verzochte voorlopige voorziening?

4. In artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) staat dat als

verzoekers bij de rechtbank een beroep indienen, de voorzieningenrechter van diezelfde rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Onverwijlde spoed wordt ook spoedeisend belang genoemd.

De voorzieningenrechter vindt dat verzoekers een spoedeisend belang hebben, omdat zij het pand niet kunnen gebruiken of verhuren zolang de sluiting van het pand duurt. Dat vormt een inbreuk op hun eigendomsrecht. Hoewel verzoekers, zoals de burgemeester heeft aangevoerd en verzoekers tijdens de zitting hebben beaamd, geen acute financiële nood lijden door de tijdelijke sluiting en de financiële schade goeddeels in een eventueel schadevergoedingsprocedure kan worden verhaald op de burgemeester, betekent dat op zichzelf niet dat verzoekers geen spoedeisend belang hebben.

Kan de voorzieningenrechter direct in de hoofdzaak beslissen?

5. In de kennisgevingen die verzoekers en de burgemeester voor de zitting hebben gekregen, staat dat de voorzieningenrechter ook een uitspraak kan doen op het beroep als nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Dat is in deze zaak het geval. De voorzieningenrechter zal daarom, mede gelet op een daartoe strekkend verzoek van verzoekers, ook uitspraak doen op het beroep.

Was de sluiting rechtmatig?

Inleiding

6. Verzoekers vinden dat het pand niet had mogen worden gesloten. Als het pand al mocht worden gesloten, dan had dat niet voor twaalf maanden gemogen, maar voor een veel kortere termijn.

Bevoegdheid en geschiktheid van sluiting zijn niet in geschil

7. De voorzieningenrechter stelt vast dat niet in geschil is dat de burgemeester, gelet op het aangetroffen harddrugs en een productielocatie, bevoegd was om het pand te sluiten en ook niet dat sluiting van het pand een geschikt middel is. Het geschil richt zich dan ook enkel op de vragen of sluiting van het pand noodzakelijk is en of een sluiting van twaalf maanden evenwichtig is. Hierna zal de voorzieningenrechter deze vragen beantwoorden.

Beoordelingskader: algemeen

8. De voorzieningenrechter houdt bij zijn beoordeling rekening met de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) over het toetsen van de evenredigheid van toepassing van bestuursdwang op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Over dit onderwerp heeft de Afdeling op 16 juli 2025 een richtinggevende uitspraak gedaan. Daarin is het volgende toetsingskader opgenomen.

De last onder bestuursdwang is een herstelmaatregel. In het geval van artikel 13b van de Opiumwet heeft de maatregel de strekking om de overtreding van de Opiumwet te beëindigen, een herhaling van een overtreding van de Opiumwet te voorkomen en de negatieve effecten van de overtreding te beëindigen. Herstel van de openbare orde is dus niet op zichzelf het doel van deze toepassing. Dit neemt niet weg dat een overtreding van de Opiumwet, ook wanneer deze plaatsvindt in of vanuit een te sluiten pand, gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat in de omgeving en in meer of mindere mate gepaard gaat met verstoring van de openbare orde. Het ligt voor de hand dat de burgemeester die effecten op de omgeving betrekt in zijn beoordeling of het noodzakelijk is om over te gaan tot sluiting van een pand. Deze beoordeling moet plaatsvinden aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval. Een sluiting van een pand is een uiterste maatregel. De burgemeester kan ook kiezen voor een minder ingrijpend middel, zoals een last onder dwangsom of een waarschuwing.

Als de burgemeester op grond van artikel 13b van de Opiumwet bevoegd is om in een concreet geval op te treden met een last onder bestuursdwang en hij overweegt om een pand te sluiten, dan moet hij beoordelen of dat gerechtvaardigd is, en zo ja, voor hoe lang. Wanneer hij daarvoor beleid heeft geformuleerd, zal hij dat beleid in de regel moeten toepassen en ook moeten bezien of er grond bestaat om daarvan af te wijken. Steeds zal hij daarbij moeten beoordelen of zijn optreden in een concreet geval evenredig is. De burgemeester moet zich ervan vergewissen dat de sluiting van een pand en de duur ervan met het oog op de hiervoor genoemde doelen geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is.

De bevoegdheid tot het toepassen van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is een discretionaire bevoegdheid. Dit betekent dat het aan de burgemeester is om de betrokken belangen af te wegen bij zijn besluit om deze bevoegdheid te gebruiken. De bestuursrechter toetst aan de hand van de beroepsgronden of de burgemeester tot zijn besluit heeft mogen komen. Gebruikers van gesloten panden voeren vaak aan dat de sluiting in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De intensiteit van de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel wordt bepaald door onder meer de aard en de mate van de beleidsruimte van het bestuursorgaan, de aard en het gewicht van de met het besluit te dienen doelen en de aard van de betrokken belangen en de mate waarin deze door het besluit worden geraakt. Naarmate die belangen zwaarder wegen, de nadelige gevolgen van het besluit groter zijn of het besluit een grotere inbreuk maakt op fundamentele rechten, zal de toetsing intensiever zijn.

De uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 gaat weliswaar specifiek over woningsluitingen, maar voor de sluiting van een bedrijfspand geldt geen wezenlijk ander toetsingskader. Een sluiting van een bedrijfspand vormt immers een inbreuk op het eigendomsrecht van de eigenaar. De voorzieningenrechter moet daarom toetsen of de sluiting in overeenstemming is met het recht op eigendom zoals dat wordt beschermd door artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Bij de toetsing van de rechtmatigheid van een inbreuk op het eigendomsrecht moet de voorzieningenrechter onder meer bezien of inbreukmakende maatregel een legitiem doel dient in het algemeen belang en dat de inbreuk proportioneel is. Dat wil zeggen: dat er een redelijk evenwicht (‘fair balance’) is tussen het algemeen dat gediend wordt met de maatregel en de inbreuk die daarmee wordt gemaakt op het eigendomsrecht. Artikel 6 van het EVRM, bezien in samenhang met artikel 13 van het EVRM en artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM vereisen namelijk (respectievelijk) een voldoende indringende toetsingsintensiteit (‘sufficient jurisdiction’) en een daadwerkelijk rechtsmiddel ter waarborging van het eigendomsrecht. Dat houdt onder meer in dat de voorzieningenrechter – en dus ook de burgemeester – zich niet kan beperken tot een abstracte, formalistische toets, maar aandacht moet hebben voor de concrete omstandigheden van het geval, de aanwezigheid van ondersteunend bewijs dat de stellingname van de burgemeester ondersteunt en de vraag of de omstandigheden die de sluiting rechtvaardigen daadwerkelijk voortdurend van aard zijn.

De ratio van het evenredigheidsbeginsel is niet het volledig tegengaan van nadelige gevolgen van besluitvorming, maar het voorkomen van onnodig zware gevolgen in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Een besluit met harde of ingrijpende gevolgen is daarom niet per definitie een onevenredig besluit. Omgekeerd kan een besluit met minder ingrijpende gevolgen ook onevenredig zijn, bijvoorbeeld omdat de met het besluit te dienen doelen in verhouding minder zwaar wegen. De beoordeling van de evenredigheid vergt daarom van zowel het bestuur als de bestuursrechter een scherp inzicht in alle relevante feiten en omstandigheden en een afgewogen en deugdelijk gemotiveerd oordeel over de vraag welke gevolgen voor welke belanghebbenden (nog) wel of juist niet (meer) evenredig zijn.

De evenredigheid: is sluiting van het pand noodzakelijk?

9. De burgemeester heeft het pand gesloten. De voorzieningenrechter moet bij de beoordeling van de noodzaak daarvan toetsen of de burgemeester met een minder ingrijpend middel had kunnen en dus ook moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. Een minder ingrijpend middel dan een sluiting is bijvoorbeeld het opleggen van een last onder dwangsom of het geven van een waarschuwing.

Bij de beoordeling of het noodzakelijk is om tot sluiting van een pand over te gaan en zo ja, voor hoe lang, zijn verschillende omstandigheden van belang. Bijvoorbeeld de aard en de hoeveelheid aangetroffen drugs en de daarmee mogelijk gepaard gaande risico’s op verdere criminaliteit, wat gevolgen heeft voor de veiligheid en de openbare orde in de omgeving. De burgemeester mag daarbij een onderscheid maken tussen hard- en softdrugs. Ook is relevant of de drugs feitelijk in of vanuit het pand worden verhandeld en of het pand feitelijke bekendheid heeft als drugspand. Dat drugs feitelijk in of vanuit de het pand werden verhandeld, kan bijvoorbeeld blijken uit meldingen bij of onderzoek van de politie over mogelijke handel vanuit de het pand, verklaringen van buurtbewoners daarover of het aantreffen van attributen die duiden op handel vanuit het pand zoals gripzakjes, ponypacks, een (grammen)weegschaal en grote hoeveelheden contant geld en/of wapens. Wanneer sprake is van toeloop, overlast of (gevoelens van) onveiligheid in de omgeving, kan het noodzakelijk zijn om die met sluiting van het pand ongedaan te maken. Hierbij kan mede van belang zijn of in de nabije omgeving van het pand in het recente verleden al vaker sprake is geweest van drugsovertredingen of drugsgerelateerde criminaliteit. Verder kan sluiting van het pand noodzakelijk zijn als op grond van concrete feiten en omstandigheden aannemelijk is dat het pand een rol vervult binnen de keten van drugshandel als professionele productielocatie, handelslocatie, opslaglocatie voor handel elders of omdat toegang tot het pand wordt verschaft aan derden om er te gebruiken. Met de sluiting wordt het pand aan de keten van drugshandel onttrokken. Wanneer een pand ten slotte eerder betrokken is geweest bij overtreding van artikel 13b van de Opiumwet en dus sprake is van een situatie van herhaling, kan ook dit relevant zijn bij de beslissing om tot sluiting van het pand over te gaan, met het oog op het structureel beëindigen van de overtreding en de effecten ervan, en op het voorkomen van nieuwe overtredingen. Bij al het voorgaande dient de burgemeester ook rekening te houden met het tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds het tijdstip waarop hij ingevolge zijn besluitvorming tot sluiting overgaat. Als het samenstel van omstandigheden meebrengt dat sluiting niet noodzakelijk is, dan dient de burgemeester hiervan af te zien.

Verzoekers vinden dat er geen noodzaak is voor sluiting van het pand, omdat de overtreding door de inval van de politie op 20 november 2025 feitelijk is beëindigd. Ook wijzen zij erop dat zij op 2 december 2025 zelf het slot hebben vervangen, de toegang feitelijk hebben afgesloten en de huurovereenkomst na het faillissement van de huurder hebben opgezegd. Er hoefde dan ook niet meer te worden gevreesd voor voortzetting of herhaling van de overtreding. Ook vinden verzoekers het van belang te wijzen op het tijdsverloop tussen de inval van de politie en de feitelijke sluiting van het pand, en het ontbreken van enige concrete loop, overlast, toeloop, meldingen uit de omgeving of andere uiterlijke kenmerken van handel vanuit het pand. Al met al vinden verzoekers dat de burgemeester de noodzaak niet voldoende heeft gemotiveerd.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester gelet op de ernst en omvang van de overtreding sluiting van het pand noodzakelijk heeft mogen vinden. Daarbij is met name van belang dat sprake was van een grootschalige productielocatie van harddrugs en dat hieruit, zoals uit het hiervoor geschetste toetsingskader volgt, op zichzelf al kan volgen dat de noodzaak van de sluiting gegeven is. Dat verzoekers zelf al maatregelen hadden getroffen om het pand te sluiten, betekent op zichzelf niet dat de noodzaak om te sluiten wegvalt. Een feitelijke sluiting heeft immers niet dezelfde impact op het onttrekken van de locatie aan het drugscircuit als het toepassen van bestuursdwang. Dat er feitelijk bijna drie maanden heeft gelegen tussen de inval door de politie en de sluiting van de burgemeester, staat op zichzelf ook niet in de weg aan de noodzaak om het pand te sluiten. Deze periode kan immers noodzakelijk te zijn om tot een zorgvuldige besluitvorming te komen.

De evenredigheid: Is sluiting van het pand voor twaalf maanden evenwichtig?

10. Als de conclusie is dat de burgemeester zijn beoogde doelen niet met een minder ingrijpend middel dan sluiting van een pand voor een bepaalde duur kan bereiken en een sluiting van het pand dus het aangewezen middel is, betekent dit nog niet dat hij hiertoe steeds mag overgaan. Daarvoor moet hij zich ervan vergewissen dat de sluiting en de duur daarvan in de gegeven omstandigheden ook evenwichtig is.

Bij de beoordeling van de evenwichtigheid moeten de voor eigenaren van het pand nadelige gevolgen van de sluiting worden afgewogen tegen de doelen die de burgemeester met de sluiting wil bereiken. Deze laatste houden doorgaans verband met de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk acht. Een sluiting met zware nadelige gevolgen voor de eigenaren is niet per definitie onevenwichtig. Wel dient de burgemeester aan de gevolgen van de sluiting van een pand voor de eigenaren een zwaar gewicht toe te kennen bij beantwoording van de vraag of hij van zijn bevoegdheid gebruikmaakt. De burgemeester moet bijvoorbeeld de mate van verwijtbaarheid van de degenen die door de sluiting worden getroffen beoordelen en beoordelen in hoeverre aan hen kan worden tegengeworpen dat zij zelf het risico op ingrijpende gevolgen van hun handelen of nalaten hebben genomen. Ook moet de burgemeester in een geval als dit, waarin het gesloten pand een bedrijfsruimte betreft, acht slaan op de omzetderving die verzoekers lijden en de extra kosten die zij maken om aan leegstandsbeheer te doen.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de sluiting voor twaalf maanden niet evenwichtig is. Daarvoor is het volgende van belang.

De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat verzoekers zelf niet de overtreders zijn geweest van de Opiumwet en dat zij bij het ontstaan van de overtreding te goeder trouw zijn geweest. Verzoekers hebben via een gerenommeerd makelaarskantoor een huurder geselecteerd, in kaart gebracht hoe de bedrijfsvoering van de huurder in elkaar stak en met welk doel hij het pand wenste te huren, geconstateerd dat de huurder naar alle relevante maatstaven betrouwbaar overkwam en een beoogde bedrijfsvoering had die aansloot op het te huren pand. Verzoekers hebben ook de identiteit van de huurder gecontroleerd en een contractueel verbod op met de Opiumwet strijdige activiteiten in de huurovereenkomst opgenomen. Ook hebben verzoekers het pand op 7 november 2025, dus minder dan twee weken voor de inval, bezocht en daarvan foto’s gemaakt. Tijdens dat bezoek hebben verzoekers niets gezien dat voor hen als leek wees op een mogelijke productiefaciliteit voor drugs. Verzoekers hebben de huurder wel aangesproken op de in het pand aanwezige dieseltank. Verzoekers hebben alle medewerking verleend aan het politieonderzoek en zij hebben vrij kort na de inval de sloten van het pand vervangen. Ook hebben zij alle maatregelen genomen om zo spoedig mogelijk de huurovereenkomst met de huurder te beëindigen.

De burgemeester heeft de hierboven geschetste stellingen van verzoekers ter staving van hun goede trouw niet weersproken. Sterker nog, de burgemeester heeft beaamd dat hij verzoekers niet verdenkt van enige betrokkenheid in het drugscircuit en dat hij ook uit is gegaan van hun goede trouw. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om te twijfelen aan de goede trouw van verzoekers.

Desondanks vindt de burgemeester een sluiting van het pand van twaalf maanden gepast. Hij wijst erop dat sprake is van een zeer ernstige situatie en verwijst naar de doelen die hij wil bereiken met de sluiting van het pand en de jurisprudentie van de Afdeling. Verder stelt de burgemeester dat hoewel verzoekers te goeder trouw waren en hen een sterk verminderd verwijt kan worden gemaakt van de overtreding, hen toch enig verwijt kan worden gemaakt. Zij hadden beter toezicht moeten houden op het gebruik van het pand dan zij hebben gedaan.

De voorzieningenrechter wijst er in het kader van de mate van verwijtbaarheid allereerst op dat het ontbreken van iedere betrokkenheid bij de overtreding afzonderlijk of tezamen met andere omstandigheden kan maken dat de burgemeester niet van zijn bevoegdheid tot sluiting van het pand gebruik mag maken. Een verhuurder kan bijvoorbeeld geen verwijt van de overtreding worden gemaakt als hij niet op de hoogte was en evenmin redelijkerwijs op de hoogte kon zijn van de aanwezigheid van de aangetroffen drugs in het pand. Wel wordt van de verhuurder verlangd dat hij toezicht uitoefent op wat er in het pand gebeurt. Daarbij past de kanttekening dat er wel grenzen zijn aan het toezicht dat redelijkerwijs mag worden verwacht. De burgemeester zal, als hij van zijn bevoegdheid tot sluiting van een pand gebruik maakt, deugdelijk moeten motiveren welk verwijt de verhuurder die door de sluiting wordt getroffen, wordt gemaakt.

De rechtbank is van oordeel dat verzoekers geen betekenisvol verwijt kan worden gemaakt. Verzoekers hebben zich onder professionele begeleiding vergewist van de betrouwbaarheid van hun beoogd huurder en hebben zich bekommerd om wat er in het pand gebeurde. Van verzoekers, die weliswaar professionele verhuurders waren, maar van wie niet verondersteld kan worden dat zij kennis hebben van grootschalige drugsproductie, kon niet worden verwacht dat zij de tijdens de controles in het pand aanwezige, door de burgemeester genoemde, voorwerpen hadden herkend als zijnde bestemd voor drugsproductie. De stelling van de burgemeester dat verzoekers een deskundige hadden moeten inschakelen als zij zelf bepaalde drugsgerelateerde voorwerpen niet kunnen herkennen, gaat in een geval als dit een redelijk toezicht te buiten. Het drugslab bevond zich immers in een afgesloten trailer in het pand en de enige zichtbare attributen die ook voor drugsproductie kunnen worden gebruikt, waren de dieseltank, een deduster en filters. Voor deze laatste twee attributen geldt dat zij (gedeeltelijk) ingepakt op verschillende schappen van een stelling in de loods lagen. Van geen van deze drie attributen geldt dat de aanwezigheid op zichzelf argwaan hoeft op te wekken, zeker niet gelet op het feit dat het pand mede was bestemd voor op- en overslag van te transporteren materialen. Ook het standpunt van de burgemeester dat verzoekers extra oplettend hadden moeten zijn, omdat de huurder regelmatig te laat was met het betalen van de huur, wordt door de voorzieningenrechter niet gevolgd. Zoals verzoekers tijdens de zitting onweersproken naar voren hebben gebracht, was de huurder weliswaar regelmatig te laat met het betalen van de huur, maar steeds nadat hij daarop werd aangesproken door verzoekers, werd de huur alsnog op korte termijn betaald. Hieruit hoefden verzoekers niet méér op te maken dan dat de huurder leed aan een gebrekkige betalingsmoraal of financiële administratie. Dat verzoekers vaker op locatie aanwezig konden zijn dan de twee of drie keer dat zij dat tussen maart en november 2025 waren, is bij afwezigheid van daartoe redengevende omstandigheden ook geen aanleiding om hen een bijzonder verwijt te maken. Het is overigens de vraag of verzoekers dan iets betekenisvols zouden hebben aangetroffen, aangezien de productiefaciliteit in een afgesloten trailer was verborgen.

De tussenconclusie is dat verzoekers geen betekenisvol verwijt kan worden gemaakt van de overtreding van de Opiumwet. Verder hebben verzoekers onweersproken gesteld dat zij maandelijks grofweg € 5.500,- aan omzet derven zolang het pand niet verhuurbaar is. Die onverhuurbare staat is al eerder aangevangen dan de daadwerkelijke sluiting, aangezien verzoekers na de inval al rekening hielden met de reële kans op een sluiting. Dat betekent dat het pand feitelijk met ingang van 20 november 2025 niet meer verhuurbaar is tot de datum van het definitieve einde van de sluiting. Een sluiting met ingang van 11 februari 2026 voor twaalf maanden betekent dus feitelijk een sluiting van 14 maanden. De totale omzetderving is daarmee zo’n € 77.000,-. De totale schade is nog te vermeerderen met rentederving en leegstandskosten.

Voor wat betreft de met de sluiting te dienen belangen, geldt het volgende. De burgemeester heeft zich op het standpunt gesteld dat de ernst van de overtreding van de Opiumwet een lange sluiting noodzakelijk maakt. De burgemeester heeft dit standpunt echter enkel onderbouwd aan de hand van algemene inzichten en aannames over het belang van het sluiten van drugsproductielocaties, door te wijzen op de kwetsbaarheid van het stadsdeel Woensel-West en door te verwijzen naar jurisprudentie van de Afdeling waarin een sluitingsduur van drugswoningen van twaalf maanden akkoord is bevonden. Een op de concrete omstandigheden van het geval toegespitste motivering heeft de burgemeester niet gegeven.

De voorzieningenrechter ziet niet in welk doel er is gediend met een sluiting van twaalf maanden, anders dan het afgeven van een signaal dat de burgemeester hard optreedt tegen drugscriminaliteit. Het afgeven van een signaal is echter niet waarvoor een bestuursrechtelijke herstelsanctie is bedoeld. De overtreding van de Opiumwet was al beëindigd. Gelet op de goede trouw van verzoekers is ook niet aannemelijk dat er een risico is op herhaling van een overtreding. Dat betekent dat het enige doel van de sluiting nog gelegen zou zijn in het beëindigen van de negatieve effecten van de overtreding. Het is niet zo dat de negatieve effecten van een grootschalige productie van harddrugs steeds, op voorhand en vanzelfsprekend dusdanig fors en hardnekkig zijn dat dit de burgemeester ontslaat van een op de omstandigheden van het geval toegespitste motivering. De burgemeester heeft niet gemotiveerd hoe en waarom de directe leefomgeving van het pand negatief is beïnvloedt door de overtreding. Het gaat immers om een industrieterrein en een eventuele ‘loop’ naar het pand zal in de regel professioneel en georganiseerd van aard zijn geweest en niet tot bijzondere overlast hebben geleid. De burgemeester heeft niet gewezen op indicaties voor het tegendeel, bijvoorbeeld aan de hand van meldingen van naastgevestigde ondernemers. Dat een langdurige sluiting noodzakelijk is om het pand uit het drugscircuit te halen, is door de burgemeester niet onderbouwd en spreekt ook niet voor zich. De voorzieningenrechter is het met de burgemeester eens dat een productielocatie ook doelwit kan zijn van bijvoorbeeld concurrenten in het drugscircuit of anderszins kwaadwillenden en dat het mede ter voorkoming van drugsgeweld van belang is om duidelijk kenbaar te maken dat een productielocatie is gesloten. De burgemeester heeft echter niet toegelicht waar hij op baseert dat het wegnemen van de bekendheid van dit pand niet ook al wordt bewerkstelligd met een korter durende sluiting, gevolgd door verhuur aan een nieuwe huurder. Dat had wel op zijn weg gelegen in het licht van het feit dat de overtredende huurder inmiddels failliet was, hij niet meer in het pand was gevestigd, dat hij na de inval in voorlopige hechtenis was gesteld en dat er kennelijk een strafvorderlijk onderzoek liep naar de productielocatie. Verder heeft de burgemeester niet onderbouwd hoe groot ten aanzien van dit specifieke pand het risico van een overval of aanslag is, welke relevante gevaren voor de directe omgeving zo’n overval of aanslag in het leven roept en hoe dit risico zich verhoudt tot de nadelen die de langdurige sluiting met zich brengt voor verzoekers.

Verder hecht de voorzieningenrechter er belang aan dat tijdens de zitting is gebleken dat bij burgemeester geen informatie bekend was waaruit blijkt dat zich sinds de inval in het pand relevante ontwikkelingen met betrekking tot het pand hebben voorgedaan. Ondanks dat in bezwaar een volledige heroverweging moet plaatsvinden, heeft de burgemeester niet geïnformeerd, bijvoorbeeld bij de politie, of op dat moment nog sprake was van inbreuk op de openbare orde of enige loop naar het pand. Tijdens de zitting is gebleken dat die mogelijkheid er wel is en dat de burgemeester daar in voorkomende gevallen ook veel – soms wel doorslaggevende – waarde aan hecht.

Dat de Afdeling uitspraken heeft gedaan waarin zij woningsluitingen van twaalf maanden niet onevenredig heeft bevonden, betekent niet dat ook in deze zaak een sluiting van twaalf maanden niet onevenredig is. De uitspraken waar de burgemeester naar verwijst, betreffen immers steeds uitspraken waarin de evenredigheid van de sluiting ten opzichte van de bewoner werd beoordeeld en die bewoner zelf de overtreder was van de Opiumwet en (dus) een aanzienlijk verwijt kon worden gemaakt. De uitspraken waarnaar is verwezen, zijn alleen al daarom niet vergelijkbaar met deze zaak. Dat de burgemeester beleid hanteert op grond waarvan in een geval als dit een sluiting van in principe twaalf maanden wordt gehanteerd, zoals hij heeft gesteld, ontslaat de burgemeester niet van een afweging van de concrete omstandigheden van het geval.

De conclusie is dat de burgemeester niet draagkrachtig heeft onderbouwd waarom een sluitingsduur van twaalf maanden evenredig is. Het beroep is daarom gegrond en het besluit wordt vernietigd.

De voorzieningenrechter voorziet zelf in de zaak

11. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat het pand voor vier maanden gesloten mocht worden. De voorzieningenrechter kiest in dit geval voor deze termijn omdat niet is gebleken van concrete, op het geval toegespitste omstandigheden die een langere duur rechtvaardigen. Ook hecht de voorzieningenrechter aan het feit dat er drie maanden hebben gezeten tussen de ontdekking van de productielocatie en de daadwerkelijke sluiting.

De voorzieningenrechter realiseert zich dat hij daarmee flink afwijkt van het besluit van de burgemeester en van het beleid dat de burgemeester voert. De voorzieningenrechter kan bij een weging van de vastgestelde omstandigheden van het geval echter geen langere sluiting rechtvaardigen zonder daarbij argumenten te hanteren die zijn gebaseerd op algemeenheden. De voorzieningenrechter heeft in deze uitspraak uitgelegd dat wanneer de overheid – of dat nu de burgemeester is of de bestuursrechter – een inbreuk maakt op een grondrecht, het aan die overheid is om concrete redengevende omstandigheden te stellen die deze inbreuk rechtvaardigen. Die redengevende omstandigheden zijn er in dit geval wel voor een kortdurende sluiting, maar niet voor een (middel)langdurende sluiting.

Conclusie en gevolgen

De conclusie ten aanzien van het beroep

12. Gelet op al het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat een sluiting van het pand voor twaalf maanden niet evenwichtig is. De voorzieningenrechter vindt een sluiting voor vier maanden wel evenwichtig. Dit betekent dat het beroep gegrond is. De voorzieningenrechter vernietigt het bestreden besluit en herroept het besluit van 26 januari 2026 voor zover de burgemeester daarmee heeft besloten tot sluiting van het pand voor meer dan vier maanden. De voorzieningenrechter zal bepalen dat de sluiting vier maanden bedraagt en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

De conclusie ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

13. Omdat nu een uitspraak is gedaan op het beroep, hebben verzoekers geen belang meer bij het treffen van een voorlopige voorziening hangende dat beroep. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening dan ook af.

De proceskosten

14. Omdat de voorzieningenrechter het beroep gegrond verklaart, bepaalt hij dat de burgemeester het door verzoekers betaalde griffierecht voor het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening aan verzoekers moet terugbetalen. Dat is 2 x € 200 = € 400,-.

Verder veroordeelt de voorzieningenrechter de burgemeester in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand € 4.134,- (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting, met een waarde per punt van € 666,- en wegingsfactor 1, en 1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

 verklaart het beroep gegrond;

 vernietigt het bestreden besluit van 10 juli 2026;

 herroept het besluit van 26 januari 2026 voor wat betreft de sluitingsduur van twaalf maanden;

 bepaalt dat het pand voor vier maanden gesloten mocht worden;

 bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

 wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af;

 draagt de burgemeester op het betaalde griffierecht van € 400,- aan verzoekers terug te betalen;

 veroordeelt de burgemeester in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 4.134,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. O.Y. Ifzaren, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van P.L.M.M. Mulders, griffier. De uitspraak is geschied in het openbaar op 20 augustus 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover daarmee is beslist op het beroep, binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand