RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 27 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eiseres
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam] B.V. uit [vestigingsplaats] (vergunninghoudster)
Samenvatting
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/3699
(gemachtigde: mr. V. Wösten),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bernheze, het college
(gemachtigden: mr. E.C.S.F. Frenken, mr. T.J.H. Verstappen en I. Brinkman).
(gemachtigde: mr. M.I.J. Toonders).
1. Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning eerste fase voor het veranderen van een varkenshouderij, het slopen van een gedeelte van de bestaande bebouwing en het uitbreiden van de inrichting met varkensstallen 3 en 4. Eiseres is het niet eens met de omgevingsvergunning. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 18 november 2025 (het bestreden besluit) heeft het college de omgevingsvergunning verleend. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghoudster heeft ook schriftelijk gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, vergezeld door [naam] , de gemachtigden van het college en voor vergunninghoudster de gemachtigde, vergezeld door [naam] en [naam] .
Beoordeling door de rechtbank
Overgangsrecht
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing, tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. De aanvraag om een omgevingsvergunning fase 1 is ingediend op 6 oktober 2021. De aanvraag om een omgevingsvergunning fase 2 is ingediend op 1 december 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en andere voorheen geldende wettelijke regelgeving, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Feiten en omstandigheden
4. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden:
Vergunninghoudster exploiteert een varkenshouderij aan de [adres] in [vestigingsplaats] (locatie [adres] )). Op 1 december 2023 heeft vergunninghoudster een omgevingsvergunning eerste fase aangevraagd voor het wijzigen van de inrichting. Het betreft een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, onder 2 en 3, en artikel 2.6 van de Wabo (milieuactiviteit).
De eerste fase heeft betrekking op het veranderen van de varkenshouderij, het slopen van een gedeelte van de bestaande bebouwing en het uitbreiden van de inrichting. De verandering betreft het oprichten van 320 dierplaatsen voor vleesvarkens in stal 2 (de oude stal 6), 1.912 dierplaatsen voor gespeende biggen, 704 dierplaatsen voor opfokzeugen en 264 dierplaatsen voor vleesvarkens in stal 3 en 1837 dierplaatsen voor gespeende biggen en 1056 dierplaatsen voor vleesvarkens in stal 4. Alle stallen worden aangesloten op een luchtwasser [nummer] .
De omgevingsvergunning voor de tweede fase ziet op het onderdeel bouwen. Ter zitting heeft vergunninghoudster gesteld dat de omgevingsvergunning tweede fase voor de bouw is verleend en inmiddels onherroepelijk is.
Ter plaatse van locatie [adres] geldt het Omgevingsplan gemeente Bernheze (het omgevingsplan). Op grond van artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet gold ten tijde van het bestreden besluit het bestemmingsplan “Buitengebied Bernheze” (het bestemmingsplan) en de daaropvolgende gedeeltelijke herzieningen als onderdeel van dat omgevingsplan. Op grond van het bestemmingsplan is aan de locatie aan de [adres] de bestemming “Agrarisch – Landbouwontwikkelingsgebied” toegekend, alsmede de aanduiding ‘intensieve veehouderij’.
Het bestreden besluit is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het ontwerpbesluit heeft zes weken ter inzage gelegen. Eiseres heeft geen zienswijzen ingediend tegen het ontwerpbesluit.
Door vergunninghoudster is op 1 december 2023 een aanvraag om een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) ingediend bij het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant. Dit betekent dat de Wnb-aanvraag is losgekoppeld van deze procedure.
Bespreking beroepsgronden
Eén inrichting
5. Eiseres heeft in haar beroepschrift gesteld dat het agrarisch bedrijf op locatie [adres] , waar de omgevingsvergunning op ziet, één inrichting vormt met het agrarisch bedrijf aan de [adres] in [vestigingsplaats] (locatie [adres] ). Ter zitting heeft eiseres aangegeven dat deze beroepsgrond aldus moet worden begrepen, dat zij van mening is dat het college onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de vraag of beide agrarische bedrijven één inrichting vormen. Het agrarisch bedrijf op locatie [adres] ligt aan de overzijde van de weg, zodat beide locaties in elkaars onmiddellijke nabijheid liggen. Op de locatie [adres] is geen bedrijfswoning aanwezig. Dit betekent dat de bedrijfsvoering vanuit een andere locatie moet worden verzorgd. Op de locatie [adres] is wel een bedrijfswoning aanwezig, en beide locaties hebben de locatie [adres] als contactadres. Er is aldus een dusdanige samenloop van omstandigheden dat het college nader onderzoek had moeten verrichten. Indien sprake is van één inrichting, dan zijn de gevolgen ten aanzien van geur, ammoniak, endotoxines, fijnstof en geluid in het bestreden besluit onderschat. Anders dan gesteld, is bij meerdere milieuaspecten sprake van een milieu-overbelaste situatie. Onder meer op het onderdeel geur wordt de geldende norm van 10 Ou/ m3 nog net niet overschreden. Indien ook de geuremissies van de locatie [adres] moeten worden betrokken in de beoordeling, is wel sprake van een overbelaste situatie.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van één inrichting. Beide agrarische bedrijven zijn onderdeel van dezelfde holding, maar organisatorische en technische samenhang ontbreekt. Wel is de bedrijfswoning op de locatie [adres] gedeeltelijk functioneel verbonden aan de locatie [adres] . De bedrijfsleider is hier namelijk woonachtig en ook werkzaam op beide locaties. De bedrijfsleider heeft wel twee arbeidscontracten. Een zekere functionele binding is zelfstandig niet voldoende om te spreken van één inrichting. Er lopen geen leidingen ten behoeve van de bedrijfsvoering tussen de bedrijven. Beide bedrijven hebben een eigen voerkeuken (en voersysteem brijvoer/droogvoer) en laten afzonderlijk voer aanvoeren (vaak van verschillende leveranciers). Er worden geen machines van de locatie [adres] gebruikt op de locatie [adres] . Ook de afvoer van bijvoorbeeld mest en kadavers is volledig van elkaar gescheiden. Beide inrichtingen opereren volledig autonoom van elkaar en kunnen los van elkaar in werking zijn.
Volgens vergunninghoudster betreffen beide locaties zelfstandige entiteiten, hebben deze een eigen UBN (Uniek Bedrijfsnummer) en een apart mestnummer en een afzonderlijke financiële en zakelijke administratie. Technisch, organisatorisch en functioneel bestaat er geen binding tussen de bedrijven. Elk bedrijf heeft ook een eigen bedrijfsvoering. Zo wordt bij het bedrijf op de locatie [adres] gewerkt met brijvoer en op de locatie [adres] met droogvoer. Voorts is ook het personeel per bedrijf afzonderlijk georganiseerd. Tevens is het onroerend goed volledig gescheiden. Er vindt verder geen uitwisseling plaats van materieel of materialen en er is geen connexiteit aangaande opfok of verplaatsing van dieren.
Op grond van artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer (Wm) worden als één inrichting beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) eerder heeft overwogen, is het voor het bestaan van voldoende bindingen, als bedoeld in artikel 1.1, vierde lid, van de Wm, niet noodzakelijk dat alle genoemde bindingen aanwezig zijn. Anderzijds is een enkele binding niet voldoende om uit te gaan van één inrichting.
De rechtbank overweegt hierover het volgende. In dit geval liggen de agrarische bedrijven op de locatie [adres] en de locatie [adres] weliswaar in elkaars onmiddellijke nabijheid en behoren de bedrijven tot eenzelfde holding, maar dat wil niet zeggen dat zij geen afzonderlijke entiteiten kunnen zijn en zelfstandig kunnen opereren. Volgens vaste rechtspraak is het aan de aanvrager om te bepalen voor welke (veranderingen van de) inrichting hij een vergunning wenst te verkrijgen. Het college dient op de grondslag van die aanvraag te beoordelen of deze vergunning kan worden verleend. Uit de aanvraag blijkt dat vergunninghoudster uitsluitend een omgevingsvergunning heeft gevraagd voor een varkenshouderij op de locatie [adres] . De aanvraag geeft er geen blijk van dat deze varkenshouderij bindingen zal hebben met het agrarische bedrijf op het naastgelegen perceel (locatie [adres] ) die maken dat sprake zal zijn van één inrichting in de zin van artikel 1.1, vierde lid, van de Wm. Dat op het agrarisch bedrijf op de locatie [adres] geen bedrijfswoning aanwezig is, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders, nu niet aannemelijk is gemaakt dat de aanwezigheid van een bedrijfswoning noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering op de locatie. De rechtbank is verder van oordeel dat de in dit kader door het college en vergunninghoudster naar voren gebrachte feiten en omstandigheden door eiseres niet dan wel onvoldoende zijn betwist. Het college heeft dan ook op goede gronden kunnen stellen dat de aanvraag om omgevingsvergunning onvoldoende aanknopingspunten bevat die het college ertoe hadden moeten brengen om nader onderzoek te doen naar de vraag of sprake is van één inrichting. Omdat het college ervan heeft kunnen uitgaan dat dit niet aan de orde is, kan niet worden geoordeeld dat de gevolgen ten aanzien van geur, ammoniak, endotoxines, fijnstof en geluid in het bestreden besluit hierom zijn onderschat.Deze beroepsgrond slaagt niet.
Endotoxinen
6. Eiseres voert aan dat, indien geen sprake zou zijn van één inrichting, een knelpunt bestaat vanwege het niet voldoen aan de richtwaarden voor de publieke gezondheid op basis van het endotoxine-toetsingsinstrument. De bedrijfswoning op de locatie [adres] ligt dan namelijk binnen de minimaal aan te houden afstand tot het emissiepunt op de locatie [adres] .
Het college heeft gemotiveerd dat het ten aanzien van endotoxines de Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid (de notitie) heeft toegepast. In de vergunde situatie dient volgens het college de minimale afstand tot nabijgelegen gevoelige objecten op basis van de notitie voor vleesvarkens 82 meter te bedragen. De werkelijke afstand van de woning [adres] in [vestigingsplaats] is in de vergunde en beoogde situatie op ongeveer 70 meter afstand gelegen van de dichtstbijzijnde emissiepunt van stal 1. Ook in de aangevraagde situatie wordt er wat betreft het emissiepunt van stal 1 niet voldaan aan de minimale afstand van 99 meter zoals volgt uit de notitie. Ter plaatse van de overige emissiepunten wordt wel voldaan aan deze minimale afstand. De woning op de locatie [adres] is een woning behorende bij een veehouderij waar tevens biggen worden gehouden. De bedrijfsleider, die woont op de locatie [adres] , is werkzaam op zowel het bedrijf behorende bij de locatie [adres] als op het bedrijf op de locatie [adres] . Conform de notitie is er daarom een dialoog gevoerd met de aanvrager. Hieruit blijkt dat er een bewuste keuze is gemaakt voor de uitbreiding van dieren op de locatie [adres] . Na het voeren van de dialoog is de aanvraag aangepast en vindt er geen uitbreiding van dieren meer plaats in stal 1. Deze dierplaatsen zijn verplaatst naar de overige stallen. Er is tevens gekeken naar verplaatsing van het emissiepunt. Aansluiten van het emissiepunt van stal 1 aan stal 2 is niet mogelijk in verband met brandcompartimentering. Bij het verplaatsen van de luchtwasser van stal 1 zou deze buiten het bouwblok komen te staan. Daarnaast wordt de emissie van fijnstof in de aangevraagde situatie verder beperkt door het gebruik van luchtwassers, het voeren van vochtig voer en het toepassen van een intern ventilatiesysteem met een lage interne luchtsnelheid. Om die redenen is het college van mening dat de notitie er niet aan in de weg staat om de vergunning te verlenen.
De rechtbank overweegt hierover het volgende. Het college heeft terecht gesteld dat het aan het bestuursorgaan is om bij het besluit over vergunningverlening te bepalen welke maatregelen bij endotoxinen in het belang van de bescherming van het milieu nodig zijn, waarbij het bestuursorgaan beoordelingsruimte heeft. Het college heeft overeenkomstig de Handreiking Veehouderij en Volksgezondheid 2.0 aan de GGD een gezondheidskundige beoordeling gevraagd over de uitbreiding van de varkenshouderij op de in geding zijnde locatie. De GGD heeft op 7 augustus 2025 een rapport uitgebracht. Over endotoxinen is hierin gesteld dat de woning behorende bij de locatie [adres] een woning is behorende bij een veehouderij. De endotoxine-belasting afkomstig van het eigen bedrijf zal naar verwachting hoger zijn, aldus de GGD, dan die afkomstig van de locatie [adres] . Wanneer een bewoner binnen de richtafstand woont, loopt hij een verhoogd gezondheidsrisico door blootstelling aan endotoxinen afkomstig van de veehouderij. De GGD adviseert het college om de ontwikkelingen op het gebied van (cumulatie van) endotoxinen te volgen. In het rapport wordt het college niet geadviseerd om de gevraagde omgevingsvergunning wegens het niet voldoen aan de richtafstand voor endotoxine ter plaatse van de bedrijfswoning op de locatie [adres] te weigeren. Verder heeft vergunninghoudster een ‘Motivatie Gezondheid’ laten opstellen door DLV Advies, gedateerd 10 juli 2025 en aangevuld op 12 november 2025. Hierin staat onder meer dat de wind niet zo kan staan dat de emissies van beide bedrijven gelijktijdig neerdalen op de bedrijfswoning en dat het voor het gezin, dat de bewuste keuze heeft gemaakt om te wonen en werken bij de veehouderijbedrijven, verder geen verschil maakt uit welke stal de ventilatielucht in de omgeving komt. Gelet op het advies van de GGD en hetgeen vergunninghoudster naar voren heeft gebracht en in aanmerking genomen dat sprake is van een richtafstand en geen grenswaarde, is de rechtbank van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat aannemelijk is dat er geen onaanvaardbare blootstelling aan endotoxinen ter plaatse van woning op de locatie Hoeksweg zal zijn. Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat eiseres niet aan de hand van algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten aannemelijk heeft gemaakt dat het agrarische bedrijf zodanige risico’s voor de volksgezondheid kan opleveren dat het college de gevraagde omgevingsvergunning om die reden had moeten weigeren of daaraan verdergaande voorschriften had moeten verbinden.
De vormvrije m.e.r.-beoordeling
7. Eiseres voert aan dat onvoldoende is onderzocht of met het beoogde project belangrijke nadelige gevolgen optreden die het opstellen van een milieueffectrapport (MER) noodzakelijk maakt. Vanwege de omgevingsvergunning zullen ammoniakemissies optreden. De aanvraag noemt een ammoniakemissietoename vanwege stal 3 en 4 van 1.286 kg op een totaal van 2.696 kg. Dit is een toename ten opzichte van de vigerende vergunning met ruim 500 kg NH3. Eerder was namelijk een emissie van 2.192 kg NH3 vergund. In de omgeving van de inrichting bevinden zich meerdere Natura 2000-gebieden met overbelaste stikstofgevoelige natuurwaarden. Eiseres noemt de Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen, Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek, en Kampina & Oisterwijkse Vennen. In de Natuurdoelanalyse van de Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen en van Kampina & Oisterwijkse Vennen wordt ten aanzien van meerdere natuurwaarden een vastgestelde (dreigende) verslechtering genoemd als gevolg van optredende stikstofdeposities. Deze informatie is niet betrokken in de m.e.r.-beoordeling. Hiermee ontbreekt een beschrijving van de locatie van de activiteit, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de activiteit van invloed kan zijn. De stikstofdepositie is volgens eiseres bovendien mogelijk hoger dan volgt uit de aanvraag. De werking van luchtwassertype BWL2009.12. is namelijk onzeker, zodat ook de jaarvracht niet zeker is. Met sensoren kan de jaarlijkse emissievracht niet worden vastgesteld. Bovendien geldt geen emissieplafond. De voorschriften volstaan niet om de gestelde maximale emissies te verzekeren. Daarnaast is in de nieuwe situatie geen stikstof voor verwarming van de stallen meegenomen, terwijl in de oude berekening 102,5 NOx kg/jr werd genoemd. De post mobiele werktuigen verdwijnt, terwijl aan de vigerende vergunning 111,3 NOx en 27,4 NH3 kg/jr wordt toegeschreven. In de thans verleende vergunning is niet geborgd dat geen NOx-emissies optreden als gevolg van verwarming en mobiele werktuigen. Tot slot is sprake van een toename van de geuremissies. Voor meerdere omwonenden geldt dat de milieukwaliteit verandert van 'redelijk goed' of 'matig' naar 'tamelijk slecht' of 'slecht'. In de m.e.r.-beoordeling wordt onvoldoende aangetoond dat hierin geen aanleiding bestaat voor het opstellen van een MER.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat in een m.e.r.-beoordeling niet behoeft te worden beoordeeld of en zo ja onder welke voorschriften een natuurvergunning op basis van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb kan worden verleend. De toets die wordt uitgevoerd bij een m.e.r.-beoordeling is minder streng dan de toets in het kader van de Wnb, waarbij wel strenge eisen gelden vanuit de Habitatrichtlijn ten aanzien van het voorzorgsbeginsel. Absolute zekerheid over de werking van de huisvestingssystemen is gelet op het toetsingskader van de m.e.r.-beoordeling niet vereist. Enkel belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu maken dat een MER moet worden opgesteld. Enige nadelige gevolgen voor het milieu maken het opstellen van een MER niet gerechtvaardigd. Ondanks de discussie omtrent de werking van luchtwassers bestaat in dit geval volgens het college geen aanleiding om te oordelen dat belangrijke nadelige gevolgen vanwege dit project niet kunnen worden uitgesloten. Door de aanvrager zijn in de aanmeldnotitie (beschermings)maatregelen voorgesteld om de werking van de luchtwassers te borgen. Volgens het college zijn deze (beschermings)maatregelen in het m.e.r.-spoor toereikend om de goede werking van het stalsysteem te waarborgen. De voorgestelde (beschermings)maatregelen zijn in de voorschriften vastgelegd en voldoende om belangrijke nadelige gevolgen uit te kunnen sluiten. Verder ligt het dichtbijgelegen Natura 2000-gebied, het Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek, op een afstand van 15,5 km. Daarnaast vormt de Wnb-vergunning van 26 maart 2019 (kenmerk: Z/082714-145274) voor de inrichting de referentiesituatie ten aanzien van Natura 2000. Ten opzichte van deze referentiesituatie is er geen sprake van een toename van ammoniakemissies binnen de inrichting. Bovendien zien zowel de vigerende milieuvergunning als de Wnb-vergunning van 2019, net als onderhavige aangevraagde situatie, op het houden van alle dieren binnen de inrichting op de combiluchtwasser BWL 2009.12.V5. Dit betekent dat de onzekerheid die eiseres schetst over de werking van dit systeem in onderhavig geval een zelfde effect zou hebben op de vigerende situatie als op aangevraagde situatie, en dus niet louter zou kunnen worden toegerekend aan de wijzigingen binnen de inrichting. De onzekerheid van de werking van deze systemen is dus niet ingegeven door de wijzigingen van het project. Daarbij komt dat de werking van alle luchtwassers in de vigerende situatie (zowel voor milieu als voor Natura 2000) niet is geborgd middels voorschriften, terwijl dit in de beoogde situatie wel het geval is voor de (nieuwe) luchtwassers op stal 2, 3 en 4. De werking van de luchtwassers wordt in de nieuwe vergunde situatie daarmee in ieder geval minder onzeker dan in de vigerende situatie. Voor het onderdeel Natura 2000 kunnen belangrijke nadelige gevolgen als gevolg van de wijziging van het project daarom worden uitgesloten. Tot slot is het zo dat met de aangevraagde wijziging de geurbelasting op verschillende adressen toeneemt. Ten aanzien van voorgrondgeurbelasting kan worden geconcludeerd dat voor alle geurgevoelige objecten geldt dat er nog steeds wordt voldaan aan die geldende normen. In tegenstelling tot wat eiseres hierover naar voren heeft gebracht, geldt voor deze adressen ten aanzien van de voorgrondgeurbelasting dat op basis van de Handreiking bij de Wet geurhinder en veehouderij de milieukwaliteit nog steeds dient te gelden als "matig" (zoals dat geldt voor een voorgrondbelasting tot 10 ouE/m3). Eiseres heeft niet gemotiveerd waarom er op basis van dit aspect belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet kunnen worden uitgesloten.
Vergunninghoudster heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake van een toename van ammoniak ten opzichte van het vergunde aantal kilo’s. De natuurvergunning is verleend voor totaal 2.696 kg NH3. In de natuurvergunning is uitgegaan van het luchtwassysteem BWL 2009.12. In het bestreden besluit is na wijziging van de bedrijfssituatie sprake van totaal afgerond 2.696 kg NH3. Tevens is uitgegaan van hetzelfde luchtwassysteem als reeds vergund bij besluit van 26 maart 2019. Dit luchtwassysteem is feitelijk ook aanwezig. Het college heeft mogen uitgaan van een positieve bijdrage die de voorgeschreven maatregelen ten aanzien van meten en monitoren hebben op de ammoniakreductie door luchtwassers. Wat de wijze van verwarming betreft verwijst vergunninghoudster naar de pagina’s 36 tot en met 39 van het document ‘bijlagen vergunningen (incl. vormvrije MER)’. In de huidige situatie vindt verwarming plaats met cv-ketels. In de beoogde situatie wordt gebruik gemaakt van een elektrisch aangedreven warmtepompinstallatie. De stallen worden verwarmd door het water afkomstig uit de luchtwasser te verwarmen door middel van een warmtepomp. Om die reden is geen stikstof meegenomen in de Aerius-berekening voor het verwarmen. Wat de post ‘mobiele werktuigen' betreft verwijst vergunninghoudster naar pagina 36 van het document 'bijlagen vergunningen (incl. vormvrije MER)’. In de Aerius-berekening voor de referentiesituatie is uitgegaan van 111,3 kg NOx. Het betrof de invoer van een loader. In de beoogde situatie is ter plaatse geen loader meer aanwezig. Om die reden is ook geen rekening gehouden met stikstofemissie van een loader in de beoogde situatie.Over de geurbelasting heeft vergunninghoudster gesteld dat uit de berekeningen van de voorgrondbelasting blijkt dat op alle geurgevoelige objecten wordt voldaan aan de geldende geurnorm van 10,0 Ou voor de voorgrondbelasting. Wat de achtergrondgeurbelasting betreft wijst vergunninghoudster erop dat de GGD hierover heeft opgemerkt dat die op de woningen in het buitengebied in veel gevallen de gezondheidskundige advieswaarde overschrijdt, maar dat gezien de hoogte van de voorgrondbelasting de overschrijding van de gezondheidskundige advieswaarde van de achtergrondgeurbelasting niet altijd is te herleiden tot het bedrijf op de locatie [adres] . Tevens heeft de GGD aangegeven dat ook voor veel woningen in de woonkern geldt dat de gezondheidskundige advieswaarde wordt overschreden en dat de bijdrage van het bedrijf op de locatie [adres] , gezien de hoogte van de voorgrondbelasting, beperkt is. Er is, aldus vergunninghoudster, geen reden om vanwege de bestaande achtergrondbelasting waarop zij slechts zeer beperkt invloed heeft, een MER te verlangen.
Op grond van artikel 7.2, eerste lid, onder b, van de Wm, gelezen in samenhang met artikel 2.1, tweede lid, van het Besluit milieueffectrapportage, en gelet op de drempelwaarde van categorie 14 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage dient er een milieueffectrapportage te worden gemaakt als sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu op relevante criteria waaronder de activiteiten worden ondernomen. Hiervoor dient op grond van artikel 7.17, derde lid, van de Wm rekening te worden gehouden met de aangegeven omstandigheden, zoals beschreven in bijlage III bij Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten. In bijlage III bij die richtlijn zijn criteria genoemd die uiteenvallen in criteria betreffende de:
kenmerken van het project: omvang van het project, cumulatie met andere projecten, gebruik van natuurlijke hulpbronnen, productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder en risico op ongevallen;
plaats van het project: bestaand gebruik van de locatie, natuurlijke hulpbronnen en opnamevermogen/gevoeligheid van het milieu;
kenmerken van het potentiële effect: bereik, grensoverschrijdend karakter, orde van grootte en complexiteit, waarschijnlijkheid en duur, frequentie en omkeerbaarheid van het effect.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 25 november 2020 kan de vraag of de inrichting zal kunnen voldoen aan de daarvoor geldende milieuregels niet worden gelijkgesteld met de vraag of zich belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen voordoen, die nopen tot het maken van een MER. De omstandigheid dat wordt voldaan aan de milieuregels kan wel worden betrokken bij de beoordeling of sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt daarnaast dat de milieugevolgen vanwege de inrichting in de reeds vergunde situatie als uitgangspunt dienen te worden genomen bij de vraag of er sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Indien de wijziging er ten opzichte van de reeds vergunde situatie toe leidt dat de milieugevolgen vanwege de inrichting afnemen, althans niet toenemen, bestaat geen ruimte voor het oordeel dat de wijziging belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben.Verder wijst de rechtbank erop dat een m.e.r.-beoordeling geen verkapte vergunningverlening betreft. Met andere woorden, het college hoeft in een m.e.r.-beoordeling niet te beoordelen of een natuurvergunning op basis van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb noodzakelijk is of dat zeker is dat aan alle vereisten op grond van de Wabo of de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV) wordt voldaan. Het gaat alleen om de vraag of er een MER moet worden opgesteld ten behoeve van de verlening van de vergunning (en of er dus een uitgebreider onderzoek moet worden verricht of dat kan worden volstaan met een normale onderbouwing). Op dat moment hoeft nog niet duidelijk te zijn wat de exacte gevolgen zijn voor natuur en milieu (dat moet pas duidelijk zijn in de uiteindelijke omgevingsvergunning).
Met het bestreden besluit heeft het college de omgevingsvergunning verleend en daarbij overwogen dat vanwege het ontbreken van belangrijke nadelige milieugevolgen waaronder deze activiteiten worden ondernomen bij de voorbereiding van het besluit ten
aanzien van de aanvraag om de omgevingsvergunning géén MER hoeft te worden gemaakt. Onderdeel van de omgevingsvergunning is het stuk ‘Bijlagen vergunningen (inclusief vormvrije m.e.r.)’ van DLV Advies van 8 maart 2024 en aangevuld op 12 november 2025.
In de motivering van het bestreden besluit is op pagina 25 tot en met 32 aandacht besteed aan de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten. In het besluit is gemotiveerd uiteengezet waarom geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn als gevolg van de voorgenomen activiteiten. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet heeft kunnen stellen dat er geen verplichting bestond tot het opstellen van een MER. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
Wat de ammoniakemissies betreft acht de rechtbank onder meer van belang dat in dit geval geen wijziging van het stalsysteem in het milieuspoor (en evenmin in het natuurspoor) plaatsvindt, waardoor de onzekerheid over de werking van dit stalsysteem in de bestaande situatie even groot is als in de vergunde situatie. Verder heeft het college ter zitting benadrukt dat het hier feitelijk gaat om een verschuiving in dierbezetting. Er worden weliswaar meer dieren gehouden, maar het betreffen kleine gespeende biggen die minder uitstoot met zich brengen. Voorts heeft eiseres de stelling van vergunninghoudster dat geen sprake is van een toename van ammoniakemissie ten opzichte van het aantal kilo’s blijkens de natuurvergunning ook niet betwist. In de verleende omgevingsvergunning zijn er bovendien, anders dan voorheen, maatregelen voorgeschreven ten aanzien waarvan het college ervan heeft mogen uitgaan dat die een positieve bijdrage leveren aan de ammoniakreductie door de luchtwassers, ook al is niet duidelijk hoe groot die bijdrage is.
Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat er ten onrechte geen rekening is gehouden met de NOx-emissies vanwege verwarming met cv-ketels en het gebruik van een loader, overweegt de rechtbank dat aan de hand van tekeningen ter zitting is komen vast te staan dat er geen loader en verwarming met cv-ketels zijn aangevraagd en dus ook niet vergund. Vergunninghoudster gaat in de vergunde situatie voor de verwarming gebruik maken van een elektrisch aangedreven warmtepompinstallatie. Het college heeft aldus terecht geen rekening gehouden met NOx-emissies die het gebruik van cv-ketels en een loader met zich brengen.
Ten aanzien van de geurbelasting overweegt de rechtbank het volgende. De voorgrondgeurbelasting neemt weliswaar op bepaalde geurgevoelige objecten toe ten gevolge van de verleende omgevingsvergunning en het percentage geurgehinderden komt hierdoor iets hoger te liggen, maar gesteld noch gebleken is dat hierdoor ter plaatse van deze (of andere) geurgevoelige objecten niet meer zou worden voldaan aan de geldende geurnormen op basis van de Wet geurhinder en veehouderij. Verder stelt de rechtbank vast dat de milieukwaliteit op grond van de Handreiking bij de Wet geurhinder en veehouderij bij die geurgevoelige objecten nog steeds als “matig” kan worden gekwalificeerd. Van belang is voorts dat vergunninghoudster een achtergrondgeurberekening heeft aangeleverd, waaruit blijkt dat het woon- en leefklimaat van elf woningen verslechtert, waarbij de milieukwaliteit van die woningen als ‘redelijk goed’ of ‘goed’ kan worden gekwalificeerd, en van dertien woningen verbetert. Niet is gebleken dat het college hiervan niet heeft kunnen uitgaan bij het nemen van het bestreden besluit. Verder heeft het college bij zijn afweging over de achtergrondgeurbelasting mogen betrekken dat blijkens het GGD-advies van 7 augustus 2025 de bijdrage van het bedrijf aan de overschrijding van de gezondheidskundige advieswaarde gezien de hoogte van de voorgrondbelasting beperkt is. Gelet hierop en in aanmerking genomen de beoordelingsruimte van het college heeft het kunnen stellen dat geen sprake is van belangrijke nadelige effecten voor het milieu wat het aspect geur betreft. Het college heeft hierom geen aanleiding behoeven te zien om vergunninghoudster te verplichten tot het opstellen van een MER.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank in wat eiseres heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat niet alle relevante criteria als genoemd in bijlage III van de m.e.r.-richtlijn toereikend zijn beoordeeld in de uitgevoerde m.e.r-beoordeling. Het college heeft daarom vergunninghoudster niet behoeven te verplichten tot het opstellen van een MER. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Voorschriften luchtwasser
8. Eiseres voert aan dat de luchtwasser BWL2009.12 niet de zekerheid biedt dat een emissiereductie van 85% wordt gerealiseerd. Ook de gestelde voorschriften volstaan niet om een emissiereductie van 85% zeker te stellen. Met de optie van een jaarlijkse meting uit voorschrift 6.1.2 wordt in geen geval uitvoering gegeven aan de aanbeveling uit het
rapport “Onderzoek naar verbeterpunten voor combi-luchtwassers in de praktijk” van de Wageningen Universiteit (WUR) van november 2021 (het WUR-rapport 2021). Met een jaarlijkse meting ontbreekt namelijk de zekerheid om voldoende tijdig te reageren op het ondermaats functioneren van de luchtwasser. Enkel met door middel van een continumeting kan snel worden gereageerd op mankementen. Een twaalfmaandelijkse meting kan niet worden gelijkgesteld aan een continumeting, en die optie wordt ook niet genoemd in het WUR-rapport.
De rechtbank is van oordeel dat inderdaad niet vaststaat dat met de vergunde luchtwasser en de hiervoor in de vergunning opgenomen maatregelen de ammoniakreductie waarvan in de toegepaste emissiefactoren wordt uitgegaan, wordt gehaald. Omdat het hier echter geen natuurvergunning betreft maar een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu, er geen wijziging is van het vergunde en ook feitelijk aanwezige luchtwassysteem en van een toename van ammoniak ten opzichte van de bestaande situatie niet is gebleken, ziet de rechtbank hierin geen aanleiding voor een vernietiging van het bestreden besluit. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat vergunninghoudster gebruik mag maken van de aan haar verleende omgevingsvergunning. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Heijerman, voorzitter, en mr. K.A. Maarschalkerweerd en mr. D.J. de Lange, leden, in aanwezigheid van mr. M.J.A.B. Elsman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.