ECLI:NL:RBOBR:2026:6137

ECLI:NL:RBOBR:2026:6137

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 28-08-2026
Datum publicatie 27-08-2026
Zaaknummer 02/299835-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging door het slachtoffer ruim 4,5 maand te bellen, sms-, e-mail,- en appberichten te sturen en bankoverschrijving met berichten naar haar rekening versturen. Ook heeft hij contact gezocht met de werkgever van het slachtoffer en haar collega’s. Verdachte is in 2017 ook al veroordeeld voor belaging van hetzelfde slachtoffer. Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging van een ander slachtoffer. De feiten kunnen verdachte in verminderde mate worden toegerekend. De rechtbank legt op een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen, waarvan 184 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Ook legt de rechtbank een vrijheidsbeperkende maatregel op die inhoudt dat verdachte voor de duur van vijf jaar geen contact mag opnemen met de slachtoffers. De rechtbank verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van belaging van collega’s van het slachtoffer, omdat zij niet hebben verzocht om vervolging en dat is bij belaging wel een wettelijke eis.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 02.299835.24

Datum uitspraak: 28 augustus 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1981] ,

wonende te [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 17 december 2024, 14 maart 2025 en 14 augustus 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 14 november 2024.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 14 maart 2025 is aangepast, is aan verdachte ten laste gelegd dat:

T.a.v. feit 1:

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2024 tot 19 september 2024 te Eindhoven en/of te Veghel, gemeente Meierijstad en/of elders in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] , door (telkens)

die [slachtoffer 1] te bellen en/of

sms berichten naar die [slachtoffer 1] te sturen en/of

whats-app berichten naar die [slachtoffer 1] te sturen (waarin hij onder andere zijn seksuele fantasieën kenbaar maakt) en/of

e-mail berichten naar die [slachtoffer 1] te sturen (waarin hij onder andere zijn toekomstplannen met die [slachtoffer 1] ontvouwt) en/of

vanuit detentie e-mail berichten aan die [slachtoffer 1] te sturen en/of

geluidsfragmenten/geluidsopnamen aan die [slachtoffer 1] te sturen en/of

overschrijvingen naar de (bank)rekening van die [slachtoffer 1] te verrichten (waarin hij berichten opneemt) en/of

contact met die [slachtoffer 1] (trachten) op te nemen via Linked-in (gebruik makend van de naam " [naam ] ") en/of

naar de werkgever ( [supermarkt] ) en/of collega's van die [slachtoffer 1] te bellen en/of te mailen en/of contact met die collega's (trachten) op te nemen (onder andere gebruik makend van de naam " [naam ] "),

(telkens) met het oogmerk die [slachtoffer 1] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

T.a.v. feit 2:

hij op of omstreeks 6 september 2024 te Eindhoven en/of te Geldrop, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

door die [slachtoffer 2] een (e-mail) bericht te sturen luidende :

"Hallo [slachtoffer 2] ,

Als ik het me goed herinner ben jij toch de 20e jarig he ?

Moet ik wel ff weten zodat ik niet voor niets allerlei voorbereidingen ga treffen, dus graag even een bevestiging naar dit email-adres.

O, en niet te vergeten : kun je alvast een stippellijn aanbrengen op hals en ledematen ?

Dat vindt de slager wel zo prettig werken.

Als tegenprestatie zal ik zorgen dat alle appeltjes geschild worden.

De messen zijn geslepen.

Dat wordt ouderwets genieten, daar kun je op vertrouwen.

[verdachte] ",

althans een email bericht met woorden van gelijke (dreigende) aard of strekking;

T.a.v. feit 3:

hij in of omstreeks de periode 1 mei 2024 tot 19 september 2024 te Veghel en/of te Eindhoven en/of elders in Nederland,

althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van medewerkers van " [supermarkt] ", door (telkens)

te bellen naar die medewerkers van [supermarkt] en/of de persafdeling van [supermarkt] (ook vanuit detentie) en/of

(bedreigende) berichten naar die medewerkers van [supermarkt] te sturen en/of (bedreigende) berichten (naar en/of bestemd voor) die medewerkers) op social media te plaatsen en/of

bank overschrijvingen naar (een) medewerker(s) van [supermarkt] te verrichten met begeleidende teksten/berichten en/of

met behulp van nep accounts en/of met gebruikmaking van de naam " [naam ] " in contact te treden en/of contact te zoeken met medewerkers van [supermarkt] ,

(telkens) met het oogmerk die medewerkers van [supermarkt] , te dwingen iets te

doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie ten aanzien van feit 3 niet-ontvankelijk verklaard moet worden in de vervolging. Hiertoe heeft de raadsman – kort weergegeven – aangevoerd dat overtreding van artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) een zogenaamd klachtdelict betreft en dat ten aanzien van dit feit de klacht(en) ontbreken.

De officier van justitie heeft verzocht verdachte van het onder feit 3 ten laste gelegde vrij te spreken, omdat de aangiften en klachten ontbreken.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Op grond van artikel 285b lid 2 Sr kan de vervolging van het misdrijf belaging alleen plaatsvinden op klacht van degene tegen wie het misdrijf is begaan.

In de artikelen 66, 164, 165 Sv zijn de formele eisen vastgelegd waaraan een klacht moet voldoen: een klacht dient binnen drie maanden na de dag waarop de klachtgerechtigde kennis heeft genomen van het feit te worden ingediend en dient in ontvangst te worden genomen door een (hulp)officier van justitie; een klacht bestaat uit een aangifte en een verzoek tot vervolging.

Aan verdachte is onder feit 3 tenlastegelegd - kort gezegd - de belaging van de medewerkers

van [supermarkt] in de periode van 1 mei 2024 tot 19 september 2024. Vast staat dat de medewerkers van [supermarkt] geen aangifte hebben gedaan van belaging en dat een klacht van hen ontbreekt. Dit betekent dat niet aan het klachtvereiste wordt voldaan.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, komt de rechtbank tot de conclusie dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard voor zover het feit 3 betreft.

Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Inleiding

De verdachte wordt ervan verdacht dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan stalking van [slachtoffer 1] in de periode 1 mei 2024 tot 19 september 2024 en van bedreiging van [slachtoffer 2] op 6 september 2024.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich – onder verwijzing naar het schriftelijke requisitoir – op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde onder feit 1 en feit 2 wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft op de in de pleitnota genoemde gronden betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste bedreiging (feit 2). Volgens de raadsman kan de uitlating van verdachte niet als bedreigend worden aangemerkt en al zou dat wel zo zijn, dan is er in het dossier geen enkele aanleiding dat verdachte de bedreigingen daadwerkelijk ten uitvoer zou gaan leggen. Ten aanzien van de belaging van [slachtoffer 1] heeft de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd. Wel heeft hij verzocht hierbij kritisch te kijken naar de pleegperiode..

Het oordeel van de rechtbank.

De bewijsmiddelen.

Na de uitwerking en opgave van de bewijsmiddelen zal de rechtbank nog enkele overwegingen wijden aan het bewijs.

Ten aanzien van feit 1:

Gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin Sv, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen ten aanzien van de ten laste gelegde belaging (feit 1). Verdachte heeft het feit immers bekend en zijn raadsman heeft geen vrijspraak bepleit.

Ten aanzien van feit 2:

1. Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 16 september 2024 (met bijlage), p. 92, voor zover inhoudende en zakelijk weergegeven:

Op 6 september 2024 omstreeks 15:52 uur ontving ik een email bericht van [e-mailadres 2] . Ik ontving dit email bericht op mijn werk email [e-mailadres 1] .

Het email bericht had als onderwerp; Verjaardag

In het email bericht stond de volgende tekst:

Hallo [slachtoffer 2] ,

Als ik het me goed herinner ben jij toch de 20e jarig he? Moet ik wel effe weten zodat ik niet voor niets allerlei voorbereidingen ga treffen, dus graag even een bevestiging naar dit emailadres.

O, en niet te vergeten: kun je alvast een stippellijn aanbrengen op hals en ledematen? Dat vindt de slager wel zo prettig werken. Als tegenprestatie zal ik zorgen dat alle appeltjes geschild worden. De messen zijn geslepen!

Dat wordt ouderwets genieten, daar kun je op vertrouwen.

[verdachte]

2) De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 14 augustus 2026, voor zover inhoudende en zakelijk weergegeven:

Ik heb [slachtoffer 2] op 6 september 2024 het e-mailbericht gestuurd zoals in de tenlastelegging is opgenomen.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De bewijsoverweging.

Ten aanzien van de belaging (feit 1).

Met betrekking tot de pleegperiode overweegt de rechtbank dat zij bewezen acht dat de belaging is gepleegd in de periode van 5 mei 2024 tot 19 september 2024. De rechtbank neemt 5 mei 2024 als begindatum van de pleegperiode, omdat uit de aangifte volgt dat toen een contactmoment tussen verdachte en [slachtoffer 1] is geweest. Uit het dossier volgt niet dat de ten laste gelegde gedragingen in de periode van 1 mei 2024 tot 5 mei 2024 hebben plaatsgevonden. Uit het dossier volgt dat de ten laste gelegde gedragingen in ieder geval hebben plaatsgevonden tot 19 september 2024.

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van de ten laste gelegde handeling ‘’vanuit detentie e-mail berichten aan die [slachtoffer 1] te sturen’’, omdat deze gedraging heeft plaatsgevonden buiten de ten laste gelegde periode.

Verder zal de rechtbank verdachte vrijspreken van de ten laste gelegde handeling ’’contact met die [slachtoffer 1] (trachten) op te nemen via Linked-in (gebruik makend van de naam " [naam ] ")’’. Het dossier bevat onvoldoende aanwijzingen dat verdachte daadwerkelijk heeft geprobeerd via LinkedIn contact met [slachtoffer 1] te krijgen.

Ten aanzien van de bedreiging (feit 2).

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is voor een veroordeling voor een bedreiging in de zin van artikel 285 Sr vereist, dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook zou worden gepleegd (zie bijvoorbeeld HR 7 juni 2005, NJ 2005, 448).

Naar het oordeel van de rechtbank is in de onderhavige zaak aan dit criterium voldaan, gelet op de geuite en gekozen woorden. Zo geeft verdachte in zijn e-mailbericht onder andere aan dat hij voorbereidingen gaat treffen, alle appeltjes worden geschild en de messen zijn geslepen. Verder vraagt verdachte aan het slachtoffer om alvast een stippellijn op de hals en ledematen aan te brengen. De rechtbank is van oordeel dat deze bewoordingen, in onderlinge samenhang bezien, naar objectieve maatstaven van dien aard zijn dat bij [slachtoffer 2] de redelijke vrees kon ontstaan dat de bedreiging ten uitvoer zou kunnen worden gelegd. Dat de verdachte zegt niet het voornemen te hebben gehad om de bedreiging uit te voeren, doet hier niets aan af.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 2] met enig misdrijf tegen het leven gericht heeft bedreigd.

De bewezenverklaring.

Op grond van het voorgaande, alsmede op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de opgesomde en uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

Ten aanzien van feit 1:

in de periode van 5 mei 2024 tot 19 september 2024 te Eindhoven en/of te Veghel, gemeente Meierijstad en/of elders in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] , door (telkens)

die [slachtoffer 1] te bellen en

sms-berichten naar die [slachtoffer 1] te sturen en

WhatsApp berichten naar die [slachtoffer 1] te sturen (waarin hij onder andere zijn seksuele fantasieën kenbaar maakt) en

e-mailberichten naar die [slachtoffer 1] te sturen (waarin hij onder andere zijn toekomstplannen met die [slachtoffer 1] ontvouwt) en

geluidsfragmenten/geluidsopnamen aan die [slachtoffer 1] te sturen en

overschrijvingen naar de (bank)rekening van die [slachtoffer 1] te verrichten (waarin hij berichten opneemt) en

naar de werkgever ( [supermarkt] ) en collega's van die [slachtoffer 1] te bellen en te mailen en contact met die collega's (trachten) op te nemen (onder andere gebruikmakend van de naam " [naam ] "),

(telkens) met het oogmerk die [slachtoffer 1] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

Ten aanzien van feit 2:

op 6 september 2024 te Eindhoven, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

door die [slachtoffer 2] een (e-mail)bericht te sturen luidende:

"Hallo [slachtoffer 2] ,

Als ik het me goed herinner ben jij toch de 20e jarig he ?

Moet ik wel ff weten zodat ik niet voor niets allerlei voorbereidingen ga treffen, dus graag even een bevestiging naar dit email-adres.

O, en niet te vergeten : kun je alvast een stippellijn aanbrengen op hals en ledematen ?

Dat vindt de slager wel zo prettig werken.

Als tegenprestatie zal ik zorgen dat alle appeltjes geschild worden.

De messen zijn geslepen.

Dat wordt ouderwets genieten, daar kun je op vertrouwen.

[verdachte] ".

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte (volledig) uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

Oplegging van straf en maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot:

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft verzocht geen hogere gevangenisstraf op te leggen dan het aantal dagen dat verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. Hij heeft verzocht een gevangenisstraf op te leggen zoals geëist door de officier van justitie, met daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Verder heeft de raadsman verzocht geen GVM op te leggen, nu niet is voldaan aan de voorwaarden en dit bovendien disproportioneel zou zijn.

Het oordeel van de rechtbank.

Inleiding.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden, waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor min of meer soortgelijke zaken zijn opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening gehouden met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en met straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. De oriëntatiepunten dienen, voor zover beschikbaar, als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging en bedreiging. Verdachte heeft slachtoffer [slachtoffer 1] gedurende een periode van ruim 4,5 maand stelselmatig lastiggevallen door haar telkens te bellen, sms-, e-mail-, en appberichten te sturen en bankoverschrijvingen met berichten naar haar rekening te versturen. Ook heeft hij contact gezocht met de werkgever van [slachtoffer 1] ( [supermarkt] ) en haar collega’s. Belaging is een ernstig feit omdat het ingrijpt in de persoonlijke vrijheid en privacy van het slachtoffer. Verdachte heeft door zijn gedragingen stelselmatig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] . De impact van het gedrag van verdachte is enorm geweest voor [slachtoffer 1] , zoals ook duidelijk blijkt uit haar aangifte. Dit heeft een grote impact gehad op het functioneren van [slachtoffer 1] bij [supermarkt] en de rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan. Zo heeft zij in haar aangifte verklaard dat de belachting haar hele leven beheerste, dat [supermarkt] tijdelijk het contact met haar heeft willen verbreken omwille van de veiligheid van medewerkers van [supermarkt] en dat [slachtoffer 1] en haar collega’s zich door berichten van de verdachte hebben teruggetrokken van de deelname aan Swim to fight cancer. Daarnaast heeft verdachte slachtoffer [slachtoffer 2] bedreigd door haar een bedreigend e-mailbericht te versturen. Als gevolg van het handelen van verdachte heeft [slachtoffer 2] zich erg onveilig gevoeld.

De rechtbank weegt in ernstige mate mee dat uit het strafblad van verdachte blijkt dat verdachte al eerder, namelijk in 2017, was veroordeeld voor belaging van [slachtoffer 1] . Ook had hij destijds een contactverbod gekregen. Verdachte was dus een gewaarschuwd mens.

Hij wist dat [slachtoffer 1] geen contact wenste.

De persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de Pro Justitia-rapportage van 5 september 2025, opgesteld door klinisch psycholoog S.C.M. Muchall en psychiater A.M. de Jong en het reclasseringsadvies van 16 juli 2026, opgesteld door B. Kortekaas.

In de Pro Justitia-rapportage van 5 september 2025 hebben de deskundigen S.C.M. Muchall (psycholoog) en A.M. de Jong (psychiater), kort gezegd, geconcludeerd dat bij betrokkene ten tijde van het ten laste gelegde sprake was van een autismespectrumstoornis en een stoornis in het gebruik van cannabis (mogelijk in remissie) en dat het risico op volharding, terugval voor stalking hoog is. Er wordt geadviseerd betrokkene de ten laste gelegde feiten in (in ieder geval) verminderde mate toe te rekenen.

De rechtbank neemt de conclusies van de psychiater en de psycholoog over en maakt deze tot de hare.

De rechtbank slaat voorts acht op het reclasseringsadvies van 16 juli 2026. In dit advies staat onder meer, onder verwijzing naar de bevindingen van de Pro Justitia rapporteurs, kort samengevat, dat betrokkene tijdens de schorsingsperiode (sinds 18 maart 2025), voor zover bekend, niet in contact is gekomen met de slachtoffers of in aanraking met politie en/of justitie, dat betrokkene naar eigen zeggen (nog) beschikt over een woning, inkomen, dagbesteding en geen cannabis gebruikt. Mede als gevolg hiervan schat de reclassering het risico op recidive gemiddeld in. De reclassering adviseert negatief over een tbs met voorwaarden. De reclassering adviseert om verder onderzoek uit te laten voeren bij een deels voorwaardelijke veroordeling met bijzondere voorwaarden, waaronder een contactverbod en behandeling, en eventueel een langere proefperiode en een GVM.

De rechtbank houdt er voorts rekening mee dat de verdachte reeds 181 dagen in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De op te leggen straf.

Gelet op de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een gevangenisstraf. De rechtbank is met de officier van justitie en raadsman wel van oordeel dat verdachte niet opnieuw vast dient komen te zitten. Hierbij heeft de rechtbank acht geslagen op de hierboven genoemde persoonlijke omstandigheden van verdachte. Het is in het belang van de samenleving en van verdachte zelf dat hij zo snel mogelijk behandeling krijgt.

Alles afwegende is het opleggen van een gevangenisstraf van 365 dagen, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Een groot deel daarvan, namelijk 184 dagen, zal voorwaardelijk worden opgelegd. Aan het voorwaardelijke strafdeel zullen de door de reclassering voorgestelde bijzondere voorwaarden worden gekoppeld. Het voorwaardelijke deel dient enerzijds als stevige stok achter de deur en om verdachte te laten beseffen dat hij zich geen strafbare feiten kan veroorloven en anderzijds om de behandeling en overige geadviseerde voorwaarden mogelijk te maken. Duidelijk is dat de behandeling, gelet op de complexe problematiek van verdachte, langere tijd nodig zal hebben. Om die reden zal de rechtbank een proeftijd van drie jaren opleggen, zodat de behandeling voldoende lang kan worden gecontinueerd

38v-maatregel.

In het belang van de beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid zoals bedoeld in artikel 38v Sr op te leggen. Deze maatregel bestaat uit een contactverbod.

Het contactverbod houdt in dat verdachte gedurende vijf jaren geen direct of indirect contact mag hebben met slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . De rechtbank acht deze maatregel, gelet op de ernst van de feiten en de persoon van de verdachte proportioneel en doelmatig.

Gelet op het bewezenverklaarde acht de rechtbank deze maatregel meer aangewezen dan de gevorderde maatregel ex artikel 38z Sr. Die maatregel zal dan ook niet worden opgelegd.

Dadelijke uitvoerbaarheid bijzondere voorwaarden en 38v-maatregel.

Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte – zonder de juiste behandeling en begeleiding – opnieuw een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens bepaalde personen, beveelt de rechtbank, gelet op artikelen 14e en 38v, vierde lid Sr, dat de opgelegde bijzondere voorwaarden en maatregel, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Voorlopige hechtenis.

De rechtbank zal het tegen verdachte geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

Beslag.

Verbeurdverklaring.

De rechtbank is van oordeel dat de tablet en blauwe Motorola vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, omdat deze voorwerpen aan verdachte toebehoorden en met behulp van deze voorwerpen de bewezen verklaarde feiten zijn begaan.

Teruggave.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de simkaart en zwarte Motorola aan verdachte, nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

14a, 14b, 14c, 33, 33a, 38v, 38w, 57, 285, 285b Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

- verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van feit 3;

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

Ten aanzien van feit 1:

belaging.

Ten aanzien van feit 2:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt hiervoor op de volgende straf en maatregel.

T.a.v. feit 1, feit 2:

Een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 184 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaren.

De rechtbank stelt daarbij de volgende voorwaarden.

Als algemene voorwaarde geldt dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De rechtbank stelt de volgende bijzondere voorwaarden:

1. Veroordeelde werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:

• Veroordeelde meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is.

• Veroordeelde laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van veroordeelde vast te stellen.

• Veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan

aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om veroordeelde te

helpen bij het naleven van de voorwaarden.

• Veroordeelde helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is.

Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid.

• Veroordeelde werkt mee aan huisbezoeken.

• Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners.

• Veroordeelde vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering.

• Veroordeelde werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die

contact hebben met veroordeelde, als dat van belang is voor het toezicht.

2. Veroordeelde werkt gedurende het toezicht, of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, mee aan een ambulante behandeling door een nader te bepalen forensische zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling, welke is gericht op de problematiek zoals door de zorgverlener wordt vastgesteld. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Als de reclassering dat nodig vindt en betrokkene daarmee instemt, kan betrokkene voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of betrokkene deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.

3. Veroordeelde gebruikt geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Veroordeelde moet meewerken aan controles, door middel van urineonderzoek, ademonderzoek en/of speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

4. Veroordeelde heeft of zoekt op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met [slachtoffer 1] , geboren op [1982] en [slachtoffer 2] , geboren op [1983] .

5. Veroordeelde geeft openheid in zijn sociale netwerk en indien de reclassering het nodig acht kan de reclassering contact met hen opnemen.

6. Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van (enige vorm) van dagbesteding met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.

7. Veroordeelde gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koningrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering.

De rechtbank geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, beveelt de rechtbank, gelet op artikel 14e Wetboek van Strafrecht dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

T.a.v. feit 1, feit 2:

Een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van vijf jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] , geboren op [1982] en [slachtoffer 2] , geboren op [1983] .

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt veertien dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan. De totale duur van de vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste zes maanden.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde

maatregel niet op.

Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen, beveelt de rechtbank, gelet op artikel 38v, vierde lid, Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Beslag

Verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen goederen, te weten:

- 1 STK Computer (PL2100-2024201935-G2251558 / Tablet met oplader);

- 1 STK GSM (PL2100-2024201935-G2251560).

Teruggave van de inbeslaggenomen goederen, te weten:

- 1 STK Simkaart van zaktelefoon (PL2100-2024201935-G2251553 / Simkaart met bestellingsbrief van gratis prepaid simkaart);

- 1 STK GSM (PL2100-2024201935-G2251570),

aan degene bij wie het is inbeslaggenomen: verdachte.

Voorlopige hechtenis

De rechtbank heft op het tegen verdachte geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R.J. Heuft, voorzitter,

mr. A.C. van Rossum en mr. F. Kooijman, leden,

in tegenwoordigheid van mr. S. Durmuş, griffier,

en is uitgesproken op 28 augustus 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. R.J. Heuft
  • mr. A.C. van Rossum
  • mr. F. Kooijman

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand