RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.059505.26
Datum uitspraak: 02 september 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1991] ,
wonende te [adres 1] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 13 en 19 augustus 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 28 juli 2026.
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
feit 1 primair:
1.
zij op of omstreeks 24 februari 2026 te Eindhoven, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad - ongeveer 1934,4 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, bestaande uit • 8,2 gram (SIN AASJ7511NL), • 995,5 gram (SIN AASJ7505NL), • 12,9 gram (SIN AASJ7509NL), • 69,7 gram (SIN AASJ7510NL), • 748,1 gram (SIN AASJ7514NL), • 57 gram (SIN AARR9375NL, SIN AARR9376NL, SIN AARR9377NL en SIN AARR9378NL) en/of • 43 gram (SIN AARR9374NL),
- ongeveer 60 gram (SIN AASJ7508NL), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine,
- ongeveer 36,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, bestaande uit • 1 gram (SIN AARR9379NL) en/of • 35,5 gram (SIN AARR9381NL),
en/of
- ongeveer 1985,2 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende metamfetamine, bestaande uit • 997,8 gram (SIN AASJ7506NL) en/of • 987,4 gram (SIN AASJ7507NL), zijnde MDMA, amfetamine, cocaïne en/of metamfetamine, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 24 februari 2026 te Eindhoven, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad - ongeveer 1934,4 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, bestaande uit • 8,2 gram (SIN AASJ7511NL), • 995,5 gram (SIN AASJ7505NL), • 12,9 gram (SIN AASJ7509NL), • 69,7 gram (SIN AASJ7510NL), • 748,1 gram (SIN AASJ7514NL), • 57 gram (SIN AARR9375NL, SIN AARR9376NL, SIN AARR9377NL en SIN AARR9378NL) en/of • 43 gram (SIN AARR9374NL),
- ongeveer 60 gram (SIN AASJ7508NL), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine,
- ongeveer 36,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, bestaande uit • 1 gram (SIN AARR9379NL) en/of • 35,5 gram (SIN AARR9381NL),
en/of
- ongeveer 1985,2 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende metamfetamine, bestaande uit • 997,8 gram (SIN AASJ7506NL) en/of • 987,4 gram (SIN AASJ7507NL), zijnde MDMA, amfetamine, cocaïne en/of metamfetamine, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 24 februari 2026 te Eindhoven, althans in Nederland, opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] de woning op/aan [adres 2] ten behoeve van voornoemd misdrijf ter beschikking te stellen;
( art 10 lid 3 Opiumwet, art 2 ahf/ond C Opiumwet, art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 48 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht )
feit 2:
zij op of omstreeks 24 februari 2026 te Eindhoven, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk een of meer substantie(s) die deel uitmaakt/ uitmaken van een stofgroep als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst IA en/of een preparaat daarvan, te weten - 70,3 gram, in elk geval een hoeveelheid 2-MMC, bestaande uit • 12,3 gram (SIN AASJ7517NL), • 6 gram (SIN AARR9389NL), • 21 gram (SIN AARR9372NL en SIN AARR9373NL) en/of • 31 gram (SIN AARR9380NL) en/of - 812,9 gram (SIN AASJ7516NL), in elk geval een hoeveelheid N-ethylpentedron aanwezig heeft gehad;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 24 februari 2026 te Eindhoven, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk een of meer substantie(s) die deel uitmaakt/ uitmaken van een stofgroep als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst IA en/of een preparaat daarvan, te weten - 70,3 gram, in elk geval een hoeveelheid 2-MMC, bestaande uit • 12,3 gram (SIN AASJ7517NL), • 6 gram (SIN AARR9389NL), • 21 gram (SIN AARR9372NL en SIN AARR9373NL) en/of • 31 gram (SIN AARR9380NL) en/of - 812,9 gram (SIN AASJ7516NL), in elk geval een hoeveelheid N-ethylpentedron, aanwezig heeft/hebben gehad, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 24 februari 2026 te Eindhoven, althans in Nederland, opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] de woning op/aan [adres 2] ten behoeve van voornoemd misdrijf ter beschikking te stellen;
feit 3:
zij op of omstreeks 24 februari 2026 te Eindhoven, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad - ongeveer 2200 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd en/of - ongeveer 37127 gram henneptoppen, 600 gram hennepgruis en/of 1100 gram hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 24 februari 2026 te Eindhoven, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad - ongeveer 2200 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd en/of - ongeveer 37127 gram henneptoppen, 600 gram hennepgruis en/of 1100 gram hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 24 februari 2026 te Eindhoven, althans in Nederland, opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] de woning op/aan [adres 2] ten behoeve van voornoemd misdrijf ter beschikking te stellen;
feit 4:
zij op of omstreeks 24 februari 2026 te Eindhoven, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk zonder registratie een of meer werkzame stoffen, te weten 805,3 gram, in elk geval een hoeveelheid ketamine, bestaande uit • 303,5 gram (SIN AASJ7501NL) en/of • 501,8 gram (SIN AASJ7504NL), heeft bereid, heeft ingevoerd, in voorraad heeft gehad, te koop heeft aangeboden, heeft afgeleverd, heeft uitgevoerd en/of anderszins binnen en/of buiten Nederlands grondgebied heeft gebracht dan wel in die werkzame stoffen een groothandel heeft gedreven;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 24 februari 2026 te Eindhoven, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk een of meer geneesmiddelen waarvoor geen handelsvergunning gold, te weten 805,3 gram, in elk geval een hoeveelheid ketamine, bestaande uit • 303,5 gram (SIN AASJ7501NL) en/of • 501,8 gram (SIN AASJ7504NL), in voorraad heeft gehad, te koop heeft aangeboden, heeft verkocht, heeft afgeleverd, ter hand heeft gesteld, heeft ingevoerd, heeft uitgevoerd en/of anderszins binnen en/of buiten het Nederlands grondgebied heeft gebracht.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Bewijs.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft alle ten laste gelegde feiten in de variant van medeplegen wettig en overtuigend bewezen geacht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft met betrekking tot het onder de feiten 1, 2 en 3 primair tenlastegelegde vrijspraak bepleit. Volgens de verdediging kan niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat de verdachte meer heeft misdaan dan haar woning beschikbaar te stellen. Haar kan slechts worden verweten dat zij opzettelijk behulpzaam, derhalve medeplichtig is geweest aan het opzettelijk aanwezig hebben van hard- en softdrugs.
Met betrekking tot feit 4 primair heeft de verdediging aangevoerd dat de hoeveelheid van ruim 800 gram niet een dergelijke hoeveelheid is dat gesproken kan worden van “het in voorraad hebben van een zodanige hoeveelheid in het kader van een groothandel” als bedoeld in artikel 38 van de Geneesmiddelenwet. Daarbij is aangevoerd dat uit de systematiek van de wet volgt dat artikel 38 van toepassing is op fabrikanten en groothandelaars.
Met betrekking tot feit 4 subsidiair heeft de verdediging vrijspraak bepleit van het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van de ketamine.
De bewijsmiddelen.
Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze uitwerking is als bijlage 1 bij dit vonnis gevoegd en de inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. De rechtbank overweegt voorts het volgende.
Het oordeel van de rechtbank.
Bespreking van het verweer over de ketamine.
Artikel 38 van de Geneesmiddelenwet bepaalt dat “het verboden [is] om zonder registratie werkzame stoffen te bereiden, in te voeren, in voorraad te hebben, te koop aan te bieden, af te leveren, uit te voeren of anderszins binnen of buiten Nederlands grondgebied te brengen, dan wel in werkzame stoffen een groothandel te drijven.”
De tekst van het eerste lid van artikel 38 van de Geneesmiddelenwet, in het bijzonder de woorden ‘dan wel’, wijst erop dat het artikel niet enkel is gericht tot fabrikanten en groothandelaren, maar tot eenieder die zonder registratie werkzame stoffen in voorraad heeft. Ook blijkt uit zowel de tekst van de Memorie van Toelichting, als ook uit de considerans van richtlijn 2011/62, dat het doel van implementatie van de richtlijn, de wetswijziging en daarmee de totstandkoming van artikel 38 van de Geneesmiddelenwet is gelegen in de bescherming van de volksgezondheid.
Naar het oordeel van de rechtbank duiden de wettekst en het aan de Geneesmiddelenwet ten grondslag liggende doel erop dat de vraag of het in voorraad hebben van een werkzame stof strafbaar is, afhangt van de vergunning oftewel registratie die de persoon heeft, niet van de vraag of sprake is van enige handelsactiviteit.
Het voorgaande brengt mee dat de regulering van het in voorraad hebben van een werkzame stof in de zin van artikel 38 van de Geneesmiddelenwet naar het oordeel van de rechtbank niet enkel gericht is op het fabriceren of het drijven van een groothandel in die stof, in dit geval ketamine, maar ook ziet op het onder zich houden van een hoeveelheid van het middel. De rechtbank is daarom van oordeel dat de aangetroffen hoeveelheid ketamine kan worden aangemerkt als het in voorraad hebben van een werkzame stof zonder registratie.
Bewijsoverwegingen.
Op grond van de bewijsmiddelen heeft de rechtbank vastgesteld dat medeverdachte [medeverdachte 1] en medeverdachte [medeverdachte 2] op 24 februari 2026 op een ongebruikelijke manier de woning van de verdachte [verdachte] in Eindhoven binnen zijn gegaan en een doos bij zich droegen. Bij het betreden van de woning roken de verbalisanten direct een geur vanuit de woning, die zij ambtshalve herkenden als gedroogde henneptoppen. Alle drie de verdachten zijn vervolgens in de woning aangehouden. In de woning zijn op verschillende plekken in tassen, zakken, dozen en kluizen verschillende soort verdovende middelen aangetroffen. Daarnaast is een hoeveelheid ketamine in de woning aangetroffen. In een door [medeverdachte 2] gehuurde auto die in de buurt van de woning stond is 5 gram henneptoppen aangetroffen. Dergelijke toppen waren ook in de woning aanwezig. In de auto lagen verder een aantal gripzakken en zwarte zakken die overeenkwamen met zakken die in de woning zijn aantroffen.
Alle verdovende middelen en de ketamine zijn gewogen en de harddrugs zijn door het NFI getest. De gewichten uit het proces-verbaal komen overeen met de gewichten in de tenlastelegging.
Op een zakje wit poeder dat in een van de kluizen lag is -kort gezegd- het dna van [medeverdachte 1] aangetroffen.
[verdachte] heeft belastend verklaard over [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Zij zouden al anderhalf jaar spullen in haar woning leggen.
Op grond van de bewijsmiddelen heeft de rechtbank verder vastgesteld dat [verdachte] en [medeverdachte 1] met elkaar communiceerden via Signal. De accountsnaam [accountnaam verdachte] hoort bij [verdachte] en de naam [accountnaam medeverdachte 1] hoort bij [medeverdachte 1] . [verdachte] had regelmatig contact over drugszaken onder andere met [medeverdachte 1] .
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, is gebleken dat de verdachte de verdovende middelen opzettelijk aanwezig had en de ketamine in voorraad had, zonder de vereiste registratie.
Ook volgt hieruit een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] . Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen bewezen.
Het bewijsverweer dat de rol van de verdachte beperkt was tot het beschikbaar stellen van haar woning aan de medeverdachten, wordt door de bewijsmiddelen (met name de door verdachte gevoerde chatgesprekken) weerlegd.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte
feit 1:
op 24 februari 2026 te Eindhoven,
tezamen en in vereniging met anderen,
opzettelijk aanwezig heeft gehad
- 1934,4 gram van een materiaal bevattende MDMA, bestaande uit
• 8,2 gram (SIN AASJ7511NL),
• 995,5 gram (SIN AASJ7505NL),
• 12,9 gram (SIN AASJ7509NL),
• 69,7 gram (SIN AASJ7510NL),
• 748,1 gram (SIN AASJ7514NL),
• 57 gram (SIN AARR9375NL, SIN AARR9376NL, SIN AARR9377NL en SIN AARR9378NL) en
• 43 gram (SIN AARR9374NL),
- 60 gram (SIN AASJ7508NL) van een materiaal bevattende amfetamine,
- 36,5 gram van een materiaal bevattende cocaïne, bestaande uit
• 1 gram (SIN AARR9379NL) en
• 35,5 gram (SIN AARR9381NL),
en
- 1985,2 gram van een materiaal bevattende metamfetamine, bestaande uit
• 997,8 gram (SIN AASJ7506NL) en
• 987,4 gram (SIN AASJ7507NL),
zijnde MDMA, amfetamine, cocaïne en metamfetamine,
telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
feit 2:
op 24 februari 2026 te Eindhoven,
tezamen en in vereniging met anderen, ,
opzettelijk substanties die deel uitmaken van een stofgroep als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst IA, te weten
- 70,3 gram, 2-MMC, bestaande uit
• 12,3 gram (SIN AASJ7517NL),
• 6 gram (SIN AARR9389NL),
• 21 gram (SIN AARR9372NL en SIN AARR9373NL) en
• 31 gram (SIN AARR9380NL)
en
- 812,9 gram (SIN AASJ7516NL), N-ethylpentedron
aanwezig heeft gehad;
feit 3:
op 24 februari 2026 te Eindhoven,
tezamen en in vereniging met anderen,
opzettelijk aanwezig heeft gehad
- 2200 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd
en
- 37127 gram henneptoppen, 600 gram hennepgruis en 1100 gram hennep,
zijnde hasjiesj en hennep telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
feit 4 primair:
op 24 februari 2026 te Eindhoven,
tezamen en in vereniging met anderen,
opzettelijk zonder registratie een werkzame stof,
te weten 805,3 gram ketamine, bestaande uit
• 303,5 gram (SIN AASJ7501NL) en
• 501,8 gram (SIN AASJ7504NL),
in voorraad heeft gehad.
De strafbaarheid van de feiten.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van de verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straffen en maatregel.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft de oplegging gevorderd van een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd.
Daarnaast heeft de officier van justitie de verbeurdverklaring gevorderd van 2 mobiele telefoons en 4 kluizen en de onttrekking aan het verkeer van een weegschaal met wit residu.
Tot slot heeft de officier van justitie verzocht om schrijfgerei (moneypen) en 2 aanstekers aan de verdachte terug te geven.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht (bijlage 2).
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft ervoor gepleit om aan de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en heeft daarbij aandacht gevraagd voor haar blanco strafblad, voor de zeldzame ziekte die de verdachte heeft, voor de negatieve gevolgen die de strafzaak voor haar huisvesting heeft gehad en voor het zware reclasseringstraject waarmee de verdachte al is begonnen.
De verdediging heeft gepleit voor de oplegging van een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door de verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich met twee mededaders schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van verschillende soorten harddrugs voor een totale hoeveelheid van bijna 5 kilo in haar woning. In deze woning lag ook 41 kilo softdrugs en de verdachten hadden ruim 800 gram ketamine in voorraad, zonder over de daartoe vereiste registratie te beschikken. Ketamine valt vanwege de geneeskundige toepassing ervan weliswaar onder de Geneesmiddelenwet, maar wordt tegenwoordig steeds vaker voor recreatieve doeleinden gebruikt als dissociatief tripmiddel, anders gezegd: een partydrug. Ketamine is qua werking vergelijkbaar met harddrugs. In die zin ziet de rechtbank aanleiding om ook met betrekking tot ketamine aansluiting te zoeken bij de oriëntatiepunten voor het aanwezig hebben van harddrugs, als vermeld op Lijst I behorend bij de Opiumwet.
De verdachte heeft met haar gedragingen een bijdrage geleverd aan het in stand houden van de drugsproductie, -handel en -gebruik. De samenleving ondervindt hier veel hinder van, nu het drugsgebruik niet alleen gezondheidsrisico’s voor de gebruikers daarvan met zich meebrengt, maar ook leidt tot (vermogens)criminaliteit om in het drugsgebruik te kunnen voorzien, waardoor gevoelens van onveiligheid ontstaan. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.
Het vertrekpunt van het opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs van de hoeveelheden zoals bewezen verklaard met daarbij de ketamine uit feit 4 is een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.
Het vertrekpunt van het opzettelijk aanwezig hebben van softdrugs van de hoeveelheden zoals bewezen verklaard is een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.
De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.
De rechtbank zal een gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van twee jaren om de verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan de voorwaardelijke straf zal de rechtbank bijzondere voorwaarden koppelen die nodig zijn om de verdachte van haar middelenverslaving af te krijgen en alle negatieve maatschappelijke nevenwerkingen daarvan aan te pakken.
Een taakstraf met alleen een voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de verdediging bepleit, doet onvoldoende recht aan de ernst van de feiten.
Beslag.
De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen in beslag genomen voorwerpen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting - dit voorwerpen zijn met behulp van welke de feiten zijn begaan of voorbereid en deze voorwerpen ten tijde van het begaan van de feiten aan de verdachte toebehoorden.
De rechtbank is van oordeel dat het in het dictum nader te noemen in beslag genomen voorwerp vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer, omdat – zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit een voorwerp is met betrekking tot welke de feiten zijn begaan en dit van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.
De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen in beslag genomen voorwerpen aan de verdachte nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de in beslag genomen voorwerpen.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b, 36c, 47, 57 van het Wetboek van Strafrecht;
38 van de Geneesmiddelenwet;
1, 2, 6 van de Wet op de economische delicten;
2, 2a, 3, 10, 10b, 11 van de Opiumwet.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
verklaart de ten laste gelegde feiten bewezen zoals hiervoor is omschreven.
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
feit 1 primair: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 2 primair: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2a, eerste lid gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 3 primair: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 4 primair: medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 38, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk gepleegd.
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
legt op de volgende straffen en maatregel:
een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 10 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
En stelt als bijzondere voorwaarden:
- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn.
Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen 3 dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Leger des Heils op het adres Dr. Cuijperslaan 80 te Eindhoven;
- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen door GGzE de Woenselse Poort of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op het afnemen van diagnostiek en behandeling met betrekking tot psychische problematiek, en Novadic Kentron of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling richt zich op verslavingsproblematiek en het abstinent raken van middelen;
- dat de veroordeelde zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of een zinvolle vrijetijdsbesteding met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
- dat de veroordeelde gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en/of lijst II (softdrugs) en/of en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
Geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Hierbij gelden als voorwaarden dat de veroordeelde:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen goederen, te weten:
1 STK Kluis;
1 STK Kluis;
1 STK Kluis;
1 STK Kluis;
1 STK GSM;
1 STK GSM.
onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen goed, te weten:
een weegschaal met witte residu, G2450072.
De rechtbank gelast de teruggave van de inbeslaggenomen goederen:
1. STK Schrijfgerei (moneypen);
2 STK Aansteker
aan de verdachte.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M. Langstraat, voorzitter,
mr. A.H.J.J. van de Wetering en mr. M. Kleijn Hesselink, leden,
in tegenwoordigheid van mr. H.J.G. van der Sluijs, griffier,
en is uitgesproken op 02 september 2026.