RECHTBANK OOST-BRABANT
Parketnummer: [01.352433.25]
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.352433.25
Datum uitspraak: 8 september 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1983] ,
thans gedetineerd te: [verblijfplaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 maart 2026, 18 juni 2026 en 25 augustus 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
(be)dreigende berichten naar voornoemde [slachtoffer 1] te sturen,
dat zij geen contact met andere mannen mag hebben,
opnemen met personen in de omgeving van voornoemde [slachtoffer 1] ,
[slachtoffer 1] ,
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 19 februari 2026.
Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 25 augustus 2026 is aangepast (op grond van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering), is aan verdachte ten laste gelegd dat:
t.a.v. feit 1:
hij, in of omstreeks de periode van 01 februari 2024 tot en met 27
december 2025 te Valkenswaard en/of Uden en/of Leende ,
althans in Nederland,
wederrechtelijk
stelselmatig
opzettelijk
inbreuk heeft gemaakt
op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1]
,
door
- veelvuldig (onder meer) denigrerende, intimiderende en/of
- regels vast te stellen hoe voornoemde [slachtoffer 1] moet leven, waaronder
- op intimiderende, (be)dreigende en/of gewelddadige wijze contact
- tracker(s) te plaatsen in/onder/aan het voertuig van voornoemde
- het voertuig van voornoemde [slachtoffer 1] te beschadigen,
- zich in de directe omgeving, zowel bij de woning als op het werk, van
voornoemde [slachtoffer 1] op te houden, en/of voornoemde [slachtoffer 1] te
achtervolgen, en/of
- voornoemde [slachtoffer 1] te mishandelen,
met het oogmerk die [slachtoffer 1] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te
dulden en/of vrees aan te jagen;
t.a.v. feit 2:
hij, op of omstreeks 25 december 2025 te Valkenswaard , althans in
Nederland
[slachtoffer 1] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen "jij gaat dood, jij
gaat kankerkapot", althans woorden van gelijke dreigende aard of
strekking;
t.a.v. feit 3:
hij, in of omstreeks de periode van 23 december 2025 tot en met 27
december 2025 te Valkenswaard en/of Uden , althans in Nederland
[slachtoffer 2] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen "ik ga jullie
vangen, iedereen gaat kapot. Ik ga jouw vinger afknippen" en/of "jullie
gaan er allemaal aan, ik maak jullie allemaal kapot", althans woorden
van gelijke dreigende aard of strekking;
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De bewijsvraag.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie acht alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.
Het standpunt van de verdediging.
Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman partiële vrijspraak bepleit voor de periode van 1 februari 2024 tot en met juni 2025. Voor wat betreft de periode na het stopgesprek, waarbij de raadsman uitgaat van de periode van juli tot en met december 2025, en de feiten 2 en 3 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank.
Feit 1
De rechtbank verwijst voor wat betreft de inhoud van de relevante bewijsmiddelen naar de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of sprake is geweest van belaging en zo ja, hoe lang dit heeft geduurd. Vooropgesteld moet worden dat voor een bewezenverklaring van belaging sprake dient te zijn van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van een ander, welke inbreuk opzettelijk en wederrechtelijk moet zijn. De inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van een ander moet ook stelselmatig plaatsvinden. Ten slotte moet de verdachte het oogmerk hebben gehad die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte zich in de periode van 9 februari 2024 tot en met 27 december 2025 schuldig heeft gemaakt aan belaging. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Aangeefster heeft meerdere verklaringen afgelegd over het ten laste gelegde. De rechtbank overweegt dat deze verklaringen uitgebreid en gedetailleerd zijn en op grond van de inhoud als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt. Aangeefster heeft in de kern en bij herhaling consistent verklaard over de diverse gebeurtenissen die zich in de ten laste gelegde periode hebben afgespeeld.
Daarnaast weegt de rechtbank mee dat de verklaringen van aangeefster op wezenlijke onderdelen steun vinden in andere bewijsmiddelen in het dossier en daarmee objectief verifieerbaar zijn. Dit draagt bij aan de betrouwbaarheid van haar verklaringen. Zo passen het letsel dat op foto’s bij aangeefster is waargenomen en de berichten met verdachte daarover bij de verklaring die zij heeft gegeven over het ontstaan ervan. Ook wordt de verklaring van aangeefster over de bedreigende en dwingende toon van de berichten bevestigd door de grote hoeveelheid berichten van verdachte aan aangeefster en haar familie die zich in het dossier bevindt. Verder bevat het dossier camerabeelden, geluidsfragmenten en politiemutaties die aansluiten bij de verklaring van aangeefster.
De rechtbank acht de verklaringen van aangeefster betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs en gaat dan ook uit van de juistheid van wat aangeefster heeft verklaard (en komt daarmee tot bewezenverklaring van de feitelijke gebeurtenissen zoals die ten laste zijn gelegd), ook waar het onderdelen uit de verklaringen betreft die niet direct door andere bewijsmiddelen worden ondersteund.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte in de ten laste gelegde periode veelvuldig denigrerende, intimiderende en (be)dreigende berichten heeft gestuurd naar aangeefster en haar familie, haar auto heeft beschadigd en langsging bij haar woning en werk. Daarnaast stelde verdachte regels vast over hoe aangeefster volgens hem moest leven en plaatste hij trackers in/onder haar auto om haar te controleren. Ook mishandelde hij haar.
Anders dan door de verdediging is aangevoerd, komt de rechtbank wel tot een bewezenverklaring van de periode vanaf februari 2024. Aangeefster heeft namelijk verklaard dat de stalking begon op het moment dat zij bij verdachte wegging, dit was op de vrijdag van carnaval in 2024. Verdachte accepteerde niet dat zij bij hem weg ging en bleef haar de hele tijd bellen, appen, langsrijden, toeteren en achtervolgen. De moeder van aangeefster heeft dit bevestigd; zij heeft verklaard dat aangeefster op 9 februari 2024 bij verdachte weg is gegaan, sindsdien bij haar verbleef en verdachte vanaf toen en in de maanden daarna constant voorbij kwam rijden en naar aangeefster belde. Een en ander volgt ook uit de WhatsApp-chatgesprekken tussen aangeefster en haar moeder en het bijgehouden dagboek van moeder. De rechtbank neemt voornoemde datum als aanvangsdatum voor de bewezenverklaarde periode. Die bewuste dag is aangeefster na een hevige ruzie met verdachte, samen met de kinderen met de bus naar haar moeder vertrokken. Aangeefster is vervolgens niet meer terug in huis bij verdachte komen wonen en heeft korte tijd later gevraagd om alimentatie. Zoals ze zelf bij de rechter-commissaris heeft verklaard, heeft aangeefster verdachte op elke denkbare manier aangegeven dat ze wilde dat het stopte: goedschiks, kwaadschiks, hem zijn zin geven of ertegenin gaan. Naar het oordeel van de rechtbank had verdachte vanaf 9 februari 2024 moeten weten dat aangeefster geen contact meer met hem wilde. De gedragingen van verdachte richting aangeefster kunnen vanaf dat moment dan ook als wederrechtelijk worden aangemerkt.
Vanaf dat moment is het verdachte die aangeefster veelvuldig denigrerende en (be)dreigende berichten stuurt, regels stelt over hoe aangeefster volgens hem moet leven, contact opneemt met personen in de omgeving van aangeefster, trackers plaatst in haar auto, haar voertuig beschadigt, zich ophoudt in haar directe omgeving, haar achtervolgt en haar mishandelt. De rechtbank stelt vast dat er gaandeweg de bewezenverklaarde periode steeds meer bewijsmiddelen voorhanden zijn voor deze door verdachte verrichte gedragingen. Naar het oordeel van de rechtbank komt dat voort uit de omstandigheid dat aangeefster lange tijd erg bang voor verdachte is geweest en mede daarom ook eerder geen aangifte heeft durven doen. Een en ander blijkt ook uit de vele registraties van de politie. Uit de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien volgt voldoende dat de bewezenverklaarde gedragingen ook al in 2024 plaatsvonden en dat aangeefster ook in die periode al duidelijk aangaf dat ze wilde dat verdachte haar met rust liet.
De verklaring van verdachte – kort gezegd – onder meer inhoudende dat al het (intieme) contact in de tenlastegelegde periode wederkerig was, de mishandelingen niet hebben plaatsgevonden en de trackers met toestemming in de auto zijn geplaatst, schuift de rechtbank terzijde aangezien deze wordt weerlegd door de bewijsmiddelen. Meer specifiek merkt de rechtbank ten aanzien van het (intieme) contact nog het volgende op. Aangeefster heeft hierover bij de rechter-commissaris verklaard dat dat heeft plaatsgevonden, maar dat ze niet wist wat ze moest doen om het rustig te houden. En uit berichten in het dossier is ook af te leiden dat verdachte (intiem) contact inzet in gesprekken rond de omgang met de kinderen. Dat intiem contact heeft plaatsgevonden doet tegen die achtergrond dan ook niet af aan de vaststelling dat aangeefster vanaf februari 2024 geen contact meer wenste.
De gedragingen van verdachte hebben gedurende een lange periode zeer frequent plaatsgevonden. De gesprekken en berichten zijn vaak indringend van aard en daarnaast heeft verdachte aangeefster meerdere malen mishandeld en bedreigd en auto’s van haar beschadigd. Ook de omgeving van aangeefster betrok hij daarbij door (op dreigende wijze) contact met hen op te nemen, zowel telefonisch als fysiek. Verdachte controleerde aangeefster door trackers te plaatsen, ging veelvuldig bij haar woning langs en achtervolgde haar. Hij wilde het leven van aangeefster controleren, mede door regels te stellen over hoe zij volgens hem moest leven. De rechtbank is van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de voornoemde gedragingen, de omstandigheden waaronder zij hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van aangeefster – naar objectieve maatstaven bezien – zodanig zijn geweest dat sprake is geweest van een stelselmatige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer.
De rechtbank acht daarom wettig en overtuigen bewezen dat verdachte aangeefster heeft belaagd op de wijze zoals genoemd in de bewezenverklaring.
Feiten 2 en 3
De rechtbank acht het onder feiten 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen op grond van de inhoud van de volgende bewijsmiddelen:
Feit 2
Feit 3
Gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering zijn de hiervoor genoemde bewijsmiddelen niet uitgewerkt.
De bewezenverklaring.
met het oogmerk die [slachtoffer 1] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:
t.a.v. feit 1:
in de periode van 9 februari 2024 tot en met 27 december 2025 in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] , door
- veelvuldig (onder meer) denigrerende, intimiderende en/of (be)dreigende berichten naar voornoemde [slachtoffer 1] te sturen,
- regels vast te stellen hoe voornoemde [slachtoffer 1] moet leven, waaronder dat zij geen contact met andere mannen mag hebben,
- op intimiderende, (be)dreigende en/of gewelddadige wijze contact opnemen met personen in de omgeving van voornoemde [slachtoffer 1] ,
- trackers te plaatsen in/onder/aan het voertuig van voornoemde [slachtoffer 1] ,
- het voertuig van voornoemde [slachtoffer 1] te beschadigen,
- zich in de directe omgeving, zowel bij de woning als op het werk, van voornoemde [slachtoffer 1] op te houden, en voornoemde [slachtoffer 1] te achtervolgen, en
- voornoemde [slachtoffer 1] te mishandelen,
t.a.v. feit 2:
op 25 december 2025 in Nederland [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen "jij gaat dood, jij gaat kankerkapot";
t.a.v. feit 3:
in de periode van 23 december 2025 tot en met 27 december 2025 in Nederland [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen "ik ga jullie vangen, iedereen gaat kapot. Ik ga jouw vinger afknippen" en "jullie gaan er allemaal aan, ik maak jullie allemaal kapot".
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf en/of maatregel.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren en met als bijzondere voorwaarden een contact- en locatieverbod. Daarbij heeft de officier van justitie de dadelijke uitvoerbaarheid gevorderd.
Verder heeft de officier van justitie de oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr) gevorderd, inhoudende een contact- en locatieverbod met aangeefster en haar familie, met een vervangende hechtenis van 1, 2 en 3 maand(en) voor de respectievelijk eerste, tweede en derde keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 maanden. Daarbij heeft de officier van justitie de dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel gevorderd.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft verzocht om de door de officier van justitie gevorderde straf te matigen, gezien de bepleite partiële vrijspraak voor feit 1 en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan. Volgens de raadsman dient de focus te liggen op recidivebeperking en is om die reden een voorwaardelijke straf het meest passend.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich gedurende bijna twee jaar schuldig gemaakt aan belaging van [slachtoffer 1] . Na het verbreken van de relatie door aangeefster begin februari 2024 heeft hij haar op intensieve en zeer indringende wijze lastiggevallen door haar onder andere veelvuldig berichten te sturen, trackers in/onder haar auto te plaatsen, haar te mishandelen (ook in het bijzijn van hun kinderen) en door via derden, waaronder haar familie, contact met haar te zoeken. Ook het contact met de familieleden was indringend en dreigend van aard. Aangeefster heeft in die periode vele malen duidelijk kenbaar gemaakt dat zij wilde dat het stopte, maar verdachte heeft zich daar niks van aangetrokken en is gedurende lange tijd doorgegaan met het zoeken van contact, (be)dreigen en het stellen van eisen aan het gedrag van aangeefster op verschillende gebieden. Hij deed dit zelfs in het bijzijn van hun jonge kinderen en betrok de kinderen ook in zijn negatieve gedrag richting aangeefster. In die periode heeft verdachte zich ook schuldig gemaakt aan bedreiging van de vader van aangeefster, [slachtoffer 2] . Door zo te handelen heeft verdachte niet alleen grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en het veiligheidsgevoel van zijn ex-partner, maar ook op haar familie. Hij heeft alles in werking gesteld om controle te krijgen en houden op alle facetten van het leven van aangeefster. Dat de stalking vergaande gevolgen voor aangeefster heeft gehad en dat zij nog steeds angst en gevoelens van onveiligheid ervaart, blijkt ook uit de slachtofferverklaring. Verdachte heeft geen enkel oog gehad voor de impact die zijn gedragingen hadden op het dagelijkse leven van aangeefster, haar familie en hun kinderen. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
Persoon van verdachte
Kijkend naar de persoon van verdachte, heeft de rechtbank gelet op het strafblad van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De rechtbank ziet in het strafblad van verdachte dan ook geen strafverzwarende omstandigheden.
In het nadeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat verdachte ter terechtzitting op geen enkele manier blijk van inzicht heeft gegeven in de ernst van zijn gedragingen en geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn eigen gedrag door overal een weerwoord op te hebben en de schuld juist bij aangeefster te leggen.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 31 juli 2026. De reclassering concludeert dat uit informatie van Veilig Thuis blijkt dat er eerder meldingen zijn geweest van huiselijk geweld door verdachte tegen een andere ex-partner, waardoor een gedragspatroon niet kan worden uitgesloten. Verdachte omschrijft zijn gedrag als “onhandig en vanuit emotie”. Volgens verdachte wordt een vergrootglas op zijn handelen gelegd doordat ‘vrouwendingen’ en femicide tegenwoordig grote maatschappelijke thema’s zijn. De reclassering beschikt over onvoldoende informatie om tot een gedegen risicotaxatie te komen, maar benadrukt dat uit het dossier zorgelijke signalen naar voren komen. Zo komt uit de CCB-analyse (Conflict- en Crisisbeheersing) een hoog dreigingsrisico naar voren en wordt het verlies van het gezag over zijn jongste kinderen als risicoverhogend gezien. Bij een bewezenverklaring ziet de reclassering daarom secundair een hoog risico en acht beschermingsmaatregelen noodzakelijk. Met de beschikbare informatie kan de reclassering niet adviseren of interventies en/of toezicht nodig zijn. Bij een veroordeling tot een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf adviseert de reclassering een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.
Gevangenisstraf
De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de feiten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur rechtvaardigt. Nu verdachte de ernst van zijn gedragingen, voor zover hij die erkent, lijkt te bagatelliseren en er uit het dossier zorgelijke signalen naar voren komen wat betreft partnergeweld, ziet de rechtbank aanleiding om een deels voorwaardelijke straf op te leggen. De rechtbank heeft slechts beperkt zicht op de persoon van verdachte, omdat hij geen medewerking wilde verlenen aan een trajectconsult en daardoor geen gedragskundig onderzoek tot stand heeft kunnen komen. Ook bij de reclassering heeft verdachte niet het achterste van zijn tong laten zien. Om die reden zal de rechtbank een ‘kaal’ voorwaardelijk strafdeel opleggen, maar wel met lange proeftijd. Het contact- en locatieverbod zal de rechtbank niet als bijzondere voorwaarden opnemen maar opleggen als 38v-maatregel, zoals hierna wordt omschreven.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 30 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren passend en geboden.
De rechtbank legt een lichtere straf op dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.
Vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr
Om aangeefster en haar familie te beschermen en tegemoet te komen aan hun gevoelens van onveiligheid, zal de rechtbank tot slot aan verdachte de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr opleggen voor de duur van 5 jaren. Deze maatregel houdt in dat verdachte zich zal onthouden van direct of indirect contact met aangeefster en haar familie (moeder, stiefvader, vader, stiefmoeder en zus) en dat verdachte zich niet zal ophouden in de gebieden zoals vermeld in het dictum. De rechtbank zal daarbij de vervangende hechtenis stellen op 1 maand per overtreding, met een maximum van 6 maanden. De rechtbank vindt een contactverbod met de opa en oma van aangeefster, zoals door de officier van justitie is gevorderd, te verstrekkend, gelet op de beperkte contacten met hen die uit het dossier naar voren komen.
Gelet op de aard van de bewezenverklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de risico-inschatting van de reclassering, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen. De rechtbank zal daarom bevelen dat de 38v-maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Beslag.
De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen telefoon (Apple iPhone 17 Pro) vatbaar is voor verbeurdverklaring, omdat dit een voorwerp is met behulp van welke feit 1 is begaan en dit voorwerp ten tijde van het begaan van het feit aan verdachte toebehoorde.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
14a, 14b, 14c, 33, 33a, 38v, 38w, 57, 285, 285b Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
- verklaart het onder feit 1, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
t.a.v. feit 1:
belaging
t.a.v. feit 2:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
t.a.v. feit 3:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling
De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straffen en maatregel:
T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3:
Een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 6 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 5 jaren.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3:
Een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 5 jaren, inhoudende dat veroordeelde wordt bevolen:
- zich te onthouden van - direct of indirect - contact met
o [slachtoffer 1] , geboren op [1995] ;
o [naam 1] , geboren op [1970] ;
o [naam 2] , geboren op [1964] ;
o [slachtoffer 2] , geboren op [1966] ;
o [naam 3] , geboren op [1974] ;
o [naam 4] (zus).
- zich niet te bevinden of op te houden in:
o de bebouwde kom van [plaats] (overeenkomstig de aan het vonnis gehechte kaart);
o het [sportpark] aan de [adres 1] ;
o [adres 2]
o [adres 3] ;
o [adres 4] .
De rechtbank beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 maand voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
De rechtbank beveelt dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen goed, te weten:
1 STK GSM ( Apple iPhone 17 Pro oranje, PL2100-2025291918-2427221 ).
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A. Bernsen, voorzitter,
mr. A.E. de Kryger en mr. T.J. Roest Crollius, leden,
in tegenwoordigheid van mr. M.A.I.A. Aarts, griffier,
en is uitgesproken op 8 september 2026.