[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [1984],
wonende te [adres].
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 21 augustus 2026. De zaak is op 20 mei 2026 door de politierechter in deze rechtbank naar de meervoudige kamer verwezen.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 1 mei 2026. Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
t.a.v. feit 1:
hij op of omstreeks 8 september 2023 te Eindhoven, althans te Nederland,
opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, metamfetamine en/of 3-CMC, zijnde (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
t.a.v. feit 2:
hij op of omstreeks 8 september 2023 te Eindhoven, althans te Nederland, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
-het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,
-het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of
vervoeren, en/of
-het opzettelijk vervaardigen
van (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) (van een materiaal bevattende) amfetamine en/of (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) (van een materiaal bevattende) MDMA, zijnde amfetamine en/of MDMA (elk) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, althans (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) van (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,
(telkens)
-een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
-zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
-voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
door:
-(een) (grote) hoeveelhe(i)d(en), ongeveer 23.298,40 gram, (van een zout van) BMK-glycidezuur, zijnde een stof geschikt/benodigd voor de omzetting in benzylmethylketon (BMK) en/of (vervolgens) de bereiding en/of bewerking en/of verwerking en/of vervaardiging van amfetamine, in elk geval van (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, en/of
-(een) (grote) hoeveelhe(i)d(en), ongeveer 994,65 gram, (van een zout van) PMK-glycidezuur, zijnde een stof geschikt/benodigd voor de omzetting in piperonylmethylketon (PMK) en/of (vervolgens) de bereiding en/of bewerking en/of verwerking en/of vervaardiging van MDMA, in elk geval van (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, en/of
-(een) (grote) hoeveelhe(i)d(en), ongeveer 100,48 gram, cafeïnepoeder, zijnde een versnijdingsmiddel,
voorhanden heeft gehad;
t.a.v. feit 3:
hij op of omstreeks 8 september 2023 te Eindhoven, althans in Nederland, opzettelijk
aanwezig heeft gehad:
-ongeveer 1.380 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere substanties waren toegevoegd, en/of
-ongeveer 36.155,56 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep,
zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De bewijsvraag.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle drie de feiten wettig
en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard, met uitzondering van het in feit 1 genoemde middel 3-CMC waarvoor de officier van justitie tot partiële vrijspraak heeft gerekwireerd.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van verdachte heeft zich voor wat betreft de bewijstechnische waardering van feit 1 en feit 3 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met uitzondering van het in feit 1 tenlastegelegde middel 3-CMC waarvoor de raadsman partiële vrijspraak heeft bepleit.
Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman vrijspraak bepleit, omdat in zijn visie uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat verdachte wist of moest vermoeden dat hij stoffen bestemd voor de productie van synthetische drugs voorhanden had.
Het oordeel van de rechtbank.
t.a.v. feit 1 en feit 3:
Verdachte heeft terechtzitting toegegeven dat hij wist dat in zijn woning hard- en softdrugs lagen.
Gezien het bewijstechnische standpunt van de raadsman van verdachte (referte) en de bekennende verklaring van verdachte over zijn wetenschap van de aanwezigheid van
de verdovende middelen in zijn woning, komt de rechtbank zonder verdere bespreking
van de inhoud van de overige redengevende bewijsmiddelen tot bewezenverklaringen
van de feiten 1 en 3, zoals hierna uitgeschreven.
De rechtbank zal verdachte overeenkomstig de standpunten van de officier van justitie
en de verdediging partieel vrijspreken van het in feit 1 vermelde middel 3-CMC,
omdat dit middel op 8 september 2023 nog niet op de bij de Opiumwet behorende lijst I
stond geplaatst.
T.a.v. feit 2:
Uit de verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd volgt dat hij zijn woning
aan derden beschikbaar heeft gesteld om verdovende middelen tijdelijk te verstoppen
(feit 1 en feit 3). De drugs werden op enig moment ook weer uit zijn woning opgehaald. Voor dat doel was er vrije toegang tot de woning van verdachte. Verdachte heeft dit alles zonder nadere vragen te stellen toegestaan en heeft nooit nader onderzoek naar (de inhoud van) de verstopte contrabande verricht.
De rechtbank oordeelt dat verdachte onder de hiervoor geschetste omstandigheden de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er ook andersoortige aan drugs gelieerde contrabande
in zijn woning zouden worden verstopt. Er was bijvoorbeeld ook een geldtelmachine in zijn slaapkamer gelegd. Verdachte had dan ook minst genomen moeten vermoeden dat
hij stoffen voorhanden had die als voorloper van een synthetische harddrug dienen.
De rechtbank oordeelt verder dat hij door zijn handelen op zijn minst genomen de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij een bijdrage zou (gaan) leveren aan het voorbereiden of bevorderen van een Opiumwet-gerelateerd misdrijf ten aanzien van
de bij hem aangetroffen hoeveelheden PMK- en BMK glycidezuur en cafeïnepoeder.
De rechtbank acht feit 2 dan ook bewezen zoals hierna uitgeschreven.
T.a.v, alle feiten:
De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen zullen nader worden uitgewerkt in
een aanvulling op dit verkort vonnis als daartegen hoger beroep wordt ingesteld
(artikel 365a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering).
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
De bewezenverklaring.
De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte:
feit 1:
op 8 september 2023 te Eindhoven opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid
van een materiaal bevattende amfetamine en metamfetamine, zijnde telkens een middel
als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
feit 2:
op 8 september 2023 te Eindhoven om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten:
het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken en/of vervaardigen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde amfetamine en MDMA elk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,
telkens stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door:
-een grote hoeveelheid, ongeveer 20.164,59 gram, van een zout van BMK-glycidezuur,
zijnde een stof geschikt/benodigd voor de omzetting in benzylmethylketon (BMK) en
vervolgens de bereiding en/of bewerking en/of verwerking en/of vervaardiging van
amfetamine en
-een grote hoeveelheid van een zout van PMK-glycidezuur, zijnde een stof
geschikt/benodigd voor de omzetting in piperonylmethylketon (PMK) en vervolgens de
bereiding en/of bewerking en/of verwerking en/of vervaardiging van MDMA
-een grote hoeveelheid, ongeveer 100,48 gram, cafeïnepoeder, zijnde een versnijdingsmiddel,
voorhanden te hebben.
feit 3:
hij op of omstreeks 8 september 2023 te Eindhoven, opzettelijk aanwezig heeft gehad:
-ongeveer 1.380 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere substanties waren toegevoegd,
en
-ongeveer 36.155,56 gram hennep,
zijnde hasjiesj en hennep telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
De strafbaarheid van de feiten.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straffen.
De eis van de officier van justitie (bijlage)
De officier van justitie heeft met inachtneming van de gedateerdheid van de feiten,
de overschreden redelijke termijn en de in positieve zin gewijzigde persoonlijke omstandigheden van verdachte de volgende strafeis geformuleerd:
- een taakstraf van 240 uren, met aftrek, subsidiair 120 dagen hechtenis;
- een voorwaardelijke gevangenisstraf van 10 maanden met een proeftijd van 2 jaren;
- de verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen geld (3.000 euro) en de geldtelmachine.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van verdachte heeft de gevorderde strafmodaliteit omarmd met dien verstande dat in het licht van de bepleite vrijspraak van feit 2 een matiging van de strafeis op zijn plaats zou zijn. De raadsman heeft om teruggave van het geldbedrag van 3.000 euro verzocht en zich voor wat betreft bestemming van de geldtelmachine gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Ernst feiten
Verdachte heeft hoeveelheden harddrugs, softdrugs en pre-precursoren ten behoeve van de fabricage van synthetische drugs in zijn woning aanwezig gehad. Meer specifiek ging het om ruim 600 gram amfetamine, 0,93 gram metamfetamine, ruim 36 kilogram hennep,
ruim een kilo hasj, ruim 20 kilogram BMK-glycidezuur, ruim 4 kilogram PMK-glycidezuur
en ruim 100 gram cafeïnepoeder. De verdovende middelen en stoffen lagen verspreid door de hele woning van verdachte. Uit de verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd zou afgeleid kunnen worden dat zijn woning door derden als een soort van stashlocatie werd gebruikt. De contrabande werd daar tijdelijk geparkeerd en daarna
weer opgehaald.
Het is algemeen bekend dat soft- en harddrugs grote gezondheidsrisico’s met zich brengen voor de gebruikers ervan en dat deze drugs kunnen leiden tot een lichamelijke of geestelijke verslaving en, bij overdosis van harddrugs, zelfs tot de dood van de gebruikers. Daarnaast is bekend dat verslaafde gebruikers misdrijven plegen om aan geld te komen om in hun verslaving te voorzien, waardoor schade en overlast wordt toegebracht aan anderen.
Ook mag als bekend worden verondersteld dat de hennepteelt steeds meer en de productie en handel in harddrugs al merendeels het werkterrein vormen van de georganiseerde misdaad met allerlei gewelddadige uitwassen tot gevolg.
Het is ook een feit van algemene bekendheid dat de (chemische processen bij de) productie van synthetische drugs, de ongecontroleerde opslag van chemicaliën ten behoeve van de productie en de aan de productie inherente dumpingen van drugsafval grote veiligheidsrisico’s, risico’s voor de volksgezondheid en ernstige milieuschade met
zich brengen. Het kost vervolgens veel tijd, energie en geld om de negatieve gevolgen
voor het milieu zoveel mogelijk ongedaan te maken. Bovendien legt het opsporen, ontmantelen en vervolgen van de producenten van synthetische drugs een fors beslag op
het opsporingsapparaat, als gevolg waarvan de opsporing van andere misdrijven in het gedrang kan komen.
Kortom, hennepteelt en de productie van en handel in harddrugs heeft op meerdere niveaus van de maatschappij een forse negatieve invloed.
Verdachte heeft aan al deze negatieve effecten een bijdrage geleverd door deze soft- en harddrugs en stoffen ter voorbereiding en bevordering van de fabricage van synthetische drugs aanwezig en voorhanden te hebben. Het moet er voor worden gehouden dat verdachte heeft gehandeld met het oog op puur eigen geldelijk gewin.
De rechtbank rekent dit alles verdachte zwaar aan.
Strafblad
De rechtbank heeft gezien dat verdachte weliswaar een omvangrijk strafblad heeft, maar nooit eerder vanwege Opiumdelicten met politie en justitie in aanraking is geweest.
Persoonlijke omstandigheden
Uit de inhoud van een door de verdediging ingebracht verslag van de Stichting Springplank
volgt dat verdachte zijn leven sinds de onderhavige delicten rigoureus en in positieve zin heeft omgegooid. Hij heeft zich uit eigen beweging bij de stichting aangemeld om zijn leven een andere wending te geven. Hij kwam vanuit een situatie van dakloosheid bij de stichting en heeft sindsdien gewerkt aan huisvesting, het versterken van de relatie met zijn dochter, het verbreken van dubieuze contacten en het opbouwen van een eigen onderneming.
Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat verdachte sinds twee jaar een eigen en goedlopend klusbedrijf heeft, een relatie met zijn dochter heeft en vaste woonruimte heeft. Het is de rechtbank ter terechtzitting opgevallen dat verdachte opleeft als hij over zijn klusbedrijf en dochter spreekt. Naar het oordeel van de rechtbank hebben na het aan het licht komen van de door verdachte gepleegde strafbare feiten, zijn persoonlijke omstandigheden zich zodanig in positieve zin gewijzigd, dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het gedrag van verdachte zich blijvend ten goede keert. Dit vindt ook bevestiging in het gegeven dat sinds het tijdstip waarop door hem gepleegde strafbare feiten hebben plaatsgehad circa 3 jaren is verstreken, terwijl verdachte, voor zover nu bekend, in deze periode geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd. De rechtbank zal deze positieve ontwikkelingen in doorslaggevende mate in de strafoplegging betrekken.
Overschrijding redelijke termijn
Iedere verdachte heeft het recht op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat tegenover verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het ernstig voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen. De rechtbank neemt in deze zaak bij de bepaling van de aanvang van de redelijke termijn de dag van inverzekeringstelling d.d. 9 september 2023 als uitgangspunt. Uitgaande van een redelijke termijn van twee jaar stelt de rechtbank vast dat deze termijn met circa een jaar is overschreden. De rechtbank zal dit gegeven in matigende zin in de strafoplegging betrekken.
Oriëntatiepunten
De rechtbank heeft voor de strafoplegging acht geslagen op de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten die als uitgangspunt voor de afdoening dienen. Hieruit
volgt dat voor de aangetroffen hoeveelheden hard- en softdrugs een forse gevangenisstraf opgelegd kan worden. Voor strafbare voorbereidingshandelingen zijn geen oriëntatiepunten voorhanden, maar uit de jurisprudentie volgt dat het plegen van strafbare voorbereidingshandelingen ten aanzien van (hard)drugsfeiten ook zwaar bestraft worden.
De strafoplegging
Hoewel in het licht van de oriëntatiepunten en de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, het opleggen van een forse gevangenisstraf gerechtvaardigd zou zijn, is dit naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak niet langer een passende en geboden afdoening.
Gelet op de combinatie van de hiervoor omschreven positieve ontwikkelingen die verdachte inmiddels heeft doorgemaakt, de gedateerdheid van de feiten en de overschrijding van de redelijke termijn ziet de rechtbank aanleiding voor het opleggen van een strafmodaliteit zoals gevorderd en bepleit.
De rechtbank acht als voelbare sanctie de oplegging van een taakstraf van de maximale duur op zijn plaats. Daarnaast zal de rechtbank, om de aard en ernst van bewezenverklaarde
feiten te benadrukken en om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen, een langdurige voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen en wel voor de duur van 12 maanden met een proeftijd van 2 jaren.
De rechtbank zal een zwaardere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, omdat de rechtbank van oordeel is dat de gevorderde straf de aard en ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking brengt.
Beslag.
De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, omdat uit het onderzoek ter terechtzitting – meer in het bijzonder het onderzoek aan de telefoon in gebruik bij verdachte – is gebleken
dat deze voorwerpen ten tijde van het begaan van de feiten aan verdachte toebehoorden en:
- de 3.000 euro geheel of grotendeels door middel van de strafbare feiten zijn verkregen en de door verdachte gegeven verklaring over de herkomst ervan de rechtbank - gezien de bevindingen van het onderzoek aan zijn telefoon - niet plausibel voorkomt.
- de geldtelmachine bestemd is tot het begaan van de misdrijven.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 57 (oud) en 63 (oud) van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10, 10a en 11 van de Opiumwet.
DE UITSPRAAK
De rechtbank
Verklaart het ten laste gelegde onder feit 1, feit 2 en feit 3 bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
t.a.v. feit 1:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd
t.a.v. feit 2:
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van de Opiumwet, voor te bereiden of
te bevorderen, stoffen voorhanden hebben waarvan hij ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit
t.a.v. feit 3:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel, meermalen gepleegd
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Legt op de volgende straffen.
T.a.v. feit 1, feit 2 en feit 3:
- een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis met aftrek
overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank waardeert een
in verzekering doorgebrachte dag op 2 uur te verrichten arbeid.
- een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van
2 jaren. Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet
schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
- verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen goederen, te weten: 3.000,00 euro en een
geldtelmachine.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. I.C. Meuris, voorzitter,
mr. M.L.W.M. Viering en mr. S.V. Vullings, leden,
in tegenwoordigheid van D.A. Koopmans, griffier,
en is uitgesproken op 4 september 2026.