ECLI:NL:RBOBR:2026:6067

ECLI:NL:RBOBR:2026:6067

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 26-08-2026
Datum publicatie 26-08-2026
Zaaknummer C/01/423689 / HA ZA 26-115
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

art. 223 RV. Voorlopige voorziening inhoudend betaling van 1,7 miljoen afgewezen

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Zaaknummer: C/01/423689 / HA ZA 26-115

Vonnis in incident van 26 augustus 2026

in de zaak van

1. [eiseres 1] B.V.,

te [plaats] ,2. [eiseres 2] B.V.,

te [plaats] ,

eisende partijen in conventie in de hoofdzaak,

verwerende partijen in reconventie in de hoofdzaak,

eisende partijen in het incident,

hierna samen te noemen: [eiseressen] (meervoud),

advocaat: mr. C.J. Jager,

tegen

[gedaagde] B.V.,

te [plaats] ,

gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak,

eisende partij in reconventie in de hoofdzaak,

verwerende partij in het incident,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. R.M. de Hair.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, met producties 1 t/m 35

- de conclusie van antwoord in conventie, tevens van eis in reconventie, met producties 1 t/m 9

- een conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende een provisionele vordering ex artikel 223 Rv, met producties 36 t/m 39 - een conclusie van antwoord in het incident, met productie 10 - een akte uitlating productie in het incident ex artikel 223 Rv, van [eiseressen]

Vervolgens is bepaald dat vonnis in het incident zal worden gewezen.

2. De beoordeling in het incident

Deze zaak gaat, kort gezegd, over de franchiseonderneming voor [A] producten in Nederland en België. Deze onderneming is door [gedaagde] overgenomen van [eiseressen] Na de overname is de onderneming failliet gegaan en heeft zij een doorstart gemaakt.

In de hoofdzaak hebben partijen over en weer diverse vorderingen tegen elkaar ingesteld.

[eiseressen] vorderen onder meer dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van € 1.694.118,00, tot betaling van € 2.904.008,00, tot vergoeding van schade die is geleden en nog zal worden geleden in het kader van een Earn-Out nader op te maken bij staat en te verklaren voor recht dat [gedaagde] gehouden is bedragen te vergoeden die [eiseres 2] in het kader van door haar gestelde zekerheden heeft betaald. [gedaagde] vordert daarentegen onder meer betaling van € 4.614.000,00.

De vorderingen houden verband met de overname, hun samenwerking na de overname en hun samenwerking na het faillissement en de doorstart.

In het incident vorderen [eiseressen] dat de rechtbank een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding als bedoeld in artikel 223 Rv. [eiseressen] vorderen - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 1.694.118,00 (een deel van het totaal gevorderde), vermeerderd met rente.

[gedaagde] heeft primair en subsidiair, naar de rechtbank de vorderingen begrijpt, gevorderd de behandeling van de incidentele vordering aan te houden en er tegelijk met de hoofdzaak over te beslissen, of de incidentele vordering af te wijzen op grond van strijd met de goede procesorde. De rechtbank ziet daar geen aanleiding toe. Anders dan door [gedaagde] betoogd kan op de vordering in het incident worden beslist zonder dat dit tot grote vertraging van de behandeling van de hoofdzaak leidt. Van strijd met de goede procesorde is geen sprake.

[gedaagde] heeft meer subsidiair gevorderd de incidentele vordering af te wijzen omdat [eiseres 1] onvoldoende belang heeft. De rechtbank zal dat doen, op grond van het volgende.

Toewijzing van een vordering tot een voorlopige voorziening voor de duur van het geding is alleen mogelijk wanneer eiser (in dit geval: [eiseressen] ) daarbij voldoende belang heeft. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als eiser de afloop van de hoofdzaak niet kan afwachten of als een deel van de hoofdvordering krachtens een eindbeslissing al toewijsbaar is.

[eiseressen] hebben hun stelling, dat zij voldoende belang hebben bij toewijzing van de gevorderde voorlopige voorziening voor de duur van het geding, niet voldoende onderbouwd tegenover de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] .

[eiseressen] hebben weliswaar gesteld dat een deel (ter hoogte van € 1.694.118,00) van het gevorderde reeds toewijsbaar is, maar op basis van de standpunten over en weer kan dat niet zonder meer worden geconcludeerd. De incidentele vordering van [eiseressen] houdt verband met een lening die (een van) [eiseressen] hebben verstrekt aan [gedaagde] en waarvan de voorwaarden zijn vastgelegd in een Vendor Loan Agreement. [gedaagde] heeft, onder meer, betoogd dat het geleende bedrag van € 1.694.118,00 niet opeisbaar is, op basis van de Vendor Loan Agreement en een later gesloten overeenkomst mogelijke doorstart. De stelling van [eiseressen] daartegenover is dat de Vendor Loan opeisbaar is gelet op het faillissement van [B] en [C]

[gedaagde] wijst op een passage in (de bijlage bij) de Overeenkomst Mogelijke Doorstart: “De eerder verstrekte vendor loan ad EUR 1,694M behoudt dezelfde voorwaarden en einddatum en zal derhalve niet direct opeisbaar zijn.” Voor zover [gedaagde] meent daarin een afstand van opeisbaarheid te lezen, betwisten [eiseressen] dit. De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] op zichzelf niet betwist dat een faillissement leidt tot opeisbaarheid, zoals ook in de markt gangbaar is in soortgelijke overeenkomsten. De rechtbank is voorshands van oordeel dat (a) de betwisting door [gedaagde] wat betreft de opeisbaarheid en (b) haar stelling over afstand van opeisbaarheid niet voldoende zijn onderbouwd omdat [gedaagde] niet aan de hand van concrete feiten (de Vendor Loan zelf) heeft uitgelegd dat en waarom de Vendor Loan in weerwil van het faillissement toch niet opeisbaar is. De verwijzing naar (een bijlage bij) de Overeenkomst Mogelijke Doorstart baat [gedaagde] voorshands niet, omdat daarin niets meer staat dan een verwijzing naar de Vendor Loan en omdat partijen het kennelijk eens zijn dat de Overeenkomst Mogelijke Doorstart niet is of wordt uitgevoerd (er is geen gezamenlijke doorstart en dat is de grondslag voor de vordering van [gedaagde] tot vergoeding van schade). Onduidelijk blijft wanneer de Vendor Loan volgens [gedaagde] dan wel opeisbaar zou kunnen zijn.

Verder heeft [gedaagde] echter een beroep gedaan op verrekening en op opschorting. Of het beroep op deze verweren wel of niet slaagt, is in dit stadium voorshands onzeker. [gedaagde] meent een voor verrekening vatbare tegenvordering tot schadevergoeding te hebben omdat een betrokkene bij [eiseressen] volgens [gedaagde] in weerwil van de Overeenkomst Mogelijke Doorstart een concurrerende individuele bieding heeft uitgebracht en daarmee de beoogde gezamenlijke doorstart heeft gedwarsboomd. Dit levert een discussie in de hoofdzaak op over de betekenis van de afspraken en de vraag of [eiseressen] tekort zijn geschoten. [eiseressen] hebben ook betoogd dat het beroep op verrekening en opschorting (in dit stadium, zonder dat een vonnis is gewezen) is uitgesloten, maar dat betoog is gebaseerd op een door hen verdedigde uitleg van bepalingen (uit de Vendor Loan Agreement en de SPA) en die uitleg is gemotiveerd betwist. Een omvangrijker debat is nodig om de nodige duidelijkheid over de beweerde tegenvordering en ook over de Vendor Loan te verkrijgen, waarvoor dit incident zich niet leent.

De incidentele vordering wordt afgewezen omdat op basis van het gestelde niet met voldoende zekerheid kan worden geconcludeerd dat de vordering tot betaling van € 1.694.118,00 toewijsbaar is, waardoor [eiseressen] voldoende belang hebben bij de gevorderde voorziening, en [eiseressen] verder geen andere grond hebben aangevoerd die voldoende belang bij de toewijzing oplevert.

[eiseressen] zijn in het incident in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] in het incident worden begroot op € 4.820,00 (€ 4.631,00 aan salaris advocaat (1 punt × € 4.631,00) en € 189,00 aan nakosten), plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

3. De beslissing

De rechtbank

in het incident

wijst de incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening af,

veroordeelt [eiseressen] in de proceskosten van € 4.820,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiseressen] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,

veroordeelt [eiseressen] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, vanaf de vijftiende dag na aanschrijving tot de dag van volledige betaling,

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

verwijst de zaak naar de rol van 9 september 2026 voor beraad rolrechter omtrent het bepalen van een mondelinge behandeling,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.S. Frakes en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand