RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.059491.26
Datum uitspraak: 02 september 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1993] ,
wonende te [adres]
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 13 en 19 augustus 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 8 juli 2026.
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
feit 1:
hij op of omstreeks 24 februari 2026 te Eindhoven, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk aanwezig heeft gehad
- ongeveer 1934,4 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, bestaande uit
• 8,2 gram (SIN AASJ7511NL),
• 995,5 gram (SIN AASJ7505NL),
• 12,9 gram (SIN AASJ7509NL),
• 69,7 gram (SIN AASJ7510NL),
• 748,1 gram (SIN AASJ7514NL),
• 57 gram (SIN AARR9375NL, SIN AARR9376NL, SIN AARR9377NL en SIN AARR9378NL) en/of
• 43 gram (SIN AARR9374NL),
- ongeveer 60 gram (SIN AASJ7508NL), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine,
- ongeveer 36,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, bestaande uit
• 1 gram (SIN AARR9379NL) en/of
• 35,5 gram (SIN AARR9381NL),
en/of
- ongeveer 1985,2 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende metamfetamine, bestaande uit
• 997,8 gram (SIN AASJ7506NL) en/of
• 987,4 gram (SIN AASJ7507NL),
zijnde MDMA, amfetamine, cocaïne en/of metamfetamine,
(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
feit 2:
hij op of omstreeks 24 februari 2026 te Eindhoven, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
al dan niet opzettelijk een of meer substantie(s) die deel uitmaakt/ uitmaken van een stofgroep als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst IA en/of een preparaat daarvan, te weten
- 70,3 gram, in elk geval een hoeveelheid 2-MMC, bestaande uit
• 12,3 gram (SIN AASJ7517NL),
• 6 gram (SIN AARR9389NL),
• 21 gram (SIN AARR9372NL en SIN AARR9373NL) en/of
• 31 gram (SIN AARR9380NL)
en/of
- 812,9 gram (SIN AASJ7516NL), in elk geval een hoeveelheid N-ethylpentedron
aanwezig heeft gehad;
feit 3:
hij op of omstreeks 24 februari 2026 te Eindhoven, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk aanwezig heeft gehad
- ongeveer 2200 gram, in elk geval een hoeveelheid van
meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere
substanties zijn toegevoegd
en/of
- ongeveer 37127 gram henneptoppen, 600 gram hennepgruis en/of 1100 gram hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep,
zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
feit 4:
hij op of omstreeks 24 februari 2026 te Eindhoven, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk zonder registratie een of meer werkzame stoffen,
te weten 805,3 gram, in elk geval een hoeveelheid ketamine, bestaande uit • 303,5 gram (SIN AASJ7501NL) en/of • 501,8 gram (SIN AASJ7504NL),
heeft bereid, heeft ingevoerd, in voorraad heeft gehad, te koop heeft aangeboden, heeft afgeleverd, heeft uitgevoerd en/of anderszins binnen en/of buiten Nederlands grondgebied heeft gebracht dan wel in die werkzame stoffen een groothandel heeft gedreven;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 24 februari 2026 te Eindhoven, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk een of meer geneesmiddelen waarvoor geen handelsvergunning gold, te weten 805,3 gram, in elk geval een hoeveelheid ketamine, bestaande uit • 303,5 gram (SIN AASJ7501NL) en/of • 501,8 gram (SIN AASJ7504NL), in voorraad heeft gehad, te koop heeft aangeboden, heeft verkocht, heeft afgeleverd, ter hand heeft gesteld, heeft ingevoerd, heeft uitgevoerd en/of anderszins binnen en/of buiten het Nederlands grondgebied heeft gebracht.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Bewijs.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen geacht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft vrijspraak bepleit.
Aangevoerd is dat niet wettig en overtuigend bewezen verklaard kan worden dat de verdachte wetenschap, beschikkingsmacht en opzet had wat betreft het aanwezig hebben van verdovende middelen en het in voorraad hebben van ketamine zonder registratie.
Aangevoerd is daarnaast dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met de medeverdachten.
De bewijsmiddelen.
Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze uitwerking is als bijlage 1 bij dit vonnis gevoegd en de inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. De rechtbank overweegt voorts het volgende.
Het oordeel van de rechtbank.
Op grond van de bewijsmiddelen heeft de rechtbank vastgesteld dat het de verdachte was die op 24 februari 2026 met de medeverdachte [medeverdachte 1] op een ongebruikelijke manier de woning van de medeverdachte [medeverdachte 2] in Eindhoven binnen is gegaan en dat zij een doos bij zich droegen. Bij het betreden van de woning roken de verbalisanten direct een geur vanuit de woning, die zij ambtshalve herkenden als gedroogde henneptoppen. Alle drie de verdachten zijn vervolgens in de woning aangehouden. In de woning zijn op verschillende plekken in tassen, zakken, dozen en kluizen verschillende soort verdovende middelen aangetroffen. Daarnaast is een hoeveelheid ketamine in de woning aangetroffen. In een door de verdachte gehuurde auto die in de buurt van de woning stond is 5 gram henneptoppen aangetroffen. Dergelijke toppen waren ook in de woning aanwezig. In de auto lagen verder een aantal gripzakken en zwarte zakken die overeenkwamen met zakken die in de woning zijn aantroffen.
Alle verdovende middelen en de ketamine zijn gewogen en de harddrugs zijn door het NFI getest. De gewichten uit het proces-verbaal komen overeen met de gewichten in de tenlastelegging.
Op een zakje wit poeder dat in een van de kluizen lag is -kort gezegd- het dna van [medeverdachte 1] aangetroffen.
[medeverdachte 2] heeft belastend verklaard over [medeverdachte 1] en [verdachte] . Zij zouden al anderhalf jaar spullen in haar woning leggen.
Op grond van de bewijsmiddelen heeft de rechtbank verder vastgesteld dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] met elkaar communiceerden via Signal. De accountnaam [accountnaam medeverdachte 2] hoort bij [medeverdachte 2] en de naam [accountnaam medeverdachte 1] hoort bij [medeverdachte 1] . [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hadden regelmatig contact over drugszaken.
De rechtbank overweegt als volgt.
De hiervoor genoemde feiten en omstandigheden wijzen zodanig op de betrokkenheid van de verdachte bij de ten laste gelegde feiten, dat van hem een redelijke verklaring mag worden verlangd om die te weerleggen.
De verdachte heeft bij de politie volstaan met de verklaring dat de woning niet van hem is en dat hij van niks weet. Verder heeft hij zich in dat stadium op zijn zwijgrecht beroepen. De verdachte heeft wisselende verklaringen afgelegd over de reden van zijn aanwezigheid in de woning op 24 februari 2026. Bij zijn aanhouding heeft hij verklaard dat hij een krabpaal kwam kopen; op de terechtzitting heeft hij verklaard dat hij ‘iemand’ naar de woning moest brengen en tevens dat hij dringend naar het toilet moest vanwege zijn darmklachten. Geen van de verklaringen wordt ook maar enigszins ondersteund door verklaringen van de medeverdachten, terwijl medeverdachte [medeverdachte 2] in haar verklaringen bij de politie nadrukkelijk ook de verdachte mede aanwijst als een van degenen die spullen in haar woning legde. Een eventueel toiletbezoek in de woning in verband met zijn lichamelijke klachten laat de rechtbank daarom als niet terzake doend in het midden.
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte daarmee niet de vereiste redelijke verklaring heeft gegeven, hoewel hij daartoe wel in de positie verkeerde. Dat betrekt de rechtbank in het nadeel van de verdachte bij haar selectie en waardering van het voorhanden bewijsmateriaal.
De rechtbank is alles afwegende van oordeel, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de verdovende middelen opzettelijk aanwezig heeft gehad en de ketamine in voorraad had, zonder de vereiste registratie.
Uit de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, volgt een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] . Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen bewezen.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte
feit 1:
op 24 februari 2026 te Eindhoven,
tezamen en in vereniging met anderen,
opzettelijk aanwezig heeft gehad
- 1934,4 gram van een materiaal bevattende MDMA, bestaande uit
• 8,2 gram (SIN AASJ7511NL),
• 995,5 gram (SIN AASJ7505NL),
• 12,9 gram (SIN AASJ7509NL),
• 69,7 gram (SIN AASJ7510NL),
• 748,1 gram (SIN AASJ7514NL),
• 57 gram (SIN AARR9375NL, SIN AARR9376NL, SIN AARR9377NL en SIN AARR9378NL) en
• 43 gram (SIN AARR9374NL),
- 60 gram (SIN AASJ7508NL) van een materiaal bevattende amfetamine,
- 36,5 gram van een materiaal bevattende cocaïne, bestaande uit
• 1 gram (SIN AARR9379NL) en
• 35,5 gram (SIN AARR9381NL),
en
- 1985,2 gram van een materiaal bevattende metamfetamine, bestaande uit
• 997,8 gram (SIN AASJ7506NL) en
• 987,4 gram (SIN AASJ7507NL),
zijnde MDMA, amfetamine, cocaïne en metamfetamine,
telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
feit 2:
op 24 februari 2026 te Eindhoven,
tezamen en in vereniging met anderen, ,
opzettelijk substanties die deel uitmaken van een stofgroep als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst IA, te weten
- 70,3 gram, 2-MMC, bestaande uit
• 12,3 gram (SIN AASJ7517NL),
• 6 gram (SIN AARR9389NL),
• 21 gram (SIN AARR9372NL en SIN AARR9373NL) en
• 31 gram (SIN AARR9380NL)
en
- 812,9 gram (SIN AASJ7516NL), N-ethylpentedron
aanwezig heeft gehad;
feit 3:
op 24 februari 2026 te Eindhoven,
tezamen en in vereniging met anderen,
opzettelijk aanwezig heeft gehad
- 2200 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd
en
- 37127 gram henneptoppen, 600 gram hennepgruis en 1100 gram hennep,
zijnde hasjiesj en hennep telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
feit 4 primair:
op 24 februari 2026 te Eindhoven,
tezamen en in vereniging met anderen,
opzettelijk zonder registratie een werkzame stof,
te weten 805,3 gram ketamine, bestaande uit
• 303,5 gram (SIN AASJ7501NL) en
• 501,8 gram (SIN AASJ7504NL),
in voorraad heeft gehad.
De strafbaarheid van de feiten.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van de verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straffen.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft de oplegging gevorderd van een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.
Daarnaast heeft de officier van justitie de verbeurdverklaring gevorderd van een mobiele telefoon.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht (bijlage 2).
Het standpunt van de verdediging.
Namens de verdachte is verzocht bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met de beperkte rol van de verdachte bij de feiten en met de omstandigheid dat in de auto die de verdachte gebruikte slechts 5 gram hennep lag.
De verdediging heeft ervoor gepleit aan de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door de verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich met twee mededaders schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van verschillende soorten harddrugs voor een totale hoeveelheid van bijna 5 kilo. In de woning van een van de mededaders lag ook 41 kilo softdrugs en de verdachten hadden ruim 800 gram ketamine in voorraad, zonder over de daartoe vereiste registratie te beschikken. Ketamine valt vanwege de geneeskundige toepassing ervan weliswaar onder de Geneesmiddelenwet, maar wordt tegenwoordig steeds vaker voor recreatieve doeleinden gebruikt als dissociatief tripmiddel, anders gezegd: een partydrug. Ketamine is qua werking vergelijkbaar met harddrugs. In die zin ziet de rechtbank aanleiding om met betrekking tot ketamine aansluiting te zoeken bij de oriëntatiepunten voor het aanwezig hebben van harddrugs, als vermeld op Lijst I behorend bij de Opiumwet.
De verdachte heeft met zijn gedragingen een bijdrage geleverd aan het in stand houden van de drugsproductie, -handel en -gebruik. De samenleving ondervindt hier veel hinder van, nu het drugsgebruik niet alleen gezondheidsrisico’s voor de gebruikers daarvan met zich meebrengt, maar ook leidt tot (vermogens)criminaliteit om in het drugsgebruik te kunnen voorzien, waardoor gevoelens van onveiligheid ontstaan. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.
Het vertrekpunt voor het opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs van de hoeveelheden zoals bewezen verklaard met daarbij de ketamine uit feit 4 is een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.
Het vertrekpunt van het opzettelijk aanwezig hebben van softdrugs van de hoeveelheden zoals bewezen verklaard is een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.
Nu de rol van de verdachte bij de bewezen verklaarde feiten minder duidelijk is dan de rol van de mededaders zal de rechtbank in navolging van de vordering van de officier van justitie de duur van de gevangenisstraf matigen ten opzichte van voormeld vertrekpunt. De rechtbank volgt de verdediging niet in de stelling dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet meer aan de orde is. Bij deze hoeveelheden acht de rechtbank de oplegging daarvan passend. De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.
De rechtbank zal een gedeelte van de straf, te weten acht maanden, voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van twee jaren om de verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
Beslag.
De rechtbank is van oordeel dat het in het dictum nader te noemen in beslag genomen voorwerp vatbaar is voor verbeurdverklaring, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting - dit een voorwerp is met behulp van welke de feiten zijn begaan of voorbereid en dit voorwerp ten tijde van het begaan van de feiten aan de verdachte toebehoorde.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
14a, 14b, 14c, 47, 57 van het Wetboek van Strafrecht;
38 van de Geneesmiddelenwet;
1, 2, 6 van de Wet op de economische delicten;
2, 2a, 3, 10, 10b, 11 van de Opiumwet.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
verklaart de ten laste gelegde feiten bewezen zoals hiervoor is omschreven.
verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 2: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2a, eerste lid gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 3: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 4: medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 38, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk gepleegd.
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
legt op de volgende straffen:
een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 8 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen goed, te weten: 1 stk gsm.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M. Langstraat, voorzitter,
mr. A.H.J.J. van de Wetering en mr. M. Kleijn Hesselink, leden,
in tegenwoordigheid van mr. H.J.G. van der Sluijs, griffier,
en is uitgesproken op 02 september 2026.