RECHTBANK OOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Eindhoven
Zaaknummer: 11987152 \ CV EXPL 25-9163
Vonnis van 3 september 2026
in de zaak van
UNISAD B.V.,
te Tilburg,
eisende partij,
hierna te noemen: Unisad,
gemachtigde: mr. B.E. Struijk,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: F.Th.M. Peters.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met (17) producties;- de conclusie van antwoord;
- de e-mailberichten van [gedaagde] d.d. 8 en 9 december 2025 met een procesvolmacht en (4) KvK uittreksels;- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de mondelinge behandeling van 12 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, en de spreekaantekeningen die de gemachtigde van Unisad ter gelegenheid daarvan heeft overgelegd en voorgedragen.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Unisad houdt zich bezig met het verwerken en verhandelen van vleesproducten. Unisad heeft ook een onderneming in België. [gedaagde] exploiteert een slachthuis gespecialiseerd in de verwerking en conservering van vlees.
Op of omstreeks 18 februari 2025 heeft Unisad circa 2013,50 kilogram runderniervet en circa 755,50 kilogram runderhart (hierna: het rundvlees) van [gedaagde] gekocht voor een prijs van € 3.107,09. Het rundvlees is die dag ook aan Unisad geleverd. Unisad heeft het rundvlees kort daarna verkocht en geleverd aan haar klant Mega Meats B.V. (hierna: Mega Meats).
Op 28 februari 2025 heeft [gedaagde] het volgende aan Unisad ge-e-maild:
“Via deze weg willen wij u ervan op de hoogte brengen dat wij bezig zijn met het maken van GFL-meldingen bij het NVWA. Voor Unisad betreft dit het niervet en de harten van slachtdag 17-02-2025. Blokkeer deze producten in verband met een mogelijke recall.
Wij zijn vrijdagochtend 28 februari 2025 om 10:19 uur op de hoogte gesteld van de situatie door onze bedrijfsbeheerder [A] . Wij zullen u op de hoogte houden van de ontwikkelingen van deze situatie.”
Direct hierna heeft Unisad Mega Meats verzocht om het rundvlees te blokkeren, hetgeen Mega Meats ook heeft gedaan. Unisad heeft [gedaagde] hiervan op de hoogte gesteld.
Op 28 februari en 31 maart 2025 heeft Unisad per e-mail bij [gedaagde] geïnformeerd naar de stand van zaken ten aanzien van de blokkade. Op die e-mails heeft [gedaagde] niet gereageerd.
Op 8 april 2025 heeft Unisad het volgende aan [gedaagde] ge-e-maild:
“Wij krijgen geen status informatie van de NVWA en jullie zijn de melder. Onze klant
is ongeduldig en wil het niet meer op zijn kosten opslaan en wil het verladen naar
zijn klant. Is er zicht op een definitief uitsluitsel? Zo niet, dan stel ik voor dat we het
retour sturen naar jullie en jullie ons crediteren voor het geleverde vlees en wij weer
de klant.”
[gedaagde] heeft hierna telefonisch contact met Unisad opgenomen en verzocht het rundvlees geblokkeerd te laten staan in afwachting van de uitkomst van de GFL-melding.
Op 16 april 2025 heeft het Belgische Federaal Agentschap voor de
Veiligheid van de Voedselketen (hierna: FAVV) Unisad via haar onderneming in België per e-mail bericht dat het rundvlees non-conform is en Unisad, althans haar klanten, verzocht het rundvlees zo snel mogelijk uit de handel te nemen en te (laten) vernietigen.
Het rundvlees is vervolgens op 28 april 2025 vernietigd. Mega Meats heeft Unisad hierna een factuur gestuurd voor een bedrag van € 3.885,- inclusief btw voor de kostprijs, de opslagkosten en de destructiekosten van het rundvlees. Op 20 mei 2025 heeft Unisad [gedaagde] hiervan op de hoogte gesteld en [gedaagde] verzocht deze kosten te vergoeden.
Op 12 juni 2025 heeft [gedaagde] aan Unisad ge-e-maild dat zij de factuur niet zal betalen omdat de GFL melding te laat is bevestigd. Via haar gemachtigde heeft Unisad [gedaagde] op 11 juli 2025 aansprakelijk gesteld voor de geleden schade als gevolg van de levering van non-conform rundvlees. [gedaagde] heeft aansprakelijkheid verworpen. Partijen hebben hierna (via hun gemachtigden) gecorrespondeerd over aansprakelijkheid, maar dat heeft niet geleid tot betaling of overeenstemming.
3. Het geschil
Unisad vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een schadevergoeding van € 4.700,85 en € 485,04 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met wettelijke rente.
Unisad legt – samengevat – aan haar vordering ten grondslag dat het door [gedaagde] geleverde het rundvlees volgens FAVV non-conform is en is aan te merken als dierlijk bijproduct. Hierdoor is het rundvlees niet voor menselijke consumptie geschikt en moest het rundvlees op last van FAVV worden vernietigd. [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de koopovereenkomst en moet daarom de schade van Unisad vergoeden, die zij becijfert op een bedrag van € 4.700,85.
[gedaagde] betwist de vordering en voert – samengevat – het volgende verweer. Volgens [gedaagde] had Unisad de instructie van FAVV onverwijld, althans binnen een redelijke termijn aan haar kenbaar moeten maken. Unisad heeft [gedaagde] pas op 20 mei 2025 en daarmee te laat geïnformeerd dat het rundvlees op last van FAVV is vernietigd. Daarom heeft Unisad geen recht meer op een schadevergoeding. Op 3 maart 2025 heeft [gedaagde] een aansprakelijkstelling aan haar leveranciers gestuurd. Op 20 mei 2025 kon zij de aansprakelijkheidstelling van Unisad niet meer aan de initiële claim toevoegen. Tot slot stelt [gedaagde] dat zij niet kan beoordelen in hoeverre Unisad en Mega Meats aan hun schadebeperkingsplicht hebben voldaan.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Vaststaat dat het door [gedaagde] geleverde rundvlees non-conform is omdat het is aan te merken als dierlijk bijproduct in de zin van artikel 8 sub c Verordening (EG) nr. 1069/2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten. Verder is niet in geschil dat Unisad, althans Mega Meats, daarom op last van FAVV verplicht was het rundvlees te (laten) vernietigen. Daarmee is gegeven dat [gedaagde] tekortgeschoten is in de nakoming van de koopovereenkomst en gehouden is de als gevolg daarvan door Unisad geleden (gevolg)schade aan haar te vergoeden.
Het verweer van [gedaagde] dat zij de schade desondanks niet hoeft te vergoeden omdat Unisad haar te laat heeft geïnformeerd, slaagt om meerdere redenen niet. Allereerst is het verweer nauwelijks onderbouwd en heeft [gedaagde] desgevraagd ook niet kunnen uitleggen waar zij haar stelling op baseert dat Unisad haar te laat heeft geïnformeerd. Ter zitting heeft Unisad gemotiveerd bestreden dat sprake is van schending van de klachtplicht, rechtsverwerking en/of verjaring. [gedaagde] is in het geheel niet in gegaan op dat verweer, maar heeft bovenal geen feiten en omstandigheden gesteld ter onderbouwing van een eventueel beroep op schending van de klachtplicht, rechtsverwerking en/of verjaring. Het verweer van [gedaagde] duidt erop dat zij meent dat Unisad een kennelijk op haar rustende informatieplicht of zorgplicht niet is nagekomen, althans dat Unisad zich onvoldoende de belangen van [gedaagde] heeft aangetrokken. Nog daargelaten dat [gedaagde] niet concreet heeft gemaakt om welke zorgplicht of informatieplicht het volgens haar dan gaat, ziet de kantonrechter in omstandigheden van deze zaak niet dat Unisad enig verwijt te maken valt. Unisad heeft [gedaagde] meerdere keren verzocht haar te informeren over de stand van zaken met betrekking tot de blokkade van het rundvlees. [gedaagde] heeft niet op die verzoeken gereageerd. [gedaagde] heeft geen verklaring gegeven waarom zij niet heeft gereageerd. Ter zitting heeft [gedaagde] gesteld dat Unisad het rundvlees had moeten ‘verplaatsen’ of aan haar had moeten retourneren na het vernietigingsbevel van FAVV. Voor zover [gedaagde] daarmee impliceert dat Unisad het rundvlees had moeten onttrekken aan het toezicht van FAVV, althans in ieder geval dat Unisad geen gehoor had moeten geven aan de wettelijke verplichting het rundvlees te vernietigen zoals door FAVV was bevolen, is die stelling onnavolgbaar. Daarbij heeft [gedaagde] ook niet kunnen uitleggen waarom Unisad het rundvlees aan haar moest retourneren, tegen de achtergrond dat [gedaagde] het rundvlees eerder op 8 april 2025 – toen er nog geen verplichting tot vernietiging bestond – niet retour wilde nemen. Ter zitting heeft [gedaagde] nog aangevoerd dat zij de belangen van haar leverancier – een boer die failliet dreigt te gaan vanwege meerdere claims met betrekking tot non-conform vlees – wilde beschermen door tijd te rekken en vernietiging van het rundvlees zolang mogelijk te voorkomen, zodat nader onderzoek naar het rundvlees kon worden gedaan. Nog daargelaten dat die omstandigheid niets afdoet aan de bovengenoemde verplichting van Unisad, heeft [gedaagde] Unisad hiervan nooit op de hoogte gesteld. Unisad kon met dat gesteld belang dan ook sowieso geen rekening houden. Unisad heeft gedaan waartoe zij verplicht was. Zelfs al zou Unisad [gedaagde] eerder hebben geïnformeerd, dan had dat geen effect gehad op de situatie en/of hoogte van de door haar geleden schade. Voor zover [gedaagde] meent dat ten onrechte een bevel tot vernietiging van het rundvlees is gegeven, respectievelijk onvoldoende onderzoek is gedaan naar het rundvlees, dient zij zich tot NVWA en/of FAVV te wenden. Unisad staat daar buiten. Tot slot heeft [gedaagde] gesteld dat de aansprakelijkheidsstelling van Unisad niet meer kon worden meegenomen in de eigen aansprakelijkheidsstelling tegenover haar leverancier(s). Die stelling is niet goed te rijmen met de eigen stelling van [gedaagde] dat zij die aansprakelijkheidsstelling al op 3 maart 2025 heeft verzonden. Daarnaast heeft [gedaagde] ter zitting verklaard dat een (aanvullende) aansprakelijkheidsstelling alsnog kan worden ingediend en ‘het wel los zal lopen’.
Unisad heeft de door haar geleden schade gebaseerd op de hoogte van de factuur van Mega Meats, vermeerderd met btw. Uit de factuur van Mega Meats blijkt dat kosten van opslag en destructie zien op met btw belaste diensten en dat de verschuldigde btw 0% bedraagt. Volgens de factuur is het bedrag van € 3.885,- al inclusief btw. Unisad kan over dat bedrag zelf geen btw in rekening brengen omdat over schadevergoeding geen btw verschuldigd is. [gedaagde] heeft de hoogte van de schadevergoeding niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist. De kantonrechter wijst daarom een bedrag van € 3.885,- aan schadevergoeding toe. Ook de gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar omdat [gedaagde] met het vergoeden van de door Unisad geleden schade in verzuim is.
Unisad vordert daarnaast vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Die vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Daarom zal het gevorderde bedrag van € 485,04 worden toegewezen. De gevorderde rente gerekend vanaf de dag van de dagvaarding over de buitengerechtelijke incassokosten zal eveneens worden toegewezen.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en wordt daarom in de proceskosten (inclusief nakosten) veroordeeld. De proceskosten van Unisad worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
122,35
- griffierecht
€
543,00
- salaris gemachtigde
€
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.529,35
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan Unisad te betalen een bedrag van € 3.885,- te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover, met ingang van 20 mei 2025, tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt [gedaagde] om aan Unisad te betalen een bedrag van € 485,04 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover, vanaf 18 november 2025, tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.529,35, te vermeerderen met de kosten van betekening als het vonnis wordt betekend;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. van den Berk en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2026.