ECLI:NL:RBOBR:2026:6053

ECLI:NL:RBOBR:2026:6053

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 27-08-2026
Datum publicatie 25-08-2026
Zaaknummer 82/122721-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

veroordeling voor feit 1: medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 33 van de Wet op de economische delicten (artikel 7 van de Wet op de economische delicten), begaan door een rechtspersoon en voor feit 2: medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 33 van de Wet op de economische delicten (artikel 29 van de Wet op de economische delicten), begaan door een rechtspersoon. De verdachte heeft met anderen opzettelijk in strijd gehandeld met twee rechterlijke bevelen. Opgelegd wordt een geldboete van EUR 10.000,- en de maatregel als bedoeld in het tweede lid van artikel 8.11a Wet dieren. Beveelt dat de veroordeelde – middellijk en onmiddellijk- niet meer dan 5 productiedieren zal houden voor de duur van 10 jaren. Beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is. Verweer niet-ontvankelijkheid OM wordt verworpen.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 82.122721.25

Datum uitspraak: 27 augustus 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1974] ,

wonende te [adres 1] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 13 augustus 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 18 juni 2026.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

feit 1:

primair

zij op of omstreeks 19 maart 2025 te Elsloo, gemeente Stein, althans in Nederland,

nadat aan [medeverdachte 1] door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch bij arrest van 7 februari 2025 krachtens artikel 7, onder c van de Wet op de economische delicten een bijkomende straf is opgelegd en onherroepelijk is geworden op 22 februari 2025, inhoudende de gedeeltelijke stillegging van de onderneming, te weten voor wat betreft de bedrijfsmatige veehouderij, voor de duur van 1 (één) jaar,

tezamen en in vereniging met (een of meer) ander(en),

opzettelijk

heeft gehandeld en/of nagelaten in strijd met die bijkomende straf, door 47 runderen, 90 volwassen schapen en 35 lammeren, althans een of meer productiedieren te houden,

subsidiair

[medeverdachte 1] op of omstreeks 19 maart 2025 te Elsloo, gemeente Stein, althans in Nederland,

nadat aan die [medeverdachte 1] door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch bij arrest van 7 februari 2025 krachtens artikel 7, onder c van de Wet op de economische delicten een bijkomende straf is opgelegd en onherroepelijk is geworden op 22 februari 2025, inhoudende de gedeeltelijke stillegging van de onderneming, te weten voor wat betreft de bedrijfsmatige veehouderij, voor de duur van 1 (één) jaar,

tezamen en in vereniging met (een of meer) ander(en),

opzettelijk

heeft gehandeld en/of nagelaten in strijd met die bijkomende straf, door 47 runderen, 90 volwassen schapen en 35 lammeren, althans een of meer productiedieren te houden,

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks periode van 22 februari 2025 tot en met 19 maart 2025 te Elsloo, gemeente Stein, althans in Nederland,

opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid heeft verschaft, door de koeien en schapen over te schrijven op UBN-nummer(s) op naam van verdachte, terwijl de dieren feitelijk nog op dezelfde locatie (mede) door [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] werden gehouden en verzorgd;

(strafbaarstelling: art. 33, 7 onder c, 1 onder 5, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten jo. art. 47 en 91 Wetboek van strafrecht)

feit 2:

primair

zij op of omstreeks 19 maart 2025 te Elsloo, gemeente Stein, althans in Nederland,

nadat aan [medeverdachte 1] en haar afzonderlijke maten door de meervoudige economische raadkamer van de rechtbank Oost-Brabant op 7 januari 2025, ingevolge artikel 29 van de Wet op de economische delicten, als voorlopige maatregel was bevolen dat:

- [medeverdachte 1] en/of haar afzonderlijke maten zich zal/zullen onthouden van het houden van koeien en schapen, en/of

- [medeverdachte 1] en haar afzonderlijke maten zich zal/zullen onthouden van het bedrijfsmatig houden van dieren, en/of

- de onderneming van verdachte gedeeltelijk zal worden stilgelegd, wat betreft de bedrijfsmatige veehouderij,

tezamen en in vereniging met (een of meer) ander(en),

opzettelijk

heeft gehandeld en/of nagelaten in strijd met die voorlopige maatregel door:

- op het adres [adres 2] (ongenummerd) te Elsloo, gemeente Stein, koeien en/of schapen te houden, en/of

- 47 runderen, 90 volwassen schapen en 35 lammeren, althans een of meer productiedieren op de betreffende locatie(s) te houden, en/of

- bedrijfsmatig runderen en schapen te houden,

subsidiair

[medeverdachte 1] , op of omstreeks 19 maart 2025 te Elsloo, gemeente Stein, althans in Nederland,

nadat aan die [medeverdachte 1] en haar afzonderlijke maten door de meervoudige economische raadkamer van de rechtbank Oost-Brabant op 7 januari 2025, ingevolge artikel 29 van de Wet op de economische delicten, als voorlopige maatregel was bevolen dat:

- [medeverdachte 1] en/of haar afzonderlijke maten zich zal/zullen onthouden van het houden van koeien en schapen, en/of

- [medeverdachte 1] en haar afzonderlijke maten zich zal/zullen onthouden van het bedrijfsmatig houden van dieren, en/of

- de onderneming van verdachte gedeeltelijk zal worden stilgelegd, wat betreft de bedrijfsmatige veehouderij,

tezamen en in vereniging met (een of meer) ander(en),

opzettelijk

heeft gehandeld en/of nagelaten in strijd met die voorlopige maatregel door:

- op het adres [adres 2] (ongenummerd) te Elsloo, gemeente Stein, koeien en/of schapen te houden, en/of

- 47 runderen, 90 volwassen schapen en 35 lammeren, althans een of meer productiedieren op de betreffende locatie(s) te houden, en/of

- bedrijfsmatig runderen en schapen te houden,

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 15 februari 2025 tot en met 19 maart 2025 te Elsloo, gemeente Stein, althans in Nederland,

opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid heeft verschaft, door de koeien en schapen over te schrijven op UBN-nummer(s) op naam van verdachte, terwijl de dieren feitelijk nog op dezelfde locatie (mede) door [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] werden gehouden en verzorgd;

(strafbaarstelling: art. 33, 7 onder c, 1 onder 5, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten jo. art. 47 en 91 Wetboek van strafrecht)

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging van feit 2.

De verdediging heeft aangevoerd dat het vervolgen van de verdachte voor betrokkenheid bij het niet naleven van de voorlopige maatregel onverenigbaar is met de beginselen van een goede procesorde en de officier van justitie daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging.

Aangevoerd is op de eerste plaats dat bij de verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat met het seponeren van 3 andere strafzaken tegen de [medeverdachte 1] , welke de aanleiding waren voor het opleggen van de voorlopige maatregel, en de samenhang met de voorlopige maatregel, deze voorlopige maatregel door de officier van justitie niet meer zou worden gehandhaafd. In de 3 strafzaken (het overtreden van de Wet Dieren op 16 januari 2024, 17 juni 2024 en 26 november 2024) is immers de voorlopige maatregel genomen.

De rechtbank begrijpt het verweer zo, dat door die strafzaken te seponeren, de verdachte ervan uit mocht gaan dat zij ook niet zou worden vervolgd voor het opzettelijk handelen en/of nalaten in strijd met die voorlopige maatregel op 19 maart 2025.

Op de tweede plaats is aangevoerd dat de vervolging onverenigbaar is met het verbod van willekeur, in de rechtspraak ook wel omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging. De officier van justitie heeft de sepotbeslissingen niet meteen geformaliseerd op 22 februari 2025, op het moment dat het arrest van het gerechtshof waarin procesafspraken tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging zijn bekrachtigd en onherroepelijk zijn geworden. De officier van justitie heeft de zaken pas veel later, in september 2025, formeel geseponeerd. Dit terwijl in het verband van de procesafspraken ook de betreffende 3 strafzaken en de sepotbeslissingen in de onderhandelingen zijn betrokken.

De rechtbank neemt bij haar beoordeling tot uitgangspunt dat in artikel 167, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan, leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde (vgl. HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280, NJ 2013/109). Zo’n uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het Openbaar Ministerie gedane, of aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen, uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat zij niet (verder) zal worden vervolgd (vgl. HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:513, NJ 2015/200).Van een dergelijk uitzonderlijk geval is in de zaak tegen de verdachte geen sprake.

Ingevolge art 29, lid 1, van de Wet op de economische delicten (WED) kan het gerecht een voorlopige maatregel opleggen, indien tegen een verdachte ernstige bezwaren zijn gerezen en tevens de belangen, welke door het vermoedelijk overtreden voorschrift worden beschermd, een onmiddellijk ingrijpen vereisen. De voorlopige maatregel kan onder meer bestaan uit gehele of gedeeltelijke stillegging van de onderneming waarin de overtreding wordt vermoed te zijn begaan.

Aan de sepotbeslissing van de officier van justitie om in de strafzaken van de verdachte [medeverdachte 1] waarin de voorlopige maatregel is uitgesproken niet verder te vervolgen, kan door de verdachte ( [verdachte] ) niet het gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat zij niet vervolgd zal worden voor een geheel ander feit, te weten het opzettelijk overtreden van de voorlopige maatregel. Dat die sepotbeslissing onderdeel uitmaakte van door het gerechtshof goedgekeurde procesafspraken in een andere strafzaak tegen de [medeverdachte 1] maakt dit niet anders.Het instellen van de vervolging voor het opzettelijk overtreden van die voorlopige maatregel is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet onverenigbaar met beginselen van een goede procesorde. Het al dan niet tijdig formaliseren van bedoelde sepotbeslissing evenmin.De rechtbank verwerpt het verweer en is van oordeel dat de officier van justitie in zijn vervolging kan worden ontvangen.

Er zijn geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Inleiding.

Het onderzoek Marron dat door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit is gedaan, heeft zich gericht op de [medeverdachte 1] en op de broer van de verdachte, [medeverdachte 2] ( [medeverdachte 2] ).

De officier van justitie heeft niet alleen de [medeverdachte 1] en de verdachte vervolgd, maar ook haar [medeverdachte 2] en broer [medeverdachte 3] . Alle vier deze strafzaken zijn op de terechtzitting van 13 augustus 2026 behandeld.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft beide ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen geacht.Het overschrijven van de runderen en de schapen op respectievelijk de verdachte en op broer [medeverdachte 3] , is volgens de officier van justitie een schijnconstructie. De dieren zijn al die tijd door de eenmanszaak van [medeverdachte 2] als rechtsopvolger van de [medeverdachte 1] op dezelfde locatie in Elsloo gehouden en degene die dieren houdt is strafrechtelijk verantwoordelijk.Het was evident dat [medeverdachte 2] op 19 maart 2025 de in de tenlastelegging vermelde dieren hield en verzorgde en dus de onderneming voortzette. Dit terwijl de rechtbank en het gerechtshof hadden bevolen dat dit op dat moment niet meer mocht.

De officier van justitie heeft benadrukt dat artikel 7 WED bepaalt dat een onderneming wordt stilgelegd, niet een rechtspersoon, juist om schijnconstructies te voorkomen.

De officier van justitie heeft er tot slot op gewezen dat in de rechterlijke bevelen nog expliciet is opgenomen dat [medeverdachte 2] (als natuurlijk persoon) zelf ook bedrijfsmatig geen dieren meer mag houden.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft aangevoerd dat de [medeverdachte 1] na [2025] , de sterfdag van de tweede maat van de [medeverdachte 1] (de andere broer van de verdachte), geen (rechts)handelingen meer kon verrichten, geen strafbare feiten kon plegen en de verdachte dan ook niet medepleger of medeplichtige van de [medeverdachte 1] kon zijn.

Opzettelijk handelen in strijd met de rechterlijke beslissingen kan niet bewezen worden, ook niet in voorwaardelijke zin. Door het verkopen van de dieren is juist uitvoering gegeven aan de beslissingen. De verdachte en haar broers gingen ervan uit dat zij door de verkoop van de dieren en het verhuren van de stalen de bedrijfsmatige veehouderij bij de [medeverdachte 1] dan wel de overgebleven maat weghaalden. Een vergissing of onzorgvuldige uitvoering (culpa) is onvoldoende om opzettelijk handelen bewezen te verklaren.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank oordeelt dat is bewezen dat de verdachte op 19 maart 2025 tezamen en in vereniging met haar twee broers opzettelijk heeft gehandeld in strijd met twee rechterlijke bevelen.

De bewezenverklaring is gebaseerd op de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.

De bewijsmiddelen.

1) Relaasproces-verbaal van 16 april 2025, p. 8 ev, voor zover inhoudende: Bevindingen controle woensdag 19 maart 2025

Omdat het mij, verbalisant [verbalisant 1] , bekend was dat [medeverdachte 1] bedrijfsmatig geen runderen en schapen meer mocht houden (uitspraak hof), heb ik het I en R-systeemgeraadpleegd. Ik zag dat er in de periode 07 februari 2025 tot en met 18 maart 2025 runderen en schapen afgevoerd waren naar de volgende UBN nummers: [UBN-nummer 1] , [UBN-nummer 2] , [UBN-nummer 3] en [UBN-nummer 4] .

Ik zag verder in het I en R-systeem dat het [UBN-nummer 1] op naam gesteld was van [verdachte] , [adres 1] , dat [UBN-nummer 2][UBN-nummer 2] op naam gesteld was van [medeverdachte 3] , [adres 3] , dat [UBN-nummer 3] op naam gesteld was van [bedrijf 1] , [adres 4] en dat [UBN-nummer 4] op naam was gesteld van [bedrijf 2] , [adres 5] .(...)Ik, verbalisant [verbalisant 1] , zag in het I en R-systeem, dat er 43 runderen waren overgeschreven

op [UBN-nummer 1] van [verdachte] op 27 februari 2025. Ik zag verder, in het

I en R-systeem, dat dit nieuwe UBN-nummer is aangevraagd op 24 februari 2025 voor de diersoorten rund en schaap.(...)Ik, verbalisant [verbalisant 1] , zag in het I en R-systeem, dat er 92 schapen waren overgeschreven op [UBN-nummer 2] van [medeverdachte 3] , op 26, 27 en 28 februari 2025. Ik zag verder, in het I en R-systeem, dat dit UBN-nummer is aangevraagd op 13 juli 2023 voor de diersoorten schaap en geit.

Ik, verbalisant [verbalisant 1] , zag in het GBA-systeem dat [verdachte] een zus is van verdachte [medeverdachte 2] en dat [medeverdachte 3] een broer is van verdachte [medeverdachte 2] . Door deze bevinding, vermoedde ik, verbalisant [verbalisant 1] , dat deze runderen en schapen nog aanwezig zouden zijn op het bedrijf van [medeverdachte 1] , aan de [adres 2] ongenummerd te Elsloo (LB).(...)

Wij, verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , kwamen omstreeks 10.00 uur aan op de [adres 2] , wij zagen, dat verdachte [medeverdachte 2] de schapen die achter het bedrijf in de wei liepen, aan het verplaatsen was. Gelet op onze bevindingen verrichtte verdachte [medeverdachte 2] werkzaamheden die bij het houden en verzorgen van schapen horen.

Vervolgens hebben wij, verbalisanten, een inspectie uitgevoerd in de ligboxenstal en de omliggende weilanden.

Wij, verbalisanten, zagen dat er aan de situatie, ten aanzien van de huisvesting en bedrijfsvoering niks veranderd was ten opzichte van voorgaande inspecties. Wij zagen dat de runderen en schapen nog in dezelfde stallen, hokken en weilanden werden gehouden, die toebehoren aan [medeverdachte 1] .

(…)

Wij, verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , zagen dat er in hok 12, waarin zich veertien volwassen runderen bevonden, veel natte mest in de ligboxen lag en dat de ligboxen niet ingestrooid waren. Wij zagen dat er veel mest op de roosters lag. Wij zagen dat bij alle runderen in dit hok de vacht besmeurd was met mest. Bij deze runderen zat er zowel natte als aangekoekte mest aan de poten, buik en achterband. Gelet op het voorgaande wisten wij dat deze runderen werden gehouden onder onvoldoende hygiënische omstandigheden.

Wij, verbalisanten, zagen dat er in hok 7, waarin zich zes runderen bevonden, veel natte mest in de ligboxen lag en dat de ligboxen niet ingestrooid waren. Wij zagen dat er veel mest op de roosters lag. Wij zagen dat bij alle runderen in dit hok de vacht besmeurd was met mest. Bij deze runderen zat er zowel natte als aangekoekte mest aan de poten, buik en achterband. Gelet op het voorgaande wisten wij dat deze runderen werden gehouden onder onvoldoende hygiënische omstandigheden.

Wij, verbalisanten, zagen dat er in hok 8, waarin zich negen runderen bevonden van het mannelijke geslacht, veel natte mest in de ligboxen lag en dat de ligboxen niet ingestrooid waren. Wij zagen dat er veel mest op de roosters lag. Wij zagen dat bij alle runderen in dit hok de vacht besmeurd was met mest. Bij deze runderen zat er zowel natte als aangekoekte mest aan de poten, buik en achterband. Gelet op het voorgaande wisten wij dat deze runderen werden gehouden onder onvoldoende hygiënische omstandigheden.

Wij, verbalisanten, zagen dat er in hok 9, waarin zich zeven runderen bevonden, waaronder één jong kalf, veel natte mest in de ligboxen lag en dat de ligboxen niet ingestrooid waren. Wij zagen dat er veel mest op de roosters lag. Wij zagen dat bij alle runderen in dit hok de vacht besmeurd was met mest. Bij deze runderen zat er zowel natte als aangekoekte mest aan de poten, buik en achterband. Gelet op het voorgaande wisten wij dat deze runderen werden gehouden onder onvoldoende hygiënische omstandigheden.

Wij, verbalisanten, zagen dat er in hok 10, waarin zich zeven runderen bevonden, veel natte mest in de ligboxen lag en dat de ligboxen niet ingestrooid waren. Wij zagen dat er veel mest op de roosters lag. Wij zagen dat bij alle runderen in dit hok de vacht besmeurd was met mest. Bij deze runderen zat er zowel natte als aangekoekte mest aan de poten, buik en achterband. Gelet op het voorgaande wisten wij dat deze runderen werden gehouden onder onvoldoende hygiënische omstandigheden.

Tijdens de controle zagen wij verbalisanten, drie jonge kalveren staan in hok 2, met werknummers [werknummer 1] , [werknummer 2] en [werknummer 3] . Later die dag, was ineens één van deze kalveren, met werknummer [werknummer 1] verdwenen. Wij hebben de deur van de nabijgelegen schuur open gemaakt en daar stond het kalf, tussen de landbouwvoertuigen, een tractor, kapotte stukken asbest en allerlei stukken ijzer. Ik, verbalisant [verbalisant 1] , zag dat het kalf zijn rechter voorpoot open had gehaald aan één van deze scherpe delen. Er was een stuk huid weg en er was bloed zichtbaar. Ik kon hieruit opmaken, dat door het verplaatsen van het kalf, het kalf zich verwond had aan de scherpe uitstekende delen in de schuur. Hierdoor werd het welzijn van het kalf benadeeld.

Bij de controle van de in beslag genomen schapen, zagen wij, verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , dat er nog vier schapen geregistreerd stonden op het UBN nummer van [medeverdachte 1] .

De overige vijftien schapen die op de stallijst stonden, hebben wij niet aangetroffen.

Wij kwamen er tijdens de controle bij de opslaghouder achter dat er vier van de in beslag genomen runderen niet op de stallijst van [verdachte] stonden. Nadat ik, verbalisant [verbalisant 1] , deze runderen in het I en R systeem had nagetrokken, zag ik dat deze runderen op naam stonden van [betrokkene 1] . Deze runderen waren eerder in eigendom van [medeverdachte 1] en zijn op 10 juni 2024 overgeschreven op het UBN van [betrokkene 1] . (…)

Naar aanleiding van de in beslag genomen runderen en schapen zijn er door ons, verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , kennisgevingen van inbeslagname opgemaakt. Deze zijn beiden opgemaakt op naam van verdachte [medeverdachte 1] en verdachte [medeverdachte 2] . In totaal zijn er 47 runderen, 90 volwassen schapen en 33 lammeren in beslag genomen.

2) Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] , onderdeel van het relaasproces-verbaal van 16 april 2025, p. 10 , voor zover inhoudende: Mijn broer [medeverdachte 3] heeft vanmorgen alle dieren gevoerd. Ik ben nu alles aan het nalopen, water etc. (…) 's Nachts slapen de schapen die op het weiland hier in de straat (links van het bedrijf) staan in het hokje en overdag zet ik ze in het weiland ernaast. (…)

3) Proces-verbaal van verhoor getuige [verbalisant 1] van de rechter-commissaris en de griffier van 10 december 2025, voor zover inhoudende: Wat zijn uw bevindingen geweest in de context van art. 33 WED ten aanzien van verdachten? (...)Wat ik kort kan zeggen: op het moment dat wij aankwamen zagen wij dat [medeverdachte 2] ( [medeverdachte 2] ) schapen aan het verplaatsen was. Wij zagen uiteindelijk op het bedrijf dat er niets veranderd was ten aanzien van eerdere controles. Alle dieren stonden er nog. Hij was bezig met die schapen en voor ons was dat voldoende bewijs dat hij nog zijn werk deed op de boerderij.

4) Schriftelijk bescheid, zijnde een arrest van 7 februari 2025 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch in de strafzaak tegen [medeverdachte 1] , p. 19 ev , onherroepelijk geworden op 22 februari 2025, inhoudende:

Beveelt de gedeeltelijke stillegging, te weten voor wat betreft de bedrijfsmatige veehouderij, van de onderneming van de verdachte waarin het economisch delict is gepleegd, voor de duur van 1 (één) jaar.

5) Schriftelijk bescheid, zijnde een de beslissing van de meervoudige economische raadkamer op de vordering van de officier van justitie op grond van artikel 29 Wet op de economische delicten in de strafzaak tegen [medeverdachte 1] van 7 januari 2025, p. 82 ev , inhoudende:

De meervoudige economische raadkamer-wijst de vordering tot opleggen van een voorlopige maatregel, inhoudende dat de onderneming van verdachte op het adres [adres 1] gedeeltelijk zal worden stilgelegd, namelijk wat betreft de bedrijfsmatige veehouderij, toe;-wijst de vordering tot opleggen van een voorlopige maatregel, inhoudende dat de verdachte zich onthoudt van het bedrijfsmatig houden van dieren toe;

-beveelt dat de verdachte zich onthoudt van het houden van koeien en schapen.

Ter naleving van deze maatregel moet verdachte uiterlijk 31 januari 2025 de koeien

en schapen verkopen dan wel laten afvoeren;

-bepaalt dat de verdachte maximaal vier varkens en tien geiten hobbymatig mag

houden;

-bepaalt dat het voorgaande geldt voor verdachte en haar afzonderlijke maten

gezamenlijk.

6) Schriftelijk bescheid, zijnde een uittreksel van de Kamer van Koophandel, vervaardigd 17-03-2025, p 66, inhoudende:

(…)

Samenwerkingsverband

[RSIN-nummer]

Rechtsvorm [medeverdachte 1]

Naam [medeverdachte 1]

Datum oprichting 01-01-1981

Duur Onbepaald

(…)

Maten

Naam [betrokkene 2]

Geboortedatum [1953]

Datum overlijden [2025]

Datum in functie 01-01-1981 (datum registratie: 07-12-2011)

Bevoegdheid Onbeperkt bevoegd

Naam [medeverdachte 2]

Geboortedatum [1957]

Datum in functie 01-01-1981 (datum registratie: 07-12-2011)

Bevoegdheid Onbeperkt bevoegd

Gegevens zijn vervaardigd op 17-03-2025

7) Schriftelijk bescheid, zijnde uittreksel Handelsregister Kamer van Koophandel, vervaardigd op 16-04-2026, p 30 (aanvullend procesdossier d.d. 15-07-2026, proces-verbaal nummer 181685 behorend bij proces-verbaal nummer 168591), inhoudende:

Onderneming

Handelsnaam [medeverdachte 2]

Rechtsvorm Eenmanszaak

Startdatum onderneming 01-01-1981

Activiteiten SBI-code: 01411 - Houden van melkvee

SBI-code: 01134 - Teelt van aardappelen en overige wortel- en knolgewassen

(…)

De huidige eigenaar drijft de 24-01-2025 (datum registratie: 24-12-2025)

vestiging sinds

(…)

Eigenaar

Naam [medeverdachte 2]

Geboortedatum [1957]

Adres [adres 1]

Datum in functie 24-01-2025 (datum registratie: 24-12-2025)

De bewijsmotivering.

De [medeverdachte 1] is opgericht op 1 januari 1981. De [medeverdachte 1] bestond uit de maten [betrokkene 2] en [medeverdachte 2] . Op [2025] is [betrokkene 2] overleden.

Ingevolge artikel 7A:1683 BW wordt een [medeverdachte 1] ontbonden door het overlijden van een van de maten.

De rechtbank zal onder die omstandigheden bij afzonderlijke beslissing de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging van de verdachte [medeverdachte 1] ter zake overtreding van de voorlopige maatregel op 19 maart 2025.

De rechtbank stelt op grond van het verhandelde ter terechtzitting vast dat de verdachte [medeverdachte 2] na de dood van zijn broer [betrokkene 2] de onderneming van de [medeverdachte 1] als eenmanszaak feitelijk heeft voortgezet. Dit gegeven is als zodanig geregistreerd bij de Kamer van Koophandel.

De beslissingen van de rechtbank en het gerechtshof hielden onder meer een gedeeltelijke stillegging van de onderneming in.

De rechtbank stelt vast dat gelet op de systematiek van de WED, en met name de tekst van artikel 7 WED en artikel 29 WED als bijkomende straf, dan wel als voorlopige maatregel een onderneming (gedeeltelijk) wordt stil gelegd en niet een rechtspersoon. Dit impliceert dat de bedrijfsvoering niet door anderen mag worden voortgezet. De wet is zodanig opgesteld dat schijnconstructies daarmee worden voorkomen.

Dat in onderhavige zaak sprake was van een schijnconstructie, is voor de rechtbank komen vast te staan.

Er zijn telkens twee overeenkomsten opgemaakt tussen medeverdachte [medeverdachte 2] en zijn zus [verdachte] en twee overeenkomsten tussen medeverdachte [medeverdachte 2] en zijn broer [medeverdachte 3] . De overeenkomsten betreffen de verkoop van de dieren door de verdachte aan zijn zus respectievelijk zijn broer en de verhuur van de stallen door de verdachte aan zijn zus respectievelijk zijn broer. In deze overeenkomsten is daarbij tevens uitstel van betaling van de koopprijs, respectievelijk huurprijs vastgelegd, onder latere verrekening bij afwikkeling van de erfenis van mw. [naam] , moeder van verdachte en medeverdachten, terwijl er onderling niets van elkaar gevorderd wordt.

Het bestaan van deze overeenkomsten ten spijt, stelt de rechtbank op grond van de processtukken vast dat aan de feitelijke situatie op het adres van het bedrijf van de verdachte, de [adres 2] in Elsloo (voorheen de bedrijfslocatie van de voormalige [medeverdachte 1] ) sedert de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant en het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch helemaal niets is veranderd. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat in het geheel geen financiële consequenties aan de verkoop en verhuur verbonden waren, en ook niet zijn gebleken, die dit soort overeenkomsten doorgaans wel met zich meebrengen. Ook is niet gebleken dat de verantwoordelijkheid en zeggenschap over de dieren daadwerkelijk is overgegaan op de kopers. De overeenkomsten van verkoop en verhuur dienden naar het oordeel van de rechtbank geen ander doel dan de schijn te wekken dat door anderen een andere onderneming werd gevoerd, teneinde aan de consequenties van stillegging van de onderneming te ontkomen.

Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft de onderneming feitelijk voortgezet. De maatschappelijke realiteit is daarvoor beslissend (vgl. HR 28 oktober 1980, NJ 1981/123). De verdachte hield altijd nog 47 runderen, 90 volwassen schapen en 35 lammeren op hetzelfde adres als dat van de onderneming van de voormalige [medeverdachte 1] in dezelfde stallen op dezelfde manier. De omstandigheden waaronder de dieren werden gehouden waren op 19 maart 2025 onveranderd niet in overeenstemming van de bepalingen van de Wet dieren. De verbalisanten van de NVWA hebben op genoemde datum waarnemingen gedaan die wijzen op handelingen van [medeverdachte 2] . [medeverdachte 1] in het kader van het houden van de dieren. Alle omstandigheden in hun samenhang bezien is de rechtbank van oordeel dat de (gedeeltelijke) stilleggingen door het gerechtshof en de rechtbank zijn genegeerd. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging.

Door middel van voormelde schijnconstructie heeft de verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met haar broer [medeverdachte 2] als rechtsopvolger van de [medeverdachte 1] , en met haar andere broer [medeverdachte 3] willens en wetens in strijd gehandeld met de voorlopige maatregel van de rechtbank en de bijkomende straf van het gerechtshof.

Dat het de verdachte was die de runderen op de bedrijfslocatie van haar broer [medeverdachte 2] hield, acht de rechtbank niet geloofwaardig. De verdachte was ten eerste ten tijde van de controle op 19 maart 2025 niet aanwezig. Daarnaast heeft zij een baan bij een horeca groothandel met een 32-urige werkweek, is slecht ter been en houdt zelf 5 runderen op een locatie. De rechtbank ziet niet in hoe zij onder deze omstandigheden ook nog de zorg en verantwoordelijkheid over 47 runderen kan dragen. Nu de runderen ook niet op haar weilanden stonden, maar nog altijd op die van broer [medeverdachte 2] , gaat de rechtbank ervan uit dat hij nog steeds zelf de runderen hield. Dit blijkt temeer nu het welzijn van de dieren nog altijd even erbarmelijk was als voorheen.

De rechtbank heeft in haar oordeel over de opzetvraag verder de volgende omstandigheden betrokken:

- dat het gerechtshof aan de [medeverdachte 1] naast de gedeeltelijke stillegging ook een voorwaardelijke geldboete heeft opgelegd waarbij als bijzondere voorwaarden zijn opgenomen:

* dat de verdachte en haar afzonderlijke maten, te weten [betrokkene 2] en [medeverdachte 2], zich

onthouden van het houden van koeien en schapen;

*dat de verdachte en haar afzonderlijke maten, te weten [betrokkene 2] en [medeverdachte 2],

maximaal vijf varkens en tien geiten hobbymatig mogen houden.

-dat in de beslissing van de rechtbank van 7 januari 2025 expliciet is bepaald dat de voorlopige maatregelen gelden voor verdachte ( [medeverdachte 1] ) en haar afzonderlijke maten gezamenlijk.

Een verder strekkend opzet op wederrechtelijkheid is voor overtreding van artikel 33 Wet op de economische delicten niet vereist (vgl. ECLI:NL:PHR:2024:231).

De bewijsverweren worden door de bewijsmiddelen weerlegd.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte

feit 1:

zij op 19 maart 2025 te Elsloo, gemeente Stein,

nadat aan [medeverdachte 1] door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch bij arrest van 7 februari 2025 krachtens artikel 7, onder c van de Wet op de economische delicten een bijkomende straf is opgelegd en onherroepelijk is geworden op 22 februari 2025, inhoudende de gedeeltelijke stillegging van de onderneming, te weten voor wat betreft de bedrijfsmatige veehouderij, voor de duur van 1 (één) jaar,

tezamen en in vereniging met anderen,

opzettelijk

heeft gehandeld in strijd met die bijkomende straf, door 47 runderen, 90 volwassen schapen en 35 lammeren, althans een of meer productiedieren te houden,

feit 2:

op 19 maart 2025 te Elsloo, gemeente Stein,

nadat aan [medeverdachte 1] en haar afzonderlijke maten door de meervoudige economische raadkamer van de rechtbank Oost-Brabant op 7 januari 2025, ingevolge artikel 29 van de Wet op de economische delicten, als voorlopige maatregel was bevolen dat:

- [medeverdachte 1] en haar afzonderlijke maten zich zullen onthouden van het houden van koeien en schapen, en

- [medeverdachte 1] en haar afzonderlijke maten zich zullen onthouden van het bedrijfsmatig houden van dieren, en

- de onderneming van verdachte gedeeltelijk zal worden stilgelegd, wat betreft de bedrijfsmatige veehouderij,

tezamen en in vereniging met anderen,

opzettelijk

heeft gehandeld in strijd met die voorlopige maatregel door:

- op het adres [adres 2] (ongenummerd) te Elsloo, gemeente Stein, koeien en schapen te houden, en

- 47 runderen, 90 volwassen schapen en 35 lammeren op de betreffende locatie te houden, en

- bedrijfsmatig runderen en schapen te houden.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van de verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft de oplegging gevorderd van:

-een geldboete van € 10.000,-;

-een dadelijk uitvoerbaar houdverbod ex artikel 8.11a Wet dieren voor de duur van 10 jaar voor het – middellijk en onmiddellijk – houden van productiedieren.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht (bijlage).

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft verzocht in verband met de draagkracht van de verdachte een eventuele geldboete te matigen, dan wel voorwaardelijk op te leggen.

Daarnaast heeft de verdediging verzocht af te zien van het opleggen van een houdverbod ex artikel 8.11a Wet dieren omdat zij geen voorgeschiedenis heeft waar het gaat om het niet goed verzorgen van dieren.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door de verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte waaronder haar draagkracht.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft met haar twee broers twee rechterlijke beslissingen genegeerd door via een papieren constructie broer [medeverdachte 2] nog altijd in staat te stellen productiedieren te houden.

Door te handelen zoals hiervoor bewezen is verklaard, hebben de verdachten er blijk van gegeven zich niets gelegen te laten liggen aan de rechterlijke beslissingen van het gerechtshof en deze rechtbank, die werden ingegeven door het belang van dierenwelzijn. De verdachten hebben deze rechterlijke beslissingen moedwillig genegeerd. Met name de rechterlijke beslissing van de voorlopige maatregel heeft de rechtbank niet lichtzinnig genomen; niet in de laatste plaats omdat het duidelijk was dat deze zou ingrijpen in het leven van broer [medeverdachte 2] . Maar de beslissing was nodig om de spiraal waarin [medeverdachte 2] zichzelf had gebracht te doorbreken. Dat de verdachte en haar broers vervolgens hebben meegewerkt aan het handelen van broer [medeverdachte 2] die niet de intentie heeft laten zien om zich aan de inhoud van de bijkomende straf van het gerechtshof en de voorlopige maatregel van de rechtbank te houden, en dus eraan hebben meegewerkt dat hij gerechtelijke beslissingen aan zijn laars kon lappen, rekent de rechtbank de verdachte dan ook zwaar aan. Verdachte heeft samen met haar broers een constructie bedacht om [medeverdachte 2] onder de opgelegde maatregelen uit te laten komen, en zodoende bijgedragen aan het verdere leed van de dieren. Het afvoeren van 2 runderen naar [bedrijf 2] en 3 runderen naar [bedrijf 1] kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezien als bewijs van de intentie om de beslissingen van de rechtbank en gerechtshof na te volgen.

De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de omstandigheid dat op de bedrijfslocatie van [medeverdachte 2] ten tijde van de controle op 19 maart 2025 nog altijd sprake was van misstanden wat dierenwelzijn betreft.

De rechtbank acht de rol van de verdachte bij de strafbare feiten te ernstig om een lagere geldboete op te leggen dan wel de geldboete voorwaardelijk op te leggen.

De rechtbank zal aan de verdachte ook de maatregel ex artikel 8.11a van de Wet dieren opleggen om te voorkomen dat strafbare feiten worden gepleegd die de gezondheid of het welzijn van een of meer dieren benadelen. Met de oplegging van het houdverbod wil de rechtbank ook tegengaan dat wederom een rechterlijk bevel wordt genegeerd.

De rechtbank zal daarbij verklaren dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte al dan niet als medepleger wederom een strafbaar feit zal begaan dat de gezondheid of het welzijn van een of meer dieren benadeelt. Uit het dossier blijkt dat broer [medeverdachte 2] praktisch en economisch niet bij machte is om op verantwoorde wijze een veehouderij te runnen in lijn met de geldende wet- en regelgeving. Daar komt bij dat de verdachte ter terechtzitting niet heeft willen inzien dat de dieren op 19 maart 2025 nog altijd niet goed werden verzorgd door broer [medeverdachte 2] . Een dergelijke grondhouding verhoogt de kans op recidive.

De rechtbank zal het houdverbod in een andere vorm opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. Uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte voorafgaand aan het plegen van de feiten op andere locaties al runderen hield en dat zij ook op dit moment nog 5 runderen houdt. Niet is gebleken van misstanden ten aanzien van het dierenwelzijn van deze 5 runderen. Het houdverbod zal komen te luiden dat de verdachte niet meer dan 5 productiedieren zal houden.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

23, 24c, 47, 51, 57 van het Wetboek van Strafrecht;

31, 2, 6, 33 van de Wet op de economische delicten;

8.11a van de Wet dieren.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart de ten laste gelegde feiten bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

feit 1:

medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 33 van de Wet op de economische delicten (artikel 7 van de Wet op de economische delicten), begaan door een rechtspersoon;

feit 2:

medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 33 van de Wet op de economische delicten (artikel 28 van de Wet op de economische delicten), begaan door een rechtspersoon.

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straf en maatregel:

 een geldboete ter hoogte van € 10.000,- subsidiair 75 dagen hechtenis.

 de maatregel als bedoeld in het tweede lid van artikel 8.11a Wet Dieren en beveelt dat de veroordeelde niet meer dan 5 productiedieren zal houden, voor de duur van 10 jaren.

Beveelt dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.H.J.J. van de Wetering, voorzitter,

mr. M.M.L.A.T. Doll en mr. M. Kleijn Hesselink, leden,

in tegenwoordigheid van mr. H.J.G. van der Sluijs, griffier,

en is uitgesproken op 27 augustus 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. A.H.J.J. van de Wetering
  • mr. M.M.L.A.T. Doll
  • mr. M. Kleijn Hesselink

Griffier

  • mr. H.J.G. van der Sluijs

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand