RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.163359.24
Datum uitspraak: 2 september 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [2004] ,
wonende te [adres 1] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 augustus 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
terwijl het door hem, verdachte, gepleegde geweld enig lichamelijk letsel bij die [medeverdachte 1] ten gevolge had.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 15 juli 2026.
Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 19 augustus 2026 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 11 februari 2024 te 's-Hertogenbosch openlijk, te weten op/aan de openbare weg, de Vierde Rompert, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een goed, te weten de voordeur en/of een ruit naast de voordeur van de woning aan [adres 2] aldaar, welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit het meermalen met een koevoet, in elk geval een hard en/of zwaar voorwerp, slaan tegen die (voor)deur en/of ruit en/of tegen een persoon, te weten [medeverdachte 1] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit:
- het steken en/of snijden van die [medeverdachte 1] met een mes, in elk geval een hard en/of scherp voorwerp, in diens lichaam en/of
- het een of meermalen slaan en/of stompen en/of stoten en/of trappen tegen het hoofd en/of lichaam van die [medeverdachte 1] en/of
- het een of meermalen slaan met een koevoet, in elk geval een hard en/of zwaar voorwerp, tegen het hoofd, althans tegen het lichaam, van die [medeverdachte 1] ,
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De bewijsvraag.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van jusitie heeft de rechtbank gevorderd om tot een bewezenverklaring te komen ten aanzien van het aan hem ten laste gelegde feit. De officier van justitie heeft ten aanzien van de openlijke geweldpleging tegen goederen partieel vrijspraak gevorderd.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft verzocht om verdachte vrij te spreken omdat er onvoldoende bewijs is voor een concrete en opzettelijke bijdrage van verdachte aan het openlijke geweld. Subsidiair heeft de verdediging een beroep op noodweer gedaan en heeft de verdediging verzocht om verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.
De beoordeling door de rechtbank.
Feitenvaststelling 11 februari 2024.
De rechtbank stelt op basis van het procesdossier eerst vast wat er op 11 februari 2024 is gebeurd. De rechtbank merkt daarbij op dat uit het dossier volgt dat er veel tegenstrijdige verklaringen zijn afgelegd, die elkaar over en weer uitsluiten. Daarbij gaat het ook om verklaringen waarbij verdachten zichzelf tegenspreken. De rechtbank zal hier behoedzaam mee omgaan. Naast de verklaringen van de verschillende verdachten bevat het dossier ook videobeelden, beschrijvingen daarvan en verklaringen van buurtbewoners.
Verdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) had een oplopend conflict met verdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ). [medeverdachte 2] heeft vervolgens zijn broer [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ) op de hoogte gesteld van het conflict, waarna zij elkaar hebben opgehitst om naar de woning van [medeverdachte 1] te gaan op 11 februari 2024. [medeverdachte 2] heeft op 11 februari 2024 ook contact gehad met verdachte [verdachte] (hierna: [verdachte] ), waarbij [medeverdachte 2] heeft gezegd [verdachte] op te halen. [medeverdachte 2] en [verdachte] hebben hierover verklaard dat zij voornemens waren om samen naar de coffeeshop te gaan. Op 11 februari 2024 zijn [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [verdachte] samen naar de Hambaken in Den Bosch gegaan, waarbij het voor alle inzittenden in de auto op enig moment duidelijk was dat zij naar de Hambaken toe gingen vanwege het conflict tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en dat zij niet naar een coffeeshop zouden gaan.
Op de camerabeelden van de Ringdeurbel van de woning aan [adres 2] , de woning van [medeverdachte 1] , is te zien dat om 22:37 uur [medeverdachte 2] aanbelt. Bovendien stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 3] en [verdachte] zich nabij [medeverdachte 2] bevinden. Voorts is te horen dat [medeverdachte 1] roept dat de drie mannen naar achteren moeten komen. [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [verdachte] rennen vervolgens naar de achtertzijde van de woning. Naar het oordeel van de rechtbank zit daarin iets dreigends en lijken zij vooral momentum te willen pakken. Bovendien overweegt de rechtbank dat de situatie al behoorlijk gespannen is vanwege de berichten die er aan vooraf zijn gegaan.
Ten aanzien van de situatie aan de achterzijde van de woning overweegt de rechtbank dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hebben verklaard dat zij geklik hebben gehoord en een vuurwapen zagen. Bovendien heeft [medeverdachte 1] zelf bij de politie verklaard dat hij een op een vuurwapen lijkend voorwerp heeft gepakt om de mannen weg te jagen. De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte 1] hen heeft bedreigd met een vuurwapen of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp.
Vervolgens gaan [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [verdachte] weer naar de voorzijde van de woning, waarbij [medeverdachte 3] om 22.38 uur met een koevoet in zijn handen naar de woning rent en met deze koevoet tegen de voordeur en de ruit naast de voordeur slaat. De drie mannen rennen vervolgens weer weg.
[medeverdachte 1] komt om 22:38 uur aan de voorzijde de woning weer uit en houdt wederom iets in zijn linkerhand vast. Hij rent een stuk achter de drie mannen aan. Vervolgens draait hij weer om en keert terug naar de woning. [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [verdachte] blijven in de nabije omgeving van de woning van [medeverdachte 1] waarbij er wordt geroepen en gescholden. Dit herhaalt zich een aantal keren, waarbij beide kanten de confrontatie met elkaar blijven opzoeken.
Omstreeks 22:40 uur rent [medeverdachte 1] wederom de woning uit, dit keer met een mes in handen en gaat richting [medeverdachte 3] die op dat moment de koevoet nog in handen heeft. De rechtbank stelt vast dat zij vervolgens in gevecht zijn geraakt en daarbij over en weer geweld hebben gebruikt. Op enig moment zijn ook [medeverdachte 2] en [verdachte] bij deze vechtpartij betrokken geraakt.
Het handelen van verdachte.
De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] samen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] naar de woning van [medeverdachte 1] is gegaan in een oplopend conflict tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Op enig moment moet [verdachte] ook hebben geweten dat dit conflict gaande was en dat dit de reden was waarom zij naar de woning van [medeverdachte 1] gingen. Het conflict is bij de woning alleen maar verder geëscaleerd. Uiteindelijk heeft dit geleid tot een vechtpartij tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] . [verdachte] heeft hierover verklaard dat hij heeft geprobeerd om tussen beiden te komen om het gevecht te beëindigen.
De rechtbank kan niet vaststellen wat de bijdrage is geweest van [verdachte] aan het geweld. Evenmin kan de rechtbank vaststellen of [verdachte] opzettelijk geweld heeft gepleegd tegen [medeverdachte 1] . Geen van de getuigen geeft een gedetailleerde verklaring over wie welk geweld gebruikte. Ook zijn er van dit moment gek genoeg geen camerabeelden.
Voor zover er aanwijzingen zijn dat [verdachte] zich met het gevecht heeft bemoeid, kunnen deze aanwijzingen ook passen bij een poging tot de-escalatie. De rechtbank stelt namelijk ook vast dat met name [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] telkens de confrontatie met elkaar zijn blijven opzoeken.
De rechtbank stelt tevens vast dat het geweld dat tegen de voordeur van de woning van [medeverdachte 1] is gepleegd, niet in vereniging is gepleegd maar enkel is begaan door [medeverdachte 3] .
Conclusie.
De rechtbank acht het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen en zal verdachte daarvan vrijspreken.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
acht het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. C.A. Mandemakers, voorzitter,
mr. C.W.H. Houg en mr. S.H. Schepers, leden,
in tegenwoordigheid van mr. L.A.P.H. Kirkels, griffier,
en is uitgesproken op 2 september 2026.