ECLI:NL:RBOBR:2026:6106

ECLI:NL:RBOBR:2026:6106

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 27-08-2026
Datum publicatie 26-08-2026
Zaaknummer 01.065264.26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Vrijspraak poging tot doodslag. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling en bedreiging van zijn ex-partner. De rechtbank legt op een gevangenisstraf van 270 dagen met aftrek van het voorarrest (vastgesteld op 101 dagen) waarvan 169 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met bijzondere voorwaarden. Daarnaast legt de rechtbank een taakstraf van 180 uren en een 38v-maatregel (contact- en locatieverbod met slachtoffer) op.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.065264.26

Datum uitspraak: 27 augustus 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,

wonende te [woonplaats] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 juni 2026 en 13 augustus 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 6 mei 2026.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 5 juni 2026 is aangepast (op grond van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering), is aan verdachte ten laste gelegd dat:

t.a.v. feit 1 primair:

hij, op of omstreeks 1 maart 2026 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk

een ander, te weten [slachtoffer]

van het leven te beroven,

- (met kracht) de keel van voornoemde [slachtoffer] heeft vastgepakt,

- (vervolgens) voornoemde [slachtoffer] aan haar keel heeft opgetild, en/of

- (hierbij) de keel van voornoemde [slachtoffer] dicht heeft geknepen en/of dichtgeknepen heeft gehouden,

t.a.v. feit 1 subsidiair:

hij, op of omstreeks 1 maart 2026 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan een ander, te weten [slachtoffer]

opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- (met kracht) de keel van voornoemde [slachtoffer] heeft vastgepakt,

- (vervolgens) voornoemde [slachtoffer] aan haar keel heeft opgetild, en/of

- (hierbij) de keel van voornoemde [slachtoffer] dicht heeft geknepen en/of dichtgeknepen heeft gehouden,

t.a.v. feit 1 meer subsidiair:

hij, op of omstreeks 1 maart 2026 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo

[slachtoffer] heeft mishandeld, door

- (met kracht) de keel van voornoemde [slachtoffer] vast te pakken,

- (vervolgens) voornoemde [slachtoffer] aan haar keel op te tillen,

- (daarbij) de keel van voornoemde [slachtoffer] dicht te knijpen en/of dichtgeknepen te houden, en/of

- te worstelen met voornoemde [slachtoffer]

t.a.v. feit 2:

hij, op of omstreeks 1 maart 2026 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo

[slachtoffer] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "als je de politie belt, doe ik je wat aan" en/of "als je de politie belt, word je vermoord", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsvraag.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd voor de onder feit 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag, omdat het opzet op de dood niet bewezen kan worden. De officier van justitie acht de onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling en de onder feit 2 ten laste gelegde bedreiging wel wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor de onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde poging tot doodslag respectievelijk zware mishandeling vanwege het ontbreken van opzet op die gevolgen. Voor wat betreft de mishandeling (feit 1 meer subsidiair) heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de bedreiging (feit 2) heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat er geen ondersteunend bewijs is, zodat verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken.

Het oordeel van de rechtbank.

De bewijsmiddelen

De door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in de bewijsbijlage bij dit vonnis.

Feit 1

De rechtbank stelt op basis van de aangifte, die wordt ondersteund door onder meer de verklaring van de buurman en de letselbeschrijving van de forensisch arts, vast dat verdachte met kracht de keel van de aangeefster heeft vastgepakt, vervolgens aangeefster bij haar keel heeft opgetild en hierbij de keel van aangeefster heeft dichtgeknepen en dichtgeknepen heeft gehouden.

Ook de verklaring die verdachte – zowel bij de politie als ter terechtzitting van 13 augustus 2026 – heeft afgelegd, ondersteunt de aangifte op dit wezenlijke punt. Verdachte heeft immers verklaard dat hij aangeefster bij haar keel heeft gegrepen en haar keel heeft dichtgeknepen.

De rechtbank moet beoordelen of het handelen van verdachte poging tot doodslag (primair), poging tot zware mishandeling (subsidiair) of eenvoudige mishandeling (meer subsidiair) oplevert.

Om tot een bewezenverklaring te komen voor een poging doodslag dan wel een poging tot zware mishandeling, moet sprake zijn van (voorwaardelijk) opzet op het overlijden van aangeefster, respectievelijk het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangeefster. Van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is sprake indien de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn, dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg heeft aanvaard.

Met de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank – mede gelet op de omstandigheid dat de duur van de verwurging niet vast te stellen is – niet wettig en overtuigend bewezen dat er sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood en evenmin dat verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van aangeefster heeft aanvaard. Verdachte zal daarom van de onder feit 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag worden vrijgesproken.

De rechtbank is van oordeel dat er wel een aanmerkelijke kans bestond op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat zich in de keel en hals kwetsbare en vitale organen bevinden, zoals de luchtpijp, het strottenhoofd en de halsslagader. Het met kracht dichtdrukken van de keel kan leiden tot een (tijdelijke) belemmering van de bloedtoevoer (bloedverwurging), met naar algemene ervaringsregel ernstige risico’s. Ook kan het dichtknijpen van de keel gedurende slechts enkele seconden leiden tot een zuurstofgebrek (luchtverwurging), wat weer direct kan leiden tot een gebrek aan zuurstof in de hersenen en daarmee tot hersenletsel. Eenieder, en dus ook verdachte, weet dit. Daar komt bij dat verdachte aangeefster bij haar nek heeft opgetild en dat ze haar nek voelde knakken. Gelet op dit alles kan het handelen van verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard. De rechtbank acht de onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2

Anders dan de verdediging, ziet de rechtbank steunbewijs voor de verklaring van aangeefster dat verdachte tegen haar heeft gezegd dat zij de politie niet mocht bellen, omdat hij haar dan iets aan zou doen. De rechtbank wijst daarbij op de verklaring van de buurman, die als onafhankelijk getuige heeft verklaard dat hij een persoon “Als je de politie belt, ben ik nog niet klaar met je” of woorden van soortgelijke strekking heeft horen zeggen. In de context dat de uitlating is gedaan kort nadat aangeefster bij de keel is gegrepen, kan deze uitlating naar het oordeel van de rechtbank leiden tot de redelijke vrees voor zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank acht de onder feit 2 ten laste gelegde bedreiging met zware mishandeling dan ook wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring.

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

t.a.v. feit 1 subsidiair:

op 1 maart 2026 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

[slachtoffer]

opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- (met kracht) de keel van voornoemde [slachtoffer] heeft vastgepakt,

- (vervolgens) voornoemde [slachtoffer] aan haar keel heeft opgetild, en

- (hierbij) de keel van voornoemde [slachtoffer] dicht heeft geknepen en dichtgeknepen heeft gehouden,

feit 2:

op 1 maart 2026 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo

[slachtoffer] heeft bedreigd

met zware mishandeling,

door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "als je de politie belt, doe ik je wat aan", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 14 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, gedragsinterventie agressiebeheersing, ambulante behandeling en beheersing middelengebruik.

Verder heeft de officier van justitie de oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr) gevorderd, inhoudende een contact- en locatieverbod met aangeefster, met een vervangende hechtenis van 1 week per keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden. Daarbij heeft de officier van justitie de dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel gevorderd.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Bij een bewezenverklaring van feit 1 meer subsidiair en vrijspraak voor het overige, heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte zijn straf al ruimschoots heeft uitgezeten in het voorarrest waardoor er geen ruimte is voor nog een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden. Indien de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt, heeft de raadsman verzocht om een geheel voorwaardelijke straf op te leggen en hieraan een proeftijd van 2 jaren en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te koppelen, met uitzondering van het gebiedsverbod van 5 kilometer.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling door met kracht de keel van zijn ex-partner vast te pakken, haar volgens aan de keel op te tillen, waarbij zij haar nek voelde knakken, en daarbij haar keel dicht te knijpen en dichtgeknepen te houden. Dit heeft plaatsgevonden in de woning van aangeefster, waar verdachte onaangekondigd en ongewenst aan de deur verscheen. Vervolgens heeft verdachte aangeefster bedreigd. Met zijn handelen heeft verdachte op ingrijpende wijze inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en de lichamelijke integriteit van zijn ex-partner. Hij heeft agressief en ontoelaatbaar gedrag laten zien. Het geweld en de bedreiging moeten een grote indruk op aangeefster hebben gemaakt. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog jarenlang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan. Uit de toelichting op de vordering benadeelde partij blijkt dat dit ook in deze zaak het geval is. De rechtbank rekent verdachte dit alles zwaar aan.

Persoon van verdachte

Kijkend naar de persoon van verdachte, heeft de rechtbank gelet op het strafblad van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De rechtbank ziet in het strafblad van verdachte dan ook geen strafverzwarende omstandigheden.

In het nadeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat verdachte slechts minimaal verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn gedragingen. De houding van verdachte ter terechtzitting getuigt van weinig zelfreflectie; hij wijst vooral naar aangeefster als veroorzaker van de problemen tussen hen. Verdachte bagatelliseert ook de ernst van het door hem gebruikte geweld en de gevolgen die dat kan hebben.

Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 30 juli 2026. De reclassering concludeert dat verdachte jarenlang een conflictueuze relatie heeft gehad met zijn ex-partner, waarbij huiselijk geweld aan de orde was. De reclassering maakt zich zorgen om de (ex-)partnerrelatie, het psychosociaal functioneren van verdachte en zijn houding. Verdachte zegt open te staan voor reclasseringsinterventies, maar ziet tegelijkertijd niet direct de noodzaak tot hulpverlening en heeft geen hulpvragen. De reclassering ziet een beperkt probleembesef en een externaliserende houding tegenover zijn (ex-)partnerrelatie. Verdachte legt de oorzaak van de relatieproblemen voornamelijk bij zijn ex-partner. Het risico op extreem ernstig c.q. dodelijk geweld wordt als hoog ingeschat. Gelet hierop is door de reclassering geadviseerd om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden van een meldplicht, gedragsinterventie agressiebeheersing, ambulante behandeling, contactverbod, locatieverbod (met elektronisch toezicht) en beheersing middelengebruik.

Gevangenisstraf en taakstraf

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de bewezen verklaarde feiten in beginsel zonder meer een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt. Bij het bepalen van de hoogte van die straf heeft de rechtbank gekeken naar de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en naar de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. Voor (voltooide) zware mishandeling zonder gebruik te maken van een wapen geldt als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden. Het vertrekpunt bij een poging tot zware mishandeling is twee derde deel daarvan. De rechtbank is echter van oordeel dat de omstandigheden van deze poging tot zware mishandeling, te weten binnen een (beëindigde) relatie, in de eigen woning van aangeefster en de ernst van het door verdachte uitgeoefende geweld, in combinatie met de bedreiging maken dat een hogere straf passend is.

Verdachte heeft 101 dagen in voorarrest gezeten, wat neerkomt op ruim 3 maanden. Naar het oordeel van de rechtbank hoeft de verdachte niet terug naar de gevangenis maar om het risico van herhaling tegen te gaan en de ernst van de feiten te benadrukken, acht de rechtbank het ook noodzakelijk een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en tevens een forse taakstraf. Daarom zal de rechtbank ook een voorwaardelijke gevangenisstraf van 169 dagen aan verdachte opleggen, met een proeftijd van 3 jaren en daaraan als bijzondere voorwaarden gekoppeld een meldplicht, gedragsinterventie agressiebeheersing, ambulante behandeling en beheersing middelengebruik. De rechtbank zal het door de reclassering geadviseerde contact- en locatieverbod niet als bijzondere voorwaarden opnemen maar opleggen als 38v-maatregel, zoals hierna wordt omschreven.

De op te leggen taakstraf bedraagt 180 uren.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr

Om aangeefster te beschermen en tegemoet te komen aan haar gevoelens van onveiligheid, zal de rechtbank tot slot aan verdachte de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr opleggen voor de duur van 3 jaren. Deze maatregel houdt in dat verdachte zich zal onthouden van direct of indirect contact met aangeefster en dat verdachte zich niet zal ophouden in een gebied van 500 meter rond het adres van aangeefster (overeenkomstig de aan het vonnis gehechte kaart). De rechtbank zal daarbij de vervangende hechtenis stellen op 1 week per overtreding, met een maximum van 6 maanden.

Gelet op de aard van de bewezenverklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de risico-inschatting van de reclassering, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens een bepaalde persoon. De rechtbank zal daarom bevelen dat de 38v-maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

De vordering van de benadeelde partij.

Het slachtoffer [slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een verzoek tot schadevergoeding. Op een eerste verzoek tot schadevergoeding van 6 mei 2026 werd een bedrag van € 4.000,- ter vergoeding van materiële schade (ingetrapte deuren) en een bedrag van € 4.000,- ter vergoeding van immateriële schade gevorderd. Nadat zich een gemachtigde had gesteld, heeft de benadeelde partij een herstelvordering ingediend. Daarin wordt een bedrag van € 420,08 gevorderd ter vergoeding van materiële schade (medische kosten, telefoonkosten en reiskosten) en een bedrag van € 26.000,- ter vergoeding van immateriële schade.

Gelet op de toelichting van de gemachtigde ter terechtzitting begrijpt de rechtbank dat de benadeelde partij thans een bedrag van € 4.420,08 ter vergoeding van materiële schade en

€ 26.000,- ter vergoeding van immateriële schade vordert, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daarnaast zijn proceskosten gevorderd conform het liquidatietarief.

De materiële schade bestaat uit de volgende posten:

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft toewijzing gevorderd tot een bedrag van € 5.035,08 (bestaande uit € 25,- telefoonkosten, € 10,08 reiskosten en € 5.000,- immateriële schade), vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de oorspronkelijke vordering van 6 mei 2026, dan wel deze af te wijzen. De materiële schade (ingetrapte deuren) blijkt niet uit het dossier en de immateriële schade is niet onderbouwd.

Wat betreft de herstelvordering heeft de raadsman zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Hiertoe heeft hij gewezen op de hoogte en complexiteit van de gevorderde schadevergoeding in combinatie met het zeer laat ontvangen van de vordering. De vordering is namelijk pas op 5 augustus 2026 ingediend. Dit levert misbruik van het procesrecht op en schaadt de verdedigingsbelangen van verdachte. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de vordering af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren, omdat zowel de materiële als immateriële schade niet is onderbouwd.

Beoordeling.

De rechtbank stelt vast dat de vordering door de benadeelde partij is ingediend op 5 augustus 2026. Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de vordering laat is ingediend. Anders dan de raadsman acht de rechtbank de vordering echter niet dusdanig complex dat, ook als hij de vordering pas de dag voor de zitting heeft ontvangen, hij deze niet voldoende had kunnen bestuderen en kunnen betwisten. Van misbruik van procesrecht is zodoende geen sprake.

Materiële schade

Naar het oordeel van de rechtbank is de kostenpost ‘telefoonkosten’ voldoende onderbouwd en deze is niet inhoudelijk betwist door de verdediging. De rechtbank acht deze kostenpost dan ook voor het volledige bedrag van € 25,- toewijsbaar.

Van reiskosten naar het politiebureau om aangifte te doen of een nadere verklaring af te leggen kan niet worden gezegd dat zij gemaakt zijn ‘ter vaststelling van aansprakelijkheid of schade’, zoals bedoeld in artikel 6:96, tweede lid en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Zij strekken ertoe strafrechtelijke opsporing en vervolging van de dader te bewerkstelligen. De enkele omstandigheid dat een eventuele daaropvolgende strafrechtelijke veroordeling de grondslag kan bieden voor schadevergoeding (en dit vaak mededoelstelling van het slachtoffer is), maakt niet dat gezegd kan worden dat die reiskosten met dat doel zijn gemaakt (ECLI:NL:HR:2003:AF0690). Deze reiskosten kunnen daarom niet als schade ten laste van verdachte worden gebracht. De wet voorziet niet in de mogelijkheid deze kosten ten laste van de Staat te brengen. De vordering van de benadeelde partij zal in zoverre worden afgewezen. Ten aanzien van de kostenpost ‘ingetrapte deuren’ is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een rechtstreeks verband met de bewezen verklaarde feiten en dat dit op geen enkele manier aannemelijk is gemaakt of is onderbouwd. De rechtbank zal de vordering ook voor deze kostenpost afwijzen.

Ten aanzien van de kostenpost ‘medische kosten’ is de rechtbank van oordeel dat dit deel van de vordering in onvoldoende mate aannemelijk is gemaakt en onderbouwd. Daarom zal de rechtbank de vordering voor zover deze ziet op voornoemde kostenpost niet-ontvankelijk verklaren.

Immateriële schade

Wat betreft de immateriële schade is de rechtbank van oordeel dat voldoende is gebleken dat de benadeelde als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte ‘op andere wijze in de persoon is aangetast’ en daardoor rechtstreeks immateriële schade heeft geleden in de zin van artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schadevergoeding houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de feiten en met de hoogte van de schadevergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend. Alles overwegende begroot de rechtbank de omvang van de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid op een bedrag van € 1.000,-. De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van de overige gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren.

Conclusie

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door de bewezen verklaarde feiten toegebrachte schade, tot een bedrag van € 1.025,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict (1 maart 2026) tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank wijst de vordering af, voor zover deze ziet op de reiskosten en de ingetrapte deuren.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het resterende deel van de vordering. De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ten aanzien van de proceskosten overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van artikel 532 van het Wetboek van Strafvordering dient de rechter in zijn uitspraak te beslissen over de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten. Een redelijke uitleg van artikel 532 van het Wetboek van Strafvordering brengt mee dat bij de begroting van de daar bedoelde kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures. In civiele procedures wordt doorgaans bij de begroting van de proceskosten een zogenoemd liquidatietarief gehanteerd. Deze tarieven zijn geen recht in de zin van artikel 79 van de Wet op de rechterlijke organisatie, maar slechts een de rechter niet-bindende richtlijn. Een dergelijke richtlijn leent zich bovendien niet steeds voor directe toepassing op door de gemachtigde verrichte werkzaamheden ten behoeve van de benadeelde partij die zich in het strafproces heeft gevoegd (HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793).

Indien de proceskosten zouden worden begroot op het door de gemachtigde gevorderde bedrag zou dit tot een onredelijk hoge veroordeling in de proceskosten leiden. Nu de onderhavige vordering van eenvoudige aard is, zal de rechtbank de proceskosten berekenen volgens het liquidatietarief voor kantonzaken. Dit betekent dat de proceskosten worden begroot op een bedrag van € 360,- per punt. Dit betekent dat de proceskosten zullen worden toegewezen tot een bedrag van € 720,- (1 punt voor het opstellen van de vordering en 1 punt voor het bijwonen van de zitting).

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 38v, 38w, 45, 57, 285, 302 Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

- verklaart het onder feit 1 primair laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

- verklaart het onder feit 1 subsidiair en feit 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

t.a.v. feit 1 subsidiair:

poging tot zware mishandeling

t.a.v. feit 2:

bedreiging met zware mishandeling

De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straffen en maatregelen:

T.a.v. feit 1 subsidiair, feit 2:

Een gevangenisstraf voor de duur van 270 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht (door de rechtbank vastgesteld op 101 dagen) waarvan 169 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaren.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

En stelt als bijzondere voorwaarden:

- dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij de verslavingsreclassering van Novadic-Kentron op telefoonnummer 040-2171200.

- dat veroordeelde binnen de proeftijd de gedragsinterventie BORG van de reclassering afmaakt, die gericht is op agressiebeheersing, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. Betrokkene houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer.

- dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd behandelen door Novadic-Kentron of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling is reeds gestart. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op diagnostiek, psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden en/of andere problematiek)]. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken.

- dat veroordeelde gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, ademonderzoek en speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

Geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden genoemd onder en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Hierbij gelden als voorwaarden dat de veroordeelde:

- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;

- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

T.a.v. feit 1 subsidiair, feit 2:

Een taakstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis.

T.a.v. feit 1 subsidiair, feit 2:

Een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 3 jaren, inhoudende dat veroordeelde wordt bevolen:

De rechtbank beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 maanden.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

De rechtbank beveelt dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

t.a.v. feit 1 subsidiair, feit 2:

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] :

De rechtbank wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van 1.025,- euro, bestaande uit 25,- euro materiële schadevergoeding en 1.000,- euro immateriële schadevergoeding, te vermeerderden met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2026 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op 720,- euro, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De rechtbank wijst de vordering af, voor zover deze ziet op de kostenposten 'reiskosten' en 'ingetrapte deuren'.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De rechtbank legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van 1.025,- euro. De rechtbank bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 10 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Voormeld bedrag bestaat uit 25,- euro materiële schadevergoeding en 1.000,- euro immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2026 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.A. Waals, voorzitter,

mr. M.L.W.M. Viering en mr. S.V. Vullings, leden,

in tegenwoordigheid van mr. M.A.I.A. Aarts, griffier,

en is uitgesproken op 27 augustus 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M.A. Waals
  • mr. M.L.W.M. Viering
  • mr. S.V. Vullings

Griffier

  • mr. M.A.I.A. Aarts

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand