RECHTBANK Oost-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/400793 / HA ZA 24-73
Vonnis van 26 augustus 2026
in de zaak van
Metaalkanjers B.V.,
te 's-Hertogenbosch,
eisende partij,
hierna te noemen: Metaalkanjers,
advocaat: mr. M.W. van der Heijden,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. R.M. Poublon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 6 augustus 2025;- de akte uitlating bewijslevering tevens houdende mededeling als bedoeld in art. 22 lid 2 Rv tevens houdende overige uitlating van Metaalkanjers van 3 september 2025;- de antwoordakte bewijslevering van [gedaagde] van 24 oktober 2025;
- de beslissing op het verzoek ex art. 22 Rv van de rechtbank van 18 december 2025;
- de akte uitlaten bewijslevering van Metaalkanjers van 11 maart 2026;- het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 25 maart 2026;
- de conclusie na getuigenverhoor van Metaalkanjers van 22 april 2026;
- de antwoordconclusie na getuigenverhoor van [gedaagde] van 20 mei 2026.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De (verdere) beoordeling
Samenvatting van het tussenvonnis
De rechtbank handhaaft haar overwegingen uit het tussenvonnis van 6 augustus 2025 (hierna: het tussenvonnis).
De rechtbank roept in herinnering dat in deze procedure de vraag voorligt of de heer [A] bij [gedaagde] in dienst is getreden. Volgens Metaalkanjers heeft [gedaagde] namelijk de heer [A] in dienst genomen, zonder dat zij dit tegen Metaalkanjers heeft gezegd. Metaalkanjers vordert in deze procedure daarom betaling van een bemiddelingsvergoeding en betaling van een contractuele boete. Volgens Metaalkanjers is er door de heer [A] gedurende een periode van 3 à 4 weken tegen betaling van € 500,00 per week met name achter de draaibank arbeid verricht, waarbij instructies werden gegeven door een medewerker met de functie van freezer. [gedaagde] heeft daarentegen gemotiveerd betwist dat de heer [A] in dienst is genomen. Volgens haar was enkel sprake van enige ‘meeloopdagen’ en heeft zij de heer [A] een eenmalige onkostenvergoeding van € 500,00 betaald. Dat de heer [A] langer heeft meegelopen, is volgens [gedaagde] kort samengevat niet mogelijk vanwege de (onweersproken) zomersluiting van haar fabriek.
In het tussenvonnis heeft de rechtbank aan Metaalkanjers opgedragen te bewijzen dat [A] gedurende een periode van 3 à 4 weken tegen betaling van € 500,00 per week arbeid heeft verricht bij [gedaagde] , voornamelijk achter de draaibank, en dat [A] instructies ontving van een freezer van [gedaagde] .
Het ingebrachte bewijs en de beoordeling daarvan
De rechtbank is van oordeel dat Metaalkanjers niet is geslaagd in haar bewijsopdracht en licht dit als volgt toe.
Metaalkanjers heeft bewijs ingebracht in de vorm van één getuigenverklaring. De gehoorde getuige betreft de heer [A] (hierna: [A] ). De rechtbank constateert dat Metaalkanjers bij akte van 11 maart 2026 heeft laten weten af te zien van andere bewijslevering. Er is dus geen ander bewijsmiddel overgelegd waaruit volgt dat de heer [A] bij [gedaagde] in dienst is getreden.
De door Metaalkanjers ingebrachte getuigenverklaring van [A] levert niet het bewijs op dat Metaalkanjers moest leveren.
Ten eerste is niet komen vast te staan dat [A] gedurende een periode van 3 à 4 weken bij [gedaagde] is geweest. [A] verklaart in zijn verhoor immers dat hij een periode van 2 à 3 weken heeft meegedraaid. Verder verklaart hij dat hij niet meer weet wanneer dit was, maar dat het in de zomer was. Volgens de eerdere, voorlopige getuigenverklaring van [A] ging het echter om een periode van 3 à 4 weken, vanaf 26 juli 2023. De rechtbank acht de verklaring van [A] dan ook niet consistent voor wat betreft de duur van en periode waarin hij zegt bij [gedaagde] te hebben meegedraaid. Gelet op hetgeen al is geoordeeld in het tussenvonnis, is in deze procedure bovendien als onweersproken komen vast te staan dat [gedaagde] vanaf 7 augustus 2023 met zomersluiting was. Het moet er dus voor worden gehouden dat [A] een (veel) kortere periode dan 3 tot 4 weken aanwezig is geweest. Dit lijkt overigens overeen te komen met de latere verklaring van [A] dat hij niets heeft gemerkt van een zomersluiting: het moet er dan ook voor worden gehouden dat hij tijdens de zomersluiting al niet meer aanwezig was.
Ten tweede is niet komen vast te staan dat er sprake is geweest van loon. Of en hoe er gesprekken zijn gevoerd over loon, blijft ongewis. [A] verklaart slechts dat hij aan het einde van iedere week een contante vergoeding heeft ontvangen en dat hij een uurloon ontving maal het aantal gewerkte uren, maar hij weet niet meer hoeveel hij heeft ontvangen. Metaalkanjers heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet bewezen dat [A] van [gedaagde] per week € 500,00 betaald kreeg.
[A] heeft weliswaar verklaard dat een kleinere man die achter de freesbank stond zei wat hij moest doen, en dat hij met name achter de draaibank heeft gestaan, maar daarmee is naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan de bewijsopdracht, omdat de eerste twee elementen van de bewijsopdracht niet zijn bewezen.
Al met al is - gelet op het voorgaande en gelet op hetgeen daarover al is overwogen in het tussenvonnis - niet komen vast te staan dat [A] bij [gedaagde] in dienst is getreden.
Slotsom voor de vorderingen van Metaalkanjers
Nu hetgeen aan de vorderingen van Metaalkanjers ten grondslag is gelegd, niet is bewezen, dienen de vorderingen van Metaalkanjers te worden afgewezen.
De rechtbank komt dan ook niet meer toe aan een bespreking van de verder door partijen ingenomen standpunten en aangevoerde argumenten.
Proceskosten
Metaalkanjers is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
€
2.889,00
- salaris advocaat
€
4.515,00
(3,5 punten × € 1.290,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
7.593,00
De punten voor het advocatensalaris zijn als volgt verdeeld. Er wordt één punt toegekend voor de conclusie van antwoord; één punt voor het bijwonen van de mondelinge behandeling, een half punt voor het bijwonen van het voorlopig getuigenverhoor aan de zijde van Metaalkanjers op 9 september 2024; een half punt voor het bijwonen van het getuigenverhoor aan de zijde van Metaalkanjers op 25 maart 2026; en tot slot een half punt voor de conclusie na enquête.
De rechtbank wijst er ten overvloede op dat de bedragen aan getuigentaxe (zoals in de getuigenverhoren begroot) aan de getuigen worden voldaan door de partij die de getuigen heeft voorgebracht, te weten Metaalkanjers.
3. De beslissing
De rechtbank:
wijst de vorderingen van Metaalkanjers af,
veroordeelt Metaalkanjers in de proceskosten van € 7.593,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Metaalkanjers niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.N. van Haren en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026.