RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 82.122709.25
Parketnummer vordering: 20.002369.22
Datum uitspraak: 27 augustus 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
gevestigd te [adres]
.
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 13 augustus 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 18 juni 2026.
De ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging.
De verdachte is een maatschap die is opgericht op 1 januari 1981. De maatschap bestond uit de maten [betrokkene] en [medeverdachte] . Gebleken is dat [betrokkene] op [2025] is overleden.
Ingevolge artikel 7A:1683, onder 4o, van het Burgerlijk Wetboek wordt een maatschap ontbonden door het overlijden van een van de vennoten. De rechtbank stelt dan ook vast dat de maatschap met ingang van [2025] is ontbonden.
Mr. Daamen heeft bij mail van 27 januari 2025 de officier van justitie op de hoogte gesteld van het overlijden van [betrokkene] en verzocht om de maatschap langer de tijd te geven de koeien en schapen af te voeren. De officier van justitie heeft daarmee bij email van 29 januari 2025 ingestemd en de termijn verlengd tot 1 maart 2025.
Ingevolge artikel 69 van het Wetboek van Strafrecht komt het recht tot strafvordering te vervallen door de dood van de verdachte. Dit artikel kan analoog worden toegepast op verdachte rechtspersonen.
Vaststaat dat de [verdachte] per [2025] van rechtswege is ontbonden door het overlijden van een van de (twee) maten. Het overlijden van een van de maten is het Openbaar Ministerie (hierna: OM) kort na die datum bekend geworden en daarmee is ook het gevolg dat de maatschap daarmee van rechtswege ontbonden was voor het OM kenbaar geweest.
Nadien is de onderneming voortgezet door de overgebleven maat [medeverdachte] in de vorm van een eenmanszaak.
De rechtbank merkt op dat in de onderhavige zaak sprake is van een verdenking van het plegen van nieuwe strafbare feiten op 19 maart 2025, na het ontbinden (einde) van de maatschap. Een rechtspersoon, of een daaraan gelijk te stellen juridische entiteit, die vanaf enig moment niet meer bestaat, kan vanaf die ontbinding geen strafbare feiten meer plegen, laat staan daarvoor worden vervolgd. Dit onderscheidt zich van de situatie dat een reeds voor de van rechtswege ontbinding van de rechtspersoon gestarte vervolging van die rechtspersoon of een daarmee gelijk te stellen juridische entiteit kan worden voortgezet, nadat deze tot een einde komt. Hiervan is in het onderhavige geval geen sprake. Het OM kan de maatschap niet meer vervolgen, nu de maatschap op dat moment reeds van rechtswege was ontbonden.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging.
Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling 20.002369.22.
Omdat de officier van justitie het recht op strafvervolging in de zaak tegen de verdachte heeft verloren, bestaat geen rechtsgeldige grondslag meer voor de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke geldboete, die het gerechtshof ’s-Hertogenbosch bij arrest van 7 februari 2025 aan de veroordeelde heeft opgelegd.
De rechtbank zal de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering na voorwaardelijke veroordeling.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte.
Beslissing na voorwaardelijke veroordeling:
Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering met parketnummer 20.002369.22.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.H.J.J. van de Wetering, voorzitter,
mr. M.M.L.A.T. Doll en mr. M. Kleijn Hesselink, leden,
in tegenwoordigheid van mr. H.J.G. van der Sluijs, griffier,
en is uitgesproken op 27 augustus 2026.