RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummers: 01.134471.26 en 01.114992.26 (ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 31 augustus 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1971] ,
thans gedetineerd te: [verblijfplaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 17 augustus 2026.
Op deze zitting heeft de rechtbank de tegen verdachte, onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 15 juli 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Ten aanzien van 01.134471.26:
hij op of omstreeks 5 mei 2026 te Deurne
drie kistjes met inhoud en/of een laptop, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen toebehoorde(n) heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen goederen/ goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;
Ten aanzien van 01.114992.26:
hij op of omstreeks 17 april 2026 te Helmond
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
koper en/of een bijl, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen koper en/of een bijl onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking.
De formele voorvragen
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van beide ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van 01.134471.26
De raadsvrouw van verdachte heeft verzocht verdachte vrij te spreken van de woninginbraak vanwege onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. De camerabeelden zijn volgens de raadsvrouw niet erg duidelijk en er bestaan veel mensen met dezelfde lichamelijke kenmerken als degene op de beelden. Ten aanzien van het aangetroffen DNA heeft de raadsvrouw opgemerkt dat dit net zo goed van een ander mannelijk persoon afkomstig kan zijn.
Ten aanzien van 01.114992.26
De raadsvrouw heeft verzocht verdachte eveneens vrij te spreken van de koperdiefstal en de diefstal van de bijl wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Volgens de raadsvrouw is verdachte wel op het terrein geweest, maar was het terrein al toegankelijk. Verdachte is niet in de woning geweest en hij is zonder goederen in zijn handen aangehouden. Verder kan het opgestapelde koper dat in de woning is aangetroffen ook door het sloopbedrijf zijn klaargelegd.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
Voor de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze is gevoegd als bewijsbijlage bij dit vonnis.
Ten aanzien van 01.134471.26
De rechtbank stelt op grond van het procesdossier vast dat verdachte op 5 mei 2026 een woninginbraak heeft gepleegd aan [adres] te Deurne. Verdachte heeft een ruit ingeslagen om in en uit de woning te kunnen komen en hij heeft een laptop met laptoptas en kistjes met sieraden uit de woning weggenomen. Hoewel verdachte ontkent, is verdachte op de camerabeelden vanuit de woning herkend door een verbalisant die de herkenning uitgebreid heeft onderbouwd. Bovendien is er in vegen op de vensterbank onder de ingeslagen ruit een DNA-mengprofiel aangetroffen. Het DNA-mengprofiel is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker (de sterkste bewijskracht) wanneer het DNA afkomstig is van verdachte en een onbekend persoon, dan wanneer het DNA afkomstig is van twee onbekende personen. In samenhang met de camerabeelden en de herkenning concludeert de rechtbank dan ook dat verdachte de donor is geweest van het aangetroffen DNA-materiaal en dat hij degene is die de woningbraak heeft gepleegd. De rechtbank acht het feit daarom wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van 01.114992.26
De rechtbank stelt op grond van het procesdossier vast dat verdachte op 17 april 2026 samen met medeverdachte [medeverdachte] koper en een bijl heeft gestolen uit een slooppand in [geboorteplaats] . Verdachte ontkent dat hij in het pand is geweest, maar volgens een getuige gingen verdachte en zijn medeverdachte wel degelijk de woning binnen. Medeverdachte [medeverdachte] heeft ook verklaard dat hij samen met verdachte naar binnen is gegaan. De verbalisanten hebben beide mannen vervolgens ook in de woning aangetroffen. Medeverdachte [medeverdachte] had op dat moment een bijl vast en verdachte had een aantal koperen buizen in zijn handen. Hoewel verdachte heeft verklaard dat dit niet juist is, heeft de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de waarnemingen van de verbalisanten. Tenslotte heeft de medeverdachte verklaard dat er een bijl lag in de woning en dat hij die heeft meegenomen. Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.
De bewezenverklaring
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
Ten aanzien van 01.134471.26:
op 5 mei 2026 te Deurne drie kistjes met inhoud en een laptop, die aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;
Ten aanzien van 01.114992.26:
op 17 april 2026 te [geboorteplaats] tezamen en in vereniging met een ander, koper en een bijl, die aan [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en dat/die weg te nemen koper en bijl onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
De strafbaarheid van de feiten
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van de maatregel
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) wordt opgelegd voor de duur van twee jaren en zonder aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van verdachte heeft verzocht geen ISD-maatregel op te leggen, omdat niet is voldaan aan de zogenoemde zachte criteria. Daarnaast heeft een ISD-maatregel geen meerwaarde van hulp of behandeling voor verdachte. De raadsvrouw heeft verzocht in plaats daarvan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Mocht de rechtbank toch een ISD-maatregel opleggen, dan heeft de raadsvrouw verzocht het voorarrest af te trekken van de duur van de maatregel. Tot slot heeft de raadsvrouw verzocht de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich in korte tijd schuldig gemaakt aan een woninginbraak en een diefstal in vereniging uit een slooppand. Uit verdachtes handelen spreekt minachting voor andermans eigendom. De diefstallen brengen voor de benadeelden materiële schade en overlast met zich mee. Daarnaast geldt dat een woning bij uitstek de plaats is waar men zich veilig moet kunnen voelen. Een woninginbraak veroorzaakt dan ook gevoelens van angst en onveiligheid bij de bewoners in het bijzonder en in de samenleving in het algemeen. Verdachte heeft zich van dit alles niets aangetrokken. Hij heeft zich enkel laten leiden door financiële motieven.
De persoon van verdachte en de persoonlijke omstandigheden
Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte in het verleden veelvuldig voor soortgelijke feiten is veroordeeld tot gevangenisstraffen. Ook heeft verdachte al driemaal een ISD-maatregel opgelegd gekregen. Kort voor het plegen van de woninginbraak op 5 mei 2026 is verdachte nog veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf maanden voor onder meer een diefstal en een poging tot diefstal. De eerdere ISD-maatregelen hebben verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw dergelijke hinderlijke feiten te plegen en ook na de meest recente veroordeling heeft verdachte zijn leven niet gebeterd. Gezien zijn stellig ontkennende houding is verdachte niet of onvoldoende bereid verantwoordelijkheid te nemen voor zijn handelen en zijn criminele gedrag te veranderen. De rechtbank rekent dit alles verdachte aan.
De rechtbank heeft verder kennis genomen van het reclasseringsrapport aangaande verdachte van 7 juli 2026, waaruit blijkt dat verdachte al jarenlang niet in gesprek wil treden met de reclassering. De reclassering acht het recidiverisico hoog en ziet geen mogelijkheden om met interventies of toezicht het recidiverisico te beperken of het gedrag van verdachte te veranderen. De reclassering heeft daarom geen zwaarwegende bezwaren tegen de oplegging van een ISD-maatregel. De reclassering spreekt daarbij de hoop uit dat verdachte zijn opstelling zal veranderen en binnen het kader van een ISD zal gaan werken aan re-integratie in de maatschappij. Mocht dit niet het geval zijn dan zal in ieder geval het primaire doel van de ISD-maatregel, namelijk beveiliging van de maatschappij, worden bereikt.
De oplegging van een ISD-maatregel
De rechtbank volgt de officier van justitie in de vordering. De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de vereisten die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht voor het opleggen van een ISD-maatregel stelt. De bewezenverklaarde feiten zijn misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Verder volgt uit het strafblad van verdachte dat hij in de vijf jaar voorafgaande aan het nu door hem gepleegde feit, ten minste drie keer wegens misdrijven onherroepelijk tot gevangenisstraffen is veroordeeld. Het feit van 5 mei 2026 is ook begaan na de tenuitvoerlegging van die eerder opgelegde straffen. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan. Dat volgt uit zijn strafblad, maar ook uit het hierboven omschreven advies van de reclassering en de opstelling van verdachte.
Verdachte voldoet verder aan de definitie van een stelselmatige dader, als bedoeld in de Richtlijn voor Strafvervolging bij meerderjarige veelplegers (in het bijzonder de vordering van de ISD-maatregel bij stelselmatige daders). Verdachte is een zeer actieve veelpleger, tegen wie over een periode van vijf jaren processen-verbaal voor meer dan tien misdrijven opgemaakt zijn, waarvan tenminste één de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gelegen feit. Gelet op de aard van de misdrijven waarvoor verdachte is veroordeeld en het hoge recidiverisico, eist de veiligheid van personen en goederen ook de oplegging van de ISD-maatregel.
Om recidive te beëindigen, de aanpak van de problematiek van verdachte een zo groot mogelijke kans van slagen te geven en ter beveiliging van de maatschappij, is het belangrijk dat er genoeg tijd wordt genomen om de maatregel ten uitvoer te leggen. De rechtbank legt de ISD-maatregel daarom op voor de duur van twee jaren. De tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, brengt de rechtbank niet in mindering op de duur van de maatregel.
De voorlopige hechtenis
De rechtbank ziet, gezien de oplegging van de ISD-maatregel, geen aanleiding om de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een materiële schadevergoeding gevorderd van
€ 2.004,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gevorderde schadevergoeding bestaat uit € 1.300,00 voor de gestolen laptop, € 230,00 voor de gestolen laptoptas en € 474,00 voor de gestolen sieraden.
Het standpunt van de officier van justitie
Ten aanzien van de laptop en de tas heeft de officier van justitie verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de factuur van de laptop aan de werkgever gericht is. Hierdoor kan niet worden vastgesteld dat benadeelde partij [slachtoffer 1] zelf schade heeft geleden door de diefstal.
Met betrekking tot de sieraden heeft de officier van justitie opgemerkt dat dit deel van de vordering geen onderbouwing bevat. De officier heeft de rechtbank daarom verzocht gebruikt te maken van haar schattingsbevoegdheid en het geschatte bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van verdachte heeft verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren of af te wijzen. De raadsvrouw heeft er daarbij op gewezen dat de factuur van de laptop gericht is aan de werkgever, waardoor het de vraag is of de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de diefstal. Ten aanzien van de andere posten heeft de raadsvrouw aangevoerd dat deze geen onderbouwing bevatten en daarom afgewezen dienen te worden.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat verdachte een laptop en sieraden heeft gestolen, zodat hij in beginsel aansprakelijk is voor de schade die hij daarmee heeft veroorzaakt. Ten aanzien van de laptop overweegt de rechtbank dat de factuur daarvan gericht is aan de werkgever, waardoor niet is vast komen te staan dat de benadeelde partij schade heeft ondervonden ten gevolge van de diefstal van die laptop.
Met betrekking tot de laptoptas en de sieraden merkt de rechtbank op dat zij weliswaar een schattingsbevoegdheid heeft, maar dat het aan de benadeelde partij is om aanknopingspunten te verstrekken waardoor het schadebedrag kan worden geschat (zoals een specificatie van de sieraden, het materiaal, het merk en/of de aanschafdatum daarvan). Aangezien deze aanknopingspunten ontbreken en de benadeelde partij niet ter terechtzitting is verschenen om de vordering toe te lichten, acht de rechtbank zich niet in staat om het schadebedrag te schatten. Het alsnog gelegenheid geven voor het aanleveren van dergelijke aanknopingspunten zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren.
De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van de gehele vordering. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank zal de benadeelde partij veroordelen in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Toepasselijke wetsartikelen
De beslissing is gegrond op de artikelen 38m, 38n, 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
Bewezenverklaring:
- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
Kwalificatie en strafbaarheid:
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
Ten aanzien van 01.134471.26:
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
Ten aanzien van 01.114992.26:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
- verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
Strafoplegging:
- legt op de volgende straf:
Ten aanzien van 01.134471.26 en 01.114992.26:
plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaren.
Ten aanzien van 01.134471.26:
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :
- bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;
- veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. H.M. Hettinga, voorzitter,
mr. A. van der Hilst en mr. I.M. Rinzema, leden,
in tegenwoordigheid van mr. N. Slingerland, griffier,
en is uitgesproken op 31 augustus 2026.