RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser] uit [woonplaats] , eiser
Samenvatting
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/3401
(gemachtigde: mr. K.W.M. Jansen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: E.A.M. Vervoort).
1. Deze uitspraak gaat over de weigering van het UWV om eiser een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toe te kennen. Volgens eiser beschikte hij op zijn 18e verjaardag dan wel in de periode daarna duurzaam niet over arbeidsvermogen. Daarom had hij als jonggehandicapte moeten worden aangemerkt en een Wajong-uitkering moeten krijgen. De rechtbank volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat de weigering van het UWV om eiser een Wajong-uitkering toe te kennen in stand kan blijven.
Procesverloop
2. Met het besluit van 17 februari 2025 heeft het UWV geweigerd eiser een Wajong-uitkering toe te kennen. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 10 november 2025 heeft het UWV het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft een aanvullend beroepschrift ingediend met een rapport van een door hem ingeschakelde verzekeringsarts. Het UWV heeft daarop gereageerd met een aanvullend verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van het UWV.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiser, geboren op [geboortedag] 1999, heeft met een door het UWV op 24 juli 2024 ontvangen formulier een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wajong. Het UWV heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat eiser arbeidsvermogen heeft. Dit heeft geleid tot de besluitvorming zoals opgenomen onder het kopje ‘Procesverloop’.
De standpunten van partijen
4. Het UWV heeft zich, samengevat, op het standpunt gesteld dat eiser geen recht heeft op een Wajong-uitkering, omdat hij beschikt over arbeidsvermogen. Het UWV verwijst ter onderbouwing daarvan naar de rapporten van de verzekeringsartsen en de arbeidsdeskundigen. In het door eiser ingebrachte deskundigenrapport ziet het UWV geen aanleiding om een gewijzigd standpunt in te nemen.
5. Eiser is het daar niet mee eens. Er heeft een psychologisch onderzoek plaatsgevonden waarin wordt gesteld dat hij op adaptief zeer laag niveau functioneert, maar dat dit in duidelijk contrast is met zijn IQ-score. De gezondheidszorgpsycholoog (GZ-psycholoog) schrijft daarover dat het laag adaptief vermogen kan samenhangen met de fysieke gesteldheid en beperkingen van eiser. Daarnaast schrijft de GZ-psycholoog dat eiser op 11-jarige leeftijd een ernstig ongeval heeft meegemaakt met een schedelfractuur als gevolg. Echter is niet duidelijk in hoeverre er sprake is van niet aangeboren hersenletsel. Het is niet onaannemelijk dat dit ongeval wel zijn weerslag kan hebben op het functioneren van eiser en dus op zijn basale werknemersvaardigheden. Verder heeft eiser weliswaar opleidingen gevolgd en heeft hij gewerkt, maar hij is niet in staat geweest om de opleiding af te ronden en heeft bij diverse werkgevers 0-urencontracten gehad waarbij hij na enige tijd niet meer is opgeroepen. Het niet kunnen behouden van reguliere arbeid resulteerde vervolgens tot een proefplaatsingsovereenkomst. Het begindoel was om een ‘normale’ werkweek van twintig uur te kunnen behouden. Dit is echter niet gelukt. IBN rapporteerde dat eiser niet beschikte over werknemersvaardigheden wegens zijn visuele, fysieke, mentale en energetische beperkingen. Vervolgens geeft [naam] aan dat eiser voor werk minder belastbaar is, inhoudende dat hij niet de gestelde vier uur per dag c.q. twintig uur per week een taak kan uitvoeren. Het ontbreken van arbeidsvermogen blijkt verder nog uit de evaluatie van [naam] . [naam] schrijft dat eiser zelf een aantal keren contact heeft opgenomen met instanties of bedrijven met de intentie om afspraken te maken. Doordat hij de informatie onvolledig begrijpt, heeft dit echter niet geholpen en vertraagt dit juist de hulpverlening. Tot slot stelt eiser dat de beperkingen zijn verslechterd gedurende de Amber-periode. Dat blijkt onder andere uit het feit dat eiser in deze periode diverse operaties heeft ondergaan, uit het GGZ-rapport en uit het feit dat eiser in juli 2022 is toegelaten tot de Wlz. In het aanvullend beroepschrift verwijst eiser naar het rapport door [naam] van 5 maart 2026. Daaruit volgt dat [naam] zich op het standpunt stelt dat eiser voldoet aan drie van de vier voorwaarden voor het niet hebben van arbeidsvermogen.
Het oordeel van de rechtbank
6. De rechtbank beoordeelt de weigering door het UWV van de Wajong-uitkering van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser in beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep niet slaagt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toetsingskader
7. Een betrokkene heeft recht op een Wajong-uitkering als hij jonggehandicapte is in de zin van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong. Daarvan is sprake als een betrokkene duurzaam geen arbeidsvermogen heeft. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft een betrokkene geen arbeidsvermogen als hij (a) geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie, (b) niet over basale werknemersvaardigheden beschikt, (c) niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur, of (d) niet ten minste vier uur per dag belastbaar is. Het UWV moet dus beoordelen of een betrokkene voldoet aan (ten minste) een van deze vier genoemde voorwaarden. De beoordeling van het arbeidsvermogen is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
In geschil is de vraag of eiser op zijn 18e verjaardag en in de periode van vijf jaar daarna arbeidsvermogen had, en zo ja, of dit duurzaam is. Het geschil spitst zich daarbij toe op de vraag of eiser 4 uur per dag belastbaar is (onderdeel d van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit), of hij 1 uur per dag aaneengesloten kan werken (onderdeel c van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit) en of eiser beschikt over basale werknemersvaardigheden (onderdeel b van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit). Eiser en zijn gemachtigde hebben op de zitting aangegeven dat zij niet betwisten dat eiser een taak in een arbeidsorganisatie kan uitvoeren.
Eiser heeft zijn verzoek tot herbeoordeling van zijn arbeidsvermogen gedaan rond de leeftijd van 25 jaar. Omdat eiser zijn aanvraag ver na zijn 18e verjaardag heeft ingediend, is sprake van een laattijdige aanvraag. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat de bewijslast, en dus ook het bewijsrisico, bij een laattijdige Wajong-aanvraag bij de aanvrager ligt. Als eiser als gevolg van zijn laattijdige aanvraag niet beschikt over medische informatie die betrekking heeft op zijn situatie op zijn 18e verjaardag of de periode tot zijn 23e verjaardag, komt dat voor zijn risico.
Inhoudelijk oordeel
8. De rechtbank ziet aanleiding om eerst in te gaan op het door eiser ingebrachte rapport van [naam] . Met dit rapport stelt eiser dat de door hem bepleite beperkingen, waardoor hij geen arbeidsvermogen heeft, worden onderbouwd.
De rechtbank hecht aan het rapport van [naam] niet de waarde die eiser eraan wenst te hechten. De rechtbank zal uitleggen waarom. Om te beginnen staat niet ter discussie dat [naam] een geregistreerd verzekeringsarts is, en daarmee in beginsel ter zake deskundig is om advies uit te brengen over een situatie als deze. De rechtbank is niet medisch deskundig, maar kan wel toetsen of het rapport van [naam] zorgvuldig tot stand is gekomen. Criteria daarvoor zijn onder andere of [naam] het dossier heeft bestudeerd, eiser heeft gezien en gesproken, en of de conclusies logisch voortvloeien uit de bevindingen in het rapport.
Uit het rapport van [naam] volgt dat hij kennisgenomen heeft van het medisch dossier, dat hij eiser (uitgebreid) heeft gesproken en hem lichamelijk en oriënterend psychisch heeft onderzocht.
De conclusie die [naam] vervolgens trekt, kan de rechtbank echter niet rijmen met de bevindingen uit het rapport. In het rapport, bij onderdeel V (beschouwing en conclusie) gaat [naam] vooral in op wat eiser zelf tegen hem verteld heeft. Daarbij trekt [naam] de conclusie dat eiser tegen hem anders verklaart dan hij eerder heeft verklaard tegenover de verzekeringsartsen van het UWV. Dit acht de rechtbank niet onaannemelijk, maar het verklaart nog niet de conclusie van [naam] dat eiser géén arbeidsvermogen zou hebben. Daarvoor is meer nodig dan enkel de verklaring van eiser, bijvoorbeeld objectieve medische stukken en bevindingen. [naam] concludeert dat eiser niet voldoet aan drie criteria van arbeidsvermogen (4 uur per dag werken, 1 uur aaneengesloten, en het beschikken over basale werknemersvaardigheden), maar motiveert niet aan de hand van dergelijke medische stukken of eigen onderzoek waarom hij dat vindt. Daarbij lijkt -bijvoorbeeld- het feit dat [naam] opschrijft dat eiser zich 1,5 uur lang kon concentreren tijdens het onderzoek -een op zichzelf objectieve onderzoeksbevinding- in tegenspraak met de conclusie dat eiser niet in staat is om een uur aaneengesloten te werken.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank voorbij gaan aan het rapport van [naam] , en aan de hand van de overige beroepsgronden van eiser het besluit van het UWV beoordelen.
Het niet ten minste vier uur per dag belastbaar zijn en tenminste een uur per dag aaneengesloten kunnen werken.
9. De verzekeringsarts van het UWV heeft in zijn rapport in bezwaar -samengevat- opgeschreven dat eiser enige energetische problemen heeft door zijn bindweefstelaandoening, wat zorgt voor meer moeite en pijn bij bewegen. Dit kan echter niet verklaren dat eiser niet in staat is om 4 uur per dag een lichte taak kan uitvoeren ofwel meerdere keren per dag moet slapen. Eiser heeft verder in het verleden ook 4 uur per gewerkt bij een Grieks restaurant en was tijdens zijn opleiding ook minstens 4 uur per dag actief.
Eiser stelt dat het hem in het verleden juist niet is gelukt om het werk vol te houden. Hij verwijst daartoe naar een door hem ingeleverd rapport van [naam] .
De rechtbank leest in dat rapport echter dat eiser een baan had voor 5 halve dagen per week, dat hij de werkzaamheden goed uitvoerde maar wel geheel op zijn eigen manier. In het rapport leest de rechtbank vervolgens nog dat eiser redelijk vaak afwezig was zonder afmelding en niet alle afspraken lijkt te begrijpen. Dat ziet naar oordeel van de rechtbank echter niet op de criteria ‘niet ten minste vier uur per dag belastbaar zijn’ en ‘tenminste een uur per dag aaneengesloten kunnen werken’.
Omdat eiser verder geen objectieve medische informatie heeft ingeleverd ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij niet ten minste vier uur per dag belastbaar is en tenminste een uur per dag aaneengesloten kan werken, ziet de rechtbank -mede gelet op de bewijslast zoals onder punt 7.2. is besproken, geen aanleiding om aan het oordeel van de verzekeringsartsen van het UWV te twijfelen.
Het niet beschikken over basale werknemersvaardigheden
10. De verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen hebben in hun rapporten geoordeeld dat eiser beschikt over basale werknemersvaardigheden. Daarbij gaat het om het kunnen begrijpen, onthouden en uitvoeren van instructies en het in staat zijn om afspraken met een werkgever na te komen. Essentieel is of het ontbreken van deze vaardigheden voorkomt uit ziekte of gebrek.
De verzekeringsarts B&B concludeert dat eiser beschikt over basale werknemersvaardigheden. Vastgesteld is dat bij eiser sprake is van een lichte verstandelijke beperking, maar zijn IQ is niet dusdanig laag dat hij niet in staat is om opdrachten te begrijpen, te onthouden of uit te voeren. Het wisselend functioneren wat betreft aanwezigheid, afmelden en opdrachten uitvoeren kan volgens de verzekeringsarts B&B niet worden verklaard vanuit ziekte.
Eiser stelt dat uit het rapport van de GZ-psycholoog volgt dat hij adaptief op zeer laag niveau functioneert en dat dit in contrast is met zijn IQ van 85. De GGZ-psycholoog kan dit niet geheel verklaren maar ziet aanwijzingen voor psychiatrische problematiek. De verzekeringsarts B&B heeft daarover toegelicht dat psychiatrische problematiek is uitgesloten door nader psychisch onderzoek. Dat betekent dat het contrast tussen het adaptieve niveau en het IQ niet kan worden verklaard vanuit medisch oogpunt. De rechtbank kan deze toelichting volgen. Daarbij merkt zij op dat het rapport van de GZ-psycholoog, waar eiser naar verwijst, lijkt te zijn gebaseerd op een vragenlijst die door eiser zelf, samen met zijn moeder en zus, is ingevuld. Verder blijkt uit het in het dossier aanwezige rapport van Hoog Specialistisch Centrum voor LVB-Psychiatrie uit april 2022 dat er bij eiser geen sprake is van psychiatrische stoornissen, zoals een stemmings- of angststoornis.
Ook blijkt uit dit rapport dat niet vast is komen te staan dat sprake is van niet-aangeboren hersenletsel. Voor zover eiser dit bepleit, is daar dus geen medische objectivering voor in de medische stukken.
11. Eiser stelt verder dat hij er niet in is geslaagd om zijn opleiding in Nederland af te ronden en dat hij er niet in is geslaagd om zijn werk bij [naam] te behouden. Dat wijst er volgens eiser op dat hij niet beschikt over basale werknemersvaardigheden.
De rechtbank volgt eiser hier niet in. De arbeidsdeskundige B&B heeft toegelicht dat eiser diverse bijbanen heeft gehad. Bij [naam] heeft hij een jaar gewerkt. Bij [naam] heeft hij eerst een periode van 8 maanden gewerkt en mocht hij later terugkomen. Dit heeft eiser niet bestreden en is voor de rechtbank daarom geen aanwijzing dat het eiser in de praktijk ontbreekt aan basale werknemersvaardigheden. Dat het eiser later bij [naam] niet lukte, maakt dat niet anders. De rechtbank tekent daarbij aan dat het bij [naam] (en overigens ook bij [naam] en [naam] ) ging om regulier werk dat voor eiser wellicht te belastend was, terwijl de lat voor het begrip ‘arbeidsvermogen’ in de Wajong lager ligt dan het kunnen uitvoeren van regulier werk.
12. Eiser wijst op de CIZ-indicatie die hij in 2022 heeft gekregen en waaruit volgt dat hij is toegelaten tot de Wlz. Dit mag eiser evenmin baten. Nog daargelaten dat een indicatiebesluit Wlz een ander toetsingskader heeft dan de Wajong, stelt de rechtbank vast dat de CIZ-indicatie van het lichtste niveau is en dat daaruit niet volgt waarom eiser met adequate begeleiding niet in staat zou zijn om te kunnen voldoen aan de basale werknemersvaardigheden.
Verslechtering tijdens de Amber-periode
13. Eiser stelt dat zijn medische situatie in de periode van vijf jaar na zijn 18e verjaardag is verslechterd en dat het UWV daar onvoldoende rekening mee heeft gehouden. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het UWV heeft bij de beoordeling gekeken naar de medische situatie van eiser op de aanvraagdatum. Op het moment van aanvraag, in juli 2024, was de zogeheten Amber-periode van vijf jaar na eisers 18e verjaardag al verstreken.
Deskundige
14. Eiser heeft de rechtbank op de zitting gevraagd om een onafhankelijk deskundige te benoemen. Omdat de rechtbank geen twijfel heeft over de medische onderbouwing van de besluitvorming van het UWV, ziet zij geen reden voor de benoeming van een deskundige.
Conclusie en gevolgen
15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten. Ook krijgt hij het betaalde griffierecht niet terug.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. de Jong, rechter, in aanwezigheid van mr. S.L. Burg, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.