RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.334027.24
Datum uitspraak: 14 september 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte 1] ,
geboren te [geboorteplaats] op [2004] ,
wonende te [adres] ,
thans gedetineerd te: [verblijf plaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 27 mei 2025, 30 juli 2026 en 31 augustus 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 7 maart 2025
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 19 november 2022 te Eindhoven, althans in Nederland, openlijk, te weten in de parkeergarage gelegen aan de Ten Hagestraat, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [slachtoffer 1] door - meermalen, althans eenmaal op/tegen het gezicht, het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] te slaan/stompen en/of schoppen en/of - die [slachtoffer 1] te duwen.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De bewijsvraag.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft de rechtbank gevorderd om tot een bewezenverklaring te komen van het aan verdachte ten laste gelegde feit.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft de rechtbank verzocht om verdachte vrij te spreken omdat – kort gezegd – de verklaringen in het dossier onbetrouwbaar zijn en verdachte geen significante bijdrage heeft geleverd aan het geweld.
Het oordeel van de rechtbank.
De door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage. De inhoud daarvan dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Nadere bewijsoverwegingen.
De aanloop.
Op 19 november 2022 hebben in de parkeergarage aan de Ten Hagestraat te Eindhoven twee geweldsincidenten plaatsgevonden waarbij telkens aangever [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) en aangeefster [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) slachtoffer zijn geworden. Aan verdachte is openlijke geweldpleging ten aanzien van [slachtoffer 1] ten laste gelegd, hetgeen ziet op het eerste incident.
De rechtbank stelt het volgende vast.
Omstreeks 04:21 uur rijdt de Peugeot Partner waarvan medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) de bestuurder was richting de slagboom om de parkeergarage te verlaten. Daarachter bevindt zich de BMW met daarin aangevers, waarvan [slachtoffer 1] de bestuurder was. De BMW toetert terwijl [medeverdachte 1] probeert het uitrijkaartje in de automaat te stoppen. Als hij hierin niet slaagt, stapt hij uit en loopt hij direct naar [slachtoffer 1] . [medeverdachte 1] is vervolgens met [slachtoffer 1] in gesprek, waarbij [medeverdachte 1] met zijn arm op het dak van de BMW leunt. [slachtoffer 1] probeert het portier te openen, wat hem niet in één keer lukt omdat [medeverdachte 1] zich daartegen verzet. Het portier wordt toch geopend, waarop [slachtoffer 1] uitstapt en met zijn rechterarm uithaalt naar [medeverdachte 1] . Hierop heeft [medeverdachte 1] [slachtoffer 1] vastgepakt/geduwd waardoor [slachtoffer 1] ten val is gekomen. Vervolgens stappen verdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) en medeverdachte [verdachte 1] (hierna: [verdachte 1] ) uit de Peugeot en sprinten naar de plek waar [medeverdachte 1] en [slachtoffer 1] zich op dat moment bevinden. Daarna zijn nog drie inzittenden uit de Peugeot gestapt en ook [slachtoffer 2] is uit de BMW gestapt en hebben zij zich naar de plek begeven waar [medeverdachte 1] op dat moment was met [slachtoffer 1] .
Vervolgens is er een vechtpartij tussen [slachtoffer 1] en de verdachten ontstaan, waarbij [slachtoffer 1] meermaals is geslagen. [slachtoffer 1] bloedde hierna zichtbaar bij zijn mond.
Op het moment dat [medeverdachte 3] (hierna [medeverdachte 3] ) [slachtoffer 2] schopte terwijl zij op de grond lag eindigt het gevecht. Hierop gaan de verdachten gezamenlijk terug naar de Peugeot en rijden weg.
Juridisch kader openlijk geweld.
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het plegen van openlijk geweld vereist is dat dit in de publieke ruimte plaatsvindt. Bovendien is vereist dat voor het “in vereniging” plegen van geweld de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die "in vereniging" geweld pleegt. Beoordeeld moet worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.
De rol van verdachte [medeverdachte 1] .
Ten aanzien van de rol van [medeverdachte 1] overweegt de rechtbank als volgt. [medeverdachte 1] is als eerste naar de auto van [slachtoffer 1] gelopen om verhaal te halen vanwege het toeteren, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank intimiderend kan overkomen op [slachtoffer 1] . Daarna heeft [medeverdachte 1] geprobeerd het portier van de BMW dicht te houden door hier met kracht tegen te duwen. [slachtoffer 1] slaagt erin om uit de auto te stappen en probeert [medeverdachte 1] een klap te geven. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij [slachtoffer 1] heeft vastgepakt en hem op de grond heeft gegooid. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de geweldshandelingen dan ook ontstaan tussen [medeverdachte 1] en [slachtoffer 1] . Bovendien overweegt de rechtbank dat [medeverdachte 1] zich bewust van moet zijn geweest van het feit dat hij in de parkeergarage aanwezig was met een grote groep, en dat wanneer het tot een vechtpartij zou komen, hij door hen ‘gesteund’ zou worden. Wat vervolgens ook is gebeurd, immers stapte de rest van de groep direct hierna uit waarna het gevecht verder ging.
Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van het plegen van openlijk geweld is niet vereist dat de deelnemers gelijktijdig aan het geweld zijn begonnen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [medeverdachte 1] een significante bijdrage geleverd aan het openlijk geweld door de vechtpartij te beginnen en zich vervolgens niet te distantiëren van het geweld, waardoor hij de groep ook getalsmatig is blijven versterken en pas is vertrokken toen het gevecht over was. De verdachten zijn namelijk allemaal gelijktijdig vertrokken.
Uit de verklaringen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] volgt bovendien dat [medeverdachte 1] geweld heeft gebruikt. [medeverdachte 1] had de mogelijkheid om zich terug te trekken, maar heeft dit niet gedaan.
De rechtbank is daarmee van oordeel dat de bijdrage van [medeverdachte 1] van voldoende gewicht is.
De rol van verdachte [medeverdachte 2] .
De rechtbank overweegt ten aanzien van [medeverdachte 2] als volgt. [medeverdachte 2] is direct uit de Peugeot gestapt nadat [medeverdachte 1] in gevecht kwam met [slachtoffer 1] . [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] hebben beiden verklaard dat [medeverdachte 2] geweld heeft gebruikt richting [slachtoffer 1] . [medeverdachte 2] heeft zelf verklaard dat hij wel heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] te slaan, maar dat hij hem niet heeft geraakt.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [medeverdachte 2] door geweld te gebruiken – zelfs al zou dat geweld enkel bestaan uit het proberen om [slachtoffer 1] te slaan - een significante bijdrage geleverd aan het openlijke geweld. [medeverdachte 2] is welbewust een bijna zekere confrontatie aangegaan, heeft daarbij minst genomen geprobeerd te slaan terwijl hij samen met de medeverdachten in gevecht waren met [slachtoffer 1] en heeft de groep bovendien getalsmatig versterkt.
De rol van verdachte [verdachte 1] .
Ten aanzien van [verdachte 1] overweegt de rechtbank dat op de camerabeelden te zien is dat [verdachte 1] direct uit de Peugeot stapt met [medeverdachte 2] zodra [medeverdachte 1] in gevecht komt met [slachtoffer 1] . De rechtbank overweegt voorts dat [medeverdachte 1] heeft verklaard dat [verdachte 1] fors geweld heeft gebruikt richting [slachtoffer 1] en dat [medeverdachte 3] heeft verklaard dat [verdachte 1] de man een klap gaf. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verdachte 1] door geweld te gebruiken, waarbij hij minst genomen de man een klap heeft gegeven, een significante bijdrage geleverd aan het openlijke geweld. [verdachte 1] is daarnaast welbewust een bijna zekere confrontatie aangegaan en heeft de groep bovendien in aantal versterkt.
Conclusie.
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de aan verdachte ten laste gelegde openlijke geweldpleging.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen in de bewijsmiddelenbijlage komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
op 19 november 2022 te Eindhoven, openlijk, te weten in de parkeergarage gelegen aan de Ten Hagestraat, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [slachtoffer 1] door - meermalen, op/tegen het gezicht, het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] te slaan/stompen en - die [slachtoffer 1] te duwen.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd om aan verdachte op te leggen een taakstraf voor de duur van 140 uren.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft de rechtbank verzocht om bij een veroordeling geen straf op te leggen, dan wel een geheel voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 60 uren.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. [slachtoffer 1] was na een avond uit onderweg naar huis. Bij de slagboom in de parkeergarage heeft hij geclaxonneerd, waarop [medeverdachte 1] direct verhaal is komen halen. Hierop is door [slachtoffer 1] gepoogd om [medeverdachte 1] te slaan, waarop een worsteling ontstond tussen beiden.
Vervolgens heeft verdachte [verdachte 1] zich samen met zijn medeverdachten zich bij de worsteling gevoegd en is er geweld gebruikt richting [slachtoffer 1] door verdachte, maar ook vanuit [slachtoffer 1] is richting de groep waartoe verdachte behoorde geweld gebruikt. Door het handelen van verdachte is de situatie geëscaleerd. Dit rekent de rechtbank verdachte aan. Bovendien overweegt de rechtbank dat het geweld pas is gestopt nadat [medeverdachte 3] een trap in de buik van [slachtoffer 2] heeft gegeven waardoor zij op de grond bleef liggen.
Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de volgende feiten en omstandigheden.
Blijkens het Uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juli 2026 betreffende verdachte is verdachte niet eerder veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Uit de adviesrapportage van de reclassering van 16 juli 2026, volgt dat de reclassering zorgen heeft over verdachte omdat er mogelijk sprake lijkt te zijn van een beginnend delictpatroon gelet op een andere verdenking tegen verdachte. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog.
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf, waardoor de oplegging van een taakstraf voor de duur van 120 uren passend en geboden is.
De rechtbank zal eveneens rekening houden met de jonge leeftijd van verdachte ten tijde van het delict.
In het voordeel van verdachte houdt de rechtbank rekening met het feit dat [slachtoffer 1] ook geweld heeft gebruikt jegens verdachte en dat de eerste klap is uitgedeeld door [slachtoffer 1] .
Gelet op het voorgaande overweegt de rechtbank dat een taakstraf voor de duur van 80 uren passend en geboden is.
De rechtbank stelt voorts vast dat de redelijke termijn met 18 maanden is overschreden, waardoor de rechtbank de op te leggen taakstraf zal matigen.
Alles overziend zal de rechtbank aan verdachte opleggen een taakstraf voor de duur van 60 uren, te vervangen door 30 dagen hechtenis.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een vordering tot vergoeding van de schade ingediend bestaande uit € 3.500,00 immateriële schade en € 1.016,00 proceskosten.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft verzocht om in totaal € 1.505,33 toe te wijzen. Dit betreft één derde deel van de totale vordering, nu er volgens de officier van justitie in totaal drie verdachten verantwoordelijk zijn voor de geleden schade. Voorts verzoekt de officier van justitie om de vordering te vermeerderen met de wettelijke rente en om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, dan wel om de vordering af te wijzen omdat het letsel niet is toegebracht door verdachte. Bovendien is de vordering onvoldoende onderbouwd en is er sprake van eigen schuld aan de zijde van de benadeelde partij.
Beoordeling.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De rechtbank overweegt daartoe dat de vordering onvoldoende is onderbouwd ten aanzien van de openlijke geweldpleging. De vordering ziet met name op schade die is ontstaan door verwurging en ernstiger letsel, hetgeen niet aan verdachte ten laste is gelegd. De rechtbank kan daardoor geen causaal verband vaststellen tussen de gestelde schade en de gedragingen van verdachte. Aangezien de benadeelde partij niet ontvankelijk wordt verklaard, is er ook geen ruimte voor een proceskostenvergoeding. De rechtbank verklaart de benadeelde partij ook ten aanzien van die vordering niet-ontvankelijk.
De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
22c, 22d, 63 en 141 van het Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:
* openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
legt op de volgende straf:
* een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis;
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding. Veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten van verdachte en stelt deze op nihil.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. E.M. Vermeulen, voorzitter,
mr. M. Langstraat en mr. S.V. Vullings, leden,
in tegenwoordigheid van mr. L.A.P.H. Kirkels, griffier,
en is uitgesproken op 14 september 2026.