ECLI:NL:RBOBR:2026:6325

ECLI:NL:RBOBR:2026:6325

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 02-09-2026
Datum publicatie 01-09-2026
Zaaknummer 01/050869-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Conflict in woonwijk. Verdachte bedreigt drie personen die bij hem aan de deur komen vanwege een conflict van hem met een van deze drie. Ook steekt hij één van de drie met een mes. De rechtbank veroordeelt verdachte voor de bedreiging en poging zware mishandeling. De rechtbank is van oordeel dat door het uitlokkend gedrag van verdachte aan hem geen beroep op noodweer toekomt. De vordering tot schadevergoeding wordt vanwege eigen schuld afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

[verdachte] ,

De tenlastelegging.

De formele voorvragen.

De bewijsvraag.

De bewezenverklaring.

De strafbaarheid van het feit en verdachte.

Oplegging van straf.

vonnis

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.050869.24

Datum uitspraak: 2 september 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

geboren te [geboorteplaats] op [2005] ,

wonende te [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 13 mei 2024 en 19 augustus 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 10 april 2024.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 19 augustus 2026 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

t.a.v. feit 1:

hij op of omstreeks 11 februari 2024 te ’s-Hertogenbosch ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [medeverdachte 1] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [medeverdachte 1] met een mes, in elk geval een hard en/of scherp voorwerp, in diens nek en/of hals heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

t.a.v. feit 2:

hij op of omstreeks 11 februari 2024 te ’s-Hertogenbosch [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] te richten en/of gericht te houden.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft de rechtbank gevorderd om tot een bewezenverklaring te komen ten aanzien van de onder feit 1 ten laste gelegde poging doodslag en de onder feit 2 ten laste gelegde bedreiging.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft ten aanzien van feit 1 vrijspraak bepleit omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte met het mes heeft gestoken. Voorts heeft de verdediging – kort weergegeven - aangevoerd dat een poging doodslag niet bewezen kan worden omdat er onvoldoende bewijs is dat er daadwerkelijk is gestoken en als er al is gestoken dat er onvoldoende bewijs is ten aanzien van de aard van het letsel en de plek waar gestoken is. Ten aanzien van de onder feit 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde poging zware mishandeling en ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank.

De door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage. De inhoud daarvan dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Overwegingen ten aanzien van feit 1.

Uit de bewijsmiddelen volgt kort gezegd dat verdachte (hierna ook te noemen: [verdachte] ) met een mes de woning uit is gerend en dat het [verdachte] is geweest die [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) met het mes heeft gestoken. [verdachte] heeft zelf verklaard dat hij het mes uit de keuken heeft meegenomen en daarmee naar buiten is gegaan. Hoewel [verdachte] ontkent met het mes gestoken te hebben, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat hij degene is geweest die met het mes heeft gestoken. Daartoe overweegt de rechtbank dat het [verdachte] is geweest die tijdens het conflict bij zijn woning met een mes naar buiten is gerend naar [medeverdachte 1] en dat er op dat moment ook niemand anders bij betrokken was die [medeverdachte 1] zou hebben kunnen verwonden met het mes. Bovendien heeft [verdachte] verklaard ook met het mes te hebben gezwaaid. Getuigen verklaren daarnaast ook niet dat er op dat moment andere personen aanwezig waren, zoals de vader of neef van [verdachte] . Uit de bewijsmiddelen volgt voorts dat [medeverdachte 1] steekletsels heeft bekomen.

De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is hoe het handelen van verdachte dient te worden gekwalificeerd. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende vaststellingen kunnen worden gedaan ten aanzien van de aard van het letsel en de impact van het steken met het mes. Dat komt omdat er geen verklaringen in het dossier zijn waaruit valt af te leiden hoe het steken precies is gegaan en dit ook niet uit de letsels kan worden afgeleid, nu een letselinterpretatierapportage ontbreekt. Nu er geen bewijs is voor de intentie of het opzet van verdachte en dit ook niet uit het letsel kan worden afgeleid, zal de rechtbank verdachte vrijspreken van de ten laste gelegde poging doodslag.

Vervolgens dient de vraag beantwoord te worden of het handelen van verdachte wel als een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel is te kwalificeren.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier (het toebrengen van) zwaar lichamelijk letsel - is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan een dergelijke kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het behoudens contra-indicaties niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

[verdachte] heeft [medeverdachte 1] meerdere steekverwondingen toegebracht, onder meer in de nek/rug. Dit handelen is naar objectieve maatstaven aan te merken als handelen waardoor een aanmerkelijke kans bestaat op zwaar lichamelijk letsel voor degene die dit ondergaat. Zoals algemeen bekend kan worden verondersteld bevinden zich in de nek hals(slag)aders, de ruggengraat en luchtpijp waardoor dit een kwetsbaar lichaamsdeel betreft. Steekverwondingen in dat gebied kunnen dan ook ernstige gevolgen hebben, in zoverre dat dit tot zwaar lichamelijk letsel kan leiden.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verdachte] de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel ook aanvaard gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van zijn handelen. [verdachte] heeft [medeverdachte 1] meerdere steekverwondingen toegebracht, onder meer in de nekstreek, waardoor de gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht waren op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het naar het oordeel van de rechtbank niet anders kan dan dat [verdachte] de aanmerkelijke kans op dit letsel bewust heeft aanvaard.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de impliciet ten laste gelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen.

Overwegingen ten aanzien van feit 2.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is ten aanzien van de onder feit twee ten laste gelegde bedreiging met een vuurwapen of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp.

Conclusie.

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring ten aanzien van het onder feit 1 impliciet ten laste gelegde en het onder feit 2 ten laste gelegde.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen in de bewijsmiddelenbijlage komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

t.a.v. feit 1:

op 11 februari 2024 te ’s-Hertogenbosch ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [medeverdachte 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [medeverdachte 1] met een mes, in diens nek heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

t.a.v. feit 2:

op 11 februari 2024 te ’s-Hertogenbosch [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] te richten en/of gericht te houden.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt, omdat verdachte werd belaagd door drie personen. Hiertegen mocht verdachte zich verdedigen. Temeer omdat verdachte diverse pogingen heeft ondernomen om de personen weg te krijgen bij de woning, maar hierin niet is geslaagd. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat er sprake is van noodweerexces omdat de aanval op de woning een hevige gemoedsbeweging heeft veroorzaakt.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte geen beroep op noodweer (exces) toekomt omdat hij zelf de confrontatie opzocht. Hij heeft er zelfs voor gekozen om weer naar buiten te gaan met een mes in zijn hand.

Het oordeel van de rechtbank.

Feitenvaststelling 11 februari 2024.

De rechtbank stelt op basis van het procesdossier vast wat er op 11 februari 2024 is gebeurd. De rechtbank merkt daarbij op dat uit het dossier volgt dat er veel tegenstrijdige verklaringen zijn afgelegd, die elkaar over en weer uitsluiten. Daarbij gaat het ook om verklaringen waarbij verdachten zichzelf tegenspreken. De rechtbank zal hier behoedzaam mee omgaan. Naast de verklaringen van de verschillende verdachten bevat het dossier ook videobeelden, beschrijvingen daarvan en verklaringen van buurtbewoners.

Verdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) had een oplopend conflict met [verdachte] . [medeverdachte 2] heeft vervolgens zijn broer [medeverdachte 1] op de hoogte gesteld van het conflict, waarna zij elkaar hebben opgehitst om naar de woning van [verdachte] te gaan op 11 februari 2024. [medeverdachte 2] heeft op 11 februari 2024 ook contact gehad met verdachte [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ), waarbij [medeverdachte 2] heeft gezegd [medeverdachte 3] op te halen. Op 11 februari 2024 zijn [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] samen naar de Hambaken in Den Bosch gegaan, waarbij het voor alle inzittenden in de auto op enig moment duidelijk was dat zij naar de Hambaken toe gingen vanwege het conflict tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] en dat zij niet naar een coffeeshop zouden gaan.

Op de camerabeelden van de Ringdeurbel van de woning aan [adres] , de woning van [verdachte] , is te zien dat om 22:37 uur [medeverdachte 2] aanbelt en aangeeft te willen praten. De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] op dat moment bij [medeverdachte 2] in de buurt zijn. Dan is te horen dat [verdachte] roept dat de drie mannen naar achteren moeten komen. [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] rennen vervolgens naar de achterzijde van de woning. Naar het oordeel van de rechtbank zit daarin iets dreigends en lijken zij vooral momentum te willen pakken. Bovendien overweegt de rechtbank dat de situatie al behoorlijk gespannen was vanwege de berichten die eraan vooraf zijn gegaan.

Ten aanzien van de situatie aan de achterzijde van de woning overweegt de rechtbank dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben verklaard dat zij geklik hebben gehoord en een vuurwapen zagen. Ter terechtzitting heeft [verdachte] verklaard dat hij met een speelgoed vuurwapen de drie mannen heeft willen wegjagen en dit speelgoedwapen op hen heeft gericht.

Vervolgens gaan [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] weer naar de voorzijde van de woning, waarbij [medeverdachte 1] om 22.38 uur met een koevoet in zijn handen naar de woning rent en met deze koevoet tegen de voordeur en de ruit naast de voordeur slaat. De drie mannen rennen vervolgens weer weg.

[verdachte] komt om 22:38 uur aan de voorzijde de woning weer uit en houdt wederom iets in zijn linkerhand vast wat lijkt op een vuurwapen. Hij rent een stuk achter de drie mannen aan. Vervolgens draait hij weer om en keert terug naar de woning. [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] blijven in de nabije omgeving van de woning van [verdachte] waarbij er wordt geroepen en gescholden. Dit herhaalt zich een aantal keren, waarbij beide kanten de confrontatie met elkaar blijven opzoeken.

Omstreeks 22:40 uur rent [verdachte] wederom de woning uit, dit keer met een mes in handen en gaat richting [medeverdachte 1] die op dat moment de koevoet nog in handen heeft. De rechtbank stelt vast dat zij vervolgens in gevecht zijn geraakt en daarbij over en weer geweld hebben gebruikt. Op enig moment zijn ook [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] bij deze vechtpartij betrokken geraakt.

Beoordeling.

Op basis van deze feiten en omstandigheden oordeelt de rechtbank als volgt op de verweren.

Ten aanzien van de situatie bij de achterdeur van de woning van [verdachte] overweegt de rechtbank dat er op dat moment geen sprake is van een noodweersituatie. [verdachte] komt immers met een vuurwapen of op een vuurwapen gelijkend voorwerp direct de woning uit, nog voordat de intentie van de drie mannen duidelijk was. Bovendien overweegt de rechtbank dat [verdachte] op dat moment het conflict zelf opzoekt door zijn handelen.

Het conflict verplaatst zich vervolgens naar de voorzijde van de woning. [medeverdachte 1] slaat met een koevoet tegen de voordeur en de ruit naast de voordeur, waardoor er op dat moment een noodweersituatie ontstaat voor [verdachte] . [verdachte] komt dan met een (nep) vuurwapen naar buiten om de drie mannen weg te jagen. Daarna gaat [verdachte] meerdere malen terug naar de voordeur van de woning en gaat zelfs enige tijd naar binnen voordat hij met het mes naar buiten komt. Naar het oordeel van de rechtbank is met het naar binnen gaan de noodweersituatie voor [verdachte] weer geëindigd.

Bovendien overweegt de rechtbank dat op het moment dat [verdachte] met het mes richting [medeverdachte 1] gaat, hij weet dat [medeverdachte 1] op dat moment de beschikking heeft over de koevoet. Daarmee zoekt [verdachte] zelf het gevaar en de confrontatie op. Door bewapend met een mes achter [medeverdachte 1] aan te gaan, lokt [verdachte] een gewelddadige reactie van [medeverdachte 1] uit. De rechtbank overweegt dat daardoor geen geslaagd beroep kan worden gedaan op noodweer(exces). Het is daardoor bovendien naar het oordeel van de rechtbank niet van belang wie er daarna als eerste geweld richting de ander heeft gebruikt.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat door de verdediging onvoldoende feiten en omstandigheden zijn aangevoerd om een hevige gemoedstoestand bij [verdachte] aannemelijk te maken. Hiervan is ook overigens niet gebleken.

De rechtbank verwerpt het verweer.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit of verdachte uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten en verdachte is strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft de rechtbank gevorderd om aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van het voorarrest.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft verzocht om een gevangenisstraf voor de duur van 92 dagen op te leggen, met aftrek van het voorarrest in combinatie met een forse voorwaardelijke straf, eventueel gecombineerd met een taakstraf.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging zware mishandeling en aan bedreiging met een vuurwapen of een daarop lijkend voorwerp. Er was een conflict tussen verdachte en [medeverdachte 2] . In het kader van dit conflict is [medeverdachte 2] met kwade intenties naar de woning van verdachte gegaan, samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] . Bij de woning is het conflict verder geëscaleerd. Daarbij heeft verdachte [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] bedreigd. Vervolgens is verdachte terug de woning ingegaan en na enige tijd weer naar buiten gekomen met een mes. Verdachte heeft [medeverdachte 1] vervolgens met dit mes gestoken, waarbij er ook letsel in de nekstreek is ontstaan. Dat er geen ernstiger letsel is toegebracht is niet aan het handelen van verdachte te wijten. Verdachte werd in eerste instantie in de avond thuis opgezocht door drie personen. Dat kan best impact hebben. Verdachte heeft vervolgens niets gedaan om een conflict uit de weg te gaan. Sterker nog, tegen advies van zijn moeder in is hij telkens naar buiten gegaan en heeft hij aan escalatie van het conflict bijgedragen. Dat heeft in een woonwijk tot onrust geleid en gevoelens van onveiligheid. Dit rekent de rechtbank verdachte zeer aan.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van 8 juli 2026 betreffende verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte vaker is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

De rechtbank heeft acht geslagen op het reclasseringsadvies van 3 augustus 2026. De reclassering schat het risico op recidive in als hoog – gemiddeld en ziet geen mogelijkheden om gedragsverandering te bewerkstelligen middels interventies omdat verdachte niet gemotiveerd is.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 150 dagen. Hierop zal de tijd die verdachte al in voorarrest heeft gezeten in mindering worden gebracht.

De rechtbank zal van deze gevangenisstraf 58 dagen voorwaardelijk opleggen teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal daaraan een proeftijd van twee jaren verbinden.

Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte opleggen een taakstraf voor de duur van 180 uren, te vervangen door 90 dagen hechtenis.

Met het opleggen van deze straffen, die tot gevolg hebben dat verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis, heeft de rechtbank in strafmatigende zin rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn, die is aangevangen op 12 februari 2024 en met ruim 6 maanden is overschreden.

Voorlopige hechtenis.

Verdachte heeft voor dit feit in voorlopige hechtenis verbleven. Met ingang van 14 mei 2024 is het bevel voorlopige hechtenis onder voorwaarden geschorst. Bij beslissing van de raadkamer van 26 augustus 2026 is deze beslissing gewijzigd, in die zin dat de einddatum van de schorsing is komen te vervallen. Gelet op de op te leggen straf zal de rechtbank nu bepalen dat het geschorste bevel voorlopige hechtenis wordt opgeheven.

De vordering van de benadeelde partij [medeverdachte 1] .

Namens de benadeelde partij [medeverdachte 1] is een vordering ingediend bestaande uit € 585,00 materiële schade en € 15.000,00 immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de vordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering gelet op de eigen schuld van de benadeelde.

Beoordeling.

De rechtbank stelt vast dat niet alleen [medeverdachte 1] , maar ook [verdachte] zelf een vordering strekkende tot vergoeding van de schade heeft ingediend naar aanleiding van het incident. De rechtbank stelt vast dat beiden rechtstreekse schade hebben geleden als gevolg van het handelen van de ander. Deze schade komt dan ook in beginsel voor vergoeding in aanmerking. Echter, naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW, de schade is namelijk mede een gevolg van een omstandigheid die aan de benadeelde zelf kan worden toegerekend. De vergoedingsplicht wordt dan verminderd door het schadebedrag over veroorzaker en benadeelde te verdelen, hierdoor wordt de vergoedingsplicht in evenredigheid verminderd. De rechtbank acht de eigen schuld van [medeverdachte 1] dermate hoog, dat de rechtbank het toe te wijzen bedrag zal matigen tot € 0,00. Het gevolg van deze matiging is dat de rechtbank de vordering zal afwijzen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 57, 63, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

spreekt verdachte vrij van de onder feit 1 ten laste gelegde poging doodslag;

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

t.a.v. feit 1 impliciet:

poging zware mishandeling;

t.a.v. feit 2:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

legt op de volgende straffen:

* een gevangenisstraf voor de duur van 150 dagen;

beveelt dat de tijd, die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf.

bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, groot 58 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op de grond dat verdachte voor het einde van een proeftijd van 2 jaar de hierna te noemen voorwaarde niet heeft nageleefd;

voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;

* een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis;

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [medeverdachte 1] :

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [medeverdachte 1] af. Veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Beslissing over de voorlopige hechtenis:

heft op het reeds geschorste bevel voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.A. Mandemakers, voorzitter,

mr. C.W.H. Houg en mr. S.H. Schepers, leden,

in tegenwoordigheid van mr. L.A.P.H. Kirkels, griffier,

en is uitgesproken op 2 september 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. C.A. Mandemakers
  • mr. C.W.H. Houg
  • mr. S.H. Schepers

Griffier

  • mr. L.A.P.H. Kirkels

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand