ECLI:NL:RBOBR:2026:6120

ECLI:NL:RBOBR:2026:6120

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 04-03-2026
Datum publicatie 26-08-2026
Zaaknummer C-01-408352 - HA ZA 24-585
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Aankondiging prejudiciële vragen aan de HR. Erfpacht, canon, faillissement. Kwalificatie vordering als bestaand of toekomstig

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Zaaknummer: C/01/408352 / HA ZA 24-585

Vonnis van 4 maart 2026

in de zaak van

SOLID B.V.,

te Ede,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: Solid,

advocaat: mr. A. Al-Musawi,

tegen

1. MR. I.C.J.C. VAN DE KLUNDERT in hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap LAND EQUITY B.V.,

te Eindhoven,2. MR. I.C.J.C. VAN DE KLUNDERT in hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap CERTITUDO VASTGOED II B.V.,

te Eindhoven,3. MR. W.J.G. SMITS in hoedanigheid van curator in het faillissement van de

besloten vennootschap LAND EQUITY B.V.,

te 's-Hertogenbosch,4. MR. W.J.G. SMITS in hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap CERTITUDO VASTGOED II B.V.,

te 's-Hertogenbosch,

gedaagde partijen in conventie,

eisende partijen in reconventie,

hierna samen te noemen: de curatoren,

advocaat: mr. B. Rikkert.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 tot en met 28;- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met producties 1 tot en met 17;- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;

- de conclusie van antwoord in reconventie;

- het B16 formulier met de akte van fusie waaruit volgt dat Solid Investments B.V. is gefuseerd met Solid B.V., waarbij Solid B.V. als verkrijgende rechtspersoon is opgetreden en Solid Investments B.V. is opgehouden te bestaan;

- de akte wijziging van eis in reconventie van de curatoren;- de mondelinge behandeling van 10 december 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. De beide gemachtigden hebben spreekaantekeningen voorgedragen en overgelegd.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

Op 1 april 2022 is er tussen Solid Finance B.V. (hierna: Solid Finance) en Certitudo Residential Growth Fund B.V. (hierna: Certitudo) een overeenkomst van geldlening gesloten voor een bedrag van € 4.000.000,00. Certitudo heeft zich hierbij verplicht om zekerheden te (laten) vestigen.

Op 5 april 2022 is er een notariële akte van hypotheek/verpanding gepasseerd waarin Land Equity B.V. (hierna: Land Equity) en Certitudo Vastgoed II B.V. (hierna: Certitudo Vastgoed II) als pand- en hypotheekgever zijn aangewezen ten behoeve van Solid Finance tot zekerheid voor de nakoming van de verplichtingen van Certitudo. Land Equity en Certitudo Vastgoed II hebben - voor zover van belang - verpand alle huidige en toekomstige vorderingen die Land Equity en Certitudo Vastgoed II jegens derden hebben of zullen hebben ter zake het onderpand. Het onderpand bestaat uit diverse percelen grond met opstallen (hierna: de kavels). Op de kavels die eigendom zijn van Land Equity zijn rechten van erfpacht gevestigd.

Er is een achterstand ontstaan in de terugbetaling van de geldlening. Op

5 juli 2023 heeft Solid Finance het volledig openstaande bedrag opgeëist bij Certitudo

(€ 4.178.851,70). Solid Finance heeft daarna (bij akte van 31 augustus 2023) haar vorderingen op Certitudo gecedeerd aan Solid Investments B.V., de rechtsvoorganger van Solid B.V.

Op 18 september 2023 is Certitudo failliet verklaard.

Solid Investments B.V. heeft op 16 oktober 2023 mededeling gedaan aan de erfpachters van haar pandrecht op de erfpachtvorderingen van Land Equity.

Vervolgens is op 20 oktober 2023 Land Equity failliet verklaard en op

31 oktober 2023 is Certitudo Vastgoed II failliet verklaard.

3. Het geschil

in conventie

Solid vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

voor recht te verklaren dat de erfpachtcanon over het jaar 2024 en opvolgend onder het pandrecht valt van Solid en uitsluitend aan Solid toekomt;

de curatoren te veroordelen tot afdracht van de erfpachtcanon over het jaar 2024 en opvolgend die zij al hebben ontvangen en in de toekomst zullen verkrijgen, en te bepalen dat de curatoren de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW verschuldigd zijn over: (i) de al ontvangen erfpachtcanon over 2024 vanaf 1 januari 2024 tot aan de dag van volledige voldoening en (ii) de nog te ontvangen erfpachtcanon over 2024 en opvolgend indien de curatoren niet binnen 14 kalenderdagen na daartoe te zijn aangeschreven door Solid hebben betaald;

de curatoren te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke rente hierover;

de curatoren te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien zij niet binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis hebben betaald,

subsidiair:

5. de curatoren te veroordelen tot betaling van € 47.163,88, te vermeerderen met de wettelijke rente indien zij niet binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis hebben betaald;

6. de curatoren te veroordelen in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien zij niet binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis hebben betaald.

Solid legt hier, samengevat, het volgende aan ten grondslag. Solid heeft (via haar rechtsvoorgangers) een rechtsgeldig pandrecht verkregen op alle bestaande en toekomstige vorderingen van Land Equity en Certitudo Vastgoed II. Onder deze verpanding vallen ook de vorderingen van Land Equity en Certitudo Vastgoed II op hun erfpachters tot betaling van de erfpachtcanon over het jaar 2024. Solid meent dat deze vorderingen op de faillissementsdata van Land Equity en Certitudo Vastgoed II (voorwaardelijk) bestaande vorderingen waren, waardoor de erfpachtcanon over het jaar 2024 onder het (laatstelijk) op 11 oktober 2023 gevestigde pandrecht valt. Zij grondt dat standpunt op het volgende.

Uit de akten van levering van de erfpachtrechten blijkt ondubbelzinnig dat het de bedoeling van erfverpachter en erfpachter is dat de erfpachtcanon bij vooruitbetaling is verschuldigd. Hieruit volgt dat het ontstaansmoment van de erfpachtvorderingen naar voren is gehaald en niet afhankelijk is van het daadwerkelijk verschaffen van het erfpachtrecht. De verschuldigdheid staat vast en is louter afhankelijk van tijdsverloop. Het gaat om vorderingen onder opschortende voorwaarde dan wel tijdsbepaling. Uit de akten van levering blijkt ook dat partijen een periodieke en vaststaande betaling zijn overeengekomen, wat tot de conclusie leidt dat de erfpachtvorderingen sinds de datum van vestiging van het erfpachtrecht kwalificeren als bestaande vorderingen. Erfverpachter en erfpachter hebben verder ontbinding uitgesloten, in de erfpachtovereenkomsten voor onbepaalde tijd ook eenzijdige opzegging door de erfpachter en het recht op kwijtschelding, vermindering of teruggave. Solid betoogt hiermee dat de daadwerkelijke verschuldigdheid van de erfpachtcanon een zodanige mate van waarschijnlijkheid heeft bereikt, dat al bij het sluiten van de erfpachtakte het bestaan van de erfpachtvorderingen over het jaar 2024 kan worden aangenomen. Deze erfpachtcanon vindt zijn grondslag in al bestaande rechtsverhoudingen ten tijde van de faillissementen van Land Equity en Certitudo Vastgoed II. Voor het geval geoordeeld zou worden dat Solid niet gerechtigd is tot de erfpachtcanon over 2024 wordt subsidiair een vergoeding van € 47.163,88 op grond van onrechtvaardigde verrijking gevorderd. Solid heeft namelijk arbeidsintensieve en tijdrovende incassowerkzaamheden verricht voor inning van de erfpachtcanon over 2024. De curatoren zijn hierdoor verrijkt omdat Solid onverplicht incassowerkzaamheden heeft verricht en de curatoren die zelf niet meer hoefden te verrichten. Solid is hierdoor verarmd omdat zij kosten gemaakt heeft. De schade van Solid wordt begroot op een bedrag van € 47.163,88.

De curatoren voeren, samengevat, het volgende verweer. Solid heeft geen vordering op Certitudo Vastgoed II, reeds omdat op de ene kavel die eigendom is van Certitudo Vastgoed II geen erfpachtrecht is gevestigd. Ook jegens Land Equity is geen sprake van een vordering. Volgens curatoren kwalificeert de erfpachtcanon over het jaar 2024 namelijk ten tijde van het faillissement van Land Equity als een toekomstige vordering, waardoor deze onbezwaard in de boedel van Land Equity is gevallen. De curatoren lichten hun standpunt als volgt toe. De erfpachtcanon moet gekwalificeerd worden als een niet-opeisbare burgerlijke vrucht. Tot het moment waarop zij opeisbaar wordt, kwalificeert een burgerlijke vrucht als een toekomstige vordering (artikel 3:9 lid 4 BW). Voor de erfpachtcanon over het jaar 2024 geldt op grond van de verschillende erfpachtakten dat deze opeisbaar wordt in de eerste week van een kalenderjaar. De vordering tot voldoening van de erfpachtcanon over het jaar 2024 is dus pas opeisbaar geworden in de eerste week van januari 2024. Ten tijde van de faillietverklaring van Land Equity was de erfpachtcanon nog niet opeisbaar en dus een toekomstige vordering, en valt zij dus onbezwaard in de boedel. Ook op grond van de rechtspraak van de Hoge Raad moet de erfpachtcanon over het jaar 2024 gezien worden als een toekomstige vordering. Dit maakt dat er geen rechtsgeldig pandrecht is komen te rusten op de erfpachtcanon over het jaar 2024 en dat primaire vordering moet worden afgewezen. De vordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking moet ook worden afgewezen, omdat de boedel van Land Equity niet ongerechtvaardigd verrijkt is. De curatoren en Solid hebben met elkaar afgesproken dat Solid de incasso op zich zou nemen van zowel de al vervallen erfpachtcanon als de erfpachtcanon over het jaar 2024. Solid heeft daarbij geen aanspraak gemaakt op vergoeding van de door haar te maken incassokosten. Afgesproken is dat als duidelijk zou worden dat de erfpachtcanon over het jaar 2024 niet onder het pandrecht zou vallen Solid de bedragen zonder inhouding en zonder beroep op verrekening of opschorting aan de boedel van Land Equity zou voldoen. De gestelde verrijking berust dus op een rechtshandeling. Verder is een veroordeling in de incassokosten in dit geval niet redelijk omdat het pandrecht vóór het faillissement al openbaar is gemaakt. Waardoor Solid welbewust de inningsbevoegdheid en daarmee gepaard gaande kosten naar zich toegetrokken heeft. Tot slot geldt dat de vordering onvoldoende onderbouwd is.

in reconventie

De curatoren vorderen, na wijziging van eis, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

te verklaren voor recht dat de erfpachtcanon 2024 onbezwaard in de boedel van Land Equity valt;

Solid te veroordelen om, binnen één maand na betekening van dit vonnis, tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de curatoren te voldoen een bedrag van

€ 253.673,14, althans een bedrag € 230.620,53, te vermeerderen met alle sinds 26 februari 2025 door Solid ontvangen en nog door haar te ontvangen bedragen die betrekking hebben op de erfpachtcanon 2024, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de datum van de conclusie van antwoord, althans te rekenen vanaf 14 dagen na betekening van het vonnis tot aan de dag van volledige betaling;

3. Solid te veroordelen in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien zij niet binnen 14 dagen na betekening van het vonnis heeft betaald.

De curatoren leggen hier het volgende aan ten grondslag. Omdat de erfpachtcanon over het jaar 2024 ten tijde van het faillissement Land Equity als een toekomstige vordering kwalificeert, is daarop geen pandrecht tot stand gekomen en valt de erfpachtcanon over het jaar 2024 onbezwaard in de boedel.

Solid voert, samengevat, het volgende verweer. Ook voor burgerlijke vruchten geldt dat het ontstaansmoment van de vorderingen door de wetgever is overgelaten aan het oordeel van de rechter. Een toekomstige vrucht is slechts een onzelfstandig goed tot het tijdstip van haar opeisbaarheid. Daarmee is niet gezegd dat een toekomstige vrucht per definitie een toekomstige vordering is. Dit volgt ook niet uit artikel 3:9 lid 4 BW. Dat artikellid laat zich niet uit over het ontstaansmoment van een burgerlijke vrucht. Daarnaast kan een onzelfstandig recht ook een bestaand recht zijn. Daarbij is opeisbaarheid geen constitutieve voorwaarde voor het bestaan van een vordering. Uit de rechtspraak volgt dat vorderingen waarvan de opeisbaarheid afhankelijk is van het verstrijken van een tijdsbepaling of het in vervulling gaan van een voorwaarde als bestaande vorderingen moeten worden aangemerkt. Het arrest WUH/Emmerig q.q. heeft een beperktere reikwijdte dan door de curatoren wordt bepleit. Per geval zal aan de hand van de overeenkomst en de partijbedoeling moeten worden beoordeeld of sprake is van een bestaande of toekomstige vordering. De regel uit dit arrest kan ook niet naar analogie worden toegepast op erfpachtcanon. Geconcludeerd moet worden dat de erfpachtcanon over het jaar 2024 ten tijde van de faillietverklaring kwalificeerde als een bestaande vordering.

4. De beoordeling

in conventie en in reconventie

Gelet op de samenhang worden de vorderingen in conventie en in reconventie gezamenlijk behandeld.

Solid als procespartij

De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding is uitgebracht door Solid Investments B.V.. Bij B16-formulier is meegedeeld dat Solid Investments B.V. op 22 oktober 2025 is gefuseerd met Solid waarbij Solid Investments B.V. is opgehouden te bestaan. Er deed zich dus een schorsingsgrond voor (artikel 225 lid 1 Rv). Hoewel strikt genomen niet een verzoek schorsing en hervatting zoals bedoeld in de artikelen 225 en 227 Rv heeft plaatsgevonden, heeft de rechtbank met partijen op de mondelinge behandeling besproken het B16-formulier voor de rol van 10 december 2025 wel als zodanig op te vatten. Daarmee waren partijen akkoord, althans bestond daar geen bezwaar tegen. De procedure zal daarom verder voortgezet worden op naam van Solid.

Erfpachtcanon over het jaar 2024

In deze zaak staat de vraag centraal of de over het jaar 2024 verschuldigde erfpachtcanon, gelet op de faillissementsdatum van Land Equity, onder het pandrecht van Solid valt en dus de vraag of de over het jaar 2024 verschuldigde erfpachtcanon op de faillissementsdatum van Land Equity kwalificeert als toekomstige of (voorwaardelijke) bestaande vordering. Als de erfpachtvorderingen kwalificeren als (voorwaardelijk) bestaande vorderingen, dan valt de erfpachtcanon over 2024 onder het pandrecht van Solid. Als de erfpachtvorderingen kwalificeren als toekomstige vorderingen, dan blokkeert het faillissement van Land Equity de voltooiing van het pandrecht en valt de erfpachtcanon over het jaar 2024 in de boedel. Partijen verschillen fundamenteel over het antwoord op deze vraag en hebben verwezen naar rechtspraak, de wetsgeschiedenis en de gezichtspunten van diverse auteurs. De rechtbank zal hierna - samengevat - de aangedragen onderbouwingen weergeven.

Volgens Solid waren de erfpachtvorderingen over het jaar 2024 op de faillissementsdatum van Land Equity in 2023 (voorwaardelijk) bestaande vorderingen. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst Solid onder meer naar de volgende literatuur en jurisprudentie.

De wet en parlementaire geschiedenis verschaffen geen criteria voor de vaststelling of een vordering een toekomstige dan wel een (voorwaardelijk) bestaande vordering is. Het antwoord op de vraag wanneer een vordering ontstaat of tegenwoordig wordt is uitdrukkelijk door de wetgever overgelaten aan het oordeel van de rechter (gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2 mei 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:3702). Of sprake is van een (voorwaardelijk) bestaande vordering, is een kwestie van uitleg van de

rechtsverhouding tussen partijen (HR 16 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3094).

Artikel 3:9 BW is niet het juiste toetsingskader voor het antwoord op de vraag of de erfpachtcanon (voorwaardelijk) bestaand dan wel toekomstig is. Dat artikel beoogt geen uitsluitsel te geven over het ontstaansmoment van de erfpachtcanon. De curatoren lezen volgens Solid de Toelichting Meijers onjuist, althans onvolledig. De Toelichting Meijers heeft (uitsluitend) betrekking op onzelfstandige rechten en niet (ook) op toekomstige vorderingen, aldus Solid. Voor het juiste toetsingskader verwijst Solid naar de conclusie van A-G Rank-Berenschot uit 2021 (Parket bij de Hoge Raad 17 december 2021, ECLI:NL:PHR:2021:1192) waarin is overwogen:

“Uit het hiervoor geschetste juridisch kader (nrs. 3.15 e.v.), met name de rechtspraak van uw Raad, kan worden afgeleid dat voor het onderscheid tussen een bestaande voorwaardelijke vordering en een toekomstige vordering onder meer relevant kan zijn:

of de vordering rechtstreeks voortvloeit uit de wet (Kramer q.q./NMB);

of het ontstaan van de vordering afhankelijk is van een wilsverklaring of handeling van de debiteur (Staal Bankiers/Ambags q.q.) of de crediteur ([...]/[...] (ASR/Achmea);

of sprake is van een ingrijpende wijziging in de rechtsverhouding tussen partijen als gevolg waarvan nieuwe verbintenissen ontstaan (ING/Nederend q.q.);

de aard van de overeenkomst waaruit de vordering voortvloeit (Famed/Kreikamp

q.q.) en

- hetgeen partijen met betrekking tot de vordering hebben afgesproken (De Lage

Landen/Van Logtestijn q.q.).”

Solid verwijst in dit verband ook naar gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 mei 2023 (ECLI:NL:GHARL:2023:3702). Voor zover artikel 3:9 BW wel het juiste toetsingskader zou zijn, is dat kader volgens Solid van regelend recht en mogen partijen daarvan afwijken, wat erfverpachter en erfpachter in deze hebben gedaan.

Solid is verder van mening dat de uitspraak van de Hoge Raad in WUH/Emmerig q.q. (Hoge Raad 30 januari 1987, ECLI:NL:PHR:1987:AG5528) niet kan worden toegepast in deze situatie. Volgens Solid blijkt uit WUH/Emmerig q.q. dat artikel 3:9 BW niet het juiste toetsingskader is voor het bepalen van het ontstaansmoment van de betalingsverplichting van de erfpachter. Aan dat arrest komt verder volgens Solid geen ruime strekking toe. Hoewel er overeenkomsten zijn tussen huur en erfpacht, zijn er ook aanzienlijke verschillen aan te wijzen. Huur vloeit voort uit een verbintenisrechtelijke rechtshandeling en erfpacht uit een goederenrechtelijke aanspraak. Het erfpachtrecht kan verder in geval van faillissement van de erfpachter in tegenstelling tot bij huur niet beëindigd worden (Bartels en V. Tweehuysen, Overeenkomsten en Insolventie, (Nijmegen; O&R nr. 72), Deventer Kluwer 2012, p. 71.), erfpachtcanon is geen boedelschuld (Hoge Raad 19 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:56) en de verschuldigdheid van erfpachtcanon is niet afhankelijk van een onzekere, toekomstige gebeurtenis, zoals verschaffing van het genot. De rechtsregel uit WUH/Emmerig q.q. is volgens Solid dan ook niet van toepassing op een recht van erfpacht.

Solid verwijst ook naar de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 23 juni 2021 (ECLI:NL:RBNNE:2021:2575) waarin geoordeeld is: “De verbintenis tot betaling van erfpachtcanon dateert naar het oordeel van de rechtbank al van vóór het faillissement van GOC en vloeit voort uit de erfpachtakten. Daaraan doet niet af dat de canon later periodiek opeisbaar is geworden. Er is daarmee geen sprake van een (pas) na de faillietverklaring ontstane verbintenis van GOC (...). Naar het oordeel van de rechtbank is in het voorliggende geval géén verplichting tot betaling van erfpachtcanon ontstaan door enig handelen van de curator. Deze betalingsverplichting vloeit immers al (rechtstreeks) voort uit de diverse gevestigde erfpachtrechten die dateren van vóór het faillissement van GOC. Het faillissement van GOC heeft geen wijziging in deze verplichting gebracht.”Deze uitspraak is bevestigd door gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2022:8502) en de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2024:56).

Om hun standpunt dat de erfpachtcanon over het jaar 2024 ten tijde van het faillissement van Land Equity een toekomstige vordering was te onderbouwen, hebben de curatoren het volgende aangevoerd.

De wetgever heeft voor één specifieke vordering wél bepaald of deze als bestaand of als toekomstig kwalificeert, namelijk voor de burgerlijke vrucht, artikel 3:9 lid 4 BW. Daartoe wordt verwezen naar de Toelichting Meijers bij artikel 3:9 BW, waarin het volgende is opgenomen: “Het vijfde lid laat toe, dat over toekomstige vruchten, dat wil zeggen omtrent vruchten, die volgens het vorige lid nog niet zelfstandige goederen zijn, reeds afzonderlijk wordt beschikt”. Ook verwijzen curatoren naar de Minister in de Memorie van Antwoord II bij artikel 3:9 BW: “Uit artikel 3.4.2.10. volgt met voldoende duidelijkheid dat nog niet afgescheiden natuurlijke vruchten als toekomstige zaken kunnen worden overgedragen en dat het recht op nog niet vervallen burgerlijke vruchten kan worden overgedragen door cessie bij voorbaat van de toekomstige vorderingen ter zake van deze vruchten.” Ook in de literatuur en de rechtspraak wordt aangenomen dat een burgerlijke vrucht tot het moment waarop zij opeisbaar wordt, als een toekomstige vordering kwalificeert. Verwezen wordt naar overweging 4.2. van de conclusie van de A-G bij het arrest WUH/Emmerig q.q. en verder naar Biemans (J.W.A. Biemans, Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65), Schuijling (Schuijling 2016/3.4.3.2.), S.E. Bartels & A.I.M. van Mierlo (Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2021/80), Perrick (S. Perrick, Over verpanding van rentevorderingen en dividenden, in: Toonaangevend 2024/11.2), Steneker (A.S. Steneker, Pandrecht (Mon. BW nr. B12a) 2022/19 (Aandelen), Pannevis (N.B. Pannevis, Achtergestelde vorderingen (diss. Nijmegen) Achtergestelde vorderingen (O&R nr. 114) 2019/2.5.4.2), Van Leuken, Van de Moosdijk en Tweehuysen (Van Leuken, Van de Moosdijk & Tweehuysen, Hartkamps Compendium van het vermogensrecht 2017/48).

Ook op grond van de rechtspraak moet de erfpachtcanon over het jaar 2024 gekwalificeerd worden als toekomstige vordering. Verwezen wordt naar Hoge Raad

26 maart 1982 (NJ 1982/615, m.nt. W.M. Kleijn (SOS/ABN)) en naar WUH/Emmerig q.q., waaruit een regel met een ruim toepassingsbereik volgt. Te weten dat de tegenprestatie van een toekomstige, vooralsnog onzekere omstandigheid, als een toekomstige vordering kwalificeert zo lang de verschaffing van de onzekere omstandigheid niet is afgerond. In de literatuur wordt ook aangenomen dat dit arrest een ruim toepassingsbereik heeft. Verwezen wordt naar Van Mierlo en Krzeminski (Asser/Van Mierlo & Krzeminski 3-VI 2020/81: Onderscheid bestaande en toekomstige vorderingen), Bartels en Van Mierlo (Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2021/267:267 Levering/vestiging bij voorbaat en faillissement vervreemder) en Schuijling (Schuijling 2016/3.4.3.8.).

Voor het geval wordt aangenomen dat de Hoge Raad in het arrest WUH/Emmerig q.q. geen algemene regel heeft geformuleerd, voeren de curatoren aan dat het arrest naar analogie van toepassing is, omdat de rechtsfiguren huur en erfpacht in grote mate gelijkenis vertonen. Het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en de literatuur waar Solid in dit kader naar verwijst, gaan in dit geval niet op omdat het daarin om andere situaties ging.

De verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland en de daarop gevolgde arresten gaan over een andere, hier niet van toepassing zijnde situatie. In de betreffende zaak was een andere rechtsvraag aan de orde, namelijk of sprake was van een boedelvordering van de crediteur. Het ging ook om een spiegelbeeldige situatie, waarin de erfpachter juist failliet was verklaard.

De rechtbank oordeelt als volgt. Geconcludeerd wordt dat uit de aangedragen onderbouwingen geen eenduidig antwoord op de vraag die partijen verdeeld houdt kan worden afgeleid. De rechtbank is daarom voornemens om op grond van artikel 392 Rv prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen. Het antwoord op deze vragen is niet alleen nodig om het geschil tussen partijen te beslechten maar kan, daar zijn partijen het over eens, grote gevolgen hebben voor de financieringspraktijk in Nederland.

Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen zich al uitgelaten over de mogelijkheid en wenselijkheid van het stellen van prejudiciële vragen. De curatoren hebben aangegeven het raadzaam te vinden om prejudiciële vragen te stellen. Solid heeft aangegeven dat dit wat haar betreft niet nodig is gelet op de uitspraak van rechtbank

Noord-Nederland (ECLI:NL:RBNNE:2021:2575) en de daarmee samenhangende arresten van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2022:8502) en de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2024:56). Gezien de reikwijdte en omvang van het debat tussen partijen en verschillen tussen deze zaak en de kwestie die in die zaak speelde, acht de rechtbank het stellen van prejudiciële vragen toch aangewezen.

De rechtbank is voornemens om de volgende vragen voor te leggen aan de

Hoge Raad:

Kwalificeert de erfpachtcanon over het jaar 2024 ten tijde van het faillissement van Land Equity op 20 oktober 2023, als (voorwaardelijk) bestaande of als toekomstige vordering? Welke gezichtspunten zijn daarbij van belang c.q. doorslaggevend?

Erfpachtcanon kan gekwalificeerd worden als een burgerlijke vrucht. Brengt de uitleg van artikel 3:9 lid 4 BW gelet op de wetsgeschiedenis met zich dat de erfpachtcanon als een toekomstige vordering moet worden gekwalificeerd of geeft artikel 3:9 lid 4 BW geen uitsluitsel over het ontstaansmoment van de erfpachtcanon?

Als artikel 3:9 lid 4 BW geen uitsluitsel biedt over het ontstaansmoment van de vordering, is het ontstaansmoment van de vordering (erfpachtcanon) dan (uitdrukkelijk) overgelaten aan het oordeel van de rechter?

Indien artikel 3:9 lid 4 BW wel zo uitgelegd moet worden dat het uitsluitsel geeft over het ontstaansmoment van de vordering, kunnen partijen hier dan niettemin van afwijken? Anders gezegd, is artikel 3:9 lid 4 BW van regelend recht?

Moet de rechtsregel uit HR 30 januari 1987 (NJ 1987/530, WUH/Emmerig q.q.) zo uitgelegd worden dat deze ook rechtstreeks toegepast moet worden in het geval van erfpachtcanon?

Indien het antwoord daarop ‘nee’ is, is de rechtsregel dan analoog van toepassing?

Partijen zullen gelet op artikel 392 lid 2 Rv alleen nog in de gelegenheid worden gesteld om zich uit te laten over de inhoud van de te stellen vragen, nu zij zich over het voornemen van het stellen van vragen al hebben uitgelaten tijdens de mondelinge behandeling.

Vordering op Certitudo Vastgoed II

De rechtbank is zich er bewust van dat het meest verstrekkende verweer dat de curatoren ten aanzien van Certitudo Vastgoed II hebben gevoerd, is dat er ten aanzien van Certitudo Vastgoed II hoe dan ook geen vordering bestaat. Dit nu op de ene kavel waarvan Certitudo Vastgoed II eigenaar is, geen recht van erfpacht is gevestigd. Dat laatste heeft Solid niet betwist. In vervolg daarop heeft Solid betoogd dat zij Certitudo Vastgoed II in rechte heeft betrokken, omdat voor Solid niet duidelijk is of Certitudo Vastgoed II enige betalingen heeft ontvangen uit hoofde van de erfpachtcanon over het jaar 2024. De rechtbank zal de verdere beoordeling en beslissing op dit punt voor nu aanhouden.

Tussentijdse slotsom

Iedere verdere beslissing wordt ook aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 25 maart 2026 voor het nemen van een akte door beide partijen over wat is vermeld onder rechtsoverweging 4.8.,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. I. Boekhorst en in het openbaar uitgesproken op

4 maart 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand