RECHTBANK OOST-BRABANT
[verdachte] ,
De tenlastelegging.
De formele voorvragen.
Bewijs.
De bewezenverklaring.
De strafbaarheid van de feiten.
De strafbaarheid van de verdachte.
Oplegging van straffen.
vonnis
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.059466.26
Datum uitspraak: 02 september 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
geboren te [geboorteplaats] in 1988,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 13 en 19 augustus 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 16 april 2026.
Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 13 augustus 2026 is gewijzigd is aan de verdachte ten laste gelegd dat:
feit 1:
hij op of omstreeks 24 februari 2026 te Eindhoven, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk aanwezig heeft gehad
- ongeveer 1934,4 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, bestaande uit
• 8,2 gram (SIN AASJ7511NL),
• 995,5 gram (SIN AASJ7505NL),
• 12,9 gram (SIN AASJ7509NL),
• 69,7 gram (SIN AASJ7510NL),
• 748,1 gram (SIN AASJ7514NL),
• 57 gram (SIN AARR9375NL, SIN AARR9376NL, SIN AARR9377NL en SIN AARR9378NL) en/of
• 43 gram (SIN AARR9374NL),
- ongeveer 60 gram (SIN AASJ7508NL), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine,
- ongeveer 36,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, bestaande uit
• 1 gram (SIN AARR9379NL) en/of
• 35,5 gram (SIN AARR9381NL),
en/of
- ongeveer 1985,2 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende metamfetamine, bestaande uit
• 997,8 gram (SIN AASJ7506NL) en/of
• 987,4 gram (SIN AASJ7507NL),
zijnde MDMA, amfetamine, cocaïne en/of metamfetamine,
(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
feit 2:
hij op of omstreeks 24 februari 2026 te Eindhoven, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
al dan niet opzettelijk een of meer substantie(s) die deel uitmaakt/ uitmaken van een stofgroep als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst IA en/of een preparaat daarvan, te weten
- 70,3 gram, in elk geval een hoeveelheid 2-MMC, bestaande uit
• 12,3 gram (SIN AASJ7517NL),
• 6 gram (SIN AARR9389NL),
• 21 gram (SIN AARR9372NL en SIN AARR9373NL) en/of
• 31 gram (SIN AARR9380NL)
en/of
- 812,9 gram (SIN AASJ7516NL), in elk geval een hoeveelheid N-ethylpentedron
aanwezig heeft gehad;
feit 3:
hij op of omstreeks 24 februari 2026 te Eindhoven, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk aanwezig heeft gehad
- ongeveer 2200 gram, in elk geval een hoeveelheid van
meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere
substanties zijn toegevoegd
en/of
- ongeveer 37127 gram henneptoppen, 600 gram hennepgruis en/of 1100 gram hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep,
zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
feit 4 primair:
hij op of omstreeks 24 februari 2026 te Eindhoven, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
al dan niet opzettelijk
zonder registratie
een of meer werkzame stoffen,
te weten 805,3 gram, in elk geval een hoeveelheid ketamine, bestaande uit
• 303,5 gram (SIN AASJ7501NL) en/of
• 501,8 gram (SIN AASJ7504NL),
heeft bereid, heeft ingevoerd, in voorraad heeft gehad, te koop heeft aangeboden, heeft afgeleverd, heeft uitgevoerd en/of anderszins binnen en/of buiten Nederlands grondgebied heeft gebracht dan wel in die werkzame stoffen een groothandel heeft gedreven.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen geacht. De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de feiten heeft medegepleegd met de verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .
Het standpunt van de verdediging.
Namens de verdachte is de vraag opgeworpen of alle in de woning aanwezige drugs aan hem kan worden toegerekend. Verder is geen inhoudelijk verweer gevoerd met betrekking tot bewezenverklaring van wat aan de verdachte is ten laste gelegd: het opzettelijk aanwezig hebben. Hoewel dit niet ten laste is gelegd, maar wel relevant voor de strafmaat, heeft de raadsman benadrukt dat niet bewezen kan worden dat de verdachte ook dealer was van de verdovende middelen. Zijn rol kan worden gezien als die van loopjongen.
De bewijsmiddelen.
Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze uitwerking is als bijlage 1 bij dit vonnis gevoegd en de inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. De rechtbank overweegt voorts het volgende.
Het oordeel van de rechtbank.
Op grond van de bewijsmiddelen heeft de rechtbank vastgesteld dat het de verdachte was die op 24 februari 2026 met de medeverdachte [medeverdachte 1] op een ongebruikelijke manier de woning van de medeverdachte [medeverdachte 2] in Eindhoven binnen is gegaan en zij een doos bij zich hadden. Bij het betreden van de woning roken de verbalisanten direct een geur vanuit de woning, die zij ambtshalve herkenden als gedroogde henneptoppen. Alle drie de verdachten zijn vervolgens in de woning aangehouden. In de woning zijn op verschillende plekken in tassen, zakken, dozen en kluizen verschillende soort verdovende middelen aangetroffen. Daarnaast is een hoeveelheid ketamine in de woning aangetroffen. In een door [medeverdachte 1] gehuurde auto die in de buurt van de woning stond is 5 gram henneptoppen aangetroffen. Dergelijke toppen waren ook in de woning aanwezig. In de auto lagen verder een aantal gripzakken en zwarte zakken die overeenkwamen met zakken die in de woning zijn aantroffen.
Alle verdovende middelen en de ketamine zijn gewogen en de harddrugs zijn door het NFI getest. De gewichten uit het proces-verbaal komen overeen met de gewichten in de tenlastelegging.
Op een zakje wit poeder dat in een van de kluizen lag is -kort gezegd- het DNA van [verdachte] aangetroffen.
[medeverdachte 2] heeft belastend verklaard over [verdachte] en [medeverdachte 1] . Zij zouden al anderhalf jaar spullen in haar woning leggen.
Op grond van de bewijsmiddelen heeft de rechtbank verder vastgesteld dat [medeverdachte 2] en [verdachte] met elkaar communiceerden via Signal. De accountnaam [accountnaam medeverdachte 2] hoort bij [medeverdachte 2] en de naam [accountnaam verdachte] hoort bij [verdachte] . [medeverdachte 2] en [verdachte] hadden regelmatig contact over drugszaken en zij spraken regelmatig af wanneer [verdachte] naar de woning kon komen en/of de sleutel van de woning kon krijgen. Verder zegt [medeverdachte 2] op enig moment tegen [verdachte] dat het verstandig is dat ze de woning leeghalen, omdat zij bang was dat de politie mogelijk naar haar woning zou komen vanwege haar stalker. Waarop [verdachte] bevestigd dat hij alles zal opruimen. De rechtbank begrijpt hieruit dat [verdachte] niet alleen wetenschap en beschikkingsmacht had over het zakje wit poeder waarop zijn DNA is aangetroffen, maar ook over de rest van de verdovende middelen die in de woning aanwezig waren.
De rechtbank overweegt dat gelet op het voorgaande en de bewijsmiddelen een redelijke verklaring van de verdachte mag worden verlangd. De verdachte heeft die redelijke verklaring niet gegeven. De rechtbank is van oordeel, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte alle verdovende middelen opzettelijk aanwezig heeft gehad en de ketamine in voorraad had, zonder de vereiste registratie.
Uit de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, volgt een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen bewezen.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte
feit 1:
op 24 februari 2026 te Eindhoven,
tezamen en in vereniging met anderen,
opzettelijk aanwezig heeft gehad
- 1934,4 gram van een materiaal bevattende MDMA, bestaande uit
• 8,2 gram (SIN AASJ7511NL),
• 995,5 gram (SIN AASJ7505NL),
• 12,9 gram (SIN AASJ7509NL),
• 69,7 gram (SIN AASJ7510NL),
• 748,1 gram (SIN AASJ7514NL),
• 57 gram (SIN AARR9375NL, SIN AARR9376NL, SIN AARR9377NL en SIN AARR9378NL) en
• 43 gram (SIN AARR9374NL),
- 60 gram (SIN AASJ7508NL) van een materiaal bevattende amfetamine,
- 36,5 gram van een materiaal bevattende cocaïne, bestaande uit
• 1 gram (SIN AARR9379NL) en
• 35,5 gram (SIN AARR9381NL),
en
- 1985,2 gram van een materiaal bevattende metamfetamine, bestaande uit
• 997,8 gram (SIN AASJ7506NL) en
• 987,4 gram (SIN AASJ7507NL),
zijnde MDMA, amfetamine, cocaïne en metamfetamine,
telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
feit 2:
op 24 februari 2026 te Eindhoven,
tezamen en in vereniging met anderen, ,
opzettelijk substanties die deel uitmaken van een stofgroep als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst IA, te weten
- 70,3 gram, 2-MMC, bestaande uit
• 12,3 gram (SIN AASJ7517NL),
• 6 gram (SIN AARR9389NL),
• 21 gram (SIN AARR9372NL en SIN AARR9373NL) en
• 31 gram (SIN AARR9380NL)
en
- 812,9 gram (SIN AASJ7516NL), N-ethylpentedron
aanwezig heeft gehad;
feit 3:
op 24 februari 2026 te Eindhoven,
tezamen en in vereniging met anderen,
opzettelijk aanwezig heeft gehad
- 2200 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd
en
- 37127 gram henneptoppen, 600 gram hennepgruis en 1100 gram hennep,
zijnde hasjiesj en hennep telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
feit 4 primair:
op 24 februari 2026 te Eindhoven,
tezamen en in vereniging met anderen,
opzettelijk zonder registratie een werkzame stof,
te weten 805,3 gram ketamine, bestaande uit
• 303,5 gram (SIN AASJ7501NL) en
• 501,8 gram (SIN AASJ7504NL),
in voorraad heeft gehad.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft de oplegging gevorderd van een gevangenisstraf voor de duur van 33 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.
Daarnaast heeft de officier van justitie de verbeurdverklaring gevorderd van twee mobiele telefoons.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht (bijlage 2).
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van de verdachte heeft in het kader van strafoplegging aandacht gevraagd voor de positie van zijn cliënt als ongewenst vreemdeling.
De raadsman heeft verzocht geen voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen omdat dit voor de verdachte negatief zal uitwerken wat betreft een voorwaardelijke invrijheidstelling.
Wat betreft de duur van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf heeft de raadsman verzocht aan te sluiten bij opgelegde straffen in andere strafzaken in het land en de straf ten opzichte van de vordering van de officier van justitie te matigen.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door de verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich met twee mededaders schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van verschillende soorten harddrugs voor een totale hoeveelheid van bijna 5 kilo. In de woning van een van de mededaders lag ook 41 kilo softdrugs en de verdachten hadden ruim 800 gram ketamine in voorraad, zonder over de daartoe vereiste registratie te beschikken. Ketamine valt vanwege de geneeskundige toepassing ervan weliswaar onder de Geneesmiddelenwet, maar wordt tegenwoordig steeds vaker voor recreatieve doeleinden gebruikt als dissociatief tripmiddel, anders gezegd: een partydrug. Ketamine is qua werking vergelijkbaar met harddrugs. In die zin ziet de rechtbank aanleiding om met betrekking tot ketamine aansluiting te zoeken bij de oriëntatiepunten voor het aanwezig hebben van harddrugs, als vermeld op Lijst I behorend bij de Opiumwet.
De verdachte heeft met zijn gedragingen een bijdrage geleverd aan het in stand houden van de drugsproductie, -handel en -gebruik. De samenleving ondervindt hier veel hinder van, nu het drugsgebruik niet alleen gezondheidsrisico’s voor de gebruikers daarvan met zich meebrengt, maar ook leidt tot (vermogens)criminaliteit om in het drugsgebruik te kunnen voorzien, waardoor gevoelens van onveiligheid ontstaan. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.
Het vertrekpunt van het opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs van de hoeveelheden zoals bewezen verklaard met daarbij de ketamine uit feit 4 is een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.
Het vertrekpunt voor het opzettelijk aanwezig hebben van softdrugs van de hoeveelheden zoals bewezen verklaard is een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.
De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden. De rechtbank ziet in de feiten en omstandigheden van het geval, en dan met name de grote hoeveelheden aangetroffen middelen, geen aanleiding om de straf te matigen in een door de raadsman voorgestelde zin.
De rechtbank zal rekening houden met het verzoek de raadsman en zal geen voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Voorlopige hechtenis.
Ten aanzien van de voorlopige hechtenis overweegt de rechtbank geen reden te zien om over te gaan tot een ambtshalve schorsing van de voorlopige hechtenis. De verdachte heeft zich immers niet gehouden aan de schorsingsvoorwaarde dat hij aanwezig zou zijn bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaak.
Beslag.
De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen in beslag genomen voorwerpen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit voorwerpen zijn met behulp van welke de feiten zijn begaan of voorbereid en deze voorwerpen ten tijde van het begaan van de feiten aan de verdachte toebehoorden.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
33, 33a, 47, 57 van het Wetboek van Strafrecht;
38 van de Geneesmiddelenwet;
1, 2, 6 van de Wet op de economische delicten;
2, 2a, 3, 10, 10b, 11 van de Opiumwet.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
verklaart de ten laste gelegde feiten bewezen zoals hiervoor is omschreven.
verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 2: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2a, eerste lid gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 3: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 4: medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 38, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk gepleegd.
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
legt op de volgende straffen:
een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht;
verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen goederen, te weten:
1 stk gsm;
1 stk gsm.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M. Langstraat, voorzitter,
mr. A.H.J.J. van de Wetering en mr. M. Kleijn Hesselink, leden,
in tegenwoordigheid van mr. H.J.G. van der Sluijs, griffier,
en is uitgesproken op 02 september 2026.