RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01-325421-21
Datum uitspraak: 03 september 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte]
geboren te [geboorteplaats] op [1990] ,
wonende te [adres 1]
Advocaat van de verdachte: mr. S. Plas
Officier van justitie: mr. M. van Dam
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 20 augustus 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
Kern van het vonnis
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, in een periode van 30 maart 2020 tot en met 1 mei 2020 samen met andere personen, amfetamine heeft geproduceerd.
Verdachte heeft ter terechtzitting een bekennende verklaring afgelegd.
Hij heeft bekend dat hij in de periode van 30 maart 2020 tot 20 april 2020 amfetamine heeft vervaardigd. De rechtbank legt verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op voor de duur van 12 maanden met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast legt de rechtbank verdachte een taakstraf op van 120 uren met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 3 december 2021.
De tenlastelegging.
De volledige beschuldiging (tenlastelegging) houdt in dat:
hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 30 maart 2020 tot en met 1 mei 2020 te Someren (locatie [adres 2] ), althans in het arrondissement Oost Brabant, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid/hoeveelheden amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Bewijs
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie vordert een bewezenverklaring van het feit. Over de ten laste gelegde periode voert de officier van justitie aan dat deze moet worden ingekort tot 20 april 2020.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank.
In een schuur in Someren is een zogenaamd drugslab aangetroffen waar amfetamine werd geproduceerd. De verdachte heeft verklaard dat hij samen met anderen in de periode 30 maart 2020 tot 20 april 2020 amfetamine heeft vervaardigd.
De verdachte heeft het feit bekend en de advocaat heeft geen vrijspraak bepleit. De rechtbank noemt daarom de bewijsmiddelen hieronder wel, maar schrijft deze niet uit.
Bewijsmiddelen
1. Een proces-verbaal van bevindingen van de politie.
2. Een proces-verbaal van bevindingen van de politie.
3. Verklaring van de verdachte.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven opgesomde bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:
in de periode 30 maart 2020 tot en met 20 april 2020 te Someren locatie [adres 2] , tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft vervaardigd, hoeveelheden amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezenverklaarde feit is strafbaar gesteld als:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder D van de Opiumwet gegeven verbod.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
De straf.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie eist dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met algemene voorwaarden en met aftrek van het voorarrest, met daarbij een taakstraf voor de duur van 240 uren.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging voert aan dat het feit al lang geleden is gepleegd. Daarnaast lopen er nog twee andere zaken tegen verdachte waarbij verdachte is veroordeeld tot 22 maanden en 40 maanden gevangenisstraf.
De verdediging is van mening dat de eis van de officier van justitie goed weergeeft wat de ernst van de feiten is maar ook de belangen van de verdediging in ogenschouw neemt.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank legt de verdachte 12 maanden gevangenisstraf geheel voorwaardelijk op met een proeftijd van twee jaren, met daarnaast een taakstraf van 120 uren met aftrek van de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot deze straf komt.
Het bewezenverklaarde feit
Verdachte heeft drie weken gewerkt in een drugslab en zich bezig gehouden met de productie van amfetamine. Verdachte werkte daar samen met anderen.
Drugsproductie heeft een ondermijnende werking binnen de maatschappij. Verder zorgt drugsproductie ervoor dat mensen de mogelijkheid krijgen om de drugs tot zich te nemen, wat een verwoestende werking heeft op de gebruikers. Daar heeft verdachte door het plegen van het strafbare feit aan bijgedragen. Dat rekent de rechtbank verdachte aan.
De verdachte
De zitting heeft meer dan 6 jaar na het feit plaatsgevonden en uit het door de reclassering op 17 april 2025 uitgebrachte rapport blijkt, dat na het aan het licht komen van het door verdachte gepleegde strafbare feit, zijn persoonlijke omstandigheden zich zodanig in positieve zin hebben gewijzigd, dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat verdachte zijn leven positief verbeterd heeft en daarom het risico dat hij zal terugkeren naar crimineel gedrag laag is.
De reclassering heeft als volgt over de verdachte gerapporteerd:
‘’Betrokkene leek bij aanvang van de schorsing geen grip op zijn leefsituatie te hebben. De heer heeft zelf hard gewerkt om dit op de eerder aangegeven leefgebieden ten positieve te draaien en dit is goed gelukt. Zowel zijn werk, woon, mentale-situatie en relatie zijn stabiel. Hij heeft hierdoor een aantal beschermende factoren gecreëerd die helpend zijn om bepaalde situaties niet meer aan te trekken of uit de weg te gaan.
De verwachting van Reclassering Nederland is dat de heer zich op deze wijze zal blijven ontwikkelen en hij niet meer snel in aanraking zal komen met politie of justitie.’’
Hetgeen de reclassering naar voren brengt in het rapport is naar het oordeel van de rechtbank niet veranderd. De rechtbank houdt hier in strafmatigende zin dan ook rekening mee.
De rechtbank weegt ook in het voordeel van verdachte mee dat hij tijdens de zitting inzicht heeft gegeven in zijn strafbare handelen.
Verder neemt de rechtbank mee dat het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 14 mei 2025 verdachte heeft veroordeeld voor een gevangenisstraf van 22 maanden. Daarnaast heeft de meervoudige strafkamer van rechtbank Gelderland verdachte op 21 juli 2023 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 40 maanden.
Redelijk termijn
De verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. Als dat niet lukt en die termijn wordt overschreden, dan kan de rechtbank bepalen dat de straf wordt verminderd.
De redelijke termijn is in dit geval gestart op 2 december 2021, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Vanaf dat moment kon hij ervan uitgaan dat hij zou worden vervolgd. Tot aan dit vonnis is een periode van 4 jaar en 9 maanden verstreken.
De verdachte heeft wel enige tijd in voorarrest gezeten, maar is vanaf 3 december 2021 op vrije voeten gekomen en heeft dus vooral in vrijheid op de behandeling van zijn strafzaak gewacht. Het uitgangspunt is dan dat de redelijke termijn 24 maanden is.
Dat betekent dat er in deze strafzaak sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van 33 maanden. De rechtbank licht hierna toe welk gevolg dit heeft voor de op te leggen straf.
Oplegging straf.
Vertrekpunt voor het vervaardigen van amfetamine is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank ziet echter reden om van dit vertrekpunt af te wijken. De rechtbank vindt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend, omdat de redelijke termijn aanzienlijk is overschreden, verdachte inzicht heeft getoond in zijn strafbaar handelen, zijn leven op orde heeft en verdachte in twee andere zaken is veroordeeld tot lange gevangenisstraffen.
De rechtbank legt de verdachte 12 maanden gevangenisstraf geheel voorwaardelijk op met een proeftijd van twee jaren en daarnaast een taakstraf van 120 uren met aftrek van de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht.
De voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt en om de ernst van het bewezenverklaarde feit tot uitdrukking te brengen.
Wettelijke voorschriften
De rechtbank baseert deze straffen op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 63 (oud) van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder D van de Opiumwet gegeven verbod
verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
legt op de volgende straffen:
een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren,
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
en
een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank waardeert elke dag die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, op 2 uur taakstraf.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A. Maas, voorzitter,
mr. F. Kooijman en mr. I.M. Rinzema, leden,
in tegenwoordigheid van mr. T.J. Oosterman, griffier,
en is uitgesproken op 03 september 2026.