ECLI:NL:RBOBR:2026:6326

ECLI:NL:RBOBR:2026:6326

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 02-09-2026
Datum publicatie 01-09-2026
Zaaknummer 01/051977-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Conflict in woonwijk. Verdachte slaat met een koevoet tegen een voordeur van een woning en daarna tegen het hoofd van een bewoner van die woning, met wie de broer van verdachte een conflict had. De rechtbank veroordeelt verdachte voor vernieling en poging zware mishandeling. De rechtbank is van oordeel dat door het uitlokkend gedrag van verdachte aan hem geen beroep op noodweer toekomt. De vordering tot schadevergoeding wordt vanwege eigen schuld afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.051977.24Parketnummer vordering: 10.270674.19

Datum uitspraak: 2 september 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1987] ,

wonende te [adres 1] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 augustus 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte/veroordeelde naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

terwijl het door hem, verdachte, gepleegde geweld enig lichamelijk letsel bij die [medeverdachte 1] ten gevolge had;

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 7 augustus 2026.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 19 augustus 2026 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

t.a.v. feit 1 primair:

hij op of omstreeks 11 februari 2024 te 's-Hertogenbosch, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [medeverdachte 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [medeverdachte 1] met een koevoet, in elk geval een hard en/of zwaar voorwerp, een of meermalen op diens hoofd, althans tegen diens lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 11 februari 2024 te 's-Hertogenbosch openlijk, te weten op/aan de openbare weg, de Vierde Rompert, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [medeverdachte 1] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit:

- het steken en/of snijden van die [medeverdachte 1] met een mes, in elk geval een hard en/of scherp voorwerp, in diens lichaam en/of

- het een of meermalen slaan en/of stompen en/of stoten en/of trappen tegen het hoofd en/of lichaam van die [medeverdachte 1] en/of

- het een of meermalen slaan met een koevoet, in elk geval een hard en/of zwaar voorwerp, tegen het hoofd, althans tegen het lichaam, van die [medeverdachte 1] ,

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 11 februari 2024 te 's-Hertogenbosch [medeverdachte 1] heeft mishandeld door:

- die [medeverdachte 1] met een koevoet, in elk geval een hard en/of zwaar voorwerp, een of meermalen op diens hoofd, althans tegen diens lichaam, te slaan en/of

- die [medeverdachte 1] een of meermalen (met zijn hand/vuist) te slaan en/of te stompen en/of te stoten en/of (met zijn voet) te trappen tegen diens lichaam;

t.a.v. feit 2 primair:

hij op of omstreeks 11 februari 2024 te 's-Hertogenbosch openlijk, te weten op en/of aan de openbare weg, de Vierde Rompert, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen (een) goed(eren), door opzettelijk met een koevoet, in elk geval een hard en/of zwaar voorwerp, de (voor)deur en/of een ruit van/naast die (voor)deur van de woning aan [adres 2] aldaar, te vernielen;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 11 februari 2024 te 's-Hertogenbosch opzettelijk en wederrechtelijk de (voor)deur en/of een ruit van/naast die (voor)deur van de woning aan [adres 2] , die geheel of ten dele aan [naam 1] en/of [naam 2] , althans aan een ander dan aan verdachte, toebehoorde(n), heeft vernield.

De vordering na voorwaardelijke veroordeling.

De zaak met parketnummer 10.270674.19 is aangebracht bij vordering van 3 juli 2024. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken in Rotterdam van 29 mei 2020. Een kopie van de vordering is aan dit vonnis gehecht.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsvraag.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft de rechtbank gevorderd om tot een bewezenverklaring te komen ten aanzien van het onder feit 1 primair ten laste gelegde en van het onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om verdachte vrij te spreken van het onder feit 1 primair en subsidiair en feit 2 primair ten laste gelegde.

Het oordeel van de rechtbank.

De door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage. De inhoud daarvan dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Uit de bewijsmiddelen volgt kort gezegd dat verdachte met een koevoet op de deur van de woning van [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) heeft ingeslagen (feit 2) en later met een koevoet op het hoofd van [medeverdachte 1] heeft geslagen (feit 1).

Overwegingen ten aanzien van feit 1.

De eerste vraag die aan de rechtbank voorligt is hoe het slaan met de koevoet door verdachte gekwalificeerd dient te worden. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier (het toebrengen van) zwaar lichamelijk letsel - is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan een dergelijke kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het behoudens contra indicaties niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Verdachte heeft [medeverdachte 1] met een koevoet op het hoofd geslagen. Dit handelen is naar objectieve maatstaven aan te merken als handelen waardoor een aanmerkelijke kans bestaat op zwaar lichamelijk letsel voor degene die dit ondergaat. Zoals algemeen bekend kan worden verondersteld is het hoofd een kwetsbaar lichaamsdeel. Een harde klap, zoals hier met een koevoet, tegen het hoofd kan hersenbeschadiging tot gevolg hebben, in zoverre dat dit tot zwaar lichamelijk letsel kan leiden.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel ook aanvaard gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van zijn handelen. Verdachte heeft met de koevoet geslagen, waarbij [medeverdachte 1] ook op het hoofd is geraakt met de koevoet, waardoor de gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht waren op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het naar het oordeel van de rechtbank niet anders kan dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op letsel bij [medeverdachte 1] bewust heeft aanvaard.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen.

Overwegingen ten aanzien van feit 2.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende bewijs bestaat voor openlijk geweld tegen goederen. De rechtbank overweegt daartoe dat het slaan met de koevoet tegen de voordeur en de ruit naast de voordeur alleen is begaan door verdachte. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder feit 2 primair ten laste gelegde. De rechtbank komt wel tot een bewezenverklaring ten aanzien van het onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde, nu door het handelen van verdachte schade is toegebracht aan de voordeur en de ruit van de voordeur.

Conclusie.

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring ten aanzien van het onder feit 1 primair en onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen in de bewijsmiddelenbijlage komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

t.a.v. feit 1 primair:

op 11 februari 2024 te 's-Hertogenbosch, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [medeverdachte 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [medeverdachte 1] met een koevoet, op diens hoofd, heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

t.a.v. feit 2 subsidiair:

op 11 februari 2024 te 's-Hertogenbosch opzettelijk en wederrechtelijk de deur en een ruit van die voordeur van de woning aan [adres 2] , die aan [naam 2] , toebehoorden, heeft vernield.

De strafbaarheid van het feit en verdachte.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte een geslaagd beroep op noodweer(exces) dan wel putatief noodweer toekomt.

Ter terechtzitting heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De raadsman heeft gesteld dat verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvan. [medeverdachte 1] heeft eerst een vuurwapen op verdachte gericht. Daartegen mocht verdachte zich verweren en dat heeft hij gedaan door met een koevoet tegen de deur aan te slaan. [medeverdachte 1] is vervolgens met een mes naar buiten gegaan. Daarbij heeft [medeverdachte 1] verdachte gestoken, waarop verdachte zich mocht verdedigen, aldus de raadsman.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat er op enig moment sprake kan zijn geweest van een noodweersituatie, maar dat verdachte zelf een gewelddadige reactie heeft uitgelokt van het slachtoffer waardoor dit beroep niet kan slagen.

Het oordeel van de rechtbank.

Feitenvaststelling 11 februari 2024.

De rechtbank stelt op basis van het procesdossier eerst vast wat er op 11 februari 2024 is gebeurd. De rechtbank merkt daarbij op dat uit het dossier volgt dat er veel tegenstrijdige verklaringen zijn afgelegd, die elkaar over en weer uitsluiten. Daarbij gaat het ook om verklaringen waarbij verdachten zichzelf tegenspreken. De rechtbank zal hier behoedzaam mee omgaan. Naast de verklaringen van de verschillende verdachten bevat het dossier ook videobeelden, beschrijvingen daarvan en verklaringen van buurtbewoners.

Verdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) had een oplopend conflict met [medeverdachte 1] . [medeverdachte 2] heeft vervolgens zijn broer [verdachte] (hierna: [verdachte] of verdachte) op de hoogte gesteld van het conflict, waarna zij elkaar hebben opgehitst om naar de woning van [medeverdachte 1] te gaan op 11 februari 2024. [medeverdachte 2] heeft op 11 februari 2024 ook contact gehad met verdachte [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ), waarbij [medeverdachte 2] heeft gezegd [medeverdachte 3] op te halen. Op 11 februari 2024 zijn [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 3] samen naar de Hambaken in Den Bosch gegaan, waarbij het voor alle inzittenden in de auto op enig moment duidelijk was dat zij naar de Hambaken toe gingen vanwege het conflict tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] .

Op de camerabeelden van de Ringdeurbel van de woning aan [adres 2] , de woning van [medeverdachte 1] , is te zien dat om 22:37 uur [medeverdachte 2] aanbelt en aangeeft te willen praten. De rechtbank stelt vast dat [verdachte] en [medeverdachte 3] op dat moment bij [medeverdachte 2] in de buurt zijn. Dan is te horen dat [medeverdachte 1] roept dat de drie mannen naar achteren moeten komen. [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 3] rennen vervolgens naar de achterzijde van de woning. Naar het oordeel van de rechtbank zit daarin iets dreigends en lijken zij vooral momentum te willen pakken. Bovendien overweegt de rechtbank dat de situatie al behoorlijk gespannen was vanwege de berichten die eraan vooraf zijn gegaan.

Ten aanzien van de situatie aan de achterzijde van de woning overweegt de rechtbank dat [medeverdachte 2] en [verdachte] hebben verklaard dat zij geklik hebben gehoord en een vuurwapen zagen. Bovendien heeft [medeverdachte 1] zelf bij de politie verklaard dat hij een op een vuurwapen lijkend voorwerp heeft gepakt om de mannen weg te jagen. De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte 1] hen heeft bedreigd met een vuurwapen of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp.

Vervolgens gaan [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 3] weer naar de voorzijde van de woning, waarbij [verdachte] om 22.38 uur met een koevoet in zijn handen naar de woning rent en met deze koevoet tegen de voordeur en de ruit naast de voordeur slaat. De drie mannen rennen vervolgens weer weg, maar blijven in de nabijheid van de woning.

[medeverdachte 1] komt om 22:38 aan de voorzijde de woning weer uit uur en houdt wederom iets in zijn linkerhand vast. Hij rent een stuk achter de drie mannen aan. Vervolgens draait hij weer om en keert terug naar de woning. [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 3] blijven in de nabije omgeving van de woning van [medeverdachte 1] waarbij er wordt geroepen en gescholden. Daarbij worden zeer uitdagende, beledigende en racistische teksten in de richting van [medeverdachte 1] geroepen. Dit herhaalt zich een aantal keren, waarbij beide kanten de confrontatie met elkaar blijven opzoeken.

Omstreeks 22:40 uur rent [medeverdachte 1] wederom de woning uit, dit keer met een mes in handen en gaat richting [verdachte] die op dat moment de koevoet nog in handen heeft. De rechtbank stelt vast dat zij vervolgens in gevecht zijn geraakt en daarbij over en weer geweld hebben gebruikt. [verdachte] heeft daarbij [medeverdachte 1] met de koevoet op diens hoofd geslagen en [medeverdachte 1] heeft [verdachte] met het mes gestoken. De rechtbank kan niet vaststellen in welke volgorde dit is gebeurd.

Beooordeling.

Op basis van deze feiten en omstandigheden oordeelt de rechtbank als volgt op de verweren.

Na de gebeurtenissen aan de achterzijde van de woning is [verdachte] samen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] terug gegaan naar de voorzijde van de woning. Wanneer zij daar aankomen, is [medeverdachte 1] nog niet bij de voorzijde van de woning te zien. [verdachte] heeft vervolgens zelf als eerste met een koevoet tegen de voordeur en de ruit van de woning geslagen. Op dat moment is naar het oordeel van de rechtbank voor [verdachte] geen sprake van een noodweersituatie, omdat er geen directe dreiging was. Evenmin is gebleken dat er sprake was van een door de eerdere dreiging veroorzaakte hevige gemoedsbeweging bij verdachte of de bij hem terecht bestaande veronderstelling dat er sprake was van een noodsituatie waartegen hij zich diende te verdedigen. Verdachte zoekt zelf de confrontatie, ter beslechting van een -kennelijk tussen zijn broer en [medeverdachte 1] bestaand- conflict. Onder die omstandigheden valt niet in te zien waarom zijn agressieve daad tegen de woning als een verdedigingshandeling zou moeten worden gezien. De rechtbank verwerpt het verweer.

Toen [medeverdachte 1] vervolgens met een vuurwapen of een daarop lijkend voorwerp naar buiten is gegaan, is [verdachte] nabij de woning gebleven en zijn er door hem, of degenen met wie hij was nare bewoordingen richting [medeverdachte 1] geuit. De rechtbank overweegt dat met name [verdachte] de confrontatie bleef opzoeken. Het conflict bleef hierdoor in stand. Deze omstandigheden maken naar het oordeel van de rechtbank dan ook dat een reactie van [medeverdachte 1] is uitgelokt door [verdachte] , die duidelijk uit was op een confrontatie. De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat de gedragingen van [verdachte] die aan het gevecht zijn voorafgegaan, in de weg staan aan het aannemen van een noodweersituatie en daarmee dus ook in de weg staan aan een geslaagd beroep op noodweer(exces). Het is daarbij niet van belang of [verdachte] of [medeverdachte 1] eerst geweld heeft gebruikt richting de ander. De rechtbank verwerpt het verweer.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit of verdachte uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten en verdachte is strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft de rechtbank gevorderd om aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen, waarvan 48 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om aan verdachte op te leggen een taakstraf voor de duur van 180 uren.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft aangevoerd zich te kunnen vinden in de oplegging van een gevangenisstraf zoals de officier van justitie heeft gevorderd. Voorts heeft de verdediging verzocht om af te zien van de oplegging van een taakstraf en om de proeftijd te matigen tot één jaar nu verdachte sinds 2021 niet meer is veroordeeld. De verdediging heeft eveneens verzocht om geen bijzondere voorwaarden op te leggen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging zware mishandeling en aan vernieling. Er was een conflict tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , waarbij ook [verdachte] en [medeverdachte 3] betrokken zijn geraakt nadat [medeverdachte 2] hen daarvan op de hoogte had gebracht. Gelet op de chatgesprekken die hebben plaatsgevonden, zijn zij met kwade intenties naar de woning van [medeverdachte 1] gegaan, waar het conflict verder is geëscaleerd, met name door het handelen van [verdachte] . [verdachte] is [medeverdachte 1] immers blijven opzoeken, ook nadat er een vuurwapen of een daarop lijkend voorwerp op hem werd gericht, en is dreigingen blijven uiten. Vervolgens heeft [verdachte] met een koevoet de deur en de ruit van de woning van [medeverdachte 1] vernield. Hierop is [medeverdachte 1] wederom uit de woning gekomen en is er door [verdachte] met de koevoet tegen het hoofd van [medeverdachte 1] geslagen. Dat er geen ernstiger letsel is toegebracht is niet aan het handelen van verdachte te danken. Daar komt bij dat verdachte voor grote onrust en onveiligheid in de woonwijk heeft gezorgd. Het geeft geen enkele pas om een conflict op deze manier op te willen lossen. De rechtbank rekent dit verdachte zeer aan en het baart de rechtbank zorgen dat verdachte het kwalijke van zijn handelen nog steeds niet lijkt in te zien.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van 8 juli 2026 betreffende verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Voorts stelt de rechtbank vast dat het taakstrafverbod van toepassing is. Dit betekent dat de rechtbank niet kan volstaan met het opleggen van een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank heeft eveneens acht geslagen op het reclasseringsadvies van 22 april 2026. Dit betreft een weigerrapportage, waarin de reclassering bij een veroordeling een aantal bijzondere voorwaarden adviseert, gelet op het hoge risico op recidive.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen. Hierop zal de tijd die verdachte al in voorarrest heeft gezeten in mindering worden gebracht.

De rechtbank zal van deze gevangenisstraf 48 dagen voorwaardelijk opleggen teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de proeftijd te verkorten naar één jaar zoals de verdediging heeft verzocht, en zal daaraan een proeftijd van twee jaren verbinden.

Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte opleggen een taakstraf voor de duur van 180 uren, te vervangen door 90 dagen hechtenis.

Met het opleggen van deze straffen, die tot gevolg hebben dat verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis, heeft de rechtbank in strafmatigende zin rekening gehouden met de overschrijding de redelijke termijn, die is aangevangen op 12 februari 2024 en met ruim 6 maanden is overschreden.

De vordering van de benadeelde partij [medeverdachte 1] .

Namens de benadeelde partij [medeverdachte 1] is ter terechtzitting een vordering ingediend bestaande uit € 15.000,00 immateriële schade. Ter onderbouwing heeft de raadsman verwezen naar de onderbouwing van de vordering van benadeelde partij [verdachte] , die in de strafzaak van [medeverdachte 1] tegen [medeverdachte 1] is ingediend.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de vordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om de vordering van de benadeelde partij af te wijzen dan wel om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld uit zelfverdediging en dat er sprake is van medeschuld van de benadeelde door het steken en het bedreigen met het wapen.

Beoordeling.

De rechtbank stelt vast dat niet alleen [medeverdachte 1] , maar ook [verdachte] zelf een vordering strekkende tot vergoeding van de schade heeft ingediend naar aanleiding van het incident. De rechtbank stelt vast dat beiden rechtstreekse schade hebben geleden als gevolg van het handelen van de ander. Deze schade komt dan ook in beginsel voor vergoeding in aanmerking. Echter, naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW, de schade is namelijk mede een gevolg van een omstandigheid die aan de benadeelde zelf kan worden toegerekend. De vergoedingsplicht wordt dan verminderd door het schadebedrag over veroorzaker en benadeelde te verdelen, hierdoor wordt de vergoedingsplicht in evenredigheid verminderd. De rechtbank acht de eigen schuld van [medeverdachte 1] dermate hoog, dat de rechtbank het toe te wijzen bedrag zal matigen tot € 0,00. Het gevolg van deze matiging is dat de rechtbank de vordering zal afwijzen.

Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling 10.270674.19.

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de vordering dient te worden afgewezen omdat het niet meer opportuun is om de straf ten uitvoer te leggen, gelet op het tijdverloop sinds het opleggen van de straf.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 57, 63, 302 en 350 van het Wetboek van StrafrechtDE UITSPRAAK

De rechtbank:

spreekt verdachte vrij van het onder feit 2 primair aan hem ten laste gelegde;

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

t.a.v. feit 1 primair:

poging zware mishandeling;

t.a.v. feit 2 subsidiair:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

legt op de volgende straffen:

* een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen;

beveelt dat de tijd, die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf;

bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, groot 48 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op de grond dat verdachte voor het einde van een proeftijd van 2 jaar de hierna te noemen voorwaarde niet heeft nageleefd;

voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;

* een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis;

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [medeverdachte 1] :

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [medeverdachte 1] af. Veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

Beslissing na voorwaardelijke veroordeling:

wijst af de vordering met parketnummer 10-270674-19 van de officier van justitie d.d. 3 juli 2024.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.A. Mandemakers, voorzitter,

mr. C.W.H. Houg en mr. S.H. Schepers, leden,

in tegenwoordigheid van mr. L.A.P.H. Kirkels, griffier,

en is uitgesproken op 2 september 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. C.A. Mandemakers
  • mr. C.W.H. Houg
  • mr. S.H. Schepers

Griffier

  • mr. L.A.P.H. Kirkels

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand